Engelenwijsheid

over de Goddelijke Liefde en Wijsheid.

Amsterdam 1763, door Emanuel Swedenborg

 

 

 

 

 

 

TOP

1. DE LIEFDE IS HET LEVEN VAN DE MENSEN.

4. GOD ALLEEN, DUS DE HEER, IS DE LIEFDE ZELF, OMDAT HIJ HET LEVEN ZELF IS; EN ENGELEN EN MENSEN ZIJN DE OPNEMENDEN VAN DIT LEVEN.

7. HET GODDELIJKE IS NIET IN DE RUIMTE.

11. GOD IS DE MENS ZELF.

14. ZIJN EN BESTAAN ZIJN IN GOD-MENS ONDERSCHEIDEN ÉÉN.

17. IN GOD-MENS ZIJN ONEINDIGE DINGEN ONDERSCHEIDEN ÉÉN.

23. ER IS ÉÉN GOD-MENS, UIT WIE ALLE DINGEN ZIJN.

28. HET GODDELIJK WEZEN ZELF IS DE LIEFDE EN DE WIJSHEID.

34. DE GODDELIJKE LIEFDE IS VAN DE GODDELIJKE WIJSHEID EN DE GODDELIJKE WIJSHEID IS VAN DE GODDELIJKE LIEFDE.

40. GODDELIJKE LIEFDE EN GODDELIJKE WIJSHEID ZIJN SUBSTANTIE EN ZIJN VORM.

44. GODDELIJKE LIEFDE EN GODDELIJKE WIJSHEID ZIJN IN ZICH DE SUBSTANTIE EN DE VORM, DUS HET ZELF EN HET ENIGE.

47. GODDELIJKE LIEFDE EN GODDELIJKE WIJSHEID KAN NIET ANDERS DAN ZIJN EN BESTAAN IN ANDERE, UIT ZICH GESCHAPENEN.

52. ALLE DINGEN IN HET HEELAL ZIJN UIT DE GODDELIJKE LIEFDE EN DE GODDELIJKE WIJSHEID DOOR GOD-MENS GESCHAPEN.

55. ALLES IN HET GESCHAPEN HEELAL IS OPNEMEND VAN DE GODDELIJKE LIEFDE EN DE GODDELIJKE WIJSHEID UIT GOD-MENS.

61. ALLE DINGEN DIE GESCHAPEN ZIJN, HEBBEN IN EEN ZEKER BEELD BETREKKING OP DE MENS.

65. DE NUTTEN VAN ALLE DINGEN DIE GESCHAPEN ZIJN, KLIMMEN OP DOOR GRADEN UIT DE LAATSTE DINGEN TOT AAN DE MENS EN DOOR DE MENS TOT GOD DE SCHEPPER, DE BRON VAN ALLES.

69. HET GODDELIJKE VULT ALLE RUIMTEN VAN HET HEELAL ZONDER RUIMTE.

73. HET GODDELIJKE IS IN ALLE TIJD ZONDER TIJD.

77. HET GODDELIJKE IS IN DE GROOTSTE EN IN DE KLEINSTE DINGEN HETZELFDE.

TOP

DEEL 2

83. DE GODDELIJKE LIEFDE EN DE GODDELIJKE WIJSHEID VERSCHIJNEN IN DE GEESTELIJKE WERELD ALS ZON.

89. VANUIT DE ZON DIE VANUIT DE GODDELIJKE LIEFDE EN DE GODDELIJKE WIJSHEID BESTAAT, GAAT WARMTE EN LICHT VOORT.

93. DIE ZON IS NIET GOD, MAAR ZIJ IS HET VOORTGAANDE VANUIT DE GODDELIJKE LIEFDE EN GODDELIJKE WIJSHEID VAN GOD-MENS; ZOALS DE WARMTE EN HET LICHT VANUIT DIE ZON.

99. DE GEESTELIJKE WARMTE EN HET GEESTELIJK LICHT UIT HET VOORTGAANDE UIT DE HEER ALS ZON MAKEN ÉÉN, ZOALS DE GODDELIJKE LIEFDE EN DE GODDELIJKE WIJSHEID VAN HEMZELF ÉÉN MAKEN.

103. DE ZON VAN DE GEESTELIJKE WERELD VERSCHIJNT OP GEMIDDELDE HOOGTE OP EEN AFSTAND VAN DE ENGELEN, ZOALS DE ZON VAN DE NATUURLIJKE WERELD VAN DE MENSEN.

108. DE AFSTAND TUSSEN DE ZON EN TUSSEN DE ENGELEN IN DE GEESTELIJKE WERELD IS EEN SCHIJNBAARHEID VOLGENS DE OPNEMING VAN DE GODDELIJKE LIEFDE EN GODDELIJKE WIJSHEID DOOR HEN.

113. DE ENGELEN ZIJN IN DE HEER EN DE HEER IS IN HEN; EN OMDAT DE ENGELEN OPNEMENDEN ZIJN, IS DE HEER ALLEEN DE HEMEL.

119. IN DE GEESTELIJKE WERELD IS HET OOSTEN WAAR DE HEER ALS ZON VERSCHIJNT EN DE OVERIGE STREKEN ZIJN DAARUIT.

124. DE STREKEN IN DE GEESTELIJKE WERELD ZIJN NIET UIT DE HEER ALS ZON MAAR ZIJ ZIJN UIT DE ENGELEN VOLGENS HUN OPNEMING.

129. DE ENGELEN KEREN HUN AANGEZICHT BIJ VOORTDUUR TOT DE HEER ALS ZON DAAR EN DUS HEBBEN ZIJ HET ZUIDEN AAN DE RECHTERZIJDE, HET NOORDEN AAN DE LINKER- EN HET WESTEN AAN DE RUGZIJDE.

135. ALLE INNERLIJKE DINGEN, ZOWEL VAN HET GEMOED ALS VAN HET LICHAAM VAN DE ENGELEN ZIJN TOT DE HEER ALS NAAR DE ZON GEKEERD.

140. IEDERE GEEST, HOEDANIG HIJ OOK IS, KEERT ZICH OP DEZELFDE WIJZE  TOT ZIJN REGERENDE LIEFDE.

146. DE GODDELIJKE LIEFDE EN DE GODDELIJKE WIJSHEID, DIE VOORTGAAN UIT DE HEER ALS ZON, MAKEN DE WARMTE EN HET LICHT IN DE HEMEL, EN HET GODDELIJK VOORTGAANDE, WAT DE HEILIGE GEEST IS.

151. DE HEER HEEFT HET HEELAL EN ALLE DINGEN ERVAN DOOR MIDDEL VAN DE ZON, DIE HET EERSTE VOORTGAANDE VAN DE GODDELIJKE LIEFDE EN GODDELIJKE WIJSHEID IS, GESCHAPEN.

157. DE ZON VAN DE NATUURLIJKE WERELD IS ZUIVER VUUR EN VANDAAR DOOD, EN DE NATUUR, OMDAT DIE VANUIT DIE ZON DE OORSPRONG LEIDT, IS EVENEENS DOOD.

163. ZONDER BEIDE ZONNEN, DE ENE LEVEND EN DE ANDERE DOOD, IS ER NIET EEN SCHEPPING.

16HET DOEL VAN DE SCHEPPING BESTAAT IN LAATSTEN: DAT ALLE DINGEN TERUGKOMEN TOT DE SCHEPPER EN DAT ER VERBINDING ZAL ZIJN.

DEEL 3 / DEEL 4 / DEEL 5

worden momenteel voorbereid ter publikatie op interneten volgen weldra.

TOP

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

TOP

DE LIEFDE IS HET LEVEN VAN DE MENSEN.

1. De mens weet dat de liefde bestaat, maar hij weet niet wat de liefde is. Hij weet dat de liefde bestaat vanuit het gewone spraakgebruik, zoals wanneer gezegd wordt: ‘hij heeft mij lief, de koning heeft de onderdanen lief en de onderdanen hebben de koning lief, dat de echtgenoot de echtgenote liefheeft en de moeder de kinderen, en omgekeerd’. Voorts, ‘dat iemand het vaderland, de medeburgers, de naaste liefheeft’; eveneens over dingen geabstraheerd van de persoon, zoals ‘dat hij dit of dat liefheeft’. Maar hoewel het woord liefde zo universeel is in de spraak, weet toch nauwelijks iemand wat liefde is. Als hij erover nadenkt zegt hij, omdat hij er zich niet enige gedachte over kan vormen, ofwel dat het niet iets is, ofwel dat het alleen iets is dat invloeit vanuit gezicht, gehoor, tast en conversatie en hem zo aandoet. Hij weet in het geheel niet dat dit het leven zelf van hem is, niet slechts het leven in het algemeen, van zijn gehele lichaam en het gezamenlijke leven van al zijn gedachten, maar ook het leven van al de afzonderlijke dingen ervan. Dit kan de wijze mens inzien wanneer gezegd wordt: indien men de aandoening, die van de liefde is, verwijdert, kunt u dan iets denken, en kunt u dan iets doen? Worden gedachten, conversaties en handelingen niet koud in de mate waarin de aandoening, die van de liefde is, koud wordt? En worden die niet warm naar de mate waarin de aandoening warm wordt. Maar deze dingen doorvat de wijze niet vanuit de kennis dat de liefde het leven van de mens is, maar uit de eenvoudige waarneming dat het zo geschiedt.

 

2. Niemand weet wat het leven van de mens is, tenzij hij weet dat het de liefde is. Indien hij dit niet weet, kan de een geloven dat het leven van de mens slechts gewaarworden met de zintuigen is en handelen, en de ander kan geloven dat het om het denken gaat, terwijl toch het denken de eerste uitwerking van het leven is, en de gewaarwording en de handeling de tweede uitwerking is van het leven. Gezegd wordt dat het denken de eerste uitwerking van het leven is, maar er is een meer en minder innerlijk denken, verder ook een meer en minder uiterlijk denken. Het binnenste denken, wat het doorvatten van de einddoelen is, is daadwerkelijk de eerste uitwerking van het leven. Maar over deze dingen meer hierna, waar over de graden van het leven wordt gehandeld.

 

3. Enig idee over de liefde, dat die het leven van de mens is, kan men hebben vanuit de warmte van de zon in de wereld. Het is bekend dat de zon het algemene leven is van alle vegetatie van de aarde. Want vanuit die warmte, die, als ze opkomt in de lentetijd, verrijzen planten van elk geslacht uit de grond en worden met bladeren getooid, daarna met bloemen, en tenslotte met vruchten, en leven zo als het ware. Maar wanneer de warmte terugtreedt, wat gebeurt in de herfst en de winter, worden zij ontdaan van die tekenen van hun leven, en verwelken. Eender is het met de liefde bij de mens, want zij stemmen onderling met elkaar overeen; en daarom ook is de liefde warm.

 

TOP

4. GOD ALLEEN, DUS DE HEER, IS DE LIEFDE ZELF, OMDAT HIJ HET LEVEN ZELF IS; EN ENGELEN EN MENSEN ZIJN DE OPNEMENDEN VAN DIT LEVEN.

 Dit zal in de Verhandelingen over de ‘Goddelijke Voorzienigheid’ en over de Leer over het Leven voor Nova Hierosolyma’, met veel dingen worden verklaard; hier is het voldoende te zeggen dat de Heer, die de God van het heelal is, ongeschapen en oneindig is; de mens en de engel echter zijn geschapen en eindig. En omdat de Heer ongeschapen en oneindig is, is Hij het Zijn zelf, dat Jehovah wordt genoemd en is Hij het Leven zelf of het Leven in zich. Vanuit het ongeschapene, het oneindige, het Zijn zelf en het Leven zelf kan niet iemand onmiddellijk geschapen worden, omdat het Goddelijke één is en niet verdeeld, maar het moet zijn vanuit de geschapen en de eindige dingen, dus de vormen, opdat daarin het Goddelijke kan zijn. Omdat mensen en engelen zodanig zijn, zijn zij de opnemenden van het leven. En indien daarom enig mens zich met het denken tot daartoe laat misleiden, dat hij niet een opnemende van het leven is, maar het leven zelf, kan hij niet worden afgehouden van de gedachte dat hij God is. Dat de mens gewaarwordt alsof hij het leven is, en vandaar ook gelooft dat hij het is, komt vanuit begoocheling; want in de instrumentale oorzaak wordt de principale oorzaak niet anders ervaren dan zoals één met zichzelf. Dat de Heer het Leven in zich is, leert Hijzelf bij Johannes: ‘Gelijk als de Vader het leven heeft in zichzelf, alzo heeft Hij ook de Zoon gegeven, het leven te hebben in zichzelf’,  (Johannes 5:26); en dat Hij: ‘het Leven zelf is’, (Johannes 11:25;14:6). Omdat nu het Leven en de Liefde één zijn, zoals in bovengezegde dingen eerder is gezegd, nrs. 1 en 2, volgt dat de Heer, omdat Hij het Leven zelf is, de Liefde zelf is.

 

5. Maar opdat dit in het verstand kan vallen, moet men in ieder geval weten dat de Heer, omdat Hij de Liefde in haar wezen zelf is, dat wil zeggen, de Goddelijke Liefde, voor de engelen in de hemel verschijnt zoals een Zon, en dat vanuit die Zon de warmte en het licht voortgaat, en dat de warmte, die daaruit voortgaat, in haar wezen liefde is, en het licht dat  daaruit voortgaat, in haar wezen wijsheid is; en dat de engelen voor zoveel zij opnemen van die geestelijke warmte en van dat geestelijk licht, liefde en wijsheden zijn; niet liefden en wijsheden uit zich, maar uit de Heer. Die geestelijke warmte en dat geestelijk licht vloeien niet slechts in bij de engelen en doen die aan, maar zij vloeien ook in bij de mensen en doen die aan, geheel in die mate dat zij opnemenden worden; en opnemenden worden zij volgens de liefde van hen in de Heer en de liefde jegens de naaste. Die Zon zelf, of de Goddelijke liefde, kan niet door haar warmte en door haar licht iemand scheppen, onmiddellijk vanuit zich, want zo zou zo’n schepsel de Liefde in haar wezen zijn, en dit is de Heer zelf, maar zij kan scheppen vanuit substanties en materies, die zo gevormd zijn dat ze de warmte zelf en het licht zelf kunnen opnemen. Vergelijkenderwijs zoals de zon van de wereld niet door de warmte en het licht onmiddellijk ontkiemingen in de aarde kan voortbrengen, maar vanuit de materies van de aardbodem, waarin zij aanwezig kan zijn door de warmte en het licht en vegetatie geven. Dat de Goddelijke liefde van de Heer als Zon verschijnt in de geestelijke wereld, en dat vanuit die Zon de geestelijke warmte en het geestelijk licht voortgaat, waarvanuit de engelen de liefde en de wijsheid hebben, kan men zien in het werk ‘Hemel en Hel’, nrs. 116 tot 140.

 

6. Daar dus de mens niet het leven zelf is, maar een opnemende van het leven, zo volgt daaruit, dat de ontvangenis van de mens uit de vader niet is de ontvangenis van het leven, maar slechts de ontvangenis van de eerste en zuiverste vorm die het leven kan opnemen,  waartoe, als aan een weefdraad of beginpunt in de baarmoeder, achtereenvolgens de substanties en de materies toetreden in vormen die tot de opneming van het leven in hun orde en in hun graad zijn aangepast.

 

TOP

7. HET GODDELIJKE IS NIET IN DE RUIMTE.

 Dat het Goddelijke of God niet in de ruimte is, hoewel alomtegenwoordig, en bij  ieder willekeurig mens in de wereld en bij iedere willekeurige engel in de hemel en bij  iedere geest onder de hemel, kan met een louter natuurlijk idee niet begrepen worden, maar met de geestelijke idee kan dit wel. Dat dit met de natuurlijke idee niet kan worden begrepen, is omdat daarin de ruimte is; want zij is gevormd vanuit zulke dingen die in de wereld zijn, waarin in alle en de afzonderlijke dingen, met de ogen gezien, ruimte is. Elk grote en kleine daar is van de ruimte; elke lengte, breedte en hoogte daar is ruimte; in één woord, elke maat, figuur en vorm is van de ruimte. Daarom is gezegd dat het met de louter natuurlijke idee niet kan worden begrepen dat het Goddelijke niet in de ruimte is, wanneer gezegd wordt dat het waar dan ook is. Niettemin kan de mens dit met het natuurlijke denken begrijpen, mits hij daarin iets van het geestelijk licht toelaat; en daarom zal eerst iets worden gezegd over de geestelijke idee en daarna over het geestelijk denken. De geestelijke idee ontleent niet iets vanuit de ruimte maar zij ontleent alles vanuit haar staat. Staat wordt gezegd van de liefde, van het leven, van de wijsheid, van de aandoeningen en van de vreugden daaruit; in het algemeen van het goede en van het ware. Een waarlijk geestelijk idee over die dingen heeft niets gemeen met ruimte; zij is hoger en beziet de ideeën van de ruimte onder zich zoals de hemel de aarde beziet. Maar omdat engelen en geesten met de ogen zien net als de mensen in de wereld, en voorwerpen niet gezien kunnen worden tenzij in ruimte, verschijnen daarom in de geestelijke wereld, waar geesten en engelen zijn, ruimten eender aan ruimten op aarde, maar toch zijn het niet ruimten, maar schijnbaarheden. Want zij zijn niet vast en constant zoals op aarde, ze kunnen namelijk verlengd en samengetrokken worden, ze kunnen veranderd en gevarieerd worden; en omdat ze zo niet met een maat kunnen worden bepaald, kunnen ze daar niet met enige natuurlijke idee, maar alleen met een geestelijk idee begrepen worden; en deze is ten aanzien van afstanden van ruimte niet een andere dan zoals over afstanden van het goede of van het ware, want verwantschappen en gelijkenissen zijn volgens de staten ervan.

 

8. Hieruit kan vaststaan dat de mens vanuit de louter natuurlijke idee niet kan begrijpen dat het Goddelijke overal is en toch niet in de ruimte; en dat engelen en geesten dit wel helder begrijpen; bijgevolg dat ook de mens het kan, mits hij in zijn denken iets van het geestelijk licht toelaat. De oorzaak dat de mens het kan begrijpen, is omdat niet het lichaam van hem denkt, maar de geest van hem: dus niet het natuurlijke van hem, maar zijn geestelijke.

 

9. Dat echter velen dit niet begrijpen, is omdat zij het natuurlijke liefhebben, en daarom het denken van hun verstand niet boven dit willen verheffen in het geestelijk licht; en wie niet willen, die kunnen alleen vanuit ruimte denken, ook over God; en denken over God vanuit ruimte is denken over het uitgestrekte van de natuur. Dit moet vooraf gezegd worden, omdat zonder de wetenschap en enige doorvatting dat het Goddelijke niet in ruimte is, niet iets kan worden verstaan over het Goddelijk Leven, dat de Liefde en de Wijsheid is, waarover hier gehandeld wordt; en vandaar weinig, indien al iets, over de Goddelijke Voorzienigheid, de Alomtegenwoordigheid, de Alwetendheid, de Almacht, de Oneindigheid, en de Eeuwigheid, waarover in een reeks gehandeld moet worden.

 

10. Er is gezegd dat in de geestelijke wereld net als in de natuurlijke wereld ruimten verschijnen en dus ook afstanden; maar dat die schijnbaarheden zijn volgens de geestelijke verwantschappen, die van de liefde en van de wijsheid, of van het goede of van het ware zijn. Vandaar is het dat de Heer, hoewel Hij in de hemelen bij de engelen overal is, niettemin hoog boven hen als Zon verschijnt; en omdat de opneming van de liefde en de wijsheid verwantschap met Hemzelf maakt, verschijnen daarom de hemelen waar de engelen in nadere verwantschap vanuit hun opneming zijn, Hemzelf nader dan wie in een meer verwijderde opneming zijn. Daarvanuit is het ook dat de hemelen, waarvan er drie zijn, van elkaar onderscheiden zijn; eender de gezelschappen van elke willekeurige hemel; voorts dat de hellen daaronder, verwijderd zijn volgens de verwerping van de liefde en de wijsheid. Het is eender met de mensen, in wie en bij wie de Heer tegenwoordig is in het gehele wereldrond; en dit enig en alleen vanuit de oorzaak omdat de Heer niet in ruimte is.

 

TOP

11. GOD IS DE MENS ZELF.

 In alle hemelen is geen ander idee van God dan de idee van de Mens. De oorzaak is omdat de hemel in zijn geheel en in deel in de vorm is zoals een Mens, en het Goddelijke dat bij de engelen is, de hemel maakt; en het denken gaat volgens de vorm van de hemel; en daarom is anders denken over God voor de engelen onmogelijk. Vandaar is het dat allen die in de wereld verbonden zijn met de hemel, eender over God denken wanneer zij innerlijk in zich of in hun geest denken. Daarvanuit, dat God is Mens, zijn alle engelen en alle geesten in volmaakte vorm mensen; de vorm van de hemel maakt dit, en deze is in grootste en in kleinste aan zichzelf eender. Dat de hemel in zijn geheel en in deel in de vorm als een mens is, kan worden gezien in het werk ‘Hemel en Hel’, nrs. 59 tot 87; en dat het denken gaat volgens de vorm van de hemel, nrs. 203, 204. Dat de mensen tot een beeld en tot een gelijkenis van God geschapen zijn, is bekend vanuit (Genesis 1:26,27), voorts dat God aan Abraham en aan anderen als Mens verschenen is. De ouden, van de wijzen tot de eenvoudigen toe, hebben niet anders over God, dan als over een Mens gedacht; en tenslotte, toen zij verscheidene goden begonnen te vereren, zoals in Athene en Rome, vereerden zij dezen als mensen. Deze dingen kunnen worden verlicht door een uittreksel van een zekere verhandeling: ‘De natiën, vooral de Afrikanen, die één God, Schepper van het heelal, erkennen en vereren, hebben de idee van een Mens over God. Zij zeggen dat niemand een ander idee over God kan hebben. Wanneer zij horen dat velen over God de idee koesteren zoals van een wolkje ergens in het midden, vragen zij waar die mensen zijn; en wanneer gezegd wordt dat zij tussen de Christenen zijn, ontkennen zij dat dit kan bestaan. Maar geantwoord wordt dat die personen een zodanige idee hebben daarvanuit, dat God in het Woord een Geest wordt genoemd, en over de geest denken zij niet anders dan zoals over een wolkdeeltje, omdat ze niet weten dat elke geest en elke engel mens is. Niettemin is onderzocht of de geestelijke idee van die personen eender is aan hun natuurlijke idee, en het is bevonden dat zij niet eender is bij degenen die de Heer voor de God van hemel en aarde innerlijk erkennen. Ik heb een zekere presbyter vanuit de Christenen horen zeggen dat niemand een idee kan hebben van het Goddelijk Menselijke; en ik heb hem zien overbrengen tot verschillende natiën, achtereenvolgens tot meer en meer innerlijke, en daaruit tot de hemelen ervan, en tenslotte tot de Christelijke hemel; en er werd overal vergemeenschapping van de innerlijke doorvatting van hen over God gegeven, en hij bemerkte dat die niet een andere idee van God hadden dan de idee van de Mens, welke dezelfde is als de idee van het Goddelijk Menselijke.

 

12. De volkse idee in het Christendom over God is als over een Mens, omdat God Persoon wordt genoemd in de Leer van Athanasius over de Drievuldigheid; maar degenen die wijzer zijn dan  het gewone volk, verklaren openlijk God onzichtbaar; wat geschiedt omdat zij niet kunnen begrijpen hoe God als Mens de hemel en de aarde zou hebben kunnen scheppen, verder ook het heelal vullen met Zijn tegenwoordigheid, en meer dingen die niet in het verstand kunnen vallen zolang niet geweten wordt dat het Goddelijke niet in de ruimte is. Degenen echter die tot de Heer alleen gaan, denken het Goddelijk Menselijke, dus God als Mens.

 

13. Van hoe groot belang het is een juist idee van God te hebben, kan vaststaan daarvanuit dat de idee van God het binnenste van het denken maakt bij allen die religie hebben; want alle dingen van de religie en alle dingen van de eredienst schouwen tot God; en omdat God universeel en afzonderlijk is in alle dingen van de religie en van de eredienst, kan er daarom, tenzij er een juist idee van God is, geen verbinding met de hemelen zijn. Vandaar is het dat aan elke willekeurige natie in de geestelijke wereld een plaats wordt toegewezen volgens de idee van God als Mens; want hierin is de idee van de Heer, en niet in een andere. Dat de staat van het leven voor de mens na de dood is volgens de, bij zich bevestigde, idee van God, wordt duidelijk uit het tegenovergestelde ervan, namelijk dat de ontkenning van God, en in het Christendom de ontkenning van de Goddelijkheid van de Heer, de hel maakt.

 

TOP

14. ZIJN EN BESTAAN ZIJN IN GOD-MENS ONDERSCHEIDEN ÉÉN.

 Waar Zijn is, daar is Bestaan; het een is er niet zonder het ander; want Zijn is er door middel van Bestaan, en niet zonder dit. Dit begrijpt het redelijke verstand als het denkt of er enig Zijn kan zijn dat niet Bestaat, en of er Bestaan kan zijn tenzij uit Zijn. En omdat het een er met het ander en niet zonder het ander is, volgt dat zij één zijn, maar onderscheiden één. Zij zijn onderscheiden één zoals de liefde en de wijsheid; de liefde is ook Zijn, en de wijsheid is Bestaan, want de liefde is er niet tenzij in de wijsheid, noch de wijsheid tenzij vanuit de liefde; en daarom, wanneer de liefde in de wijsheid is, dan Bestaat zij. Deze twee zijn zodanig één dat zij weliswaar met het denken onderscheiden kunnen worden, maar niet metterdaad. En omdat zij onderscheiden kunnen worden met het denken en niet in hun handelen, wordt daarom gezegd ‘onderscheiden één’. Zijn en Bestaan in God-Mens zijn ook onderscheiden één zoals ziel en lichaam; de ziel is er niet zonder haar lichaam, noch het lichaam zonder zijn ziel. Het is de Goddelijke Ziel van God-Mens, die wordt verstaan onder Goddelijk Zijn; en het Goddelijk Lichaam, dat wordt verstaan onder Goddelijk Bestaan. Dat de ziel kan bestaan zonder lichaam, en denken en wijs zijn, is een dwaling die voortvloeit vanuit begoochelingen; want de ziel van elk mens is in een geestelijk lichaam nadat zij de stoffelijke omhulsels heeft afgeworpen die zij in de wereld ronddroeg.

 

15. Dat Zijn niet Zijn is tenzij het Bestaat, is omdat het niet daarvóór in een vorm is, en indien het niet in een vorm is heeft het niet een hoedanigheid, en hetgeen niet een hoedanigheid heeft, is niet iets. Dat wat vanuit Zijn bestaat, maakt één daarmee door de rede dat het is vanuit Zijn. Vandaar is er de vereniging in één, en vandaar is het dat het een van het andere is wederzijds en beurtelings; voorts dat het een het al is in alle dingen van het ander zoals in zichzelf.

 

16. Vanuit deze beschouwingen kan vaststaan dat God is Mens, en dat Hij daardoor is God, de Bestaande, niet bestaand úit Zich, maar ín Zich. Wie in Zichzelf bestaat, is God vanuit Wie alle dingen zijn.

 

TOP

17. IN GOD-MENS ZIJN ONEINDIGE DINGEN ONDERSCHEIDEN ÉÉN.

Het is bekend dat God oneindig is, want Hij wordt de Oneindige genoemd; maar Hij wordt de Oneindige genoemd omdat Hij oneindig is. Hij is niet oneindig, alleen daarvanuit dat Hij het Zijn zelf en het Bestaan zelf in Zich is, maar omdat oneindige dingen in Hemzelf zijn. Het Oneindige zonder oneindige dingen in Hem is het oneindige niet, tenzij alleen in naam. Over de oneindige dingen in Hem kan niet ‘oneindig vele’ worden gezegd of ‘oneindig alle’, vanwege de natuurlijke idee over oneindig en alle. Want de natuurlijke idee over ‘oneindig vele’ is beperkt, en ‘oneindig alle’ hoewel onbeperkt, wordt toch afgeleid vanuit de beperkte dingen in het heelal. En daarom kan de mens, omdat hij een natuurlijk idee heeft, niet door sublimatie of benadering komen in de doorvatting over de oneindige dingen in God; maar de engel kan, omdat hij in de geestelijke idee is, door sublimatie en benadering komen boven de graad van de mens, evenwel niet tot de werkelijke doorvatting.

 

18. Dat oneindige dingen in God zijn, kan eenieder bij zich bevestigen die gelooft dat God is Mens; en omdat Hij Mens is, heeft Hijzelf een Lichaam, en al wat van het lichaam is. Dus heeft Hij een aangezicht, een borst, een onderlichaam, lendenen, voeten, immers zonder die zou Hij niet Mens zijn; en omdat Hij die heeft, heeft Hij ook ogen, oren, neusvleugels, een mond, een tong; voorts ook de dingen die binnen in de mens zijn, als een hart en een long, en de dingen die daarvan afhangen, welke dingen alle tegelijk genomen maken dat de mens een mens is. In de geschapen mens zijn die dingen vele, en in de details van de structuren zijn zij talloos; maar in God-Mens zijn die oneindig; niet wat ook ontbreekt; vandaar heeft Hijzelf oneindige volmaaktheid. Deze vergelijking geldt tussen de Ongeschapen Mens, die God is, en de geschapen mens, omdat God is Mens, en Hijzelf zegt dat de mens van deze wereld tot beeld van Hemzelf en in gelijkenis van Hemzelf is geschapen,( Genesis 1:26, 27).

 

19. Dat oneindige dingen in God zijn, ligt voor de engelen duidelijker open vanuit de hemelen waarin zij zijn. De gehele hemel, die uit myriaden van myriaden engelen bestaat, is in zijn universele vorm zoals een Mens; dit is ook zo voor elk willekeurig gezelschap van de hemel, zowel groter als kleiner, vandaar ook is de engel een Mens, want de engel is een hemel in kleinste vorm. Dat dit zo is, kan men zien in het werk, ’Hemel en Hel’, nrs.57 tot 87. In een zodanige vorm is de hemel in het geheel, het deel, en het individu, vanuit het Goddelijke dat de engelen opnemen; want voor zoveel de engel vanuit het Goddelijke opneemt, is hij in volmaakte vorm mens. Vandaar is het dat wordt gezegd dat de engelen in God zijn, en God in hen; voorts dat God het al van hen is. Hoeveel dingen er in de hemel zijn kan niet beschreven worden; en omdat het Goddelijke de hemel maakt, en vandaar die vele onuitsprekelijke dingen vanuit het Goddelijke zijn, is het duidelijk dat er oneindige dingen in de Mens zelf zijn, die God is.

 

20. Iets eenders kan worden afgeleid vanuit het geschapen heelal als dit wordt beschouwd vanuit de nutten en de overeenstemmingen ervan; maar alvorens dit begrepen kan worden, zullen voorbeelden voorafgaan, die zullen toelichten.

 

21. Omdat oneindige dingen zijn in God-Mens, die in de hemel, in de engel, en in de mens als in een spiegel verschijnen, en omdat God-Mens niet in de ruimte is, zoals boven in nrs. 7, 8, 9, 10, is getoond, kan het enigermate worden gezien en begrepen, hoe God alomtegenwoordig, alwetend, en alvoorziend kan zijn; en hoe Hij als Mens alle dingen heeft kunnen scheppen, en als Mens in het eeuwige, de uit Hemzelf geschapen dingen in hun orde kon houden.

 

22. Dat oneindige dingen onderscheiden één zijn in God-Mens, kan eveneens vaststaan, zoals in een spiegel, door de mens. In de mens zijn vele en talloze dingen, als boven is gezegd; maar toch wordt de mens die als één gewaar. Vanuit de zintuigen weet hij niet iets over zijn hersenen, over zijn hart en long, over zijn lever, milt en alvleesklier; ook niet over de talloze dingen in de ogen, oren, tong, maag, voortplantingsorganen en in de overige; en omdat hij vanuit de zinnen die dingen niet weet, is hij voor zichzelf zoals één. De oorzaak is omdat al die dingen in een zodanige vorm zijn dat niet één kan ontbreken; want hij is de opnemende vorm van het leven uit God-Mens, zoals boven, nrs. 4, 5, 6, is aangetoond. Vanuit de orde en de verbinding van alle dingen in een zodanige vorm, treedt het gevoel op en daaruit de idee alsof het niet vele en talloze waren, maar alsof ze één waren. Vanuit deze dingen kan geconcludeerd worden dat de vele en talloze dingen die in de mens zoals één maken, in de Mens zelf die God is, onderscheiden, ja zelfs meest onderscheiden één zijn.

 

TOP

23. ER IS ÉÉN GOD-MENS, UIT WIE ALLE DINGEN ZIJN.

 Alle dingen van de menselijke rede verbinden en concentreren zich als het ware daarin, dat er één God is, de Schepper van het heelal; en daarom denkt een mens die rede heeft, vanuit het samengestelde van zijn verstand niet anders, noch kan hij anders denken. Zeg tegen iemand die gezonde rede heeft, dat er twee scheppers van het heelal zijn, en u zult het verzet van die mens in u ervaren, en misschien vanuit de klank in het oor alleen al van deze bewering; waaruit duidelijk is dat alle dingen van de menselijke rede zich verbinden en concentreren daarin dat er één God is. Dat dit zo is, heeft een tweetal oorzaken. De eerste is omdat het vermogen zelf van redelijk denken in zich beschouwd niet van de mens is, maar bij hem van God is; daarvan  hangt de menselijke rede in het gemeen af, en deze samenhang maakt dat hij het ziet zoals uit zich. De tweede oorzaak is, omdat de mens door dat vermogen ofwel in het licht van de hemel is, ofwel het gezamenlijke van zijn denken daaruit trekt, en het universele van het licht van de hemel is dat er één God is. Anders indien de mens vanuit dat vermogen de lagere dingen van het verstand heeft verdraaid; dan zal hij weliswaar beschikken over dat vermogen, maar door de verwringing van de lagere dingen keert hij dat ergens anders heen; vandaar wordt de rede van hem niet gezond.

 

24. Elk mens denkt, hoewel hij het niet weet, over een groep zoals over één mens; daarom ook doorvat hij het terstond wanneer gezegd wordt dat de koning het hoofd is en de onderdanen het lichaam; en eveneens wanneer gezegd wordt dat deze en die zodanig is in het gezamenlijke, gemene lichaam, dat wil zeggen, in het koninkrijk. Het eendere is het met het geestelijke lichaam, zoals met het burgerlijke; het geestelijk lichaam is de Kerk, het hoofd van haar is God-Mens. Daaruit is het duidelijk hoedanig, in deze doorvatting de Kerk als Mens zou verschijnen indien er niet één God Schepper en Onderhouder van het heelal werd gedacht, maar verscheidene. Zij zou in die doorvatting verschijnen zoals één lichaam waarop verscheidene hoofden waren, dus niet zoals een Mens, maar zoals een monster. Indien gezegd zou worden dat die hoofden één wezen hebben, en dat zij daardoor tegelijk één hoofd maken, kan daaruit niet een ander idee voortspruiten dan dat, ofwel één hoofd verscheidene aangezichten heeft, ofwel dat verscheidene hoofden één aangezicht hebben. Zo zou de Kerk zich in dit begrip misvormd vertonen; terwijl toch één God het Hoofd is, en de Kerk het lichaam, dat uit de wenk van het hoofd en niet uit zich handelt, zoals eveneens geschiedt in de mens. Vandaar is het eveneens dat niet meer dan één koning is in één koninkrijk, want verscheidene zouden het uiteentrekken, maar slechts één kan het samenhouden.

 

25. Eender zou het zijn in de Kerk, verspreid over de hele wereld, wat de gemeenschap wordt genoemd, omdat zij zoals één lichaam onder één hoofd is. Het is bekend dat het hoofd het lichaam onder zich regeert naar zijn wil; want in het hoofd zetelt het verstand en de wil, en vanuit het verstand en de wil wordt het lichaam geleid, dermate dat het lichaam slechts gehoorzaamheid is. Het lichaam kan niet anders handelen tenzij vanuit het verstand en de wil in het hoofd; eender de mens van de Kerk dat niet kan, tenzij vanuit God. Het schijnt alsof het lichaam vanuit zich handelt, alsof handen en voeten in het handelen vanuit zich handelen en alsof mond en tong in het spreken zichzelf in trilling brengen, terwijl zij dit toch niet in het minst vanuit zichzelf doen, maar vanuit de aandoening van de wil en het denken van het verstand daaruit, in het hoofd. Stel u voor, indien één lichaam verscheidene hoofden zou hebben, en elk willekeurig hoofd zijn eigen meester zou zijn vanuit zijn verstand en vanuit zijn wil, zou het lichaam dan kunnen blijven bestaan? Tussen die hoofden is het eensgezinde niet bestaanbaar zoals het zou zijn van één hoofd. Zoals het in Kerk is, zo is het in de hemelen, die vanuit myriaden van myriaden engelen bestaat en tenzij allen en elk afzonderlijk niet tot één God schouwden, zou de een van de ander afvallen, en de hemel zou worden opgelost. Daarom, indien een hemelse engel slechts denkt over verscheidene goden, wordt hij terstond afgezonderd; hij wordt dan uitgeworpen in de laatste einden van de hemelen, en zinkt daar omlaag.

 

26. Aangezien de gehele hemel en alle dingen van de hemel op één God betrekking hebben, is daarom de spraak van de engelen zodanig dat die door een zekere samenstemming, die vloeit vanuit de samenstemming van de hemel, daarin eindigt, een aanwijzing dat het voor de engelen onmogelijk is anders dan één God te denken; want de spraak is vanuit het denken.

 

27. Welk mens die een gezonde rede heeft, kan niet begrijpen dat het Goddelijke niet gedeeld is? en verder ook, dat er niet meerdere Oneindigen, Ongeschapenen, Almachtigen, en Goden zijn? Indien een ander, die geen rede heeft, zou zeggen dat verscheidene Oneindigen, Ongeschapenen, Almachtigen en Goden bestaanbaar zijn, als die slechts één en hetzelfde wezen zouden hebben, en dat die daardoor één Oneindige, Ongeschapene, Almachtige, en God zouden zijn, zou dan niet dat ene zelfde wezen, dezelfde identiteit hebben? En één zelfde identiteit voor meerderen bestaat niet. Indien gezegd zou worden dat het een uit het ander is, dan is die, welke uit het ander is, niet God in zich; evenwel is God in zich God uit wie alle dingen zijn; zie boven nr. 16.

 

TOP

28. HET GODDELIJK WEZEN ZELF IS DE LIEFDE EN DE WIJSHEID.

 Indien u alle dingen die u ook maar kent, verzamelt, en die brengt onder de beschouwing van uw gemoed en in enige verheffing van de geest uitvorst wat het universele van alle dingen is, dan kunt u niet iets anders concluderen dan dat het de liefde en de wijsheid zijn; want deze zijn de twee wezenlijke dingen van alle zaken van het leven van de mens. Al het burgerlijke ervan, al het zedelijke en al het geestelijke, hangen van die twee af; zonder die twee is er niet iets. Eender alle dingen van het leven van de samengestelde Mens, die, als eerder is gezegd, een groter en kleiner gezelschap is, een koninkrijk, een keizerrijk, de Kerk, en eveneens de engelenhemel. Ontneem aan die, de liefde en de wijsheid, en denk of zij iets zijn, en u zult bevinden dat zonder die, net als de dingen waarvanuit zij zijn, zij niets zijn.

 

29. Liefde en tegelijk de wijsheid ervan in haar wezen zelf, is in God. Dit kan door niemand ontkend worden; want Hij heeft allen lief vanuit de liefde in Zich, en Hij leidt allen vanuit de wijsheid in Zich. Ook het geschapen heelal met betrekking tot de orde beschouwd, is aldus vol van wijsheid vanuit liefde, dat u kunt zeggen dat alle dingen in één samenvatting die zelf zijn; want eindeloze dingen zijn in een zodanige orde, achtereenvolgens en gelijktijdig, dat zij tegelijk genomen één maken. Daarvanuit en nergens anders vandaan is het dat zij samengehouden en voortdurend in stand gehouden kunnen worden.

 

30. Omdat het Goddelijk Wezen Zelf de Liefde en de Wijsheid is, is het dat de mens een tweetal vermogens voor het leven heeft; vanuit het ene heeft hij het verstand, en vanuit het andere heeft hij de wil. Het vermogen waaruit het verstand is, trekt al zijn dingen vanuit de invloeiing van de wijsheid uit God; en het vermogen waaruit de wil is, trekt al zijn dingen vanuit de invloeiing van de liefde uit God. Dat de mens niet op de juiste wijze wijs is en niet op de juiste wijze liefheeft, neemt de vermogens niet weg, maar sluit die slechts op; en zolang hij die opsluit, wordt het verstand weliswaar verstand genoemd, eender de wil, maar toch zijn zij het niet wezenlijk; en daarom, indien die vermogens werden weggenomen, zou al het menselijke te gronde gaan, want het menselijke is denken en vanuit het denken spreken en willen en vanuit willen handelen. Hieruit is het duidelijk dat het Goddelijke bij de mens zetelt in dat tweetal vermogens, welke zijn het vermogen van wijs zijn en het vermogen van liefhebben, dat wil zeggen, dat hij wijs kán zijn en kán liefhebben. Dat in de mens een mogelijkheid is om  lief te kúnnen hebben, hoewel hij niet wijs is en niet liefheeft zoals hij zou kunnen, is mij door veel ondervinding bekend geworden, en zal elders overvloedig worden getoond.

 

31. Omdat het Goddelijk Wezen Zelf de liefde en de wijsheid is, is het dat het heelal en alle dingen daarin betrekking hebben op het goede en ware, want alles wat voortgaat uit liefde wordt goed genoemd en alles wat voortgaat uit wijsheid wordt waarheid genoemd. Maar meer hierover hierna.

 

32. Omdat het Goddelijk Wezen Zelf de Liefde en de Wijsheid is, is het dat het heelal en alle dingen daarin, zowel de levende als de niet levende, blijven bestaan vanuit de warmte en het licht; want warmte stemt overeen met liefde, en licht stemt overeen met wijsheid. Daarom ook is geestelijke warmte liefde, en is geestelijk licht wijsheid. Maar ook over deze dingen beneden meer.

 

33. Vanuit de Goddelijke Liefde en vanuit de Goddelijke Wijsheid, die het Wezen zelf maken dat God is, komen alle aandoeningen vanuit de Goddelijke Liefde, en het denken vanuit de Goddelijke Wijsheid; en alle en de afzonderlijke dingen van de mens zijn niets anders dan van de aandoening en het denken; die twee zijn zoals de bronnen van alle dingen van het leven van de mens. Alle verkwikking en liefelijkheden van zijn leven zijn daarvan, de verkwikkingen vanuit de aandoening van de liefde van hem, en de liefelijkheden vanuit het denken daaruit. Omdat nu de mens geschapen is opdat hij een opnemende zal zijn, en hij een opnemende is voor zoveel hij God liefheeft, en vanuit de liefde in God wijs is, dat wil zeggen, voor zoveel hij wordt aangedaan door die dingen die uit God zijn, en voor zoveel hij denkt vanuit die aandoening, zo volgt daaruit dat de Goddelijke Essentie, die de Schepper is, de Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid is.

 

TOP

34. DE GODDELIJKE LIEFDE IS VAN DE GODDELIJKE WIJSHEID EN DE GODDELIJKE WIJSHEID IS VAN DE GODDELIJKE LIEFDE.

 Dat het Goddelijk Zijn en het Goddelijk Bestaan in God-Mens onderscheiden één zijn, kan men boven in nrs. 14 tot 16 zien. En omdat het Goddelijk Zijn de Goddelijke Liefde is en het Goddelijk Bestaan de Goddelijke Wijsheid is, zijn deze daarom eender onderscheiden één.

Onderscheiden één worden zij genoemd, omdat de liefde en de wijsheid twee onderscheiden dingen zijn, maar zo verenigd dat de liefde van de wijsheid is, en de wijsheid van de liefde; want de liefde Is in de wijsheid, en de wijsheid Bestaat in de liefde; en omdat de wijsheid haar Bestaan vanuit de liefde trekt, zoals boven in nr. 15 is gezegd, is vandaar ook de Goddelijke Wijsheid, het Zijn. Waaruit volgt dat de Liefde en de Wijsheid tezamen genomen het Goddelijk Zijn zijn; maar onderscheiden wordt de Liefde het Goddelijk Zijn genoemd, en de Wijsheid het Goddelijk Bestaan. Zodanig is de idee van de engelen over de Goddelijke Liefde en over de Goddelijke Wijsheid.

 

35. Aangezien er een zodanige vereniging van liefde en wijsheid en van wijsheid en liefde in God-Mens is, is het Goddelijk Wezen één; want het Goddelijk Wezen is de Goddelijke Liefde omdat die van de Goddelijke Wijsheid is, en de Goddelijke Wijsheid omdat die van de Goddelijke Liefde is; en aangezien er een zodanige vereniging ervan is, is daarom ook het Goddelijk Leven één. Het Leven is het Goddelijk Wezen. Dat de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid één zijn, is omdat de vereniging wederkerig is, en wederkerige vereniging maakt één. Maar over de wederkerige vereniging zullen elders meer dingen worden gezegd.

 

36. Er is eveneens een vereniging van liefde en wijsheid in elk Goddelijk werk; daaruit is het altijd voortdurende, ja zelfs de eeuwigheid ervan. Indien er meer van Goddelijke Liefde dan van Goddelijke Wijsheid, of indien er meer van Goddelijke Wijsheid dan van Goddelijke Liefde in enig geschapen werk zou zijn, zou het niet blijven bestaan, tenzij voor zoveel deze twee daar in gelijke mate in zijn; het overschot door het ongelijke, gaat voorbij.

 

37. De Goddelijke Voorzienigheid neemt in de te hervormen, weder te verwekken, en te behouden mensen gelijkelijk deel vanuit de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid. Vanuit méér van Goddelijke Liefde dan van Goddelijke wijsheid, of vanuit méér van Goddelijke Wijsheid dan van Goddelijke Liefde, kan de mens niet hervormd, wederverwekt, en behouden worden. De Goddelijke Liefde wil allen zaligen, maar kan niet zaligen tenzij door de Goddelijke Wijsheid; en van de Goddelijke Wijsheid zijn alle wetten waardoor het behoud geschiedt; en de Liefde kan die wetten niet overstijgen, aangezien de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid één zijn en in vereniging handelen.

 

38. De Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid worden in het Woord verstaan onder gerechtigheid en gericht; de Goddelijke Liefde onder gerechtigheid, en de Goddelijke Wijsheid onder gericht; en daarom wordt in het Woord gerechtigheid en gericht gezegd van God; als bij David, ‘Gerechtigheid en gericht de schraag Uws troons’ (Psalm 89:15); bij dezelfde, ‘Jehovah zal zoals het licht uitleiden de gerechtigheid, en het gericht zoals de middag’ (Psalm. 37:6); bij Hosea, ‘Ik zal u Mij ondertrouwen tot in het eeuwige, in gerechtigheid en gericht’ (Hosea 2:19); bij Jeremia, ‘Ik zal aan David opwekken een gerechte spruit, die als Koning zal regeren, en Hij zal gericht en gerechtigheid doen in het land’ (Jeremia 23:5); Bij Jesaja, ‘Hij zal zitten op de troon van David, en op het koninkrijk van hem, om dat te bevestigen in gericht en in gerechtigheid’ (Jesaja 9:6); bij dezelfde, ‘Jehovah zal verhoogd worden, omdat Hij het land heeft vervuld met gericht en gerechtigheid’ (Jesaja 33:5); bij David, ‘Wanneer ik geleerd zal hebben de gerichten Uwer gerechtigheid; zevenmaal daags loof ik U over de gerichten Uwer gerechtigheid’, (Psalm 119:7,164). Hetzelfde wordt verstaan onder het leven en het licht bij Johannes, ‘In Hetzelve was het leven, en het leven was het licht van de mensen’ (Johannes 1:4); onder leven wordt daar de Goddelijke Liefde van de Heer verstaan, en onder licht de Goddelijke Wijsheid van Hemzelf. Eender ook onder leven en geest bij Johannes, ‘Jezus zei: de woorden die Ik tot u spreek zijn geest en leven’(Johannes 6:63).

 

39. In de mens verschijnen de liefde en de wijsheid als twee gescheiden dingen, maar toch zijn zij in zich onderscheiden één, aangezien bij de mens de wijsheid zodanig is als de liefde is, en de liefde zodanig als de wijsheid is. Wijsheid die niet één maakt met haar liefde, verschijnt alsof het wijsheid is, maar is het niet; en liefde die niet één maakt met haar wijsheid, verschijnt alsof het de liefde van de wijsheid is, hoewel zij het niet is; want het ene zal zijn wezen en leven trekken vanuit het andere, en dat wederkerig. Dat de wijsheid en de liefde bij de mens als twee gescheiden dingen verschijnen, is omdat het vermogen van verstaan bij hem kan worden opgeheven in het licht van de hemel, maar niet het vermogen van liefhebben, tenzij voor zoveel de mens doet zoals hij verstaat. Daarom glijdt elke vorm van schijnbare wijsheid die niet één maakt met de liefde van de wijsheid, terug in de liefde die één maakt met een liefde van de niet-wijsheid, ja, zelfs een liefde van de waanzin kan zijn; want de mens kan vanuit de wijsheid weten dat het hem betaamt dit of dat te doen, maar toch doet hij het niet omdat hij dat niet liefheeft; maar voor zoveel als hij vanuit de liefde doet wat de wijsheid leert, voor zoveel is hij een beeld van God.

 

TOP

40. GODDELIJKE LIEFDE EN GODDELIJKE WIJSHEID ZIJN SUBSTANTIE EN ZIJN VORM.

De idee van mensen in het algemeen over liefde en over wijsheid is zoals over iets zwevends en vloeiends in de ijle lucht of de ether; of zoals over de uitwaseming daarvan; en nauwelijks iemand denkt dat deze werkelijk en inderdaad substantie en vorm zijn. Degenen die zien dat ze substantie en vorm zijn, doorvatten niettemin de liefde en de wijsheid buiten het subject als voortvloeiende dingen daaruit; en wat zij buiten het subject als voortvloeiende dingen daaruit doorvatten, hoewel als zwevend en vloeiend, noemen ze ook substantie en vorm, niet wetend dat de liefde en wijsheid het subject zelf zijn, en dat wat daar buiten als zwevend en vloeiend wordt doorvat, slechts een schijnbaarheid van de staat van het subject in zich is. De oorzaken dat dit tot dusver niet gezien is, zijn verscheidene. Hierbij is deze oorzaak, dat het de eerste schijnbaarheden zijn waarvanuit het menselijk gemoed zijn verstand vormt, en dat het die niet kan uiteenslaan tenzij vanuit de onderzoek naar de oorzaak; en indien de oorzaak hoog verborgen ligt, kan het die niet naspeuren, tenzij het gemoed het verstand lang in het geestelijk licht houdt, waarin het dat niet lang kan houden vanwege het natuurlijk licht, dat aanhoudend terugtrekt. Niettemin is het de waarheid dat de liefde en de wijsheid de reële en actuele substantie en vorm zijn die het subject zelf maken.

 

41. Maar omdat dit tegen de schijn is, kan het schijnen alsof dit geen geloof verdient tenzij het wordt aangetoond; en dit kan niet worden aangetoond tenzij door zulke dingen die de mens kan doorvatten vanuit de zinnen van zijn lichaam; en daarom zal het door die dingen worden aangetoond. De mens heeft vijf uitwendige zinnen, die: de tast, de reuk, de smaak, het gehoor en het gezicht worden genoemd. Het subject van de tast is de huid waarmee de mens is omkleed; de substantie en de vorm zelf van de huid maken dat die gewaarwordt als het door iets wordt aangeraakt. Die tastzin is niet in die dingen die worden aangeraakt, maar is in de substantie en de vorm van de huid, die het subject zijn; die zin is slechts de aandoening van het subject door de aangeraakte dingen. Hetzelfde is het met de smaak; deze zin is slechts de aandoening van de substantie en de vorm van de tong, en de tong is het subject. Het is eender met de reuk; de geur doet de neusvleugels aan en is in de neusvleugels, en de neusvleugels worden aangedaan door de geurdragende dingen die ze aanraken, dit is overbekend. Het is eender met het gehoor; het schijnt alsof het gehoor is in de plaats waar het geluid inzet, maar het gehoor is in het oor en het is de aandoening van de substantie en de vorm ervan, en dat het horen op een afstand van het oor is, is een schijnbaarheid. Eender is het met het gezicht; het schijnt als de mens voorwerpen op een afstand ziet, alsof het gezicht daar is, maar het is in het oog, dat het subject is, en eender is het de aandoening ervan; de afstand is er alleen vanuit het oordeel dat concludeert over de ruimte vanuit de bemiddelende dingen, ofwel vanuit de verkleining en vandaar het moeilijk kunnen onderscheiden van het voorwerp, waarvan het beeld zich binnen in het oog volgens de hoek van inval vertoont. Daaruit is duidelijk dat het gezicht niet uitgaat uit het oog tot het voorwerp, maar dat het beeld van het voorwerp het oog binnentreedt, en de substantie en de vorm ervan aandoet; want het is hetzelfde met het gezicht als het is met het gehoor; ook het gehoor gaat niet uit het oor om het geluid op te vangen, maar het geluid treedt het oor binnen en doet aan. Vanuit deze dingen kan vaststaan dat de aandoening van de substantie en van de vorm, die de zin maakt, niet iets is dat gescheiden is van het subject, maar alleen een verandering daarin maakt, terwijl het subject dan, als eerder, het subject blijft en ook daarna. Daaruit volgt dat gezicht, gehoor, reuk, smaak, en tast niet een vluchtig iets is, uitvloeiend vanuit de organen ervan, maar dat het de organen zijn in hun substantie en vorm beschouwd; en als deze worden aangedaan, ontstaat de zin.

 

42. Het is hetzelfde met de liefde en de wijsheid, alleen met dit verschil dat de substanties en de vormen die de liefde en de wijsheid zijn, niet duidelijk voor ogen komen zoals de organen van de uitwendige zinnen. Toch kan niemand ontkennen dat de substanties en de vormen die dingen van de wijsheid en van de liefde zijn die gedachten, doorvattingen en aandoeningen worden genoemd; en dat het geen uitwasemingen zijn vanuit niets, of geabstraheerd van de reële en actuele substantie en vorm, die de subjecten zijn. Want er zijn in het cerebrum ontelbare substanties en vormen, waarin alle innerlijke zin, die betrekking heeft op het verstand en de wil, zetelt. Dat alle aandoeningen, doorvattingen en gedachten daar niet uitademingen zijn vanuit die zetels, maar dat zij inderdaad en werkelijk subjecten zijn die niets uit zich uitzenden, maar slechts veranderingen ondergaan volgens de aanspoelende dingen die aandoen, kan vanuit het bovengezegde over de uitwendige zinnen vaststaan. Over de aanspoelende dingen die aandoen, zullen hierna meer dingen worden gezegd.

 

43. Vanuit deze eerste dingen kan nu worden gezien dat de Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid in zich substantie en vorm zijn, want zij zijn het Zijn en Bestaan zelf; en indien zij niet zodanig Zijn en Bestaan waren zoals zij substantie en vorm zijn, zouden zij slechts iets van het redeneren zijn, dat in zich niet iets is.

 

TOP

44. GODDELIJKE LIEFDE EN GODDELIJKE WIJSHEID ZIJN IN ZICH DE SUBSTANTIE EN DE VORM, DUS HET ZELF EN HET ENIGE.

Dat de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid de substantie en de vorm is, is hier boven bevestigd; en dat het Goddelijk Zijn en Bestaan het Zijn en Bestaan in zich is, is ook boven gezegd. Het kan niet worden gezegd dat het Zijn en Bestaan is úit zich, omdat dit een begin inhoudt, en eveneens uit een zeker iets daarin, wat Zijn en Bestaan in zich moet zijn; maar het Zijn en Bestaan zelf, in zich, is uit het eeuwige. Het Zijn en Bestaan zelf in zich is ook ongeschapen en elk geschapene kan niet zijn tenzij uit het Ongeschapene; en wat geschapen is, is ook eindig, en het eindige kan ook niet bestaan tenzij vanuit het Oneindige.

 

45. Wie met enig denken er bij kan komen en begrijpen de idee van het Zijn en Bestaan in zich, die zal alleszins er toe komen en begrijpen dat dit het Zelf en het Enige is; het Zelf wordt gezegd van dat wat alleen Is; en het Enige van dat waaruit al het andere is. Omdat nu het Zelf en het Enige de substantie en de vorm is; en omdat de substantie en de vorm zelf de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid is, volgt dat dit de Liefde zelf en de enige liefde is, en de Wijsheid zelf en de enige Wijsheid; bijgevolg dat dit het Wezen zelf en het enige Wezen is, voorts het Leven zelf en het enige Leven, want de Liefde en de Wijsheid is het Leven.

 

46. Vanuit dit alles kan vaststaan hoe zinlijk, dat wil zeggen, vanuit de zinnen van het lichaam, en vanuit de duisternissen ervan in geestelijke dingen, diegenen denken die zeggen dat de natuur uit zichzelf is. Zij denken vanuit het oog en kunnen het niet vanuit het verstand. Het denken vanuit het oog sluit het verstand toe, maar het denken vanuit het verstand opent het oog. Dezen kunnen niet iets denken over het Zijn en Bestaan in zich, en dat dit het Eeuwige, Ongeschapene, en Oneindige is; noch kunnen zij iets denken over het leven tenzij zoals over iets vluchtigs, verdwijnend in het niets; noch anders over de liefde en de wijsheid, en in het geheel niet dat daaruit alle dingen van de natuur zijn. Dat daaruit alle dingen van de natuur zijn, kan ook niet worden gezien tenzij de natuur wordt beschouwd vanuit de nutten in hun reeks en in hun orde, en niet indien zij wordt bezien vanuit enige vormen ervan; deze zijn slechts voorwerpen van het gezicht alleen. Want de nutten zijn alleen vanuit het leven, en de reeks en orde ervan vanuit de wijsheid en liefde; maar de vormen zijn de samenhoudende dingen van de nutten. Daarom, indien alleen de vormen worden beschouwd, kan in de natuur niet iets van het leven worden gezien, te minder iets van de liefde en wijsheid en dus niet iets van God.

 

TOP

47. GODDELIJKE LIEFDE EN GODDELIJKE WIJSHEID KAN NIET ANDERS DAN ZIJN EN BESTAAN IN ANDERE, UIT ZICH GESCHAPENEN.

Het is het wezen van de liefde zichzelf niet lief te hebben, maar het is anderen liefhebben, en met die door de liefde verbonden worden. Het zelf van de liefde is ook uit anderen liefgehad te worden, want zo wordt het verbonden. Het wezen van alle liefde bestaat in de verbinding, ja zelfs het leven ervan, dat: verkwikking, liefelijkheid, verrukking, zoetheid, gezegendheid, heilzaam en gelukzaligheid wordt genoemd. De liefde bestaat hierin dat wat van haar is ook van de ander zal zijn en dat beide het verkwikkelijke van de ander als het verkwikkelijke in zichzelf gewaarworden; dit is liefhebben. Maar het eigen verkwikkelijke in een ander gewaarworden, en niet het verkwikkelijke van de ander in zich, is niet liefhebben, want dit is zichzelf liefhebben, het eerstgenoemde echter is de naaste liefhebben. Die twee geslachten van liefde zijn lijnrecht aan elkaar tegenovergesteld; het ene en het andere verbindt weliswaar, en het schijnt niet dat zichzelf liefhebben, dat wil zeggen, zichzelf in de ander, ontbindt; maar toch ontbindt dit zodanig, dat voor zoveel als iemand een ander op die wijze heeft liefgehad, hij die daarna voor zoveel haat; want zo’n verbinding wordt uit zich achtereenvolgens geslaakt, en dan wordt de liefde haat in een eendere graad.

 

48. Wie, die het wezen van de liefde kan onderscheiden, kan dit niet zien: want wat is zichzelf alleen liefhebben en niet een ander buiten zich door wie hij wordt wedergeliefd; dit is veeleer scheiding dan verbinding. De verbinding van de liefde is uit het wederkerige, en het wederkerige is er niet in zich alleen. Indien gemeend wordt dat dit er wel is, is het uit een verbeeld wederkerige in anderen. Vanuit deze dingen is het duidelijk dat de Goddelijke Liefde niet anders kan dan zijn en bestaan in anderen die zij liefheeft en door wie zij geliefd zal worden; want wanneer een zodanige behoefte in elke liefde is, moet het dit zijn in de grootste mate, dat wil zeggen, oneindig zijn in de Liefde zelf.

 

49. Met betrekking tot God; liefhebben en wederkerig geliefd worden kan er niet zijn in anderen in wie iets van het oneindige is, of iets van het wezen en leven van de liefde in zich, of iets van het Goddelijke; want indien iets van het oneindige, of van het wezen en leven van de liefde in zich, dat wil zeggen, iets van het Goddelijke, in die ander zou zijn, dan zou Hij niet worden geliefd uit anderen, maar zou Hij zichzelf liefhebben; want het oneindige of het Goddelijke is enig; indien dit in anderen was, zou dit het Zelf zijn, en zou het de zelfliefde zelf zijn, waarvan er niet het minste in God kan zijn, want dit is geheel en al tegenovergesteld aan het Goddelijk Wezen. Daarom moet het er zijn in anderen in wie niets is van het Goddelijke in zich. Dat dit mogelijk is in wezens die uit het Goddelijke geschapenen zijn, zal beneden worden gezien. Maar opdat het mogelijk is, moet er Oneindige Wijsheid zijn die één maakt met de Oneindige Liefde, dat wil zeggen, moet de Goddelijke Liefde zijn van de Goddelijke Wijsheid, en de Goddelijke Wijsheid van de Goddelijke Liefde; waarover boven, nrs. 34 tot 39.

 

50. Vanuit het inzicht en erkentenis van deze verborgenheid hangt de doorvatting en de erkentenis van alle dingen van het bestaan, of van de schepping, af; voorts van alle dingen van het blijven bestaan of van de instandhouding uit God; dat wil zeggen, van alle werken van God in het geschapen heelal; die hierna behandeld zullen worden.

 

51. Maar ik smeek u, vermeng uw ideeën niet met tijd en ruimte, want voor zoveel er van tijd en ruimte in de ideeën is wanneer u de volgende dingen leest, verstaat u die niet; want het Goddelijke is niet in de tijd en in de ruimte. Dit zal duidelijk gezien worden in de voortzetting van dit werk, in het bijzonder over de Eeuwigheid, de Oneindigheid en over de Alomtegenwoordigheid.

 

TOP

52. ALLE DINGEN IN HET HEELAL ZIJN UIT DE GODDELIJKE LIEFDE EN DE GODDELIJKE WIJSHEID DOOR GOD-MENS GESCHAPEN.

Het heelal in grootsten en kleinsten en in eersten en laatsten, is zo vol van de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid, dat gezegd kan worden dat het de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid in een beeld is. Dat dit zo is, staat duidelijk vast vanuit de overeenstemming van alle dingen van het heelal met alle dingen van de mens. Alle en de afzonderlijke dingen die in het geschapen heelal bestaan, hebben een zodanige overeenstemming met alle en de afzonderlijke dingen van de mens, dat gezegd kan worden dat de mens ook een soort heelal is. Er is een overeenstemming van zijn aandoeningen en vandaar van het denken, met alle dingen van het dierenrijk; van zijn wil en vandaar van het verstand, met alle dingen van het plantenrijk; en van het laatste, zijn buitenste leven, met alle dingen van het delfstoffenrijk. Dat er een zodanige overeenstemming is, verschijnt niet duidelijk aan iemand in de natuurlijke wereld, maar wel aan iedereen die daaraan aandacht geeft, in de geestelijke wereld. In die wereld zijn alle dingen die in de natuurlijke wereld in de drie rijken ervan bestaan, en het zijn overeenstemmingen van de aandoeningen en van de gedachten; van de aandoeningen vanuit de wil, en van de gedachten vanuit het verstand, voorts ook van de laatste dingen van het leven van diegenen die in die wereld daar zijn; die verschijnen rondom hen en worden getoond zoals het geschapen heelal is, met dit verschil dat het in een kleinere afbeelding is. Vanuit deze dingen is het voor de engelen duidelijk dat het geschapen heelal een representatief beeld is van God-Mens, en dat het de Liefde en de Wijsheid van Hemzelf zijn die zich in het heelal in een beeld vertonen. Niet dat het geschapen heelal God-Mens is, maar dat het is uit Hemzelf; want niets, wat ook, in het geschapen heelal is substantie en vorm in zich, noch het leven in zich, noch de liefde en de wijsheid in zich, ja zelfs is ook niet de mens mens in zich, maar alles is uit God, die de Mens, de Wijsheid en de Liefde, en de Vorm en de Substantie in zich is. Wat ‘Zijn-in-Zich’ is, is ongeschapen en oneindig; wat echter uit Hemzelf is, dat is, omdat het niets in zich heeft wat ‘in zich’ is, geschapen en eindig, en dit representeert het beeld van Hemzelf, uit wie het is en bestaat.

 

53. Van de geschapen en eindige dingen kan gezegd worden: ‘zijn en bestaan’, voorts substantie en vorm, en ook leven, ja zelfs liefde en wijsheid, maar al die dingen zijn geschapen en eindig. De oorzaak dat ze gezegd kunnen worden, is niet dat die enig Goddelijke hebben, maar dat ze ín het Goddelijke zijn en dat het Goddelijke daarin is; want al wat geschapen is, is in zich onbezield en dood, maar het wordt bezield en levend gemaakt hierdoor, dat het Goddelijke daarin is, en dat die schepselen in het Goddelijke zijn.

 

54. Het Goddelijke is in het ene subject niet verschillend van het andere, maar het ene geschapen subject is anders dan het ander, want er zijn niet twee hetzelfde, en vandaar is het samenhoudende anders. Daarom heeft het beeld van het Goddelijke een verschillende verschijning. Over de tegenwoordigheid van Hemzelf in de tegenovergestelde dingen zal in het volgende iets worden gezegd.

TOP

55. ALLES IN HET GESCHAPEN HEELAL IS OPNEMEND VAN DE GODDELIJKE LIEFDE EN DE GODDELIJKE WIJSHEID UIT GOD-MENS.

Het is bekend dat alle en de afzonderlijke dingen van het heelal uit God zijn geschapen; vandaar wordt het heelal met alle en de afzonderlijke dingen ervan in het Woord ‘het werk van de handen van Jehovah’ genoemd. Er wordt gezegd dat de wereld in haar samenvatting, geschapen is vanuit niets, en over niets wordt een idee van volslagen niets gekoesterd, terwijl toch vanuit volslagen niets, niets wordt, noch iets worden kan. Dit is een vaststaande waarheid; en daarom kon het heelal, dat een beeld van God is en vandaar vol van God, niet anders dan in God uit God geschapen worden; want God is het Zijn zelf, en uit het Zijn moet zijn wat er ook maar is. Uit niets, dat niet is, scheppen wat er is, is geheel en al in tegenspraak. Niettemin is het geschapene in God uit God niet continu uit Hemzelf; want God is het Zijn in zich, en in de geschapen dingen is niet enig Zijn in zich. Indien in de geschapen dingen enig Zijn in zich was, zou dit continu uit God zijn, en het continue uit God is God. De idee van de engelen hierover is zodanig, dat het geschapene in God uit God is zoals in de mens wat hij vanuit zijn leven had getrokken, maar waaruit het leven is weggetrokken; wat zodanig is dat het overeenkomt met zijn leven maar toch niet het leven van hem is. Dit bevestigen de engelen vanuit vele dingen, die in de hemel van hen bestaan, waar zij zeggen in God te zijn en God in hen en evenwel niets van God dat God is, in hun zijn te hebben. Meer dingen waarvanuit zij dit bevestigen, zullen in het volgende worden aangevoerd; laat dit voor nu even voldoende informatie zijn.

 

56. Al het geschapene is vanuit deze oorsprong zodanig in zijn natuur dat het een opnemende van God is, niet door het ononderbrekende maar door het aangrenzende; door het laatstgenoemde en niet door het eerdergenoemde volgt de mogelijkheid tot verbinding; want het is verenigend omdat het in God uit God geschapen is; en omdat het zo geschapen is, is het een analogie, en door die verbinding is het zoals een beeld Gods in een spiegel.

 

57. Daar is het vandaan dat de engelen niet engelen zijn uit zich, maar engelen zijn vanuit die verbinding met God-Mens; en die verbinding is volgens het opnemen van de wetten van de orde, die de Goddelijke Waarheden zijn, bij zich, vanuit het vrije van denken en willen volgens de rede, die zij hebben uit de Heer, zoals van henzelf. Hierdoor hebben zij die opneming van het Goddelijk Goede en Goddelijk Ware zoals uit zichzelf, en hierdoor is er een wederkerige van liefde; want, zoals boven is gezegd, liefde is er niet tenzij zij wederkerig is. Het eendere is het met de mensen op aarde. Vanuit wat is gezegd nu kan voor het eerst worden gezien dat alle dingen van het geschapen heelal opnemende dingen zijn van de Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid van God-Mens.

 

58. Dat de overige dingen van het heelal, die niet zijn zoals de engelen en zoals de mensen, ook opnemende dingen zijn van de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid van God-Mens, zoals die beneden de mensen zijn in het dierenrijk, en die beneden deze zijn in het delfstoffenrijk, kan nog niet tot het verstand uiteengezet worden; want tevoren moeten verscheidene dingen over de graden van het leven, en over de graden van de opnemende dingen van het leven gezegd worden. De verbinding met die schepselen is volgens de nutten ervan, want alle nutten van het goede hebben nergens anders hun oorsprong vandaan dan door een eendere verbinding met God, maar een oneendere volgens de graden. Deze verbinding in achtereenvolgende afdaling wordt zodanig dat daar niets meer van het vrije in is, omdat er niets meer van de rede in is en vandaar niets van de schijn van het leven; maar niettemin zijn zij opnemende dingen. Omdat zij opnemend zijn, zijn zij ook reagerend; en voorzoveel zij reageren zijn zij ook opnemend. Over verbinding met nutten die niet goed zijn, zal iets gezegd worden nadat de oorsprong van het boze is getoond.

 

59. Vanuit deze dingen kan vaststaan dat het Goddelijke is in alle en in de afzonderlijke dingen van het geschapen heelal en vandaar dat het geschapen heelal het werk van ‘de handen van Jehovah’ is, zoals in het Woord wordt gezegd; dat wil zeggen, het werk van de Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid, want deze worden verstaan onder de handen van Jehovah. En hoewel het Goddelijke is in alle en de afzonderlijke dingen van het geschapen heelal, is toch niets van het Goddelijke in zich in het zijn daarvan; want het geschapen heelal is niet God, maar uit God; en omdat het is uit God, is daarin het beeld van Hemzelf, zoals het beeld van een mens in een spiegel, dat weliswaar als mens verschijnt, maar toch is daarin niets van de mens.

 

60. Ik heb verscheidenen in de geestelijke wereld rondom mij horen spreken en zeggen dat zij weliswaar willen erkennen dat in alle en de afzonderlijke dingen van het heelal het Goddelijke is, omdat zij die wonderbaarlijke dingen van God zien, en hoe innerlijker die worden beschouwd des te wonderbaarlijker zijn ze. Maar toch werden zij, toen zij hoorden dat in alle en in de afzonderlijke dingen van het geschapen heelal het Goddelijke daar inderdaad in is, verontwaardigd; een aanwijzing dat zij dit weliswaar zeggen, maar niet geloven. Daarom werd hun gezegd of zij dit niet kunnen zien alleen al vanuit het wonderbaarlijk vermogen dat elk willekeurig zaad een idee is van het oneindige en eeuwige, want daarin is de drang van zich te vermenigvuldigen en vrucht te maken in het oneindige en in het eeuwige. Is dat niet ook duidelijk in elk dier, ook het kleinste, dat daarin organen van de zinnen zijn, dat er hersenen zijn, harten, longen, en overige dingen, en slagaders, aders, vezels, spieren, en de activiteiten die daaruit voorkomen; behalve de verbazingwekkende dingen in het karakter ervan, waarover hele reeksen boeken geschreven en voorhanden zijn? Al die wonderbaarlijke dingen zijn vanuit God; de vormen echter waarmee zij bekleed zijn, zijn vanuit de materies van de aarde; daarvanuit zijn de plantaardige dingen en in hun eigen orde de mensen; en daarom wordt van de mens gezegd: ‘dat hij geschapen is vanuit humus, en dat hij stof van de aarde is, en dat de ziel van het leven hem is ingeblazen’, (Genesis 2:7); waarvanuit het duidelijk is dat de mens niet het Goddelijke heeft, maar dat het hem is aangebonden.

TOP

61. ALLE DINGEN DIE GESCHAPEN ZIJN, HEBBEN IN EEN ZEKER BEELD BETREKKING OP DE MENS.

Dit kan men constateren vanuit alle en de afzonderlijke dingen van het dierenrijk; en vanuit alle en de afzonderlijke dingen van het plantenrijk; en vanuit alle en de afzonderlijke dingen van het delfstoffenrijk. Een betrekking tot de mens in alle en de afzonderlijke dingen van het dierenrijk is duidelijk vanuit deze dingen: dat de dieren van elk geslacht ledematen hebben waarmee zij zich bewegen, organen waardoor zij gewaarworden en inwendige delen waardoor zij die in werking stellen; deze dingen hebben zij met de mens gemeen. Ze hebben eveneens eetlust en aandoeningen, eender aan de natuurlijke eetlust een aandoeningen bij de mens; en ze hebben meegeboren kennis, die met de aandoeningen ervan overeenstemmen en in sommige ervan verschijnt als het ware iets geestelijks, wat min of meer duidelijk is bij de beesten van de aarde, de vogels van de hemel, bij de bijen, zijdewormen, mieren, enzovoort. Vandaar is het dat de louter natuurlijke mensen de bezielde dingen van dat rijk aan zichzelf gelijk maken, op de spraak na. De betrekking tot de mens vanuit alle en de afzonderlijke dingen van het plantenrijk is duidelijk vanuit deze dingen: dat zij vanuit zaad ontstaan, en vanuit dat zaad achtereenvolgens in leeftijd voortgaan. Ze hebben ook enige dingen die aan echtverbintenis verwant zijn en daarna de voortteling. Hun vegetatieve ziel is nut, en zij zijn de vormen ervan, behalve nog bijzonderheden van andere dingen die betrekkingen tot de mens zijn. Deze dingen zijn ook door verschillende auteurs beschreven. De betrekking tot de mens uit alle en de afzonderlijke dingen van het delfstoffenrijk verschijnt alleen in het streven van vormen voort te brengen die betrekking op elkaar hebben, en deze zijn, zoals gezegd is, alle en de afzonderlijke dingen van het plantenrijk en om zo nutten te betrachten. Want zodra een zaadje in de schoot van de aarde glijdt, koestert zij dat en van overal vandaan geeft zij vanuit zich de middelen opdat het kan uitspruiten en zich vertonen in een representatieve vorm van de mens. Dat een zodanig streven ook is in de vaste en harde dingen is duidelijk uit de koralen op de bodem van de zeeën en door de bloemen in mijnen, waar ze vanuit de mineralen ontstaan en ook vanuit de metalen. Het streven naar zich plantaardig te maken en zo nutten te betrachten, is het laatste vanuit het Goddelijke in de geschapen dingen.

 

Zaailing.

 63. Dat er een betrekking is van alle dingen van het geschapen heelal tot de mens, kan weliswaar vanuit de aangehaalde dingen worden geweten, maar niet worden gezien tenzij duister; maar in de geestelijke wereld wordt het helder gezien. Daar zijn alle dingen van de drie rijken ook; in het midden daarvan is de engel. Hij ziet die dingen rondom zich, en eveneens weet hij dat dit representaties van hemzelf zijn; ja zelfs, wanneer het binnenste van zijn verstand wordt geopend, leert hij zich kennen en ziet hij zijn beeld in die dingen, nauwelijks anders dan zoals in een spiegel.

 

64. Vanuit deze en vanuit vele andere samenstemmende dingen, die om hier aan te voeren niet de juiste plaats is, kan men zeker weten dat God is Mens en dat het geschapen heelal een beeld van Hemzelf is; want er is een algemene betrekking van alle dingen tot hemzelf, zoals er een bijzondere betrekking is tot de mens.

 

TOP

65. DE NUTTEN VAN ALLE DINGEN DIE GESCHAPEN ZIJN, KLIMMEN OP DOOR GRADEN UIT DE LAATSTE DINGEN TOT AAN DE MENS EN DOOR DE MENS TOT GOD DE SCHEPPER, DE BRON VAN ALLES.

‘De laatste dingen’ zijn, zoals boven is gezegd, alle en de afzonderlijke dingen van het delfstoffenrijk, die materies zijn van verschillend geslacht uit: steenachtige, zoutachtige, olieachtige, minerale en metalen substatie, bedekt met humus vanuit plantaardige en dierlijke dingen die vervallen zijn tot het fijnste stof. In deze dingen is het einde en eveneens de aanvang gelegen van alle nutten die vanuit het leven zijn; het einde van alle nutten is het streven om nutten voort te brengen, en de aanvang is de drijvende kracht vanuit dat streven; deze behoren tot het delfstoffenrijk. ‘De middelste dingen’ zijn alle en de afzonderlijke dingen van het plantenrijk, zoals: de grassen en kruiden van elk geslacht, en bomen van elk geslacht. De nutten van deze zijn voor alle en de afzonderlijke dingen van het dierenrijk, zowel voor de onvolmaakte, als de volmaakte; zij voeden die, maken die levend en verlustigen die; zij voeden de lichamen ervan met hun plantaardige materies, en verlustigen de dierlijke zinnen met smaak, geur en schoonheid, en maken de aandoeningen ervan levend. Het streven tot die dingen is daarin ook van het dierenrijk. De laagste daar worden wormen en insecten genoemd, de middelste vogels en beesten, en de hoogste mensen; want in elk rijk zijn laagsten, middelsten en de hoogste; de laagsten voor het nut van de middelsten, en de middelsten voor het nut van de hoogste. Zo klimmen in orde de nutten op van alle dingen die geschapen zijn, uit laatste dingen tot de mens, die de eerste in orde is.

 

66. Er zijn drie graden van opklimming in de natuurlijke wereld, en er zijn drie graden van opklimming in de geestelijke wereld. Alle dieren zijn opnemende schepsels van het leven; de meer volmaakte dieren zijn de opnemende dingen van het leven van de drie graden van de natuurlijke wereld; de minder volmaakte zijn de opnemende dingen van het leven van twee graden van die wereld, en de onvolmaakte zijn de opnemende dingen van de ene graad ervan; maar alleen de mens is de opnemende van het leven van de drie graden, niet slechts van de natuurlijke wereld, maar ook van de drie graden van de geestelijke wereld. Vandaar is het, dat de mens kan verheven worden boven de natuur, anders dan enig dier. Hij kan analytisch en redelijk denken over de burgerlijke en de zedelijke dingen die binnen de natuur zijn, en hij kan het eveneens over de geestelijke en de hemelse dingen, die boven de natuur zijn; ja zelfs kan hij verheven worden in wijsheid, tot hij God ziet. Maar over de zes graden, waardoor de nutten van alle dingen die geschapen zijn, in hun orde opklimmen tot aan God de Schepper toe, moet op betreffende plaats gehandeld worden. Vanuit deze beknopte samenvatting kan dit worden gezien dat er een opklimming is van alle dingen die geschapen zijn, tot de Eerste, die alleen het Leven is, en dat de nutten van alle dingen de opnemende dingen zelf zijn van het leven, en daaruit de vormen van de nutten.

 

67. Met weinig dingen zal ook worden gezegd hoe de mens uit de laatste graad tot de eerste opklimt, dat wil zeggen, verheven wordt. Geboren wordt hij in de laatste graad van de natuurlijke wereld; daarop wordt hij door de wetenschappen verheven in de tweede graad; en zoals hij vanuit de wetenschappen het verstand vervolmaakt, wordt hij verheven in de derde graad, en dan wordt hij redelijk. De drie graden van opklimming in de geestelijke wereld zijn daarin boven de drie natuurlijke graden; zij verschijnen ook niet vooraleer hij het aardse lichaam heeft uitgetrokken. Wanneer hij dit heeft uitgetrokken, wordt bij hem de eerste geestelijke graad geopend, daarna de tweede, en tenslotte de derde; maar alleen bij degenen die engelen van de derde hemel worden; dezen zijn het die God zien. Engelen van de tweede en van de laatste hemel worden zij bij wie de tweede en de laatste graad geopend kan worden. Elke geestelijke graad bij de mens wordt Goddelijke Wijsheid uit de Heer. Wie iets opnemen, komen in de eerste of laatste geestelijke graad; wie meer opnemen, in de tweede of middelste graad; en wie veel opnemen, in de derde of hoogste graad. Wie echter niets opnemen, blijven in de natuurlijke graden, en trekken uit de geestelijke graden niet meer dan dat zij kunnen denken en vandaar spreken, en willen en vandaar handelen, maar niet met inzicht.

 

68. Ten aanzien van de verheffing van de innerlijke dingen van de mens, die van het gemoed van hem zijn, moet men ook dit weten. In al het geschapene uit God is reactie. Het leven alleen heeft actie en de reactie wordt opgewekt door de actie van het leven. Die reactie verschijnt wanneer het door actie wordt aangedreven; zo verschijnt zij in de mens alsof zij van hem is, omdat hij niet anders gewaarwordt dan dat het leven van hem is, terwijl toch de mens alleen een opnemende van het leven is. Vanuit deze oorzaak is het, dat de mens vanuit zijn erfboze reageert tegen God; maar als hij gelooft dat al het leven van hem uit God is, en al het goede van het leven uit de actie van God is, en al het boze van het leven uit de reactie van de mens, dan wordt de reactie ván de actie, en handelt de mens mét God zoals uit zich. Het evenwicht van alle dingen is uit actie en tegelijk reactie en in het evenwicht moet alles zijn. Deze dingen zijn gezegd opdat niet de mens zal geloven dat hijzelf tot God opklimt, maar uit de Heer.

 

TOP

69. HET GODDELIJKE VULT ALLE RUIMTEN VAN HET HEELAL ZONDER RUIMTE.

Er zijn twee dingen die aan de natuur eigen zijn: ruimte en tijd. Vanuit deze vormt de mens in de natuurlijke wereld de ideeën van zijn denken en daaruit het verstand. Indien hij in die ideeën blijft, en het gemoed niet daarboven verheft, kan hij nooit enig geestelijke en Goddelijke doorvatten; want hij omwikkelt die in ideeën die vanuit ruimte en tijd getrokken worden; en voor hoeveel hij dit doet, voor zoveel wordt het schijnsel van het verstand van hem louter natuurlijk. Vanuit dit denken over geestelijke en Goddelijke dingen te redeneren, is zoals vanuit de donkerheid van de nacht te denken over die dingen die alleen in het daglicht verschijnen. Daaruit is het denken: God is natuur. Maar wie het gemoed weet te verheffen boven de ideeën van het denken dat vanuit ruimte en tijd wordt getrokken, die gaat vanuit de donkerheid over in het licht en is wijs in de dingen die daarin en daaruit zijn; en dan slaat hij vanuit dat licht de donkerheid van het natuurlijk schijnsel uiteen, en verbant de begoochelingen ervan vanuit het midden tot de zijden. Elk mens die verstand heeft, kan denken boven de dingen die aan de natuur eigen zijn, en eveneens denkt hij zo; en dan bevestigt hij en ziet dat het Goddelijke, omdat het alomtegenwoordig is, niet in de ruimte is; en eveneens kan hij die dingen bevestigen en zien die boven zijn aangevoerd; maar indien hij de Goddelijke Alomtegenwoordigheid ontkent, en alle dingen aan de natuur toeschrijft, dan wil hij niet verheven worden, hoewel hij dat wel kan.

 

70. Die twee aan de natuur eigen dingen, die zoals gezegd, de ruimte en de tijd zijn, trekken allen uit die overlijden en engelen worden; want zij treden dan in het geestelijk licht binnen, waarin de voorwerpen van het denken de ware dingen zijn, en de voorwerpen van het gezicht eender zijn als die in de natuurlijke wereld, maar overeenstemmend met het denken daarvan. De voorwerpen van het denken daarvan, die zoals gezegd, de ware dingen zijn, trekken in het geheel niets vanuit ruimte en tijd; de voorwerpen van het gezicht van hen echter verschijnen weliswaar zoals in de ruimte en de tijd, maar toch denken zij niet daarvanuit. De oorzaak is omdat ruimten en tijden niet zijn vastgesteld zoals in de natuurlijke wereld, maar veranderlijk zijn volgens de staten van het leven van hen. Vandaar zijn voor die dingen in de ideeën van het denken van hen, staten van het leven; voor de ruimten, zulke dingen die betrekking hebben op de staten van de liefde, en voor de tijden, zulke dingen die betrekking hebben op de staten van de wijsheid. Vandaar is het dat het geestelijke denken en vandaar eveneens de geestelijke spraak, zozeer verschilt van het natuurlijke denken en vandaar van de natuurlijke spraak, dat zij niets gemeen hebben, behalve ten aanzien van de innerlijke dingen ervan, die alle geestelijk zijn; over welk verschil elders meer zal worden gezegd. Omdat nu het denken van de engelen niets trekt vanuit ruimte en tijd, maar vanuit de staten van het leven, is het duidelijk dat die niet begrijpen, wanneer gezegd wordt dat het Goddelijke de ruimten vult, want zij weten niet wat ruimten zijn; maar zij begrijpen het wel helder wanneer zonder idee van enige ruimte wordt gezegd dat het Goddelijke alle dingen vult.

 

71. Opdat duidelijk wordt dat de louter natuurlijke mens over de geestelijke en de Goddelijke dingen denkt vanuit ruimte, en de geestelijke mens zonder ruimte, volgt dit ter illustratie: de louter natuurlijke mens denkt door ideeën die hij zich vanuit de voorwerpen van het gezicht heeft verworven, waarin altijd een figuur is die bestaat uit de lengte, de breedte, en de hoogte, en dus vanuit een daardoor begrensde vorm, die of hoekig, of rond is. Deze dingen zijn klaarblijkelijk de ideeën van het denken van hem over de zichtbare dingen op de aarde, en eveneens zijn het ideeën van het denken van hem over de niet zichtbare dingen, zoals de burgerlijke en de zedelijke dingen. Hij ziet deze dingen weliswaar niet, maar niettemin zijn zij daar als continue dingen. Anders de geestelijke mens, voornamelijk de hemelse engel; het denken van hem heeft niets gemeen met een figuur en een vorm die iets neemt vanuit het lange, het brede en het hoge van de ruimte, maar vanuit de staat van iets, die voortkomt vanuit de staat van het leven. Vandaar denkt hij voor het lange van de ruimte het goede van iets, vanuit het goede van het leven, voor het brede van de ruimte het ware van iets, vanuit het ware van het leven, en voor het hoge de graden ervan; zo denkt hij vanuit de overeenstemming die er is van geestelijke en natuurlijke dingen tussen elkaar; vanuit welke overeenstemming het is dat de lengte in het Woord het goede van iets betekent, de breedte het ware van iets, en de hoogte de graden ervan. Vanuit deze dingen is duidelijk dat een hemelse engel wanneer hij over de Goddelijke Alomtegenwoordigheid denkt, geenszins anders kan denken dan dat het Goddelijke alle dingen vult zonder ruimte. Hetgeen een engel denkt is het ware, omdat het licht dat het verstand van hem verlicht, de Goddelijke Wijsheid is.

 

72. Dit is de fundamentele gedachte over God; want zonder die kunnen weliswaar die dingen die gezegd zullen worden over de schepping van het heelal uit God-Mens, over de Voorzienigheid, Almacht, Alomtegenwoordigheid, en Alwetendheid van Hemzelf, worden verstaan, maar toch niet worden onthouden, aangezien de louter natuurlijke mens als hij die verstaat, toch weer terugglijdt in de liefde van zijn leven, die van zijn wil is; en deze verstrooit die dingen, en dompelt het denken onder in de ruimte, waarin het schijnsel van hem is dat hij het redelijke noemt, terwijl hij niet weet dat hij voor zoveel hij die dingen loochent, onredelijk is. Dat dit zo is, kan bevestigd worden door de idee over dit ware: ‘dat God is Mens’. Lees, verzoek ik u, met aandacht de dingen die boven, nrs. 11 tot 13, en daarna geschreven zijn; dan zult u inzien dat het zo is. Maar laat het denken neer in het natuurlijk schijnsel dat trekt vanuit de ruimte, zult u die dingen dan niet als paradoxen zien? En indien u dit denken diep daarin neerlaat, zult u ze dan niet verwerpen? Dit is de oorzaak dat gezegd wordt dat het Goddelijke alle ruimten van het heelal vult, en dat niet wordt gezegd dat God-Mens dit vult; want indien dit werd gezegd, zou het louter natuurlijk schijnsel daarmee niet instemmen; maar dat het Goddelijke vult, met dit stemt het in, omdat het strookt met de spreekformule van de theologen dat God alomtegenwoordig is, en alle dingen hoort en weet; meer dingen over dit onderwerp kan hier boven in de nrs. 7 tot 10, worden gezien.

 

TOP

73. HET GODDELIJKE IS IN ALLE TIJD ZONDER TIJD.

Zoals het Goddelijke is in alle ruimte zonder ruimte, zo is het in alle tijd zonder tijd, want niet iets wat aan de natuur eigen is kan aan het Goddelijke worden toegekend, en eigen aan de natuur is meetbaar, eender de tijd. De tijd wordt gemeten door dagen, weken, maanden, jaren, en eeuwen; en de dag door uren, de week en maand door dagen en het jaar door de vier jaargetijden, en de eeuwen door jaren. Deze meting trekt de natuur vanuit het schijnbare rondcirkelen en de jaarlijkse beweging van de zon van de wereld. Anders is het echter in de geestelijke wereld; daar verschijnen de voortgangen van het leven eender in de tijd; want zij leven daar tussen elkaar zoals de mensen van de wereld tussen elkaar leven, wat niet voorkomt zonder de schijnbaarheid van tijd. Maar de tijd wordt daar niet onderscheiden in tijden zoals in de wereld, want de Zon van hen is bestendig in het oosten, en beweegt zich  nooit van hen vandaan; want het is de Goddelijke Liefde van de Heer die als Zon daar verschijnt. Vandaar hebben zij niet dagen, weken, maanden, jaren, eeuwen, maar in plaats daarvan zijn er staten van leven waardoor er onderscheiding is, en die niet een onderscheiding in tijden, maar in staten genoemd kan worden. Vandaar is het dat de engelen niet weten wat tijd is, en dat zij, wanneer dat wordt genoemd, in plaats ervan de staat doorvatten; en daar de staat de tijd bepaalt, is de tijd slechts een schijnbaarheid; want het verkwikkelijke van de staat maakt dat de tijd kort schijnt en het onverkwikkelijke van de staat maakt dat de tijd lang schijnt. Hiervanuit is het duidelijk dat de tijd daar niet is, tenzij dan als het hoedanige van de staat. Daarvanuit is het dat door uren, dagen, weken, maanden, en jaren in het Woord staten worden aangeduid, en de voortgangen ervan in een reeks en in een samenvatting; en wanneer van tijden wordt gesproken met betrekking tot de Kerk, dat onder de morgen ervan de eerste staat wordt verstaan, onder de middag het volle ervan, onder de avond de afneming ervan, en onder de nacht het einde ervan. De vier jaargetijden: lente, zomer, herfst, en winter hebben een soortgelijke betekenis

 

74. Vanuit deze dingen kan vaststaan dat de tijd één maakt met het denken vanuit de aandoening; want het hoedanige van de staat van de mens is daaruit. Dat de afstanden in de voortgang door de ruimten in de geestelijke wereld één maken met de voortgang van de tijden, kan vanuit vele dingen worden toegelicht; want de wegen worden daar inderdaad ingekort volgens de verlangens, die van het denken vanuit de aandoening zijn, en omgekeerd worden zij verlengd. Vandaar is het ook dat ‘tijdsruimten’ wordt gezegd. In zodanige dingen echter wanneer het denken zich niet verbindt met de eigen aandoening van de mens, verschijnt de tijd niet, zoals in de slaap.

 

75. Omdat nu de tijden die aan de natuur eigen zijn in de wereld ervan, zuivere staten zijn in de geestelijke wereld, die daar zoals ‘voorwaarts gaand’ verschijnen omdat de engelen en geesten eindig zijn, kan het vaststaan dat zij in God niet voorwaarts gaan omdat Hij Oneindig is, en de oneindige dingen in Hemzelf één zijn, volgens de dingen die boven, nrs. 17 tot 22, zijn aangetoond; vanuit welke dingen volgt dat het Goddelijke in alle tijd is zonder tijd.

 

76. Wie niet weet en niet vanuit enige doorvatting kan denken over God zonder tijd, kan het eeuwige in het geheel niet anders begrijpen dan als een eeuwige van tijd; en dan kan hij niet dan ijlen in zijn denken over God uit het eeuwige; want hij denkt vanuit een begin, en een begin is enig en alleen een begin van tijd. Dat ijlen van hem wordt dan dat God uit Zich is ontstaan, waarvanuit hij voorover glijdt in de idee van ‘een oorsprong van de natuur uit zich’; en hij kan niet van dit idee worden verlost tenzij dan door de geestelijke idee of die van de engelen over het eeuwige, en die is zonder tijd; en als die zonder tijd is, is het Eeuwige en het Goddelijke hetzelfde; het Goddelijke is Goddelijk ín zichzelf, niet úit zich.

De engelen zeggen dat zij wel God uit het eeuwige kunnen doorvatten, maar op geen enkele wijze de natuur uit het eeuwige en te minder een natuur uit zich en in het geheel niet een natuur in zich als natuur; want ‘in zich’ is, het Zijn zelf, waaruit alle dingen zijn; en het Zijn in zich is het Leven zelf, hetwelk is de Goddelijke Liefde van de Goddelijke Wijsheid en de Goddelijke Wijsheid van de Goddelijke Liefde. Dit is voor de engelen het Eeuwige en zo dus onttrokken aan de tijd, zoals het Ongeschapene het is aan het geschapene, of het Oneindige aan het eindige, waarin zelfs niet een verhouding is.

TOP

77. HET GODDELIJKE IS IN DE GROOTSTE EN IN DE KLEINSTE DINGEN HETZELFDE.

Dit volgt vanuit de twee artikelen die voorafgaan, dat het Goddelijke in alle ruimte is zonder ruimte, en in alle tijd zonder tijd; en er zijn grotere en grootste ruimten, en er zijn kleinere en kleinste; en omdat ruimten en tijden één maken, zoals boven gezegd, is het eender zo met de tijden. Dat het Goddelijke daarin hetzelfde is, is omdat het Goddelijke niet wijzigt en veranderlijk is zoals alles is wat van ruimte en tijd is, of alles wat van de natuur is, maar het is ongewijzigd en onveranderlijk; vandaar is het waar dan ook altijd hetzelfde.

 

78. Het verschijnt alsof het Goddelijke niet hetzelfde is in de ene mens als in de andere; alsof het iets anders is in de wijze mens dan in de eenvoudige, en iets anders in de grijsaard dan in het kleine kind. Maar dit is een begoocheling vanuit de schijnbaarheid; de mens is een andere, maar het Goddelijke is niet iets anders in hem. De mens is een opnemende, en het opnemende of het receptakel is verschillend. De wijze mens is een meer evenredig en dus voller opnemende van de Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid dan de eenvoudige mens; en de grijsaard die ook wijs is, meer dan een klein kind en een knaap; toch is het Goddelijke hetzelfde in de een en in de ander. Eender is het een begoocheling vanuit de schijnbaarheid dat het Goddelijke verschillend is bij de engelen van de hemel en bij de mensen op aarde, omdat de engelen van de hemel in een onuitsprekelijke wijsheid zijn, en de mensen niet; maar het schijnbaar verschillende is in de subjecten, volgens het hoedanige van de opneming van het Goddelijke, en niet in de Heer.

79. Dat het Goddelijke hetzelfde is in grootsten en in kleinsten, kan worden toegelicht vanuit de hemel en vanuit de engel daar. Het Goddelijke in de gehele hemel en het Goddelijke in de engel is hetzelfde; en daarom ook kan de gehele hemel verschijnen als één engel. Eender is dit  met de Kerk en met de mens ervan. Het grootste waarin het Goddelijke is, is de gehele hemel en tegelijk de gehele kerk; het kleinste is de hemelse engel en de mens van de kerk. Enige malen verscheen mij een volledig hemels gezelschap zoals één engel-mens; en het werd gezegd dat dit kan verschijnen zoals een mens, zo groot als een reus, en zoals een mens zo  klein als een klein kind; en dit omdat het Goddelijk hetzelfde is in grootsten en in kleinsten.

 

80. Het Goddelijke is ook hetzelfde in grootsten en kleinsten van alle dingen die geschapen zijn en niet leven; want het is in elk goede van het nut ervan. Dat deze echter niet leven, is omdat zij niet vormen van het leven, maar vormen van nutten zijn; en de vorm is volgens de goedheid van het nut verschillend. Maar hoe het Goddelijke in die dingen is, zal in de volgende dingen, waar over de schepping wordt gehandeld, worden gezegd.

 

81. Abstraheer de ruimte en ontken geheel en al het ledige en denk dan over de Goddelijke Liefde en over de Goddelijke Wijsheid, dat zij het Wezen zelf zijn: dus de ruimte geabstraheerd en het ledige dan ontkend. Denk daarop vanuit de ruimte, en u zult doorvatten dat het Goddelijke hetzelfde is in grootsten en kleinsten van de ruimte; want er is in het Wezen, geabstraheerd van ruimte, noch groot, noch klein, maar alleen hetzelfde.

 

82. Hier zal iets over het ledige worden gezegd. Ik heb engelen eens horen spreken met Newton over het ledige; zij zeiden dat zij de idee van het ledige als van een niets niet verdragen, omdat zij in hun wereld, die geestelijk is, en binnen of boven de ruimten en de tijden van de natuurlijke wereld, evengelijk gewaarworden, denken, aangedaan worden, liefhebben, willen, ademen, ja zelfs spreken en handelen; welke dingen er nooit zouden kunnen zijn in een ledige als een niets, omdat niets is niets, en er met betrekking tot niets, niets gezegd kan worden. Newton zei dat hijzelf huivert bij de idee van het niets over het ledige, omdat die vernietigend is voor alle dingen, en dat hij diegenen vermaande die over het ledige met hem spreken, dat zij moesten waken voor de idee van het niets, dit noemde hij een bezwijming, omdat er in het niets niet enige daadwerkelijkheid van het gemoed is.

 

Einde deel 1.

TOP

 DEEL 2.

83. DE GODDELIJKE LIEFDE EN DE GODDELIJKE WIJSHEID VERSCHIJNEN IN DE GEESTELIJKE WERELD ALS ZON.

 Er zijn twee werelden, de geestelijke en de natuurlijke; en de geestelijke wereld trekt niet wat ook vanuit de natuurlijke wereld, noch de natuurlijke wereld vanuit de geestelijke wereld; zij zijn geheel en al onderscheiden. Zij hebben alleen verbinding door overeenstemmingen, en hoedanig die zijn, werd elders met veel dingen getoond. Om dit te illustreren dient dit voorbeeld: de warmte in de natuurlijke wereld stemt overeen met het goede van de naastenliefde in de geestelijke wereld, en het licht in de natuurlijke wereld stemt overeen met het ware van het geloof in de geestelijke wereld. Dat de warmte en het goede van de naastenliefde, en het licht en het ware van het geloof geheel en al onderscheiden zijn, wie ziet dit niet? Op het eerste gezicht verschijnen ze zo onderscheiden zoals twee geheel en al uiteenlopende dingen; zo verschijnen ze, als gedacht wordt wat het goede van de naastenliefde gemeen heeft met de warmte, en wat het ware van het geloof met het licht; terwijl toch de geestelijke warmte dat goede is, en het geestelijk licht dat ware. Hoewel deze dingen zo onderscheiden in zich zijn, maken zij niettemin één door overeenstemming. Zij maken aldus één dat als de mens in het Woord warmte en licht leest, de geesten en engelen die bij de mens zijn, dan voor de warmte de naastenliefde doorvatten en voor het licht het geloof. Dit voorbeeld is aangevoerd opdat men zal weten dat de twee werelden, de geestelijke en de natuurlijke, zodanig gescheiden zijn dat zij tussen elkaar niets gemeen hebben; maar toch zijn zij zo geschapen dat ze gemeenschap hebben, ja zelfs verbonden worden, door overeenstemmingen.

 

84. Aangezien die twee werelden zo onderscheiden zijn, kan duidelijk worden gezien dat de geestelijke wereld onder een andere zon is dan de natuurlijke wereld; want in de geestelijke wereld is evengelijk warmte en licht als in de natuurlijke wereld; maar de warmte daar is geestelijk, en het licht eender; en de geestelijke warmte is het goede van de naastenliefde, en het geestelijk licht is het ware van het geloof. Omdat nu de warmte en het licht niet ergens anders vandaan de oorsprong kunnen leiden dan vanuit de zon, kan het vaststaan dat in de geestelijke wereld een andere zon is dan in de natuurlijke wereld. Voorts ook dat de Zon van de geestelijke wereld in haar wezen zodanig is, dat daar vanuit de geestelijke warmte en het geestelijk licht kan ontstaan; en dat de zon van de natuurlijke wereld in haar wezen zodanig is, dat daar vanuit de natuurlijke warmte kan ontstaan. Al het geestelijke, dat betrekking heeft op het goede en ware, kan niet ergens anders vandaan komen dan vanuit de Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid; want al het goede is van de liefde, en al het ware is van de wijsheid; dat het niet ergens anders vandaan is, kan elk wijs mens zien.

85. Dat er een andere zon is dan de zon van de natuurlijke wereld, was tot nu toe onbekend. De oorzaak is omdat het geestelijke van de mens zozeer in het natuurlijke van hem is overgegaan dat hij niet meer weet wat het geestelijke is, en dus ook niet dat er een geestelijke wereld is waarin geesten en engelen zijn, anders en verschillend van de natuurlijke wereld.

Aangezien de geestelijke wereld zo diep verborgen heeft gelegen voor de kennis van degenen die in de natuurlijke wereld zijn, heeft het daarom de Heer behaagd het gezicht van mijn geest te openen opdat ik die dingen zie die in die wereld zijn, en daarop die wereld beschrijven, wat is gedaan in het werk ‘HEMEL EN HEL’, waarin in één artikel ook is gehandeld over de Zon van die wereld. Want zij is aan mij verschenen, en zij verscheen van een zelfde grootte als de zon van de natuurlijke wereld, en eveneens net zoals vurig, maar meer roodschitterend; en het is mij bekend gemaakt dat de gehele engelenhemel die Zon bij voortduur zien, de engelen van de tweede hemel meermalen, en de engelen van de eerste of laatste hemel soms. Dat alle warmte en alle licht daar, voorts alle dingen die in die wereld verschijnen, vanuit die Zon zijn, zal in de volgende dingen worden gezien.

 

86. Die Zon is niet de Heer zelf, maar vanuit de Heer; zij is de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid, voortgaande, die als Zon in die wereld verschijnen; en omdat Liefde en Wijsheid in de Heer één zijn, zoals in het eerste deel is getoond, wordt gezegd dat die Zon de Goddelijke Liefde is; want de Goddelijke Wijsheid is van de Goddelijke Liefde, en dus eveneens die Liefde.

 

87. Dat die Zon voor de ogen van de engelen zoals vurig verschijnt, is omdat de liefde en het vuur met elkaar overeenstemmen; want met hun ogen kunnen zij de liefde niet zien, maar wel dat wat ermee overeenstemt. Want engelen hebben gelijk als mensen eveneens een innerlijk en een uitwendige; het innerlijk van hen is dat wat gewaarwordt, ziet, spreekt, en handelt; en alle uitwendige dingen van hen zijn overeenstemmingen van de innerlijke dingen, maar dit zijn geestelijke overeenstemmingen, niet natuurlijke. De Goddelijke Liefde wordt door de geestelijken ook als vuur waargenomen; vandaar is het dat het vuur, waar het in het Woord wordt gezegd, de liefde betekent. Het gewijde vuur in de Israëlitische Kerk betekent dit; waar vanuit het is dat het in de gebeden tot God ook een plechtig gebruik is te zeggen, dat het hemelse vuur, dat wil zeggen, de Goddelijke Liefde, het hart moge ontsteken.

 

88. Aangezien er een zodanig onderscheid is tussen het geestelijke en het natuurlijke, als boven, nr. 83, is getoond, kan er daarom hoegenaamd niets vanuit de zon van de natuurlijke wereld overgaan in de geestelijke wereld, dat wil zeggen, hoegenaamd niets van het licht en de warmte ervan, of van enig voorwerp op de aarde. Het licht van de natuurlijke wereld is daar dikke duisternis, en de warmte ervan daar is de dood. Niettemin kan de warmte van de wereld levend gemaakt worden door de invloeiing van de warmte van de hemel en het licht van de wereld kan verlicht worden door de invloeiing van het licht van de hemel. De invloeiing geschiedt door overeenstemmingen en kan niet geschieden op een ononderbroken, continue wijze.

 

TOP

89. VANUIT DE ZON DIE VANUIT DE GODDELIJKE LIEFDE EN DE GODDELIJKE WIJSHEID BESTAAT, GAAT WARMTE EN LICHT VOORT.

 In de geestelijke wereld, waarin engelen en geesten zijn, zijn evenzo warmte en licht als in de natuurlijke wereld, waarin de mensen zijn; en eveneens wordt de warmte als warmte waargenomen, en het licht wordt eender als licht gezien. Maar toch verschillen de warmte en het licht van de geestelijke wereld en van de natuurlijke wereld zozeer, dat zij niets gemeen hebben, zoals boven is gezegd. Zij verschillen met elkaar zoals het levende en het dode.

De warmte van de geestelijke wereld in zich is levend, evenzo het licht; want de warmte en het licht van de geestelijke wereld gaan voort vanuit de Zon die zuiver liefde is; maar de warmte en het licht van de natuurlijke wereld gaan voort vanuit de zon die zuiver vuur is; en de liefde is levend en de Goddelijke Liefde is het leven zelf; terwijl het wereldse vuur dood is, en het vuur van de wereldse zon is de dood zelf; en kan dus zo genoemd worden omdat  daarin in het geheel niets van leven is.

 

90. De engelen kunnen, omdat zij geestelijk zijn, niet in een andere warmte, noch in een ander licht dan het geestelijke zijn, de mensen echter kunnen niet in een andere warmte en in een ander licht dan in het natuurlijke leven; want wat geestelijk is komt overeen met het geestelijke, en wat natuurlijk is met het natuurlijke. Indien een engel ook maar het geringste vanuit de natuurlijke warmte en het natuurlijk licht trok, zou hij vergaan, want het komt in het geheel niet overeen met het leven van hem. Ieder mens is naar de innerlijke dingen van zijn gemoed een geest. Wanneer een mens sterft, gaat hij geheel en al van de wereld van de natuur uit en laat hij alles ervan achter, en gaat hij een wereld binnen waarin niets van de natuur is; en in deze wereld leeft hij aldus van de natuur gescheiden. Er is niet enige verbinding door het continue, dat wil zeggen, zoals tussen het meer zuivere en het grovere, maar alleen zoals het eerdere en het latere, waarvan er niet een andere verbinding is dan door overeenstemmingen. Vandaar kan vaststaan dat de geestelijke warmte niet een zuiverder natuurlijk licht is, maar dat zij geheel en al van een andere inborst zijn; want de geestelijke warmte en het geestelijk licht trekken het wezen vanuit de Zon die zuiver Liefde is, welke het Leven zelf is; en de natuurlijke warmte en het natuurlijk licht trekken het wezen vanuit de zon die zuiver vuur is, waarin volstrekt niets van leven is, zoals boven gezegd.

 

91. Aangezien er een zodanig onderscheid is tussen de warmte en het licht van de ene en van de andere wereld, is het duidelijk vanwaar het is dat degenen die in de ene wereld zijn, niet degenen kunnen zien die in de andere wereld zijn. Want de ogen van de mens, die vanuit het natuurlijk licht zien, zijn vanuit de substantie van zijn wereld, en de ogen van de engel zijn vanuit de substantie van zijn wereld; zo zijn zij, van welke kant ook bekeken, gevormd om op evenredige wijze hun licht op te nemen. Hieruit kan worden gezien hoezeer degenen denken vanuit onkunde, en in hun geloof niet toelaten, dat engelen en geesten mensen zijn, omdat zij die met de ogen niet zien.

 

92. Het was tot nu toe onbekend dat engelen en geesten in een geheel ander licht en in een geheel andere warmte zijn dan mensen; ja zelfs was het onbekend dat er een ander licht en een andere warmte is. Want de mens is met zijn denken niet hoger doorgedrongen dan in de meer innerlijke of zuiverder dingen van de natuur; en daarom ook hebben velen de verblijven van de engelen en van de geesten verzonnen in de ether, en sommigen in de sterren en zo dus binnen de natuur en niet daarboven of daarbuiten, terwijl toch de engelen en de geesten geheel en al boven of buiten de natuur zijn, en in hun eigen wereld, die onder de andere Zon is. En omdat in die wereld ruimten schijnbaarheden zijn, zoals boven is aangetoond, kan daarom niet worden gezegd dat zij in de ether, noch dat zij in de sterren zijn; want zij zijn samen met de mens, verbonden met de aandoening en het denken van de geest van hem; want de mens is een geest, waar vanuit hij denkt en wil; en daarom is de geestelijke wereld daar waar de mens is, en in het geheel niet verwijderd van hem. In één woord, elk mens is naar de innerlijke dingen van het gemoed in die wereld in het midden van de geesten en de engelen daar; en hij denkt vanuit het licht daar, en hij heeft lief vanuit de warmte ervan.

 

TOP

93. DIE ZON IS NIET GOD, MAAR ZIJ IS HET VOORTGAANDE VANUIT DE GODDELIJKE LIEFDE EN GODDELIJKE WIJSHEID VAN GOD-MENS; ZOALS DE WARMTE EN HET LICHT VANUIT DIE ZON.

Onder die Zon die zichtbaar is voor de engelen, waar vanuit zij warmte en licht hebben, wordt niet de Heer zelf verstaan, maar verstaan wordt het eerste voortgaande uit Hemzelf, dat het opperste of de hoogste graad van de geestelijke warmte is. Het opperste van de geestelijke warmte is het geestelijk vuur, dat de Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid in haar eerste overeenstemming is. Vandaar is het dat die Zon vurig verschijnt en eveneens dat zij vurig is voor de engelen, maar niet voor de mensen. Het vuur dat vuur is voor de mensen, is niet geestelijk, maar is natuurlijk, hier tussen is het onderscheid zoals tussen het levende en het dode; en daarom maakt de geestelijke Zon door de warmte de geestelijken levend, en maakt zij de geestelijke dingen weer nieuw; de natuurlijke zon echter doet weliswaar eender met de natuurlijken en natuurlijke dingen, maar niet vanuit zich, maar door de invloed van de geestelijke warmte, waaraan zij aanvullende hulp verleent.

 

94. Dat geestelijk vuur, waarin ook het licht is in zijn oorspong, wordt de geestelijke warmte en het geestelijk licht, die afnemen in het voortgaan; en die afname vindt plaats door graden, waarover in de volgende dingen. Dit werd door de Ouden voorgesteld door ringen, rood gloeiend vanuit vuur en blinkend vanuit licht rondom het hoofd van God, welke representatie ook heden gebruikelijk is wanneer God als Mens wordt vertoond op schilderijen.

 

95. Dat de liefde warmte voortbrengt en de wijsheid licht, is overduidelijk vanuit de ondervinding zelf; als de mens liefheeft, wordt hij warm, en wanneer hij vanuit wijsheid denkt, ziet hij dingen als het ware in het licht; waar vanuit duidelijk is dat het eerste voortgaande van de liefde de warmte is, en het eerste voortgaande van de wijsheid het licht is.

Dat het ook overeenstemmingen zijn, is duidelijk; want de warmte bestaat niet in de liefde zelf, maar daar vanuit in de wil en daaruit in het lichaam; en het licht bestaat niet in de wijsheid, maar in het denken van het verstand en daaruit in de spraak. En daarom zijn de liefde en de wijsheid het wezen en het leven van de warmte en het licht; de warmte en het licht zijn voortgaande dingen; en omdat zij voortgaande dingen zijn, zijn zij ook overeenstemmingen.

 

96. Dat het geestelijk licht geheel en al onderscheiden is van het natuurlijk licht, kan eenieder weten indien hij let op het denken van zijn gemoed. Want het gemoed ziet, wanneer het denkt, de voorwerpen in het licht, en degenen die geestelijk denken, zien de ware dingen, en dit midden in de nacht even goed als overdag. Daarom wordt ook met betrekking tot het verstand, licht gezegd, en wordt zien gezegd, want van die dingen die iemand spreekt, zegt de ander soms dat hij ziet dat het zo is, dat wil zeggen, dat hij het verstaat. Omdat het verstand geestelijk is, kan het niet zo zien vanuit het natuurlijk licht; want het natuurlijk licht kleeft niet aan maar verdwijnt met de zonsondergang. Waarvandaan openligt dat het verstand zich in een ander licht verheugt dan het oog, en dat het licht vanuit een andere oorsprong is.

 

97. Ieder dient ervoor te waken dat hij zal denken dat de Zon van de geestelijke wereld God zelf is; God zelf is Mens; het eerste voortgaande vanuit de Liefde en de Wijsheid van Hemzelf is het Geestelijk Vurige dat verschijnt voor de engelen als Zon; en daarom, wanneer de Heer zich aan de engelen in Persoon manifesteert, manifesteert Hij zich als Mens, en dit soms in de Zon, en soms buiten de Zon.

 

98. Vanuit die overeenstemming is het, dat de Heer in het Woord niet slechts Zon wordt genoemd, maar ook Vuur, en Licht; en onder de Zon wordt Hijzelf verstaan ten aanzien van de Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid tegelijk; en onder het Vuur Hijzelf ten aanzien van de Goddelijke Wijsheid.

 

TOP

99. DE GEESTELIJKE WARMTE EN HET GEESTELIJK LICHT UIT HET VOORTGAANDE UIT DE HEER ALS ZON MAKEN ÉÉN, ZOALS DE GODDELIJKE LIEFDE EN DE GODDELIJKE WIJSHEID VAN HEMZELF ÉÉN MAKEN.

Hoe de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid in de Heer één maken, is in het eerste deel gezegd. Eender maken de warmte en het licht één, omdat deze voortgaan, en de dingen die voortgaan, maken één door overeenstemming; want de warmte stemt overeen met de liefde, en het licht met de wijsheid. Daaruit volgt dat zoals de Goddelijke Liefde het Goddelijk Zijn is, en de Goddelijke Wijsheid het Goddelijk Bestaan is, zie boven in nrs.14 tot 16, de geestelijke warmte dus het Goddelijke is, voortgaande vanuit het Goddelijke Zijn, en het geestelijk licht het Goddelijke is, voortgaande vanuit het Goddelijk bestaan; en daarom, zoals voortgaand vanuit het Goddelijk bestaan. Daarom, zoals door die vereniging de Goddelijke Liefde is van de Goddelijke Wijsheid, en de Goddelijke Wijsheid is van de Goddelijke Liefde, zie boven nrs. 34 tot 39, is de geestelijke warmte van het geestelijke licht, en is het geestelijk licht van de geestelijke warmte; en omdat er een zodanige vereniging is, volgt dat de warmte en het licht in het voortgaan uit de Heer als de Zon, één zijn. Dat zij echter niet als één worden opgenomen door de engelen en door de mensen, zal in de volgende dingen worden gezien.

 

100. De warmte en het licht die uit de Heer als Zon voortgaan, zijn het die bij uitstek het geestelijke worden genoemd; en zij worden het geestelijke in het enkelvoud genoemd omdat zij één zijn; en daarom wordt in de volgende dingen waar het geestelijke wordt gezegd, het ene en het andere tegelijk verstaan. Vanuit dat geestelijke is het dat die gehele wereld geestelijk wordt genoemd; alle dingen van die wereld trekken uit dat geestelijke hun oorsprong, en vandaar eveneens de benaming. Dat die warmte en dat licht geestelijk worden genoemd, is omdat God Geest wordt genoemd, en God als Geest is dit Voortgaande. God vanuit Zijn Wezen zelf wordt Jehovah genoemd; maar door dat Voortgaande maakt Hij levend en verlicht Hij de engelen van de hemel en de mensen van de Kerk; daarom wordt ook van de levendmaking en de verlichting gezegd dat zij geschieden door de Geest van Jehovah.

 

101. Dat de warmte en het licht, dat wil zeggen, het geestelijke, voortgaande uit de Heer als Zon, één maken, kan verhelderd worden door de warmte en het licht die voortgaan uit de zon van de natuurlijke wereld. Die twee maken ook één in het uitgaan uit die zon. Dat zij niet één maken op aarde, is niet vanuit die zon, maar vanuit de aarde; want deze wordt dagelijks om haar as gewenteld, en wordt jaarlijks rondgevoerd volgens de ecliptica; vandaar is de schijnbaarheid dat de warmte en het licht niet één maken; want midden in de zomer is er meer van de warmte dan van het licht, en midden in de winter is er meer van het licht dan van de warmte. Het is eender zo in de geestelijke wereld; maar de aarde daar wordt niet rondgewenteld en rondgevoerd, maar de engelen keren zich meer en minder tot de Heer; en wie zich meer toekeren, nemen meer vanuit de warmte en minder vanuit het licht op; en wie zich minder keren tot de Heer, nemen meer vanuit het licht en minder vanuit de warmte op. Vandaar is het dat de hemelen, die vanuit de engelen zijn, onderscheiden zijn in twee rijken, waarvan het ene het hemelse wordt geheten en het andere het geestelijke; de hemelse engelen nemen meer op vanuit de warmte, en de geestelijke engelen meer vanuit het licht. Volgens hun opneming van de warmte en van het licht variëren eveneens de landen waar zij wonen in aanblik. De overeenstemming is volledig, als slechts in plaats van de beweging van de aarde de verandering van staat van de engelen wordt genomen.

 

102. Dat ook alle geestelijke dingen die ontstaan door de warmte en het licht van hun Zon, in zich beschouwd eender één maken, maar, dat die beschouwd als dingen die voortgaan vanuit de aandoeningen van de engelen, niet één maken, zal in de volgende dingen worden gezien. Wanneer de warmte en het licht één maken in de hemelen, is als het ware het lenteachtige bij de engelen; wanneer die echter niet één maken, is het zoals het zomerse, ofwel zoals het midwinterse, niet zoals het midwinterse in de koude regio’s, maar in de warmere zônes. Dus de opneming van liefde en wijsheid in gelijke mate is bij uitstek de staat van de engelen. Het eendere is het met de mens van de Kerk indien bij hem de liefde en de wijsheid, of de naastenliefde en het geloof, één maken.

 

TOP

103. DE ZON VAN DE GEESTELIJKE WERELD VERSCHIJNT OP GEMIDDELDE HOOGTE OP EEN AFSTAND VAN DE ENGELEN, ZOALS DE ZON VAN DE NATUURLIJKE WERELD VAN DE MENSEN.

De meesten dragen vanuit de wereld de idee over God met zich mee dat Hij boven het hoofd in de ‘hoge’ is, en over de Heer dat Hij in de hemel tussen de engelen is. Dat zij die idee over God dragen dat Hij boven het hoofd in de hoge is, is omdat God in het Woord de Hoogste wordt genoemd en gezegd wordt dat Hij woont in de hoge. Daarom heffen zij de ogen en handen omhoog wanneer zij smeken en aanbidden; niet wetend dat door de Hoogste het binnenste wordt aangeduid. Dat zij de idee over de Heer hebben dat Hij in de hemel tussen de engelen is, is omdat zij over Hem niet anders denken dan zoals over een ander mens, en sommigen zoals over een engel, niet wetend dat de Heer God zelf en de Enige God is, die het heelal regeert, die, indien Hij tussen de engelen in de hemel was, niet het heelal onder Zijn blik, en onder Zijn toezicht en regering zou kunnen hebben; en als Hij niet voor degenen die in de geestelijke wereld zijn, lichtte als de Zon, zouden de engelen niet enig licht kunnen hebben; want de engelen zijn geestelijk, en daarom komt niet een ander licht met het wezen van hen overeen dan het geestelijk licht. Dat er licht in de hemelen is, dat onmetelijk ver het licht op aarde te boven gaat, zal beneden worden gezien waar over de graden wordt gehandeld.

 

104. Wat dus de Zon betreft waar vanuit de engelen licht en warmte hebben, die verschijnt boven de landen waar de engelen wonen op omstreeks 45 graden, wat de gemiddelde hoogte is; en eveneens verschijnt zij op een afstand van de engelen zoals de zon van de wereld van de mensen. Die Zon verschijnt bestendig op deze hoogte en op deze afstand en beweegt ook  niet van haar plaats. Vandaar is het dat de engelen niet tijden hebben, onderscheiden in dagen en jaren en ook niet enige voortgang van de dag, van de morgen door de middag tot de avond in de nacht; noch een voortgang van het jaar van de lente door de zomer tot de herfst in de winter; maar er is voortdurend licht en een voortdurende lente; en daarom zijn daar in de plaats van tijden staten, als boven is gezegd.

105. Dat de Zon van de geestelijke wereld op gemiddelde hoogte verschijnt, heeft voornamelijk de volgende oorzaken. De eerste: dat zo de warmte en het licht die voortgaan uit die Zon, in hun middelste graad zijn en vandaar in hun gelijkheid en zo in hun juiste gematigdheid; want indien de Zon boven de gemiddelde hoogte verscheen, zou meer van warmte dan van licht worden doorvat; indien beneden die gemiddelde hoogte zou meer van licht dan van warmte worden doorvat, zoals het is op aarde als de zon boven of beneden het midden van de hemel is. Als zij boven is, groeit de warmte boven het licht, en als zij beneden is, groeit het licht boven de warmte; want het licht blijft hetzelfde in de tijd van de zomer en in de tijd van de winter, maar de warmte wordt volgens de graden van hoogte van de zon vermeerderd en verminderd. De tweede oorzaak dat de Zon van de geestelijke wereld in gemiddelde hoogte boven de engelenhemel verschijnt, is, omdat er zo een voortdurende lente is in alle engelenhemelen, waar vanuit de engelen in de staat van vrede zijn, want deze staat stemt overeen met de tijd van de lente op aarde. De derde oorzaak is dat zo de engelen hun aangezichten bij voortduur tot de Heer kunnen wenden, en Hemzelf met de ogen zien; want de engelen hebben met elke wending van het lichaam van hen het oosten, dus de Heer, voor hun aangezichten; wat eigenaardig is in die wereld; dit zou niet gebeuren indien de Zon van die wereld boven of beneden het midden verscheen, en het minst indien boven het hoofd in het zenit.

 

106. Indien de Zon van de geestelijke wereld niet van de engelen op een afstand verscheen, zoals de zon van de natuurlijke wereld bij de mensen, zou de gehele engelenhemel en daaronder de hel, en daaronder alle dingen van onze aarde niet zijn onder: Blik, Toezicht, Alomtegenwoordigheid, Alwetendheid, Almacht, en Voorzienigheid van de Heer; vergelijkenderwijs zoals de zon van onze wereld; als die niet op zo’n afstand van de aarde was waarin zij verschijnt, zou zij niet tegenwoordig en machtig kunnen zijn in alle landen door de warmte en het licht, en dus niet aanvullende hulp aan de Zon van de geestelijke wereld kunnen verlenen.

 

107. Het is ten zeerste noodzakelijk dat men weet dat er twee zonnen zijn, de ene Geestelijk en de andere natuurlijk; de geestelijke Zon voor degenen die in de geestelijke wereld zijn, en de natuurlijke zon voor degenen die in de natuurlijke wereld zijn. Als men dit niet weet kan niet iets juist worden verstaan over de schepping en over de mens, waarover gehandeld moet worden. Uitwerkingen kunnen weliswaar worden gezien, maar alleen als tegelijkertijd de oorzaken met de uitwerkingen worden gezien, de uitwerkingen kunnen niet anders aan de mens verschijnen dan zoals in de nacht.

 

 

TOP

108. DE AFSTAND TUSSEN DE ZON EN TUSSEN DE ENGELEN IN DE GEESTELIJKE WERELD IS EEN SCHIJNBAARHEID VOLGENS DE OPNEMING VAN DE GODDELIJKE LIEFDE EN GODDELIJKE WIJSHEID DOOR HEN.

Alle begoochelingen die bij de bozen en bij de eenvoudigen regeren, rijzen op vanuit bevestigde schijnbaarheden. Zolang de schijnbaarheden schijnbaarheden blijven, zijn die schijnbare waarheden, volgens welke eenieder kan denken en spreken; maar als zij aangenomen worden voor de waarheden zelf, wat geschiedt als zij worden bevestigd, dan worden schijnbare waarheden valsheden en begoochelingen. Zoals bijvoorbeeld: het is een schijnbaarheid dat de zon dagelijks rondom de aardbol wordt gevoerd en jaarlijks volgens de ecliptica voortschrijdt; zolang dit niet bevestigd wordt, is het een schijnbare waarheid, volgens welke ieder kan denken en spreken; want hij kan zeggen dat de zon opgaat en ondergaat, en hierdoor morgen, middag, avond, en nacht maakt; voorts dat de zon nu in die of in die graden van de ecliptica of van haar hoogte is, en dat zij hierdoor lente, zomer, herfst, en winter maakt. Maar als bevestigd wordt dat die schijnbaarheid de waarheid zelf is, denkt en spreekt de bevestiger een valsheid vanuit begoocheling. Het eendere is het met talloze andere schijnbaarheden, niet slechts in de natuurlijke, burgerlijke en zedelijke, maar ook in de geestelijke dingen.

 

109. Hetzelfde is het met de afstand van de Zon van de geestelijke wereld, welke Zon het eerste voortgaande van de Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid van de Heer is. De waarheid is dat er geen afstand is, maar dat de afstand een schijnbaarheid is volgens de opneming van de Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid in haar graad door de engelen .

Dat de afstanden in de geestelijke wereld schijnbaarheden zijn, kan vaststaan vanuit die dingen die boven zijn aangetoond, zoals in, n. 7 tot 9, ‘dat het Goddelijke niet in de ruimte is’, n. 69 tot 72, ‘dat het Goddelijke alle ruimten zonder ruimte vult’; en indien er geen ruimten zijn, zijn er ook geen afstanden; of, wat hetzelfde is, indien de ruimten schijnbaarheden zijn, zijn ook de afstanden schijnbaarheden, want de afstanden zijn van de ruimte.

 

110. Dat de Zon van de geestelijke wereld op zekere afstand van de engelen verschijnt, is omdat de Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid wordt opgenomen door hen in een evenredige graad van warmte en het licht; want de engel kan niet, omdat hij geschapen en eindig is, de Heer opnemen in de eerste graad van warmte en van het licht zoals Hij is in de Zon, want dan zou hij volledig verteerd worden; en daarom wordt de Heer opgenomen daaruit in de graad van de warmte en het licht die met de liefde en wijsheid van hen overeenstemt. Dit kan worden verlicht door dit, dat een engel van de laatste hemel niet kan opklimmen tot de engelen van de derde hemel; want indien hij opklimt en de hemel van hen binnentreedt, valt hij als het ware in zwijm en zijn leven worstelt als het ware met de dood. De oorzaak is omdat hij liefde en wijsheid heeft in een mindere graad en in een eendere graad is de warmte van de liefde van hem en het licht van de wijsheid van hem. Wat dan, indien de engel opklom tot bij de Zon en in het vuur van haar kwam? Vanwege de verschillen van opneming van de Heer door de engelen verschijnen ook de hemelen tussen elkaar onderscheiden. De hoogste hemel, die de derde wordt genoemd, verschijnt boven de tweede, en deze boven de eerste; niet dat de hemelen gescheiden zijn, maar zij schijnen van elkaar af te staan; want de Heer is even zo goed aanwezig bij hen die in de laatste hemel zijn als Hij is bij hen die in de derde zijn; dat wat de schijnbaarheid van afstand maakt is in de subjecten, die de engelen zijn, niet in de Heer.

 

111. Dat dit zo is, kan bezwaarlijk met de natuurlijke idee worden begrepen, omdat daarin de ruimte is; maar het kan begrepen worden met de geestelijke idee, omdat daarin niet de ruimte is; in deze idee zijn de engelen. Niettemin kan dit met de natuurlijke idee worden begrepen dat de liefde en de wijsheid, of wat hetzelfde is, dat de Heer die de Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid is, niet kan voortgaan door de ruimten, maar dat Hij is bij eenieder volgens de opneming. Dat de Heer bij allen aanwezig is, leert Hijzelf bij, (Matthéus 28:20); en dat Hij verblijf maakt bij hen die Hemzelf liefhebben, (Johannes 14:21).

 

112. Maar dit kan schijnen zoals van hogere wijsheid, omdat het bevestigd is door de hemelen en door de engelen; maar toch is het hetzelfde bij de mensen. De mensen worden naar de innerlijke dingen van hun gemoed uit dezelfde Zon warm en verlicht; uit de warmte van haar worden zij warm, en uit het licht van haar worden zij verlicht voor zoveel zij uit de Heer liefde en wijsheid opnemen. Het verschil tussen engelen en mensen is, dat de engelen alleen maar onder die Zon zijn, de mensen echter niet slechts onder die Zon, maar ook onder de zon van de wereld; want de lichamen van de mensen kunnen niet bestaan en blijven bestaan tenzij zij zijn onder de ene èn de andere zon; anders dan de lichamen van de engelen, die geestelijk zijn.

 

TOP

113. DE ENGELEN ZIJN IN DE HEER EN DE HEER IS IN HEN; EN OMDAT DE ENGELEN OPNEMENDEN ZIJN, IS DE HEER ALLEEN DE HEMEL.

De hemel wordt ‘de woning van God’ genoemd en eveneens ‘de troon van God’; en vandaar wordt geloofd dat God daar is zoals een koning is in zijn koninkrijk. Maar God, dat wil zeggen, de Heer, is in de Zon boven de hemelen, en door de aanwezigheid van Hemzelf in de warmte en in het licht, is Hij in de hemelen, zoals in het tweetal artikelen hierboven is getoond; en hoewel de Heer op deze wijze in de hemel is, is Hij daar niettemin als in zich, want zoals vlak boven in n. 108 tot 112, is aangetoond, is de afstand tussen de Zon en de hemel niet een afstand, maar een schijnbaarheid van afstand; en daarom, daar die afstand alleen een schijn is, volgt, dat de Heer zelf in de hemel is, want Hij is in de liefde en wijsheid van de engelen van de hemel, en omdat Hij in de liefde en wijsheid van alle engelen is, en de engelen de hemel samenstellen, is Hij in de algehele hemel.

 

114. Dat de Heer niet slechts in de hemel is, maar ook dat Hij de hemel zelf is, is omdat de liefde en wijsheid de engel maken, en die twee zijn van de Heer bij de engelen. Daaruit volgt dat de Heer de hemel is. Want de engelen zijn niet engelen uit het eigene van hen; het eigene van hen is geheel en al zoals het eigene van de mens, dat boos is. Dat het eigene van de engelen dit is, is omdat alle engelen mensen zijn geweest, en dit eigene allen uit geboorte aankleeft; het wordt slechts terzijde geplaatst; en voor zoveel dit naar de zijden geplaatst  wordt, nemen zij de liefde en wijsheid, dat wil zeggen, de Heer in zich op. Ieder kan, indien hij slechts enigermate het verstand verheft, zien dat de Heer niet kan wonen tenzij dan in het Zijne bij de engelen, dat wil zeggen, in Zijn Eigene, hetwelk de Liefde en de Wijsheid is, en in het geheel niet in het eigene van de engelen, dat boos is. Vandaar is het dat voor zoveel het boze wordt verwijderd, de Heer in hen is en in zoverre zij engelen zijn. Het engellijke zelf van de hemel is de Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid. Dit Goddelijke wordt het engellijke genoemd als het in de engelen is. Daaruit is het opnieuw duidelijk dat de engelen engelen zijn uit de Heer, en niet uit zichzelf; en dus ook de hemel.

 

115. Maar hoe de Heer in de engel is en de engel in de Heer, kan niet begrepen worden tenzij men weet hoedanig de verbinding is. De verbinding is van de Heer met de engel en van de engel met de Heer; en daarom is die verbinding wederkerig. Die is van de zijde van de engel als volgt: de engel doorvat niet anders dan dat hij in de liefde en wijsheid is uit zich, net als de mens en vandaar alsof de liefde en wijsheid van hemzelf zijn. Tenzij hij het aldus zou doorvatten, zou er niet enige verbinding zijn; dan zou de Heer niet in hem zijn, en hij niet in de Heer. Ook kan het niet bestaan dat de Heer in enige engel en mens is, tenzij in wie Hij met liefde en wijsheid is, en het zoals het zijne doorvat en gewaarwordt; door dit wordt Hij niet slechts opgenomen, maar indien Hij wordt opgenomen, ook vastgehouden, en eveneens wedergeliefd; en daarom wordt de engel hierdoor wijs, en hij blijft wijs. Wie kan de Heer en de naaste willen liefhebben en wie kan willen wijs zijn, tenzij het dat wat hij liefheeft, leert, en put, zoals van hemzelf gewaarwordt en doorvat. Wie kan dat anders bij zich vasthouden? Indien het niet zo was, zou de invloeiende liefde en wijsheid niet enige zetel hebben, want zij zou doorheen vloeien en niet aandoen; zo zou de engel niet een engel zijn, noch zou de mens een mens zijn, ja zelfs zou hij niet iets anders zijn dan zoals het onbezielde is. Vanuit deze dingen kan vaststaan dat er een wederkerige moet zijn opdat er verbinding kan zijn.

 

116. Maar hoe dit geschiedt dat de engel het doorvat en gewaarwordt als van hemzelf en zo opneemt en vasthoudt, terwijl het toch niet van hem is, want boven is gezegd dat een engel niet engel is uit het zijne, maar uit die dingen die bij hem zijn vanuit de Heer, zal nu worden gezegd. De zaak in zich is als volgt: bij elke willekeurige engel is het vrije en de redelijkheid; deze twee zijn bij hem daarom, opdat hij ontvankelijk kan zijn voor de liefde en wijsheid uit de Heer; maar het ene en het andere, zowel het vrije als de redelijkheid, is niet van hem, maar is van de Heer bij hem; maar omdat die twee het innerlijkst met het leven van hem verbonden zijn, dus zo intiem dat gezegd kan worden dat zij in het leven zijn aaneengevoegd, verschijnen die daarom als de eigen dingen van hem. Daar vanuit kan hij denken en willen, en spreken en handelen; en dat hij daar vanuit denkt, wil, spreekt, en handelt, verschijnt het zoals uit zich; dit maakt het wederkerige, waardoor er verbinding is. Maar toch, voor zoveel de engel gelooft dat de liefde en wijsheid in hem zijn, en dus die dingen voor zich opeist als de zijne, is er niet iets van de engel in hem, en is er vandaar voor evenzoveel geen verbinding van hem met de Heer; want hij is niet in de waarheid; en omdat de waarheid met het licht van de hemel één maakt, kan hij voor zóveel niet in de hemel zijn; want daar vanuit ontkent hij dat hij leeft vanuit de Heer en gelooft hij dat hij leeft vanuit zich, bijgevolg dat hij Goddelijke kenmerken heeft; in die twee: het vrije en de redelijkheid, bestaat het leven van engelen en mensen. Vanuit deze dingen kan vaststaan dat de engel het wederkerige heeft vanwege de verbinding met de Heer, maar dat het wederkerige, op zichzelf beschouwd, niet van hem is maar van de Heer; vandaar is het dat indien hij dat wederkerige, waaruit hij dat wat van de Heer is zoals het zijne doorvat en gewaarwordt, misbruikt, wat geschiedt door zich toe te eigenen, hij uit de staat van de engelen afvalt. Dat de verbinding wederkerig is, leert de Heer zelf bij (Johannes 14:20 tot 24; 15:4,5,6); en dat de verbinding van de Heer met de mens en van de mens met de Heer, is in die dingen die van de Heer zijn, welke woorden door Hemzelf worden genoemd, (Joh. 15:7).

 

117. Er zijn mensen die menen dat Adam in een zodanig vrije of vrije keuze is geweest dat hij uit zich God kon liefhebben en wijs zijn, en dat deze vrije keuze in de nakomelingen van hem te gronde is gegaan; maar dit is een dwaling; want de mens is niet het leven maar een opnemende van het leven; men zie boven n. 4 tot 6, 54 tot 60; en wie een opnemende van het leven is, kan niet vanuit iets van het eigene van hem liefhebben en wijs zijn, daarom ook gleed hij, toen hij vanuit het eigene wilde wijs zijn en liefhebben, af uit de wijsheid en de liefde en werd hij uit het Paradijs geworpen.

 

118. Hetzelfde dat nu gezegd is over de engel, moet gezegd worden over de hemel die vanuit de engelen bestaat, aangezien het Goddelijke in grootsten en kleinsten hetzelfde is, zoals boven n. 77 tot 82 is aangetoond. Hetzelfde dat gezegd is over de engel en de hemel, moet gezegd worden over de mens en de Kerk, want de hemelse engel en de mens van de Kerk handelen één door verbinding; en eveneens is de mens van de Kerk naar de innerlijke dingen die van het gemoed van hem zijn, een engel; maar onder de mens van de Kerk wordt verstaan de mens in wie de Kerk is.

 

TOP

119. IN DE GEESTELIJKE WERELD IS HET OOSTEN WAAR DE HEER ALS ZON VERSCHIJNT EN DE OVERIGE STREKEN ZIJN DAARUIT.

Er is gehandeld over de Zon van de geestelijke wereld en het wezen ervan; en over de warmte en het licht ervan; en over de tegenwoordigheid van de Heer daaruit; nu zal ook over de streken van die wereld gehandeld worden. Dat over die Zon en over die wereld wordt gehandeld, heeft als oorzaak, omdat gehandeld wordt over God en over de Liefde en de Wijsheid; en over die handelen anders dan vanuit de oorsprong zelf, zou handelen zijn uit uitwerkingen en niet uit oorzaken. Evenwel van die uitwerkingen kan men niets leren dan uitwerkingen, en wanneer die alleen beschouwd worden, openbaren die niet enige oorzaak; maar de oorzaken openbaren de uitwerkingen; en de uitwerkingen weten vanuit de oorzaken, is wijs zijn; maar oorzaken navorsen uit uitwerkingen is niet wijs zijn, omdat zich dan begoochelingen voordoen die de navorser oorzaken noemt en dit is de wijsheid verdwazen. Want de oorzaken zijn de eerdere dingen en de uitwerkingen zijn de latere; en vanuit de latere kunnen de eerdere niet worden gezien, maar wel de latere vanuit de eerdere; dit is de orde. Dit is de oorzaak dat hier eerst over de geestelijke wereld wordt gehandeld, want alle oorzaken zijn daar, en daarna over de natuurlijke wereld, waar alle dingen die verschijnen, uitwerkingen zijn.

 

120. Hier zal nu iets over de streken in de geestelijke wereld worden gezegd. Er zijn streken die eender zijn zoals in de natuurlijke wereld; maar de streken van de geestelijke wereld zijn, zoals die wereld zelf is, geestelijk; maar de streken van de natuurlijke wereld zijn, zoals de wereld zelf, natuurlijk; en daarom verschillen ze zoveel dat ze niets gemeen hebben. Er zijn vier streken in de ene en de andere wereld, welk het oosten, westen, zuiden, en noorden worden genoemd; die vier streken zijn in de natuurlijke wereld bestendig, bepaald uit de zon in het zuiden, naar voren is het noorden, aan de ene zijde is het oosten, aan de andere is het westen, welke streken uit het zuiden van elke willekeurige plaats worden bepaald, want de standplaats van de zon in het zuiden is waar dan ook steeds dezelfde en dus vast. Anders in de geestelijke wereld; daar worden de streken bepaald uit de Zon daar, die bestendig op haar plaats verschijnt, en waar zij verschijnt is het oosten; en daarom is de bepaling van de streken in die wereld niet zoals in de natuurlijke wereld uit het zuiden, maar zij is uit het oosten; naar voren is het westen, aan de ene zijde is het zuiden; aan de andere is het noorden. Maar dat de streken niet zijn uit de Zon daar, maar uit de inwoners van die wereld, die de engelen en de geesten zijn, zal in de volgende dingen worden gezien.

 

121. Aangezien die streken vanuit haar oorsprong, die de Heer als Zon is, geestelijke zijn, zijn daarom de woningen van engelen en geesten, die alle volgens die streken zijn, ook geestelijk; en zij zijn geestelijk omdat zij wonen volgens de opnemingen van de liefde en wijsheid uit de Heer. Degenen die in een hogere graad van liefde zijn, wonen in het oosten; wie in een lagere graad van liefde zijn, in het westen; wie in een hogere graad van wijsheid zijn, in het zuiden; en wie in een lagere graad van wijsheid zijn, in het noorden. Vandaar is het, dat in het Woord onder het oosten in de hoogste zin de Heer wordt verstaan, en in de betrekkelijke zin de liefde in Hem; onder het westen de liefde in Hemzelf afnemend; onder het zuiden de wijsheid in het licht en onder het noorden de wijsheid in de schaduw; of eendere dingen ten opzichte van de staat van hen over wie gehandeld wordt.

 

122. Aangezien het het oosten is waaruit alle streken in de geestelijke wereld worden bepaald, en onder het oosten in de hoogste zin de Heer wordt verstaan en eveneens de Goddelijke Liefde, is het duidelijk dat het de Heer en de Liefde in Hemzelf is, waaruit alle dingen zijn; en dat voor zoveel iemand niet in die liefde is, hij uit Hemzelf verwijderd is, en woont ofwel in het westen, of in het zuiden, of in het noorden, op afstanden daar volgens de opnemingen van de liefde.

 

123. Aangezien de Heer als Zon bestendig in het oosten is, keerden de Ouden, bij wie alle dingen van de eredienst representaties waren van geestelijke dingen, daarom tijdens hun aanbiddingen hun aangezichten tot het oosten; en opdat zij het eendere in alle eredienst zouden doen, keerden zij hun tempels ook daarheen. Hier vanuit is het ook dat ook de tempels eender worden gebouwd.

 

TOP

124. DE STREKEN IN DE GEESTELIJKE WERELD ZIJN NIET UIT DE HEER ALS ZON MAAR ZIJ ZIJN UIT DE ENGELEN VOLGENS HUN OPNEMING.

Er is gezegd dat de engelen onder elkaar onderscheiden wonen, sommigen in de oostelijke streek, sommigen in de westelijke en anderen in de zuidelijke of in de noordelijke streek; en dat wie in de oostelijke streek wonen, in een hogere graad van liefde zijn; wie in de westelijke wonen in een lagere graad van liefde; wie in de zuidelijke in het licht van de wijsheid, en wie in de noordelijke in de schaduw van de wijsheid. De verscheidenheid van woningen verschijnt alsof dit is uit de Heer als Zon, terwijl het toch is uit de engelen. De Heer is niet in een grotere en kleinere graad van liefde en wijsheid, of Hijzelf als Zon is niet in een grotere en kleinere graad van warmte en licht bij de een dan bij de ander, want Hij is waar dan ook dezelfde; maar Hij wordt niet door de een en de ander in een eendere graad opgenomen; en dit maakt dat het hun toeschijnt van elkaar meer en minder af te staan; en eveneens verschillend volgens de streken; waar vanuit volgt dat de streken in de geestelijke wereld niet iets anders zijn dan de verschillende opnemingen van de liefde en de wijsheid, en vandaar van de warmte en het licht vanuit de Heer als de Zon; dat dit zo is, komt duidelijk in de aangetoonde dingen in de nrs. 108 tot 112 uit, namelijk dat de afstanden in de geestelijke wereld schijnbaarheden zijn.

 

125. Omdat de streken de verschillende opnemingen van de liefde en de wijsheid uit de engelen zijn, zal worden gesproken over de verscheidenheid waar vanuit die schijnbaarheid bestaat. De Heer is in de engel en de engel in de Heer, als in het voorafgaande artikel is getoond; maar omdat het verschijnt alsof de Heer als Zon buiten hem is, verschijnt ook dat de Heer hem ziet vanuit de Zon, en dat de engel de Heer ziet in de Zon, wat bijna is zoals een beeld dat verschijnt in een spiegel; en daarom, indien vanuit die schijnbaarheid gesproken moet worden, dan is de zaak zodanig dat de Heer ieder willekeurig engel ziet en aanschouwt van aangezicht tot aangezicht, maar dat omgekeerd de engelen zo niet de Heer zien. Zij die in de liefde in de Heer uit de Heer zijn, zien Hemzelf rechtstreeks; daarom zijn zij in het oosten en westen; die echter meer in de wijsheid zijn, zien de Heer schuin naar rechts, en wie minder in de wijsheid zijn, schuin naar links; dezen en eerstgenoemden zijn daarom in het noorden en zuiden. Dat dezen in een schuine aanblik zijn, is omdat de liefde en de wijsheid als één uit de Heer voortgaan, maar niet als één worden opgenomen door de engelen, zoals ook eerder is gezegd; en een wijsheid die overmatig boven de liefde uitgaat, verschijnt weliswaar als wijsheid, maar is het toch niet, omdat in het overschot van de wijsheid niet het leven vanuit de liefde is. Deze dingen verklaren vanwaar de verscheidenheid van opneming is, waarnaar de woningen van de engelen volgens de streken in de geestelijke wereld verschijnen.

 

126. Dat de verschillen in opneming van liefde en wijsheid de streek in de geestelijke wereld bepaalt, kan vaststaan daar vanuit dat de engel van streek verandert volgens de aanwassing en de afneming van de liefde bij hem; hier vanuit is het duidelijk dat de streek niet is uit de Heer als Zon, maar dat zij is uit de engel volgens de opneming. Het eendere is het met de mens naar de geest van hem; die is naar de geest in een zekere streek van de geestelijke wereld, in onverschillig welke streek van de natuurlijke wereld hij ook moge zijn, want, zoals boven is gezegd, de streken van de geestelijke wereld hebben niet iets gemeen met de streken van de natuurlijke wereld; in deze is de mens naar het lichaam, in de geestelijke wereld echter naar de geest.

 

127. Opdat de liefde en de wijsheid bij de engel en bij de mens één maken, zijn er paren in alle dingen van het lichaam van hem: de handen, de lendenen en de voeten zijn paren; het cerebrum is in twee halfbollen verdeeld, het hart in twee kamers, de long in twee lobben; eender de overige dingen. Zo is er in de engel en in de mens het rechter en het linker; en al de rechterdelen van hen hebben betrekking op de liefde waar vanuit de wijsheid is, en alle linkerdelen op de wijsheid vanuit de liefde, of, wat hetzelfde is, alle rechterdelen op het goede waar vanuit het ware is, en alle linkerdelen op het ware vanuit het goede. De engel en de mens hebben deze paren opdat de liefde en de wijsheid, of het goede en het ware, één handelen, en als één tot de Heer schouwen; maar over deze zaak meer in de volgende dingen.

 

128. Vanuit deze dingen kan worden gezien in welke begoocheling en vandaar valsheid diegenen zijn die menen dat de Heer vanuit willekeur de hemel toebedeelt, of dat Hij vanuit willekeur het geeft dat de een meer wijs is en meer liefheeft dan de ander, terwijl toch de Heer evengelijk wil dat de een en de ander wijs zal zijn en behouden wordt, want Hij voorziet allen van de middelen. Zoals ieder die opneemt en volgens die leeft, zo wordt hij wijs en gezaligd, want de Heer is dezelfde bij de een en bij de ander; maar de opnemenden, die de engelen en de mensen zijn, zijn oneender doordat ze een oneendere opneming hebben en een oneender leven. Dat het aldus is, kan vaststaan vanuit die dingen die nu over de streken en over de woningen van de engelen in overeenstemming met hen zijn gezegd, namelijk dat die verscheidenheid niet is uit de Heer, maar uit de opnemenden.

 

TOP

129. DE ENGELEN KEREN HUN AANGEZICHT BIJ VOORTDUUR TOT DE HEER ALS ZON DAAR EN DUS HEBBEN ZIJ HET ZUIDEN AAN DE RECHTERZIJDE, HET NOORDEN AAN DE LINKER- EN HET WESTEN AAN DE RUGZIJDE.

Alle dingen die hier over engelen en over de toekering van hen tot de Heer als Zon worden gezegd, moeten ook over de mens ten aanzien van zijn geest worden verstaan, want de mens is naar zijn gemoed een geest, en indien hij in de liefde en de wijsheid is, is hij een engel; en daarom ook wordt hij na de dood, als hij zijn uitwendige dingen, die hij vanuit de natuurlijke wereld had getrokken, uittrekt, een geest of een engel; en omdat de engelen bij voortduur hun aangezicht tot de opgang van de Zon, en dus tot de Heer keren, wordt het ook gezegd van de mens die in liefde en wijsheid uit de Heer is, dat hij God schouwt, dat hij God voor ogen heeft, waaronder wordt verstaan dat hij leeft zoals een engel. Zulke dingen worden gezegd in de wereld, zowel omdat zij inderdaad bestaan in de hemel en omdat zulke dingen inderdaad bestaan in de geest van de mens; wie ziet niet vóór zich God, tot onverschillig welke streek het aangezicht van hem is gekeerd, als hij bidt.

 

130. Dat de engelen hun aangezichten voortdurend tot de Heer als Zon toekeren, is omdat de engelen in de Heer zijn en de Heer in hen, en de Heer innerlijk de aandoeningen en het denken van hen leidt en die voortdurend tot zich keert; vandaar kunnen zij niet anders dan tot het oosten, waar de Heer als Zon verschijnt, schouwen. Vandaar is het duidelijk dat de engelen zichzelf niet tot de Heer keren, maar dat de Heer hen naar zich keert; want wanneer de engelen innerlijk over de Heer denken, dan denken zij over Hem niet anders dan in zich. Het werkelijk innerlijke denken zelf maakt niet de afstand, maar het uiterlijke denken, dat met het gezicht van de ogen één handelt, maakt dit. De oorzaak is, omdat het uiterlijke denken in de ruimte is, niet echter het innerlijke, en wanneer het niet in de ruimte is als in de geestelijke wereld, is het toch in een schijnbaarheid van ruimte. Maar deze dingen kunnen weinig worden verstaan door de mens die over God denkt vanuit de ruimte; want God is waar dan ook en evenwel niet in de ruimte; aldus is Hij zowel binnen als buiten de engel; en vandaar kan de engel God zien, dat wil zeggen, de Heer, zowel binnen zich als buiten zich; binnen zich als hij vanuit de liefde en de wijsheid denkt, buiten zich als hij over de liefde en de wijsheid denkt. Maar over deze dingen zal in het bijzonder iets worden gezegd in de verhandelingen over de: Alomtegenwoordigheid. Alwetendheid, en Almacht. Eenieder dient ervoor te waken dat hij niet in die verfoeilijke ketterij valt dat God zich in de mensen heeft ingegoten, en dat Hij in hen is, en niet langer in zich; terwijl toch God waar dan ook is zowel binnen de mens als buiten hem, want Hij is in alle ruimte zonder ruimte, zoals boven, nrs. 7 tot 10, en 69 tot 72 is getoond. Want indien Hij in de mens was, zou Hij niet slechts verdeeld, maar ook in de ruimte ingesloten zijn, ja zelfs zou ook de mens dan zich kunnen denken God te zijn; deze ketterij is zo gruwelijk dat zij in de geestelijke wereld stinkt als een lijk.

 

131. De toekering van de engelen tot de Heer is zodanig dat zij in elke toekering van het lichaam tot de Heer als Zon voor zich schouwen; de engel kan zich om en om keren en daardoor de verschillende dingen zien die rondom hem zijn, niettemin verschijnt de Heer als Zon bij voortduur vóór het aangezicht van hem. Dit kan wonderbaarlijk schijnen, maar toch is het de waarheid; het is mij ook gegeven zo de Heer als Zon te zien; vóór mijn aangezicht zie ik Hemzelf en al vele jaren lang, tot welke streek van de wereld ik mij ook heengekeerd had, heb ik Hem op dezelfde wijze, dus eender gezien.

 

132. Aangezien de Heer als Zon, aldus in het oosten, vóór de aangezichten van alle engelen van de hemel is, volgt dat voor hen de rechterzijde het zuiden is, de linkerzijde het noorden, en in de rug het westen, zo ook bij elke wending van het lichaam van hen. Want, als eerder gezegd, alle streken in de geestelijke wereld zijn bepaald uit het oosten; en daarom zijn degenen die het oosten voor ogen hebben, in die streken zelf, ja zelfs zijn zij zelf de bepalingen ervan, want, zoals boven nrs. 124 tot 128 is getoond, zijn de streken niet uit de Heer als Zon, maar uit de engelen volgens hun opneming.

  

133.Omdat nu de hemel vanuit de engelen is en de engelen zodanig zijn, volgt dat de gehele hemel zich tot de Heer keert, en dat de hemel door die toekering wordt geregeerd uit de Heer als één mens op de wijze zoals ook de hemel één mens is in de aanblik van de Heer is. Dat de hemel in de aanblik van de Heer is zoals één mens, kan men zien in het werk ‘Hemel en Hel’, nrs. 59 tot 87; vandaar zijn ook de streken van de hemel.

 

134. Aangezien de streken zo de engel en eveneens de algehele hemel als het ware zijn ingeschreven, weet daarom de engel zijn huis en zijn woning, waarheen hij ook gaat, anders dan de mens in de wereld. De oorzaak dat de mens het huis en de woning niet weet vanuit de streek in zich, is omdat hij denkt vanuit de ruimte, aldus vanuit de streken van de natuurlijke wereld, die niet iets gemeen hebben met de streken van de geestelijke wereld. Niettemin hebben de vogels en de dieren wel een zodanige wetenschap in zich, want het is hun ingeënt hun huizen en woningen vanuit zich te weten, zoals bekend is vanuit vele ondervinding, een aanwijzing dat dit in de geestelijke wereld zo is, want alle dingen die in de natuurlijke wereld vorm hebben zijn uitwerkingen en alle dingen die vorm hebben in de geestelijke wereld zijn de oorzaken van die uitwerkingen. Iets natuurlijks dat niet zijn oorzaak trekt vanuit iets geestelijks, bestaat niet.

 

TOP

135. ALLE INNERLIJKE DINGEN, ZOWEL VAN HET GEMOED ALS VAN HET LICHAAM VAN DE ENGELEN ZIJN TOT DE HEER ALS NAAR DE ZON GEKEERD.

De engelen hebben verstand en wil en zij hebben een aangezicht en een lichaam; en eveneens hebben zij de innerlijke dingen van het verstand en van de wil, voorts van het aangezicht en van het lichaam. De innerlijke dingen van het verstand en van de wil zijn de dingen die van de innerlijke aandoening en het denken van hen zijn; de innerlijke dingen van het aangezicht zijn de hersenen, en de innerlijke dingen van het lichaam zijn de inwendige delen, waarvan de voornaamste het hart en de long zijn; in één woord, de engelen hebben alle en de afzonderlijke dingen die de mensen op aarde hebben; vanuit die dingen is het dat engelen mensen zijn. De uitwendige vorm zonder die innerlijke dingen maakt niet dat zij mensen zijn, maar de uitwendige vorm tezamen daarmee, ja zelfs vanuit die; anders zouden zij alleen beelden van de mens zijn, waarin niet het leven is, omdat van binnen niet de vorm van het leven is.

 

136. Het is bekend dat de wil en het verstand het lichaam op een wenk regeren, want wat het verstand denkt dat spreekt de mond en wat de wil wil zo handelt het lichaam; waar vanuit duidelijk is dat het lichaam een vorm is die overeenstemt met het verstand en de wil; en omdat met betrekking tot het verstand en de wil ook gezegd wordt vorm, is helder dat de vorm van het lichaam overeenstemt met de vorm van het verstand en de wil; maar het is hier niet de plaats om te beschrijven hoedanig de ene en de andere vorm is; er zijn ook ontelbare dingen in het ene en het andere en de ontelbare dingen beiderzijds handelen één omdat zij onderling met elkaar overeenstemmen. Vandaar is het dat het gemoed of de wil en het verstand, het lichaam op de wenk regeert, en zo dus geheel en al zoals het zichzelf regeert. Vanuit deze dingen volgt dat de innerlijke dingen van het gemoed één handelen met de innerlijke dingen van het lichaam, en de uiterlijke dingen van het gemoed met de uiterlijke dingen van het lichaam. Over de innerlijke dingen van het gemoed zal beneden gesproken worden, als daarvoor over de graden van het leven zal worden gehandeld; daarna eender over de innerlijke dingen van het lichaam.

 

137. Aangezien de innerlijke dingen van het gemoed één maken met de innerlijke dingen van het lichaam, volgt dat als de innerlijke dingen van het gemoed zich keren tot de Heer als Zon, ook de innerlijke dingen van het lichaam eender doen; en omdat de uiterlijke dingen van het een en het ander, zowel van het gemoed als van het lichaam, van de innerlijke dingen ervan afhangen, dat ook die dan eender doen; want wat het uitwendige doet, dat doet het uit de innerlijke dingen, want het algemene trekt al het zijne uit de bijzondere dingen waaruit het bestaat. Hieruit is duidelijk dat, omdat de engel het aangezicht en het lichaam tot de Heer als Zon keert, ook alle innerlijke dingen van zijn gemoed en lichaam daarheen gekeerd zijn. Het eendere is het met de mens indien die bij voortduur de Heer voor ogen heeft, wat geschiedt indien hij in de liefde en de wijsheid is; dan ziet hij Hem niet slechts met de ogen en het aangezicht, maar ook met het gehele gemoed en het gehele hart, dat wil zeggen, met alle dingen van de wil en van het verstand en tegelijk met alle dingen van het lichaam.

 

138. Die toekering tot de Heer is een werkelijke toekering; het is een zekere verheffing; want hij wordt opgeheven in de warmte en het licht van de hemel, wat daardoor geschiedt dat de innerlijke dingen worden geopend; en wanneer die geopend zijn, vloeit de liefde en wijsheid in de innerlijke dingen van het gemoed, en de warmte en het licht van de hemel in de innerlijke dingen van het lichaam; vandaar de verheffing die is zoals vanuit een nevel in de lucht, of vanuit de lucht in de ether; en de liefde en de wijsheid met de warmte en het licht ervan zijn bij de mens de Heer, die, als eerder is gezegd, hem tot zich keert. Het tegendeel is bij degenen die niet in de liefde en de wijsheid zijn, en nog meer bij degenen die tegen de liefde en de wijsheid zijn; van die personen zijn de innerlijke dingen zowel van het gemoed als van het lichaam gesloten; en wanneer zij gesloten zijn, reageren de uiterlijke dingen tegen de Heer, want een zodanige natuur is daarin; vandaar is het dat zulke personen zich achterwaarts van de Heer afkeren, en zich achterwaarts keren is zich tot de hel keren.

 

139. Die daadwerkelijke toekering tot de Heer is vanuit de liefde en de wijsheid tegelijk, niet vanuit liefde alleen, noch vanuit wijsheid alleen. Liefde alleen is zoals zijn zonder bestaan, want de liefde bestaat in de wijsheid; en wijsheid zonder liefde is zoals bestaan zonder het zijn, want de wijsheid bestaat vanuit de liefde. Er is weliswaar liefde zonder wijsheid, maar die liefde is van de mens en niet van de Heer; en eveneens is er wijsheid uit de Heer, maar heeft niet de Heer in zich, want die is zoals het winterse licht, dat weliswaar uit de zon is, maar evenwel is het wezen van de zon, dat de warmte is, niet daarin.

 

TOP

140. IEDERE GEEST, HOEDANIG HIJ OOK IS, KEERT ZICH OP DEZELFDE WIJZE  TOT ZIJN REGERENDE LIEFDE.

Wat een geest en wat een engel is, zal eerst worden gezegd; elk mens komt na de dood eerst in de wereld van de geesten, die midden tussen de hemel en de hel is; en daar brengt hij zijn tijden of zijn staten door, en wordt hij volgens zijn leven voorbereid ofwel tot de hemel, ofwel tot de hel. Zolang hij in die wereld vertoeft wordt hij een geest genoemd; wie vanuit die wereld in de hemel is verheven, wordt een engel genoemd; wie echter in de hel is neergeworpen, wordt een satan of een duivel genoemd. Zolang iemand in de wereld van de geesten is, wordt degene die tot de hemel wordt voorbereid, een engelgeest genoemd, en degene die tot de hel wordt voorbereid, een helse geest. De engelgeest is intussen verbonden met de hemel en de helse geest met de hel. Alle geesten die in de wereld van de geesten zijn, zijn de mensen aangebonden, omdat de mensen naar de innerlijke dingen van hun gemoed eender tussen de hemel en de hel zijn en door die geesten gemeenschap hebben met de hemel ofwel met de hel, volgens hun leven. Men moet weten dat iets anders is de ‘wereld van de geesten’ en iets anders de ‘geestelijke wereld’. De wereld van de geesten is die waarover nu gesproken is; de geestelijke wereld echter is in één samenvatting zowel die wereld als de hemel en de hel.

 

141. Ook zal iets gezegd worden over de liefden, omdat gehandeld wordt over de toekering van engelen en van geesten vanuit de liefde tot hun liefden. De gehele hemel is in gezelschappen onderscheiden volgens alle verschillen van de liefden; eender de hel; en eender de wereld van de geesten. Maar de hemel is onderscheiden in gezelschappen volgens de verschillen van de hemelse liefde, de hel echter in gezelschappen volgens de verschillen van de helse liefden. Maar de wereld van de geesten volgens de verschillen zowel van de hemelse als van de helse liefden. Er zijn twee liefden, die de hoofden van alle overige zijn, of waarop alle overige liefden betrekking hebben. De liefde die het hoofd is of waarop alle hemelse liefden betrekking hebben, is de liefde in de Heer; en de liefde die het hoofd is, of waarop alle helse liefden betrekking hebben, is de liefde van heersen vanuit zelfliefde; dat tweetal liefden zijn lijnrecht aan elkaar tegenovergesteld.

 

142. Aangezien dat tweetal liefden, de liefde in de Heer, en de liefde van heersen vanuit de zelfliefde, geheel en al aan elkaar zijn tegenovergesteld, en omdat allen die in de liefde in de Heer zijn, zich tot de Heer als Zon keren, zoals in het voorafgaande artikel is getoond, kan vaststaan, dat allen in die liefde van heersen vanuit de zelfliefde zijn, zich achterwaarts van de Heer afkeren. Dat zij zich dus uit het tegenovergestelde omkeren, is omdat degenen die in de liefde in de Heer zijn, niet méér liefhebben dan uit de Heer geleid te worden en willen dat de Heer alleen heerst; maar wie in de liefde van heersen vanuit zelfliefde zijn, hebben niet méér lief dan uit zichzelf geleid te worden en willen ook dat zij zelf alleen heersen. Gezegd wordt liefde van heersen vanuit de zelfliefde, omdat er ook een liefde is van heersen vanuit de liefde van nutten doen, welke liefde een geestelijke liefde is; deze liefde kan echter niet liefde van heersen worden genoemd maar liefde van nutten doen.

 

143. Dat iedere geest, hoedanig hij ook mag zijn, zich tot zijn regerende liefde keert, is omdat de liefde het leven van ieder willekeurig persoon is, zoals in het eerste deel, nrs. 1, 2, 3, is getoond; en het leven keert zijn receptakels, die leden, organen, en inwendige delen worden genoemd, dus de gehele mens, tot dat gezelschap dat in een eendere liefde ermee is, dus waar zijn liefde is.

 

144. Aangezien de liefde van heersen vanuit de zelfliefde geheel en al is tegenovergesteld aan de liefde in de Heer, keren daarom de geesten die in die liefde van heersen zijn, het aangezicht achterwaarts van de Heer af, en schouwen vandaar met de ogen naar het westen van die wereld; en omdat zij zo in tegengestelde richting naar het lichaam zijn, is in de rug voor hen het oosten, is aan de rechterzijde voor hen het noorden, en aan de linkerzijde voor hen het zuiden. In de rug is voor hen het oosten omdat zij de Heer haten, aan de rechterkant is voor hen het noorden, omdat zij de begoochelingen en de valsheden daaruit liefhebben, en aan de linkerkant is voor hen het zuiden, omdat zij het licht van de wijsheid versmaden. Zij kunnen zich om en om keren maar alle dingen die zij rondom zich zien, verschijnen eender aan hun liefde. Die allen zijn zinlijk-natuurlijk en sommigen zijn zodanig dat zij menen dat zij alleen leven en anderen zoals beelden beschouwen; zij geloven wijs te zijn boven allen, hoewel zij waanzinnig zijn.

 

145. In de geestelijke wereld verschijnen wegen, bestraat zoals de wegen in de natuurlijke wereld; sommige leiden tot de hemel en sommige tot de hel; maar die wegen die tot de hel leiden, verschijnen niet aan hen die tot de hemel gaan, noch verschijnen de wegen die tot de hemel leiden aan hen die tot de hel gaan. Er zijn talloze zulke wegen; want er zijn wegen die leiden tot elk willekeurig gezelschap van de hemel, en tot elk willekeurig gezelschap van de hel; iedere geest slaat die weg in die leidt tot het gezelschap van zijn liefde; ook ziet hij de wegen niet die een andere kant opgaan; vandaar is het, dat iedere geest zoals hij zich tot zijn regerende liefde keert, ook voortgaat.

 

TOP

146. DE GODDELIJKE LIEFDE EN DE GODDELIJKE WIJSHEID, DIE VOORTGAAN UIT DE HEER ALS ZON, MAKEN DE WARMTE EN HET LICHT IN DE HEMEL, EN HET GODDELIJK VOORTGAANDE, WAT DE HEILIGE GEEST IS.

In de ‘Leer van het Nieuwe Jeruzalem over de Heer’, is getoond dat God één is in Persoon en Wezen, in wie de Drievuldigheid is, en dat die God de Heer is; voorts dat de Drievuldigheid in Hem wordt genoemd: Vader, Zoon, en Heilige Geest; en dat het Goddelijke, de bron van alles, wordt genoemd de Vader, het Goddelijk Menselijke de Zoon, en het voortgaande, de Heilige Geest. Niettemin weet niemand vanwaar het is dat gezegd wordt ‘voortgaande’. Dat het niet word geweten, is omdat het tot dusver onbekend was dat de Heer voor de engelen verschijnt als Zon, en dat vanuit die Zon de warmte voortgaat die in haar wezen de Goddelijke Liefde is, voorts het licht dat in zijn wezen de Goddelijke Wijsheid is. Zolang deze dingen onbekend waren kon men niet anders weten dan dat het Goddelijke, voortgaande, een Goddelijke door zich was; en daarom ook wordt in de Leer van Athanasius over de Drievuldigheid gezegd dat een ander de Persoon van de Vader is, een ander die van de Zoon, en een ander die van de Heilige Geest. Nu echter, wanneer men weet dat de Heer als Zon verschijnt, kan men een juist idee hebben van het Goddelijke, voortgaande, dat de Heilige Geest wordt genoemd, namelijk dat het één is met de Heer, maar dat het voortgaat uit Hemzelf zoals de warmte en het licht uit een zon. Dit is ook de oorzaak dat voor zoveel de engelen in de liefde en wijsheid zijn, zij in de Goddelijke Warmte en het Goddelijke Licht zijn. Zonder de erkentenis dat de Heer in de geestelijke wereld als Zon verschijnt, en dat het Goddelijke van Hemzelf zo voortgaat, kan nooit iemand weten wat wordt verstaan onder voortgaan, of het alleen een vergemeenschappen is van die dingen die van de Vader en van de Zoon zijn, of alleen een verlichting en lering. Maar toch is het zo niet vanuit de verlichte rede, dit voortgaand Goddelijke als een ‘Goddelijke door zich’ te erkennen, en het God te noemen en te onderscheiden, wanneer het ook bekend was dat God één is, en die God Alomtegenwoordig is.

 

147. Boven werd getoond dat God niet in de ruimte is en dat Hij daardoor Alomtegenwoordig is, voorts dat het Goddelijke hetzelfde is waar dan ook, maar dat het schijnbaar verschillende ervan in engelen en mensen is vanuit de verschillende opneming. Omdat nu het Goddelijke, voortgaande uit de Heer als Zon in het licht en de warmte is, en het licht en de warmte eerst in de universele opnemende dingen invloeien, die in de wereld atmosferen worden genoemd, en deze de opnemende dingen van de wolken zijn, kan het vaststaan dat zodanig als de innerlijke dingen die van het verstand zijn bij de mens of de engel met zodanige wolken omsluierd zijn, en zo dus het receptakel van het Goddelijke, voortgaande, is. Onder wolken worden geestelijke wolken verstaan, die gedachten zijn en die, indien ze vanuit de ware dingen zijn, samenstemmen met de Goddelijke Wijsheid, indien zij zich aan het gezicht vertonen, zoals blinkend witte wolken, en het denken vanuit valse dingen zoals zwarte wolken. Hieruit kan vaststaan dat het Goddelijke, voortgaande, weliswaar ín elke mens is, maar dat het úit hem verschillend is.

 

148. Aangezien het Goddelijke zelf door de geestelijke warmte en het geestelijk licht in de engel en in de mens aanwezig is, wordt er daarom gezegd van degenen die in de ware dingen van de Goddelijke Wijsheid en in de goede dingen van de Goddelijke Liefde zijn, en als zij daardoor worden aangedaan, en vanuit aandoening daarover denken, dat ‘zij warm worden voor God’, wat ook soms tot doorvatting en gewaarwording toe geschiedt, net als een prediker terwijl die met vuur spreekt; van dezelfden wordt ook gezegd dat zij verlicht worden uit God, omdat de Heer door Zijn Goddelijke, voortgaande, niet slechts de wil ontsteekt met geestelijke warmte, maar ook het verstand verlicht met geestelijk licht.

 

149. Dat de Heilige Geest hetzelfde is als de Heer, en dat hij de Waarheid zelf is, vanuit welke de mens verlichting heeft, is duidelijk vanuit deze plaatsen in het Woord: ‘Jezus zei: wanneer de Geest der Waarheid zal gekomen zijn, zal Hij u leiden in al de Waarheid; niet zal Hij spreken uit zichzelven, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken’, (Johannes 16:13). ’Die zal Mij verheerlijken, omdat Hij vanuit het Mijne zal aannemen, en u verkondigen zal’, (Johannes 16:14,15). ‘Dat Hij bij de discipelen en in die zal zijn’, (Johannes 15:26). ‘Jezus zeide; de dingen die Ik u spreek, zijn Geest en Leven’, (Johannes 6:63); vanuit deze dingen is het helder dat de Waarheid zelf die uit de Heer voortgaat, de Heilige Geest wordt genoemd; die, omdat zij in het licht is, verlicht.

 

150. De verlichting die aan de Heilige Geest wordt toegeschreven, is weliswaar in de mens uit de Heer, maar toch vindt dit plaats door middel van geesten en engelen; maar hoedanig die bemiddeling is, kan nog niet beschreven worden; alleen dat engelen en geesten geenszins de mens kunnen verlichten uit zich, omdat die eender als de mens verlicht worden uit de Heer; en omdat die eender worden verlicht, volgt dat alle verlichting uit de Heer alleen is. Dat het plaatsvindt door middel van engelen en geesten, is omdat de mens die in verlichting is, dan gesteld wordt in het midden van zulke engelen en geesten die de verlichting uit de Heer allen meer dan de anderen opnemen.

 

TOP

151. DE HEER HEEFT HET HEELAL EN ALLE DINGEN ERVAN DOOR MIDDEL VAN DE ZON, DIE HET EERSTE VOORTGAANDE VAN DE GODDELIJKE LIEFDE EN GODDELIJKE WIJSHEID IS, GESCHAPEN.

Onder de Heer wordt verstaan God uit het eeuwige, of Jehovah, die Vader en Schepper wordt genoemd, omdat Hij één is met Die, zoals in de ‘Leer van het Nieuwe Jeruzalem over de Heer’ is getoond; en daarom wordt Hij in het volgende, waar ook over de schepping wordt gehandeld, de Heer genoemd.

 

152. Dat alle dingen in het heelal uit de Goddelijke Liefde en uit de Goddelijke Wijsheid geschapen zijn, is in het eerste deel ten volle getoond, in het bijzonder in nrs. 52, 53; hier nu, dat het was door middel van de Zon die het eerste voortgaande van de Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid is. Niemand die uitwerkingen vanuit oorzaken kan zien, en daarna uit oorzaken de uitwerkingen in haar orde en in een reeks, kan ontkennen dat de Zon het eerste van de schepping is, want daaruit blijven al die dingen daaruit bestaan, en zijn zij ook daaruit ontstaan; het een sluit het ander in en betuigt het; want alle dingen zijn onder de blik van de zon, omdat die ze zo geplaatst heeft om zo te zijn, en onder die blik houden is aanhoudend plaatsen; en daarom wordt ook gezegd dat het blijven bestaan een voortdurend ontstaan is; indien ook maar iets geheel en al aan de invloed van de zon door de atmosferen werd onttrokken, zou dit terstond worden opgelost; want de atmosferen, die zuiverder en zuiverder zijn en uit de Zon werkzaam gemaakt in potentie, houden alle dingen in de nexus samen. Omdat nu het blijven bestaan van het heelal en van alle dingen ervan uit de Zon is, is het duidelijk dat de Zon het eerste van de schepping is, de bron van alles. Gezegd wordt uit de Zon, maar verstaan wordt uit de Heer door de Zon, want ook de Zon is uit de Heer geschapen.

 

153. Er is een tweetal zonnen waardoor alle dingen uit de Heer zijn geschapen, de Zon van de geestelijke wereld en de zon van de natuurlijke wereld. Door de Zon van de geestelijke wereld zijn uit de Heer alle dingen geschapen, niet echter door de zon van de natuurlijke wereld, want deze zon is ver beneden die Zon; zij is in gemiddelde afstand, daarboven is de geestelijke wereld; en de zon van de natuurlijke wereld is geschapen om aanvullende hulp te verlenen; over welke hulp hierna iets zal worden gezegd.

 

154. Dat het heelal en alle dingen ervan door middel van de Zon van de geestelijke wereld uit de Heer geschapen zijn, is omdat de Zon het eerste voortgaande van de Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid is, en vanuit de Goddelijke Liefde en vanuit de Goddelijke Wijsheid zijn alle dingen, zoals boven in nrs. 52 tot 82 is aangetoond. Er zijn drie dingen die in elk geschapen ding, zowel in het grootste als het kleinste, zijn: einddoel, oorzaak, en uitwerking; een geschapen ding waarin die drie niet zijn, is er niet. Deze drie bestaan in het grootste of in het heelal in deze orde: in de Zon, die het eerste voortgaande van de Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid is, is het einddoel van alle dingen; in de geestelijke wereld zijn de oorzaken van alle dingen; in de natuurlijke wereld zijn de uitwerkingen van alle dingen.

Hoe echter deze drie in eersten en in laatsten zijn, zal hierna worden gezegd. Omdat er nu niet een geschapen ding bestaat waarin die drie niet zijn, volgt dat heelal en alle dingen ervan uit de Heer door de Zon, waar het einddoel van alle dingen is, geschapen zijn.

 

155. De schepping zelf kan niet tot de bevatting worden gebracht indien niet uit het denken ruimte en tijd verwijderd worden. Maar indien deze worden verwijderd, kan zij wel begrepen worden.Verwijder dit, indien u kunt of zoveel u kunt en houd het gemoed in een idee geabstraheerd van ruimte en tijd, en u zult doorvatten dat het grootste van ruimte en het kleinste van ruimte niets verschillen, en dan kunt u niet dan een eendere idee over de schepping van het heelal hebben als over de schepping van de afzonderlijke dingen in het heelal; en dat de verscheidenheid in de geschapen dingen bestaat daaruit dat oneindige dingen zijn in God-Mens, en vandaar eindeloze dingen in de Zon, die het eerste voortgaande uit Hemzelf is; en deze eindeloze dingen bestaan zoals in een beeld in het geschapen heelal.

Vandaar is het dat nergens iets gevonden kan worden dat identiek is aan iets anders; vandaar is de variëteit van alle dingen die zich tezamen met de ruimte in de natuurlijke wereld voor de ogen vertoont en in de schijnbaarheid van ruimte in de geestelijke wereld. En deze variëteit is in de algemene dingen en in de afzonderlijke dingen. Dit zijn punten die in het eerste deel zijn aangetoond; zoals: ’Dat in God-Mens oneindige dingen onderscheiden één zijn’, nrs. 17 tot 22.  ‘Dat alle dingen in het heelal uit de Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid geschapen zijn’, nrs. 52, 53. ‘Dat alle dingen in het geschapen heelal opnemend zijn van de Goddelijke Liefde en Goddelijke Wijsheid van God-Mens’, nrs. 54 tot 60. ‘Dat het Goddelijke niet in de ruimte is’, nrs. 7 tot 10. ‘Dat het Goddelijke in grootsten en kleinsten hetzelfde is’, nrs. 77 tot 82.

 

156. Van de schepping van het heelal en van alle dingen ervan kan niet worden gezegd dat zij is geschied uit de ruimte tot de ruimte, noch uit de tijd tot de tijd en dus voortschrijdend en achtereenvolgens, maar uit het Eeuwige en uit het Oneindige; niet uit een eeuwige van tijd, omdat dit er niet is, maar uit het eeuwige ‘niet van tijd’, want dit is hetzelfde met het Goddelijke; noch uit een oneindige van ruimte, omdat dit er ook niet is, maar uit het oneindige ‘niet van ruimte’, wat ook hetzelfde is met het Goddelijke. Ik weet dat deze dingen de ideeën van het denken dat in het natuurlijk licht is, overstijgen, maar zij overstijgen niet de ideeën van het denken van hen die in het geestelijk licht zijn; want daarin is niets van ruimte en tijd; ja, zelfs overstijgen zij ook niet geheel de ideeën in het natuurlijk licht, want wanneer wordt gezegd dat een oneindige van ruimte er niet is, bevestigt ieder dit vanuit de rede; het eendere is het met het eeuwige, want dit is een oneindige van tijd; indien gezegd wordt in het eeuwige, wordt dit uit de tijd begrepen, niet echter uit het eeuwige tenzij de tijd verwijderd wordt.

 

TOP

157. DE ZON VAN DE NATUURLIJKE WERELD IS ZUIVER VUUR EN VANDAAR DOOD, EN DE NATUUR, OMDAT DIE VANUIT DIE ZON DE OORSPRONG LEIDT, IS EVENEENS DOOD.

De schepping zelf kan niet in het minst aan de zon van de natuurlijke wereld worden toegeschreven, maar geheel aan de Zon van de geestelijke wereld, aangezien de zon van de natuurlijke wereld volkomen dood is, maar de Zon van de geestelijke wereld levend is, want zij is het eerste voortgaande van de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid. En wat dood is handelt niet wat ook uit zich maar wordt gedreven. Daarom zou daaraan iets van de schepping toeschrijven zijn zoals dit toeschrijven aan het instrument dat door de hand van de bewerker is gemaakt. De zon van de natuurlijke wereld is zuiver vuur, waaraan alles van leven onttrokken is; maar de Zon van de geestelijke wereld is een vuur waarin het Goddelijk Leven is. De idee van de engelen over het vuur van de zon van de natuurlijke wereld en over het vuur van de Zon van de geestelijke wereld, is deze; dat het Goddelijk Leven van binnen in het vuur van de Zon van de geestelijke wereld is, maar van buiten in het vuur van de zon van de natuurlijke wereld. Daaruit kan men zien dat de daadwerkelijkheid van de natuurlijke zon niet is uit zich maar uit de levende kracht, voortgaande uit de Zon van de geestelijke wereld; daarom zou, indien de levende kracht van deze Zon werd teruggetrokken of weggenomen, die zon ineenstorten. Vandaar is het dat de eredienst van de zon van alle erediensten van God de laagste is, want hij is volslagen dood zoals de zon zelf; en daarom wordt die eredienst in het Woord een gruwel genoemd.

 

158.Aangezien de zon van de natuurlijke wereld zuiver vuur is en vandaar dood, is daarom ook de warmte die daaruit voortgaat dood; eender is het zo met het licht dat daaruit voortgaat; desgelijks zijn de atmosferen, die ether en lucht worden genoemd en in haar boezem de warmte en het licht van die zon opnemen en neerdragen, dood. Aangezien deze dingen dood zijn, zijn ook alle en de afzonderlijke dingen van de aarde die daaronder liggen en de landen worden genoemd, dood. Niettemin zijn alle dingen en de afzonderlijke dingen omgord met geestelijke dingen, die vanuit de Zon van de geestelijke wereld voortgaan en voortvloeien; als zij daardoor niet omgord waren, zouden de landen niet geactiveerd kunnen worden, en vormen van nutten voortbrengen, die de plantaardige dingen zijn, noch vormen van leven, dus de dieren, noch de materies verschaffen, waardoor de mens bestaat en blijft bestaan.

 

159. Omdat nu de natuur uit die zon inzet, en al datgene wat daar vanuit bestaat en blijft bestaan, het natuurlijke wordt genoemd, volgt, dat de natuur met alle dingen en de afzonderlijke ervan dood is. Dat de natuur in de mens en in het dier zoals levend verschijnt, is vanuit het Leven dat begeleidt en activeert.

 

160. Aangezien de laagste dingen van de natuur, die de landen maken, dood zijn, en die niet veranderlijk en verschillend zijn, volgens de staten van de aandoeningen en van het denken, als in de geestelijke wereld, maar onveranderlijk en vast, zijn daarom daar ruimten en zijn er afstanden van ruimten; zodanige dingen zijn er omdat de schepping daar stilhoudt en in haar rust blijft bestaan. Hieruit is het duidelijk dat de ruimten aan de natuur eigen zijn; en omdat de ruimten daar niet schijnbaarheden van ruimten zijn volgens de staten van het leven, als in de geestelijke wereld, kunnen ook die dood worden genoemd.

 

161. Aangezien de tijden eender gesteld en bestendig zijn, zijn ook die aan de natuur eigen, want de tijd van de dag is bestendig 24 uren, en de tijd van het jaar is bestendig 365  dagen; de staten zelf van het licht en schaduw en van warmte en koude, die deze variëren, komen ook bestendig terug. De staten die elke willekeurige dag terugkomen zijn: morgen, middag, avond, en nacht; en elk willekeurig jaar, de lente, zomer, herfst, en winter. De staten van het jaar variëren ook bestendig de staten van het daglicht. Al deze staten zijn, omdat zij niet staten van het leven zijn als in de geestelijke wereld, eveneens dood; want in de geestelijke wereld is aanhoudend licht en aanhoudende warmte, en het licht stemt overeen met de staat van de wijsheid, en de warmte met de staat van de liefde bij de engelen, waar vanuit de staten van deze levend zijn.

 

162. Vanuit deze dingen kan de dwaasheid worden gezien van die mensen die alle dingen aan de natuur toeschrijven. Zij die zich voor de natuur hebben bevestigd, hebben over zich een staat gebracht dat zij niet langer het gemoed boven de natuur willen verheffen; en daarom wordt het gemoed van het hogere gesloten en het lagere geopend, en zo wordt de mens zinlijk natuurlijk, en deze mens is geestelijk dood; en omdat hij dan niet denkt tenzij dan vanuit zulke dingen die hij vanuit de zinnen van het lichaam geput had, of door die vanuit de wereld, ontkent hij ook God met het hart. Dan, omdat de verbinding met de hemel verbroken is, geschiedt verbinding met de hel, terwijl alleen het vermogen van denken en willen aanblijft, het vermogen van denken vanuit de redelijkheid, en het vermogen van willen vanuit het vrije, welke twee vermogens elk willekeurig mens heeft uit de Heer, en die ook niet worden weggenomen, Deze twee vermogens hebben zowel duivels als engelen, maar de duivels plooien die aan om waanzinnig te zijn en om boos te doen, maar de engelen om wijs te zijn en om wel te doen.

 

TOP

163. ZONDER BEIDE ZONNEN, DE ENE LEVEND EN DE ANDERE DOOD, IS ER NIET EEN SCHEPPING.

Het heelal in het algemeen is onderscheiden in twee werelden, de geestelijke en de natuurlijke; in de geestelijke wereld zijn de engelen en de geesten, in de natuurlijke wereld zijn de mensen. Die twee werelden zijn geheel en al eender naar het uitwendig aanzicht, en zo eender dat zij niet onderscheiden kunnen worden; maar naar hun innerlijke verschijning zijn zij geheel en al oneender. De mensen zelf die in de geestelijke wereld zijn, die, zoals gezegd is, engelen en geesten worden genoemd, zijn geestelijk, en omdat zij geestelijk zijn, denken zij geestelijk en spreken zij geestelijk. Maar de mensen die in de natuurlijke wereld zijn, zijn natuurlijk, en daarom denken zij natuurlijk en spreken natuurlijk, en het geestelijke denken en de spraak heeft met het natuurlijke denken en spraak niets gemeen. Daar vanuit is het helder dat die twee werelden, de geestelijke en de natuurlijke, tussen elkaar geheel en al onderscheiden zijn, dermate dat zij op geen wijze tezamen kunnen zijn.

 

164. Omdat nu die twee werelden zo onderscheiden zijn, is het nodig dat er twee zonnen zijn, de ene waar vanuit alle geestelijke dingen zijn en de tweede waar vanuit alle natuurlijke dingen zijn; en omdat alle geestelijke dingen in hun oorsprong levend zijn, en alle natuurlijke dingen vanuit hun oorsprong dood, en de zonnen de oorsprongen zijn, zo volgt daaruit dat de ene Zon levend is en dat de tweede zon dood is, voorts dat de dode zon zelf door de levende Zon uit de Heer geschapen is.

 

165. Dat de dode zon geschapen is, heeft als oorzaak dat in laatsten, alle dingen vastgesteld en constant zijn, en opdat er vandaar dingen bestaan die de jaren kunnen doorstaan en duurzaam zijn; zo en niet anders is de schepping gegrondvest. De land- en watervormen, waarin en waarop, en waar er rondom zulke dingen zijn, is zoals de basis en het firmament, want het is het laatste werk waarin alle dingen stilhouden, en waarop zij rusten, Dat het ook is zoals een matrijs waar vanuit de uitwerkingen, die de doelen van de schepping zijn, worden voortgebracht, zal in de volgende dingen worden gezegd.

 

166. Dat alle dingen uit de Heer door de levende Zon geschapen zijn, en niets door de dode zon, kan vaststaan daar vanuit dat het levende het dode tot volgzaamheid aan zich ondergeschikt maakt, en dat tot nutten vormt die de doelen ervan zijn, niet echter omgekeerd. Denken dat alle dingen uit de natuur zijn, en dat daaruit het leven is, kan alleen maar door een van rede beroofd mens; deze weet niet wat het leven is; de natuur kan het leven niet tot wat ook beschikken, want de natuur in zich is volslagen inert. Dat het dode in het levende of de dode kracht in de levende kracht, of wat hetzelfde is, het natuurlijke in het geestelijke handelt, is geheel en al tegen de orde, en vandaar is zo te denken tegen het licht van de gezonde rede. Weliswaar kan het dode of het natuurlijke op vele wijzen uit uitwendige voorvallen verdraaid of veranderd worden, maar toch kan het niet in het leven handelen. Maar het leven handelt daarin volgens de aangebrachte verandering van vorm. Dit is hetzelfde met de fysieke invloed in de geestelijke werkingen van de ziel, en dat die niet voorkomt, omdat het onbestaanbaar is, wat bekend is.

 

TOP

167. HET DOEL VAN DE SCHEPPING BESTAAT IN LAATSTEN: DAT ALLE DINGEN TERUGKOMEN TOT DE SCHEPPER EN DAT ER VERBINDING ZAL ZIJN.

Eerst zal iets worden gezegd over de doelen; er zijn drie dingen die in orde op elkaar volgen, en die het eerste doel, het middelste doel en het laatste doel worden genoemd, en eveneens worden zij doel, oorzaak, en uitwerking genoemd. Die drie moeten tegelijk in elk ding zijn opdat het iets zal zijn; want het eerste doel zonder het middelste doel en tegelijk het laatste is er niet, of, wat hetzelfde is, het doel alleen zonder oorzaak en uitwerking is er niet. Desgelijks is er ook niet een uitwerking alleen of een uitwerking zonder oorzaak en het doel ervan. Dat dit zo is, kan begrepen worden indien men denkt dat een doel zonder uitwerking of gescheiden van een uitwerking niet iets bestaand is; en daarom is het niets anders dan een woord; want het doel moet opdat het daadwerkelijk een doel is, bepaald zijn en het is bepaald in de uitwerking waarin het eerste doel wordt genoemd omdat dit het doel is; het verschijnt alsof het handelende of het uitwerkende door zichzelf bestaat, maar dit is een schijnbaarheid daardoor, dat het in de uitwerking is, maar indien het van de uitwerking wordt gescheiden, wordt het in één ogenblik afgezonderd. Vanuit deze dingen is het duidelijk dat die drie: doel, oorzaak, en uitwerking, in elk ding moeten zijn opdat het iets zal zijn.

 

168. Verder moet men weten dat het doel het al is in de oorzaak, en eveneens het al in de uitwerking; vandaar is het, dat doel, oorzaak, en uitwerking het eerste, het middelste, en het laatste doel worden genoemd. Maar opdat het doel het al in de oorzaak kan zijn, moet er iets zijn vanuit het doel, waarin het moet zijn; want het doel kan niet in zich alleen zijn, maar het moet zijn in iets dat bestaat uit zich, waarin het ten aanzien van zijn totaliteit kan zijn en door te handelen uitwerken zolang totdat het blijft bestaan; dat waarin het blijft bestaan is het laatste doel, dat de uitwerking wordt genoemd.

 

169. In het geschapen heelal, zowel in grootsten ervan als in kleinsten, zijn die drie, namelijk: doel, oorzaak, en uitwerking. Dat die drie in grootsten en kleinsten van het geschapen heelal zijn, is omdat in God de Schepper, die de Heer uit het eeuwige is, die drie zijn; maar omdat Hij oneindig is en oneindige dingen in het Oneindige onderscheiden één zijn, als boven in nrs. 17 tot 22 is aangetoond, zijn daarom eveneens die drie in Hemzelf en die drie in de oneindige dingen van Hemzelf, onderscheiden één. Vandaar is het, dat het heelal, dat geschapen is uit het Zijn van Hemzelf, en ten aanzien van de nutten beschouwd het beeld van Hemzelf is, die drie moet bezitten in alle en de afzonderlijke dingen ervan.

 

170. Het universele doel of het doel van alle dingen van de schepping is, dat er eeuwige verbinding zal zijn van de Schepper met het geschapen heelal, en die is er niet tenzij er subjecten zijn waarin het Goddelijke van Hemzelf kan zijn zoals in zichzelf, dus waarin het kan worden en blijven; welke subjecten, opdat zij de woningen en de verblijven van Hemzelf zijn, opnemende dingen moeten zijn van de Liefde en de Wijsheid van Hemzelf zoals uit zich, en dus zich zoals uit zichzelf moeten verheffen en verbinden. Dat de mensen zulke subjecten zijn en dat zij de opnemenden van het Goddelijke zijn zoals uit zich, is boven meermalen getoond.  Door die verbinding is de Heer aanwezig in elk uit Hemzelf geschapen werk; want alles is met het uiteindelijke doel ter wille van de mens geschapen; en daarom klimmen de nutten van alle dingen die geschapen zijn door graden uit laatsten tot de mens op en door de mens tot God de Schepper, als bron van alles, zoals boven in nrs. 65 tot 68, is getoond.

 

171. De schepping gaat tot dit laatste doel aanhoudend door die drie, welke zijn: doel, oorzaak en uitwerking, omdat in de Heer de Schepper die drie zijn, zoals hier vlak boven is gezegd; en het Goddelijke is in alle ruimte zonder ruimte, nrs. 69 tot 72, en in grootsten en kleinsten hetzelfde, nrs. 77 tot 82. Hier vanuit is het duidelijk dat het geschapen heelal in de algemene voortgang tot het laatste doel, betrekkelijk het middelste doel is. Want vanuit de aarde worden uit de Heer de Schepper aanhoudend vormen van nutten in hun orde verheven tot aan de mens, die naar het lichaam ook daaruit is. De mens wordt daarop verheven door de opneming van de liefde en de wijsheid uit de Heer; en opdat hij liefde en wijsheid kan opnemen, is in alle middelen voorzien; en hij is zodanig gemaakt dat hij kan opnemen indien hij slechts wil. Vanuit wat nu gezegd is kan het worden gezien, hoewel nog niet dan op een algemene wijze, dat het doel van de schepping bestaat in laatsten en dit doel is, dat alle dingen terugkomen tot de Schepper en dat er verbinding zal zijn.

 

172. Dat die drie: doel, oorzaak, en uitwerking, zijn in alle en de afzonderlijke dingen die geschapen zijn, kan ook vaststaan daar vanuit dat alle uitwerkingen, die laatste doelen worden genoemd, opnieuw nieuwe eerste doelen worden in een aanhoudende reeks uit het Eerste, dat de Heer de Schepper is, tot aan het laatste, dat de verbinding van de mens met Hemzelf is. Dat alle laatste doelen nieuwe eerste doelen worden, is daaruit duidelijk dat er niet iets is dat zodanig inert en dood is, dat er niets werkzaam in is. Zelfs ook vanuit zand ademt iets zodanigs uit dat hulp bijdraagt om iets voort te brengen, en zo dus om iets uit te werken.

 

Einde deel 2.

DEEL 3 / DEEL 4 / DEEL 5

worden momenteel voorbereid ter publikatie en volgen weldra.

 

 

 

TOP

 

Colofon

Engelenwijsheid

over de Goddelijke Liefde en Wijsheid.

Amsterdam 1763, door Emanuel Swedenborg.

In 1763 verscheen Swedenborgs filosofische werk:

SAPIENTIA ANGELICA DE DIVINO AMORE ET DE DIVINA SAPIENTIA - AMSTELODAMI MDCCLXIII

De eerste Nederlandse vertaling door Anton Zelling in 1936 luidde: Engellijke Wijsheid aangaande de Goddelijke Liefde en de Goddelijke Wijsheid.

Bovenstaande nieuwe Nederlandse vertaling is uit 2008, door Henk Weevers : Engelenwijsheid over de Goddelijke Liefde en Wijsheid.

 

_____________________________________________________

"De aanduiding 'wijsheid van de engelen' laat duidelijk zien dat het hier geen gewone wijsgerige geschriften betreft, dat wil zeggen werken die door een filosoof zelf zijn bedacht. Ook deze geschriften zijn aan Swedenborg geopenbaard, maar drukken zich nu volledig op begripsmatig niveau uit. Hun betekenis kan dan ook met behulp van ons gewone denkvermogen worden begrepen, terwijl voor een goed verstaan van de voorgaande geschriften de ratio en/of de intellectus ontwikkeld moeten zijn."

Aldus Dr. Daniël van Egmond in het essay: De mystieke weg van Emanuel Swedenborg.

_____________________________________________________

 

Digitale uitgave - Swedenborg Boekhuis 2010.

  • Ook een gratis Printerexemplaar van de bovenstaande tekst is online. Alle teksten zijn vrij van © copyrights, maar een bronvermelding wordt op prijs gesteld. Met dank voor uw belangstelling,

    Guus Janssens, publicist.

     

TOP

 

Counter Stats
melbourne doctorsr

geplaatst op 10 januari 2010.