..

.

HEMEL EN HEL

  • en over hetgeen er werd gehoord en gezien,
  • door Emanuel Swedenborg 1758.
___________________________________________________________________ colofon

DEEL 2: 'Ontwaken uit de Dood'

OVER DE WERELD VAN DE GEESTEN

EN DE STAAT VAN DE MENSEN NA DE DOOD.

Inhoudsopgave _______________________________________________

421 Wat is de wereld van de geesten?

432 Ieder mens is innerlijk een geest

445 De opwekking van de mensen uit de dood en de ingang in het eeuwig leven

453 De mens is na zijn dood in een volkomen menselijke vorm

461 De mens blijft na zijn dood in het bezit van alle zintuigen, van geheel zijn geheugen, en van al de gedachten en aandoeningen die hij had in de wereld Hij laat niets achter dan zijn aards lichaam

470 De mens is na de dood evenals zijn leven was in de wereld

485 De genoegens van het leven van elk mens worden na de dood veranderd in overeenkomstige genoegens

491 De eerste staat van de mens na de dood

499 De tweede staat van de mens na de dood

512 De derde staat van de mens na de dood, welke de staat is van onderwijzing voor hen die naar de hemel gaan

521 Niemand gaat de hemel in door onmiddellijke genade

528 Het is niet zo moeilijk om een leven te leiden dat naar de hemel voert, als vaak wordt geloofd

 

top .

OVER DE WERELD DER GEESTEN

EN DE STAAT VAN DE MENSEN NA DE DOOD

 

WAT IS DE WERELD DER GEESTEN ?

421. De wereld der geesten is niet de hemel noch de hel, maar een plaats of staat tussen beide. De mens gaat na zijn dood eerst daarheen en wanneer hij zijn bestemde tijd daarin heeft doorgebracht, dan wordt hij, in overeenstemming met zijn leven in deze wereld, f verheven in de hemel, f geworpen in de hel.

422. De wereld der geesten is een middenplaats tussen de hemel en de hel en is ook de middenstaat van de mensen na de dood. Dat zij een middenplaats is, werd mij duidelijk gemaakt doordat de hellen beneden en de hemelen erboven zijn; en dat zij een middenstaat is, werd mij tevens duidelijk doordat de mens, zolang hij daar is, noch in de hemel is noch in de hel. De hemelse staat in de mens is de vereniging van het goede en het ware in hem, en de staat van de hel is de vereniging van het kwade en het valse in hem. Wanneer het goede en het ware in een mensen geest verenigd zijn, dan treedt hij de hemel in, omdat deze vereniging, zoals is opgemerkt, de hemel in hem is; wanneer echter in de mensengeest het kwade verenigd is met het valse, treedt hij de hel in, omdat die vereniging de hel is die in hem aanwezig is. Deze vereniging wordt in de wereld der geesten bewerkt, omdat de mens dan in een middenstaat is. Het is geheel hetzelfde of wij spreken van de vereniging van het verstand en de wil, of dat wij spreken van de vereniging van het ware en goede.

423. Ten aanzien van de vereniging van het verstand en de wil en haar gelijkheid met de vereniging van het goede en het ware zal hier eerst iets vooraf moeten gezegd worden, omdat die vereniging in de geestenwereld wordt bereikt. De mens bezit zowel een verstand als een wil; het verstand ontvangt waarheden en wordt gevormd uit die waarheden; de wil ontvangt het goede en wordt gevormd door dat goede. Om deze reden noemt de mens wat hij door zijn verstand begrijpt, waarheid; en wat hij wil en daarom denkt, noemt hij goed. Omdat zijn verstand denkt en daarom begrijpt, is de mens in staat om te denken en daardoor te vatten wat waarheid is en ook wat goed is; maar hij denkt niet door zijn wil, tenzij hij iets wil, en zo handelt. Zo hij iets tot een voorwerp maakt van zijn wil en ook dienovereenkomstig handelt, zetelt de handeling in zijn verstand en wil, dus in de mens zelf. Want het verstand alleen vormt niet de mens, noch ook de wil alleen, maar verstand en wil tezamen; wat daarom in die beide is, is in de mens zelf en wordt hem toegeigend. Al wat alleen in het verstand bestaat, is werkelijk met de mens aanwezig, maar niet in hem opgenomen; het is enkel een voorwerp van zijn geheugen en een zaak die hij kent als door zijn geheugen opgenomen; het is een zaak, waarover hij in staat is te denken, wanneer hij niet in zichzelf, maar buiten zichzelf met anderen is; waarover hij dus kan spreken en redeneren, en volgens welke hij ook gevoelens en gebaren kan huichelen.

424. Dat de mens in staat is uit zijn verstand te denken en niet op hetzelfde moment uit de wil te denken, is zo beschikt, opdat hij vatbaar zou zijn voor verbetering. Want de mens wordt hervormd door middel van waarheden, en waarheden, zoals boven is opgemerkt, zijn zaken van het verstand. Want de mens is ten opzichte van de wil in alle kwaad geboren, en daarom wil hij uit zichzelf voor niemand het goede dan alleen voor zichzelf, en die het goede alleen voor zichzelf wil, schept behagen in de ongelukken van anderen, vooral wanneer die tot zijn eigen voordeel strekken, want hij tracht het goede van alle andere mensen, hetzij eer, hetzij welzijn, zich toe te eigenen, en in zoverre hij zijn begeerte vervuld ziet, voelt hij een innerlijke blijdschap. Teneinde deze wil te verbeteren en te hervormen, is de mens in staat gesteld om waarheden te leren kennen, en door middel van deze waarheden de kwade neigingen van zijn wil te beteugelen. Het is om deze reden dat hij in staat is om door zijn verstand waarheden te bedenken en ze ook uit te spreken en te doen; maar hij kan die niet bedenken door zijn wil vr hij zodanig is dat hij ze wil en uit zichzelf doet, dat is met zijn hart. Wanneer de mens in deze staat is, dan zijn de waarheden die hij door zijn verstand bedenkt, voortbrengselen van zijn geloof; en de waarheden die hij vanwege zijn wil bedenkt, zijn de voortbrengselen van zijn liefde; dan gaan geloof en liefde in hem samen, gelijk zijn verstand en zijn wil.

425. In die mate nu als de waarheden van zijn verstand verenigd zijn met het goede van zijn wil, dus in die mate als de mens het ware wil en daarom doet, heeft hij de hemel in zichzelf; want, zoals boven is opgemerkt, de vereniging van het goede en het ware is de hemel. In die mate daarentegen als de leugen van zijn verstand verenigd is met het kwade van zijn wil, in die mate heeft de mens in zichzelf de hel; want de vereniging van de leugen met het kwade is de hel. In die mate echter als het ware van zijn verstand niet verenigd is met het goede van zijn wil, is de mens in een middenstaat. Bijna ieder mens is heden ten dage in zulk een staat dat hij waarheden kent en door de kennis en ook door het verstand de waarheden bedenkt en f veel, f weinig, f niets doet van hetgeen zij verlangen, ofwel uit liefde tot het kwaad en bijgevolg door het geloof in het valse tegen de waarheid handelt. Opdat nu zo iemand geschikt moge worden hetzij voor de hemel, hetzij voor de hel, wordt hij na zijn dood eerst in de geestenwereld gebracht, waar een verbintenis van goed en waar wordt bewerkt voor hen die in de hemel zullen opgenomen worden, en een verbintenis van het kwade met het valse voor hen die in de hel zullen geworpen worden. Want het is niet geoorloofd voor iemand in de hemel of in de hel een verdeeld gemoed te hebben, dat is, dat hij een ding erkent en iets anders wil; maar wat iemand wil, moet hij ook erkennen, en hetgeen hij erkent moet hij ook vervullen. Daarom zal in de hemel iedereen van wie de wil goed is, de waarheid inzien; in de hel daarentegen zal ieder van wie de wil kwaad is, ook het valse verstaan. Daarom worden in de geestenwereld alle valsheden van de goeden verwijderd, en waarheden passende en overeenkomstig aan het goede, dat zij hebben, aan hen gegeven; evenzo wordt alle waarheid verwijderd van de kwaden en worden hun valsheden gegeven, overeenkomende met hun kwaad. Uit deze voorbeelden mag duidelijk zijn wat de geestenwereld is.

426. De geestenwereld bevat een groot aantal geesten, omdat zij het gebied is waarin allen worden onderzocht en voorbereid. Hun oponthoud hier is niet aan een vaste tijd verbonden; sommigen treden zo in en worden dadelijk f opgenomen in de hemel f neergeworpen in de hel; sommigen vertoeven daar slechts enige weken en anderen verscheidene jaren, maar niet meer dan dertig. Het verschil in de tijd van hun oponthoud hangt af van de overeenstemming en van het gebrek aan overeenstemming tussen hun innerlijk en uiterlijk. Op welke wijze de mens in die wereld van de ene staat in de andere wordt geleid en voorbereid, zal worden aangetoond in hetgeen volgt.

427. Zodra de mensen na hun dood de geestenwereld intreden, worden zij duidelijk door de Heer onderscheiden; de bozen worden onmiddellijk in gemeenschap gebracht met het helse gezelschap waarmee zij in de wereld reeds verenigd waren door hun heersende neiging, en de goeden worden onmiddellijk verenigd met het hemelse gezelschap waarmee zij verenigd waren tijdens hun verblijf in de wereld, door hun liefde, naastenliefde en geloof. In weerwil dat zij zo worden gescheiden, kunnen toch allen die in het lichamelijke leven niet met elkaar bevriend en bekend waren, vooral echtgenoten, broeders en zusters, wanneer zij in het andere leven dat verlangen, elkaar ontmoeten en samen spreken. Ik heb een vader zien spreken met zijn zes zonen die hij alle herkende en vele anderen met hun vrienden en verwanten, maar omdat zij in een verschillende staat waren als gevolg van hun leven op aarde, waren zij spoedig weer gescheiden. Zij echter die uit de geestenwereld naar de hemel gaan en zij die vandaar gaan naar de hel, zien of kennen elkaar nooit weer, tenzij zij door een gelijke liefde een gelijke gezindheid hebben. De reden waarom bekenden elkander wel zien in de geestenwereld en niet in de hemel en in de hel, is deze, dat zij in de geestenwereld in de staat worden gebracht zoals zij die hadden in het lichamelijke leven en van de ene in de andere overgaan. Na die tijd komen allen echter in een onveranderlijke staat, overeenkomende met hun heersende neiging, waarin de een de ander alleen kent door gelijkheid in neiging; want het gelijke verenigt zich en het ongelijke scheidt zich van elkander af, zoals werd aangetoond in nr. 41-50.

428. Gelijk de geestenwereld de middenstaat is tussen de hemel en de hel bij de mens, zo is zij ook een middenplaats. Beneden zijn de hellen en boven zijn de hemelen. Alle hellen zijn aan de zijde van die wereld afgesloten; de enige openingen zijn holen en spleten als van rotsen en door wijde kloven die worden bewaakt, opdat er niemand, dan bij vergunning, zou uitgaan. Deze vergunning wordt soms verleend, wanneer de dringende noodzakelijkheid dit eist, waarover later. De hemel is insgelijks aan alle zijden omsloten en er is geen toegang tot enig hemels gezelschap open, dan alleen door een nauwe weg, waarvan de ingang op dezelfde wijze wordt bewaakt. Deze uit- en ingangen worden in het Woord de poorten en de deuren van de hel en van de hemel genoemd.

429. De geestenwereld gelijkt op een vallei die door bergen en rotsen is ingesloten; hier en daar daling en rijzing. De deuren en poorten die tot de hemelse gezelschappen leiden, zijn niet zichtbaar dan alleen voor hen die voor de hemel zijn toebereid; door niemand anders kunnen zij zelfs gevonden worden en tot ieder gezelschap is er uit de geestenwereld een toegang, waarachter een weg is die bij het opwaarts lopen zich in verscheiden takken verdeeld. Ook de poorten en de deuren die naar de hellen leiden, zijn voor niemand zichtbaar dan voor hen die op het punt staan er binnen te gaan. Voor hen worden zij dan geopend en er worden dan duistere, als met roet overdekte holen zichtbaar die in een helling neerwaarts lopen naar de diepte, waar op dezelfde wijze weer verschillende deuren zijn. Door deze holen walmen vreselijke stanken en bedorven luchten, die door de goede geesten geschuwd worden omdat zij een afkeer in hen verwekken, maar die de kwade geesten zoeken omdat zij hun aangenaam zijn; want evenals eenieder in de wereld behagen heeft geschept in zijn eigen kwaad, zo schept hij ook na zijn dood behagen in de stank die met zijn kwaad overeenstemt. In dit opzicht kunnen zulke personen vergeleken worden met roofvogels en wilde beesten, zoals bijvoorbeeld raven, wolven en zwijnen, die dadelijk bij het waarnemen van de stank toevliegen en toesnellen op lijkachtige en drekkige dingen. Ik hoorde eens een zekere geest een luide schreeuw geven, alsof hij door een innerlijke pijniging werd aangegrepen, toen hij de geur opving die van de hemel uitging en dezelfde geest zag ik zeer bedaard blijven en verheugd zijn, toen de stank uit de hel hem bereikte.

430. Voor ieder mens bestaan evenzo twee poorten; de een leidt naar de hel en is geopend voor al het kwade en valse daaruit; de andere leidt naar de hemel en is geopend voor al het goede en ware dat daaruit komt. In hen die in het kwade en het valse zijn, is de poort van de hel geopend en slechts weinige stralen van het licht van de hemel dringen van boven als door kieren binnen, waar de mens door invoering in staat is om te denken, te redeneren en met anderen te spreken; maar in hen die in het goede en daardoor in het ware zijn, is de poort van de hemel geopend. Want er zijn twee wegen, die tot het redelijk gemoed in de mens leiden, een hogere of innerlijke weg en een lagere of uiterlijke; door de eerste komt tot hem het goede en het ware van de Heer; door de tweede het kwade en de leugen van de hel. In het midden is het redelijk gemoed zelf, waarheen deze twee wegen leiden. In zoverre het licht van de hemel tot daar wordt toegelaten, is de mens redelijk; maar in zoverre dit licht niet wordt toegelaten, is hij niet redelijk, ofschoon hij zelf juist het tegendeel meent. Deze feiten zijn mee gedeeld, opdat de aard van de gemeenschap van de mens met de hemel of met de hel gekend moge worden. Zijn rede is gedurende haar ontwikkelingstijd in overeenstemming met de geestenwereld; wat daarboven is, is in overeenstemming met de hemel, en wat er beneden is met de hel. Wat daarboven is, is geopend, en wat daar beneden is, is gesloten voor de invloed van het kwade en de leugen van hen, die toebereid worden voor de hemel; maar wat beneden is, is geopend tegen, en wat daarboven is, is gesloten voor de invloed van het goede en de waarheid op hen, die toebereid worden voor de hel. De laatste kan derhalve niets anders doen dan de blik naar beneden richten, dat is, naar de hel, en de eerste kan niets anders dan opzien naar boven, naar de hemel, Opzien naar boven is opzien naar de Heer, omdat hij het algemene middenpunt is, waarheen al wat in de hemel is, opziet; maar het zien naar beneden is het afzien van de Heer, naar het tegenovergestelde middenpunt, waarnaar alles wat in de hel is, heen ziet en zich keert (zie nr. 123-124).

431. Waar in de voorgaande bladzijden van geesten sprake is, worden zij bedoeld die in de geestenwereld vertoeven, en met engelen zij die in de hemel zijn.

.

top

IEDER MENS IS INNERLIJK EEN GEEST

432. Wie ooit rijp over dit onderwerp dacht, zal tot de overtuiging zijn gekomen, dat het lichaam niet denkt omdat het stoffelijk is, maar dat de ziel denkt omdat die geestelijk is. De ziel van de mensen (over de onsterfelijkheid waarvan zo velen hebben geschreven) is zijn geest, want deze geest is onsterfelijk in al het zijn, en deze is het die in het lichaam denkt; want hij is geestelijk en hetgeen geestelijk is, neemt hetgeen geestelijk is geestelijk op, en leeft op geestelijke wijze, dat wil zeggen: het denkt en wil; alles wat dus in het lichaam zich als geestelijk leven openbaart, behoort tot de geest en niets daarvan behoort tot het lichaam. Het lichaam is stoffelijk, zoals boven is gezegd, en de stoffelijkheid die het eigenaardige van het lichaam is, is aan de geest slechts toegevoegd, of bijna als het ware daaraan vastgemaakt, opdat deze zou kunnen leven en handelen in de natuurlijke wereld, waar alles stoffelijk is en in zichzelf ontbloot is van leven. Daar nu het stoffelijke niet leeft, maar alleen dat wat geestelijk is, zo blijkt hieruit duidelijk dat alles wat leeft bij de mens, aan zijn geest toebehoort, en dat het lichaam alleen dient voor de geest, zoals een werktuig dient voor de werkman. Men is weliswaar gewoon om van een werktuig te zeggen dat het handelt, beweegt of slaat; indien men echter werkelijk gelooft, dat die krachten tot het werktuig behoren, en niet tot hem die met het werktuig handelt, beweegt of stoot, dan is dat een dwaling.

433. Daar alles wat in het lichaam leeft en door dit leven handelt en gevoelt, uitsluitend tot de geest en niets daarvan tot het lichaam behoort, zo volgt daaruit dat de geest de werkelijke mens is, of wat hetzelfde zegt, dat de mens op zichzelf beschouwd een geest is, en ook gelijke gestalte heeft; want al wat leeft en voelt in de mens behoort tot zijn geest, en er is niets in hem, van het hoofd tot de voetzool toe, wat niet leeft en voelt. Wanneer daarom geest en lichaam gescheiden worden, hetgeen wij sterven noemen, blijft de mens toch een mens en leeft voort. Uit de hemel werd mij gezegd dat sommigen bij hun sterven, wanneer zij op de baar liggen, vr hun opwekking in hun koud lichaam nog denken en niet beter weten dan dat zij nog leven, maar met dit onderscheid, dat zij geen enkel stoffelijk lid kunnen bewegen dat tot het lichaam behoort.

434. De mens kan niet denken en niet willen, tenzij er een onderwerp is, dat is een zelfstandigheid, waaruit en waarin hij denkt en wil; alles wat men zich voorstelt te bestaan zonder een zelfstandigheid, is niets. Dit moge duidelijk worden uit het feit, dat de mens niet zien kan, zonder een orgaan dat de grondslag is van zien, noch horen kan zonder een orgaan dat de grond slag is van zijn horen. Gezicht en gehoor zijn zonder deze organen niets, ja een onmogelijkheid. Dit geldt ook voor de gedachte die innerlijk gezicht is, en voor de gewaarwording, die innerlijk gehoor is. Indien deze niet in en door zelfstandigheden bestaan, die organisch zijn gevormd en de onderlaag zijn van deze werkzaamheden, zo konden zij in het geheel niet bestaan. Uit deze waarheden moge duidelijk blijken dat de geest van de mensen op dezelfde wijze in een vorm is en dat deze de menselijke vorm is en evenzeer zinnen en zintuigen bezit na zijn scheiding van het lichaam als toen hij nog in het lichaam was; dat al het leven van het oog en al het leven van het oor, in n woord geheel het zintuiglijk leven dat de mens bezit, niet tot zijn lichaam, maar tot zijn geest behoort; want de geest woont daarin tot in de allerfijnste delen die hen samenstellen. Uit deze oorzaak zien, horen en voelen de geesten zowel als de mensen; maar na hun scheiding van het lichaam niet meer in de natuurlijke wereld, maar in de geestelijke. De reden waarom de geest, terwijl hij in het lichaam is, natuurlijke gewaarwordingen heeft, komt door de stoffelijke natuur die aan hem is toegevoegd; maar ook dan heeft hij geestelijke gewaarwording tegelijkertijd in zijn denken en willen.

435. Deze waarheden zijn vermeld opdat de redelijke mens overtuigd mag worden dat de mens, in zichzelf beschouwd, een geest is en dat het lichamelijk omhulsel dat dan aan zijn geest is toegevoegd voor zijn werkzaamheden in de natuurlijke en stoffelijke wereld, niet de mens is, maar alleen een werktuig voor het gebruik van zijn geest. Bevestigingen echter, die op de ervaring berusten, zijn te verkiezen, omdat redeneringen de bevatting van velen te boven gaan, terwijl zij door hen, die tegenovergestelde gevoelens zijn toegedaan, twijfelachtig worden gemaakt door gevolgtrekkingen uit bedrieglijke zinnen. Zij die zich in dit tegenovergestelde hebben versterkt, zijn gewoon te denken dat ook de dieren leven en voelen zoals de mensen, en dus ook een geestelijk leven bezitten zoals de mens, dat echter met hun lichaam sterft. De aard van het geestelijke van de dieren is evenwel niet gelijk aan dat van de mensen; want de mens heeft, wat dieren niet hebben, een meest innerlijke graad of gebied van de ziel, waarin het Goddelijke invloeit en haar verheft tot Zichzelf en daardoor met Zichzelf verenigt. Hierdoor is het dat de mens, in onderscheiding van de dieren, in staat is om te denken over God en de Goddelijke dingen die tot de hemel en de kerk behoren en daarin en daardoor God lief te hebben en dus met Hem verenigd te worden; en al wat in staat is om met het Goddelijke verenigd te worden, kan niet vernietigd worden; terwijl al wat onvatbaar is om met het Goddelijke verenigd te worden, wordt vernietigd. Deze meest innerlijke graad of dit gebied in de ziel, dat de mens heeft en de dieren niet hebben, is in een vorig gedeelte behandeld (zie nr. 39), en wat daar is vermeld zal nog eens worden herhaald, omdat het van belang is de dwalingen te verdrijven, die omtrent dit punt worden gekoesterd door velen die uit gebrek aan kennis en door een ongeoefend verstand niet in staat zijn om zich redelijke denkbeelden ervan te vormen. Die zin luidt als volgt: Ik moet hier over de engelen van de drie hemelen een zeker geheim vermelden, dat nimmer tevoren in een mensenhart is opgekomen, omdat tot hiertoe niemand de leer van de graden heeft verstaan. In iedere engel en derhalve ook in ieder mens, is een innerlijke en verheven graad of een zeker innerlijk of voortreffelijk punt, waarin het Goddelijke van de Heer het eerst en het naast invloeit en waaruit het alle overige innerlijke dingen die daarop volgen, schikt volgens de graden van de orde. Dit meest innerlijk of verheven gebied van de ziel kan de ingang van de Heer tot de engelen en tot de mens worden genoemd of Zijn eigenlijke woning bij hen. Door dit binnenste of deze hoogste graad is de mens onderscheiden van de redeloze dieren die zulks niet bezitten; daardoor kan de mens, anders dan de dieren, volgens al zijn innerlijk, dat het gebied van zijn verstand en gemoed is, door de Heer tot Zichzelf worden verheven, in Hem geloven, opgewekt worden tot liefde jegens Hem, en zo Hem zien, en kan hij inzicht en wijsheid in zich opnemen, en spreken door verstand; daardoor komt het ook, dat hij eeuwig voortleeft. De regelingen en voorzieningen, die door de Heer in dit meest innerlijk gebied zijn gemaakt, worden echter nooit helder door enige engel gevoeld, omdat zij boven het gebied van zijn denken gaan en verheven zijn boven zijn wijsheid.

436. Uit een menigte ervaringen is het mij vergund te weten dat de mens naar zijn innerlijk wezen een geest is; als ik al die ervaringen zou moeten opschrijven, dan zouden zij vele boeken vullen. Als een geest heb ik met de geesten gesproken en ik heb met hen gesproken als een mens in het lichaam. Als ik met hen als een geest sprak, dachten zij niet anders, dan dat ik zelf een geest was, en ook, gelijk zij, in een menselijke vorm was. Als zodanig verscheen mijn innerlijk voor hen; want terwijl ik met hen als een geest sprak, was mijn stoffelijk lichaam onzichtbaar.

437. Dat de mens, wat zijn innerlijk betreft, een geest is, blijkt duidelijk hierdoor, dat hij, nadat zijn lichaam van hem is gescheiden, zoals dit plaats heeft bij zijn dood, toch steeds als mens leeft gelijk tevoren. Opdat ik van deze waarheid ten volle overtuigd mocht zijn, is het mij verleend om met bijna allen die ik ooit heb gekend terwijl zij in het lichaam leefden, mij te onderhouden, met sommigen enige uren, met sommigen weken en maan den, met anderen jarenlang, en dit voornamelijk opdat ik voor mijzelf zeker mocht zijn van de waarheid en haar aan anderen zou kunnen getuigen.

438. Aan hetgeen reeds is vermeld, kan worden toegevoegd dat iedereen, terwijl hij leeft in het lichaam, met zijn geest reeds in gezelschap is met geesten, hoewel onbewust. De goede is door hen in gezelschap van engelen en de kwade in een hels gezelschap opgenomen; na de dood gaan zij in datzelfde gezelschap. Dikwijls is dit verklaard en aangetoond aan hen die na hun dood onder de geesten kwamen. Zolang hij nog in de wereld is, wordt de mens in dat gezelschap niet als een werkelijke geest gezien, omdat hij dan denkt op een natuurlijke wijze; zij echter, die als buiten het lichaam denken, omdat zij dan in de geest zijn, worden soms in hun gezelschap gezien, maar worden dan ook gemakkelijk van de geesten daar onderscheiden; want zij wandelen rond in overdenking, spreken niet, zien niet naar de andere geesten, gedragen zich alsof zij die niet zien, en zodra een geest hen aanspreekt, verdwijnen zij.

439. Om de waarheid, dat de mens naar zijn innerlijk een geest is, toe te lichten, zal ik uit de ervaring mededelen wat de uittrekking uit het lichaam is en wat het is door de geest gevoerd te worden in een andere plaats.

440. De uittrekking uit het lichaam heeft op de volgende wijze plaats. De mens wordt in een staat gebracht die het midden houdt tussen slapen en waken en wanneer hij in deze staat is, kan hij niet beter weten dan dat hij volkomen wakker is; al zijn zinnen zijn evenzeer werkzaam als wanneer het lichaam volkomen wakker is, niet alleen het gezicht en het gehoor, maar zonderling, ook het gevoel, dat dan zelfs scherper is dan het ooit in waken de staat van het lichaam zijn kan. Ook in deze staat werden geesten en engelen in volle werkelijkheid door mij gezien en gehoord, en hoe wonderlijk, ook gevoeld, en toch was er toen bijna niets van het lichaam tussen beide. Dit is de staat waarvan men zegt: van het lichaam weggevoerd te worden en niet te weten of men in het lichaam is of daarbuiten. Ik ben slechts drie of vier maal in deze staat geweest, alleen opdat ik de aard ervan zou kennen en er tegelijk van verzekerd zou zijn, dat geesten en engelen het bezit van alle zin tuigen genieten en zo ook van de menselijke geest, wanneer hij aan het lichaam is onttrokken.

441. Wat het andere betreft, door de geest gevoerd te worden in een andere plaats is mij door eigen ervaring, ofschoon slechts twee- of driemaal, getoond, zowel wat dit is, als hoe het toegaat. Een enkel geval zal ik vermelden. Terwijl ik door de straten van een stad en door velden wandelde, had ik tegelijk een onderhoud met geesten. Ik wist niet beter dan dat ik wakende was en het gebruik van mijn gezicht had, gelijk op andere tijden. Zonder te dolen bewandelde ik de weg; terzelfder tijd had ik een visioen en zag lanen, rivieren, paleizen, huizen, mensen en andere voorwerpen. Na aldus enige uren gewandeld te hebben, keerde eensklaps mijn lichamelijk gezicht in mij terug en ontdekte ik dat ik op een geheel andere plaats was. Buitengewoon verbaasd hierover ontdekte ik dat ik in een staat was geweest, die zij hadden ondervonden van wie gezegd is dat zij door de geest waren weggenomen naar een andere plaats. Gedurende deze staat heeft men geen gedachte op de lengte van de weg, al waren het ook vele mijlen; ook niet op de duur van de reis, al duurde die verscheidene uren van de dag, en is men ook niet in het minst vermoeid. Men wordt zo over wegen die men tevoren niet kende, zonder te dwalen naar de plaats van zijn bestemming geleid.

442. Deze twee staten vinden plaats, wanneer de mens in zijn innerlijk is, of wat hetzelfde zegt, in de geest is. Zij zijn echter zeer buitengewoon en zijn mij alleen getoond om de aard van deze staat te kennen, omdat zij in de kerk bekend zijn. Het onderhoud met geesten en onder hen te zijn als een van hen, is mij daarentegen vergund in wakende toestand van het lichaam en dit nu reeds vele jaren lang.

443. Dat de mens naar zijn innerlijk een geest is, wordt verder bevestigd door feiten en verklaringen uit een vroeger gedeelte (zie nr. 311-317), waar aangetoond werd dat de bewoners van hemel en hel tot het menselijk geslacht behoren.

444. Met het gezegde, dat de mens naar zijn innerlijk een geest is, wordt bedoeld dat hij een geest is door zijn gedachten en zijn wil; want deze zijn het eigenlijke innerlijk dat de mens tot mens maakt en wel zo'n mens als de aard is van dit innerlijk.

.

top

DE OPWEKKING VAN DE MENSEN UIT DE DOOD EN DE INGANG IN HET EEUWIG LEVEN

445. Wanneer het lichaam niet langer in staat is om zijn taak in de natuurlijke wereld uit te oefenen overeenkomstig de gedachten en aandoeningen van zijn geest, die hij uit de geestelijke wereld heeft, dan zegt men dat de mens sterft. Dit geschiedt wanneer de bewegingen van de ademhaling en de samentrekkingen van het hart eindigen. De mens zelf sterft echter niet, maar hij wordt alleen gescheiden van zijn lichamelijk omkleedsel, dat hem in de wereld tot gebruik diende; de mens zelf leeft. Hier wordt gezegd dat de mens zelf leeft omdat hij mens is, niet door zijn lichaam maar door zijn geest, want het is de geest in de mens die denkt, en gedachten en neigingen zijn het die hem tot een mens maken. Hierdoor is het duidelijk dat de mens bij zijn sterven enkel van de ene wereld in de andere overgaat. Dienovereenkomstig betekent in het Woord, in zijn innerlijke zin, de dood de opwekking en de voortzetting van het leven.

446. De gemeenschap tussen de geest en het lichaam is het innigst bij de ademhaling en de beweging van het hart; de gedachte staat het naast in verband met de ademhaling, en de aandoening van de liefde het naast met het hart; wanneer derhalve deze twee bewegingen in het lichaam ophouden, heeft ook onmiddellijk de scheiding plaats. Deze twee bewegingen, de ademhaling van de longen en het kloppen van het hart, vormen de eigenlijke banden; worden die banden verbroken, dan staat de geest op zichzelf en het lichaam, dat nu van het leven van de geest is ontbloot, wordt koud en gaat tot ontbinding over. De reden waarom er zulk een innige verbinding bestaat tussen de geest en de ademhaling en het hart is deze, dat van die twee alle levens bewegingen afhangen, niet alleen in het algemeen, maar van elk deel in het bijzonder.

447. Na de scheiding blijft de geest van de mens nog een kleine tijd in het lichaam, maar niet langer dan tot de gehele stilstand van het hart; dit heeft spoediger of later plaats, naar de aard van de ziekte waaraan de mens sterft, want bij sommigen duurt de beweging van het hart nog lang, bij anderen niet zo lang. Zodra deze beweging eindigt, wordt de mens opgewekt; maar dit geschiedt alleen door de Heer. Onder opwekking wordt verstaan de wegneming van de geest van de mens uit zijn lichaam en zijn overbrenging in de geestelijke wereld; dit wordt gewoonlijk de opwekking genoemd. De reden waarom de menselijke geest niet gescheiden wordt van het lichaam voordat de beweging van het hart is geindigd, is omdat het hart overeenstemt met de aandoening van de liefde, die het ware leven van de mens is; want uit de liefde heeft iedereen de levenswarmte; en zo lang daarom deze verbinding voortduurt, zolang duurt ook die overeenstemming en daardoor het leven van de geest in het lichaam.

448. Op welke wijze de opwekking wordt bewerkt, is mij niet alleen verteld, maar is mij ook door eigen ervaring getoond. Ik genoot deze ervaring, opdat ik ten volle mocht weten hoe de opwekking plaatsvond.

449. Ik was in een staat van ongevoeligheid gebracht ten opzichte van de lichamelijke zinnen en dus bijna in de staat van een stervende, het innerlijke leven met het denkvermogen bleef niettemin voortduren, zodat ik zou kunnen waarnemen en onthouden de dingen die gebeurden, en die met iedereen plaatsvinden die na de dood wordt opgewekt. Ik merkte dat de ademhaling van het lichaam bijna geheel geindigd was; de innerlijke ademhaling, die namelijk van de geest, bleef voortduren, verenigd met een geringe en onhoorbare ademhaling van het lichaam. Het eerste wat plaats greep, was dat de gemeenschap met Gods hemels koninkrijk werd geopend door de klopping van het hart, omdat dit koninkrijk in overeenstemming staat met het menselijk hart. Ook engelen, die tot dit koninkrijk behoren, zag ik, sommigen op een afstand en twee zaten aan mijn hoofdeinde. Zo werd elke aandoening mij ontnomen; gedachten en bewustzijn bleven echter voortduren. Enige uren lang was ik in die staat. De geesten die mij omgaven, gingen toen weg in de veronderstelling dat ik dood was. Er werd ook een aangename geur waargenomen, overeenkomende met de geur van gebalsemde lijken; want als er hemelse engelen tegenwoordig zijn, wordt de tegenwoordigheid van een lijk als aangenaam reukwerk waargenomen, en als geesten deze merken, kunnen zij niet naderbij komen; zo worden ook kwade geesten weggehouden van de geest van de mens, wanneer hij voor het eerst in de geestelijke wereld wordt ingeleid. De engelen die aan mijn hoofdeinde zaten, spraken niet, maar deelden alleen hun gedachten met de mijne. Wanneer die ontvangen worden, weten zij dat de geest van de mens in een staat is, die hem vatbaar maakt om van het lichaam te worden gescheiden. De mededeling van hun gedachten werd bereikt, door hun blik op mijn gelaat te vestigen; want langs deze weg wordt de mededeling van gedachten in de hemel veroorzaakt. Omdat gedachten en waarnemingen mij bijbleven, opdat ik zou weten en mij zou kunnen herinneren hoe de opwekking geschiedt, ontdekte ik dat deze engelen eerst begeerden te weten wat mijn gedachten waren, om te zien of zij gelijk waren aan die van stervenden, die gewoonlijk zich bezig houden met het eeuwig leven; en dat zij wensten mij in zulke gedachten houden. Nadien werd mij verteld dat de geest van de mens in zijn laatste gedachten wordt gehouden wanneer hij sterft, totdat hij terugkeert tot de gedachten die tot zijn heersende neiging in de wereld behoorden. Het werd mij in het bijzonder verleend om te bemerken en te voelen, dat er een zeker trekken en om zo te zeggen een optrekken van mijn innerlijk gemoed plaatsgreep, om zo mijn geest van het lichaam te scheiden. Men vertelde mij dat dit door Heer geschiedt, en dat juist dit de opwekking teweegbrengt.

450. Wanneer de hemelse engelen bij de opgewekte mens zijn, verlaten zij hem niet, omdat zij iedereen liefhebben; wanneer echter de geest van een aard is, dat hij niet langer in het gezelschap van de hemelse engelen zijn kan, voelt hij de wens opkomen om zich van hen te scheiden. Wanneer hij dit doet, komen de engelen van het geestelijk koninkrijk van de Heer en geven hem het gebruik van het licht; want tot dusverre zag hij niets, maar had hij alleen zijn gedachten. Hoe dit toegaat, werd mij ook getoond. Deze engelen schenen een vlies af te rollen van het linkeroog, naar de neus toe, opdat het oog geopend en het gezichtsvermogen medegedeeld wordt. Het scheen de geest alsof deze bewerking werkelijk geschiedde; het is echter alleen schijn. Nadat de schel aldus scheen weggerold te zijn, heeft men enig licht, maar schemerachtig, gelijk het licht dat iemand bij het allereerste ontwaken door de oogleden heen gewaarwordt. Het schemerlicht dat door mij werd gezien, scheen van hemelse kleur; later werd mij gemeld dat er verschillende kleuren zijn naar de verschillende geesten. Daarna is er een gevoel alsof er iets zachtjes van het gezicht wordt afgerold; is dit geschied, dan wordt de opgewekte mens in een staat van geestelijke gedachten ingeleid. Dit iets afnemen van het gezicht is eveneens alleen schijn; maar daardoor wordt voorgesteld, dat de geest van de natuurlijke gedachte in de geestelijke overgaat. De engelen nemen de hoogste omzichtigheid in acht, opdat geen denkbeeld door de opgewekte mens zou worden geuit, dan alleen die welke verwant zijn aan de liefde, en dan zeggen zij hem dat hij een geest is. Nadat de geestelijke engelen het gebruik van het licht aan de nieuw geboren geest hebben gegeven, betonen zij hem alle diensten die hij in die staat zou kunnen wensen en zij onderrichten hem in de zaken van het andere leven in zoverre hij in staat is om die te bevatten. Is echter de opgewekte mens van een aard dat hij geen onderricht wil ontvangen, zo wenst hij van het gezelschap van de engelen ontslagen te zijn. De engelen verlaten hem evenwel niet, maar hij zelf scheidt zich van hen af; want de engelen hebben iedereen lief en wensen niets vuriger dan liefderijke diensten te bewijzen, te onderrichten en naar de hemel te leiden; daarin bestaat hun hoogste blijdschap. Wanneer de geest zich op deze wijze heeft afgescheiden, komt hij onder de zorg van de goede geesten, die hem, zolang hij in hun gezelschap is, eveneens allerlei vriendelijke diensten bewijzen. Is nu zijn leven in de wereld echter zodanig geweest, dat hij ook in het bijzijn van de goeden niet zijn kan, dan begeert hij eveneens van hen ontslagen te zijn; en dit zolang en zo dikwijls totdat hij zich aansluit bij zulke geesten die geheel en al overeenkomen met zijn leven in de wereld. In hun gezelschap vindt hij zijn eigen leven terug, en wat het wonderlijkste is, dan zet hij een soortgelijk leven voort als hij in de wereld heeft geleid.

451. Dit begin van het leven van de mens na de dood duurt echter niet langer dan enkele dagen. Hoe de geest na de dood van de ene staat in de andere wordt geleid en tenslotte in de hemel of in de hel komt, zal in de volgende hoofdstukken worden gemeld; want ook deze gangen zijn mij door overvloedige ervaringen bekend gemaakt.

452. Met sommigen heb ik gesproken op de derde dag na hun dood, toen met hen gebeurde wat hiervoor vermeld is (zie nr. 449-450). Drie van hen waren mij uit de wereld bekend en ik vertelde hen, dat er nu voorbereidingen werden gemaakt voor het begraven van hun lijk. Ik had de uitdrukking gebruikt, dat zij zouden begraven worden; op het horen daarvan greep een verbazing hen aan en zij verklaarden dat zij leefden, maar dat hun vrienden vrij mochten begraven wat hen in de wereld als lichaam had gediend. Naderhand verwonderden zij zich buitengewoon dat zij gedurende hun leven in het lichaam niet in zulk een leven na de dood hadden geloofd, en vooral dat bijna allen in de kerk dit ook niet geloofden. Zij die in de wereld niet hebben geloofd in een leven van de ziel na het leven van het lichaam, zijn zeer beschaamd wanneer zij merken dat zij na de dood nog leven; zij echter die zich in die loochening hebben bevestigd, werden verbonden met hun gelijken en afgescheiden van hen die het geloof hadden gehandhaafd. Het grootste gedeelte wordt verbonden aan een hels gezelschap; want zij hebben daardoor het bestaan van het Goddelijke geloochend en de waarheden van de kerk gesmaad. Want in dezelfde mate als iemand zich stelt tegen het eeuwig leven van zijn ziel, in die mate stelt hij zich ook tegen alles wat tot de hemel en de kerk behoort.

.

top

DE MENS IS NA ZIJN DOOD IN EEN VOLKOMEN MENSELIJKE VORM

453. De vorm van de menselijke geest is de menselijke, met andere woorden, de geest is een mens ook qua vorm. Dit is vroeger reeds duidelijk gemaakt, in het bijzonder in de hoofdstukken waarin werd aangetoond, dat iedere engel in zuiver menselijke gedaante is (zie nr. 73-77); dat wat zijn innerlijk betreft, ieder mens een geest is (zie nr. 432-444), en dat de engelen in de hemel uit het menselijk geslacht komen (zie nr. 314-317). Dit blijkt nog duidelijker hieruit, dat een mens wel om zijn geest, maar niet om zijn lichaam een mens is, en dat de lichamelijke vorm is toegevoegd aan de geest, overeenkomende met de vorm van de geest en niet het tegendeel; want de geest is bekleed met een lichaam overeenkomstig zijn eigen vorm. Hierdoor is het dat de geest van de mens werkzaam is in alle, zelfs tot in de allerkleinste delen van het lichaam en wel zo algemeen dat ieder deel dat niet werkzaam is door de geest, of waarin de geest niet werkt, ook niet leeft. Dat dit zo is, daarvan kan ieder zich verzekeren, enkel uit het feit dat de gedachte en de wil alle delen van het lichaam in werking brengen met zo'n volkomenheid, dat er niets aan hun bevelen ongehoorzaam is; en dat enig deel dat daaraan niet gehoorzaam is, dan ook geen deel van het lichaam is en wordt afgescheiden omdat het ontbloot is van enig leven. Gedachte en wil behoren tot de menselijke geest, niet tot zijn lichaam. De oorzaak dat de geest in menselijke vorm, na de scheiding van het lichaam, niet aan de mensen, noch ook de geest, die in een ander mens is aan hem verschijnt, is, omdat het werktuig van het gezicht, dat tot het lichaam behoort of het lichamelijk oog, zover de kring van zijn werking zich uitstrekt, stoffelijk is en het stoffelijke kan niets anders zien dan het stoffelijke, terwijl het geestelijke het geestelijke ziet. Wanneer daarom de stoffelijke zelfstandigheid van het oog overdekt is en beroofd is van zijn samenwerking met het geestelijke, verschijnen de geesten in hun eigen mensenvorm, en niet alleen zulke geesten als in de geestelijke wereld zijn, maar ook de geest die in een andere mens nog in het lichaam is.

454. De vorm van de geest is de menselijke, omdat de mens naar zijn geest geschapen is naar de vorm van de hemel; want alle dingen die tot de hemel en zijn orde behoren, zijn samengevat in die van het menselijk gemoed; hierdoor bezit de mens de vatbaarheid voor kennis en wijsheid. Of men spreekt van de vatbaarheid voor kennis en wijsheid, dan of men spreekt van de vatbaarheid voor de hemel, is geheel hetzelfde, zoals blijkt uit hetgeen vroeger werd aangetoond over het licht en de warmte van de hemel (zie nr. 126-140), over de vorm van de hemel (zie nr. 212), de wijsheid van de engelen (zie nr. 265-275), en in het hoofdstuk waarin werd aangetoond dat de hemel, zowel in geheel als in zijn delen, de vorm heeft van een mens (zie nr. 59-77), en dit door het Goddelijk Menselijke van de Heer, waaruit de hemel is en zijn vorm (zie nr. 78-86).

455. Al wat tot nu toe is gezegd, kan een redelijk mens begrijpen, want hij is in staat om te zien uit verbinding van oorzaken en door waarheden in haar orde; maar een mens die niet redelijk is, verstaat ze niet, en daarvoor bestaan verschillende redenen, waarvan de voornaamste is, dat hij niet verstaan wil, omdat zij zijn valse denkbeelden, die hij tot zijn waarheden gemaakt heeft, tegenspreken; en hij die deze waarheden daarom niet verstaan wil, heeft de toegang afgesloten voor de invloed van de hemel op zijn rede; maar toch blijft de mogelijkheid om deze weg te openen bestaan, mits de wil er zich niet tegen verzet (zie nr. 424). Dat de mens waarheden kan verstaan en redelijk kan zijn, indien hij niet onwillig is, is mij uit vele voorvallen bewezen. Ik heb dikwijls gezien dat kwade geesten, die onredelijk waren geworden doordat zij in de wereld het Goddelijke en de waarheden van de kerk hadden geloochend en zich in deze loochening hadden bevestigd, door de Goddelijke kracht gekeerd werden tot hen, die zich in het licht van de waarheid verheugen. Dan begrepen zij deze waarheden zoals de engelen en bekenden dat het de waarheid was en erkenden, dat zij alles begrepen. Zodra zij echter aan zichzelf werden overgelaten, keerden zij tot de gezindheid van hun eigen wil terug, begrepen niets meer en beweerden juist het tegendeel. Sommige helse geesten heb ik ook horen zeggen dat zij wisten en begrepen, dat hetgeen zij deden kwaad was, en dat hetgeen zij dachten onwaar was, maar dat zij de lust van hun liefde niet konden weerstaan, dus hun wil niet konden weerstaan, en dat dit hun gedachten leidde om het kwade als goed en de leugen als waar aan te zien. Aldus was mij duidelijk gemaakt, dat zij die door het kwade onder de leugen waren bedolven, nog in staat zijn om waarheden te verstaan, en dus redelijk te zijn, maar dat zij slechts niet willen. De reden waarom zij niet willen, is omdat zij de leugen liever hebben gehad dan de waarheid; omdat deze overeenkomt met het kwade, waarin zij verzonken waren. Liefhebben en willen is hetzelfde, want wat de mens wil, bemint hij en wat hij bemint, wil hij. Doordat de staat van de mens zodanig is dat hij waarheden kan verstaan, indien hij slechts wil, is het mij vergund geworden door redelijke overwegingen geestelijke waarheden, die tot de hemel en de kerk behoren, te bevestigen. Dit was aan mij vergund, om de valsheden die bij velen de werking van de rede hebben gesloten, door zulke redelijke overwegingen te verwijderen en aldus hun ogen, al was het slechts weinig, te openen; want het is aan allen die in de waarheid zijn gegrond, vergund om geestelijke waarheden te bevestigen door verstandelijke redeneringen. Wie kon ooit de Heilige Schrift verstaan, alleen door het lezen van de letterlijke zin, zonder door een verlichte rede de waarheden te zien, die in haar zijn weggelegd? Waaruit kunnen anders dan door dit gebrek door hetzelfde Woord zo vele scheuringen ontstaan?

456. Dat de geest van de mens na zijn scheiding van het lichaam een mens is, en wel in gelijke vorm, is mij door dagelijkse ervaring gedurende vele jaren gebleken. Duizenden malen heb ik hen gezien, hen horen spreken en met hen gesproken, juist over ditzelfde onderwerp, dat de mensen in de wereld niet geloven dat geesten ook mensen zijn, en dat zij die dit geloven door de geleerden voor dom worden gehouden. De geesten werden bedroefd bij het horen dat zodanige onwetendheid in de wereld nog voortduurde en vooral in de kerk. Zij zeiden dat dit geloof allereerst van de geleerden was uitgegaan, die ten opzichte van de ziel denkbeelden hadden die ontleend waren aan hun zinnelijke begrippen. Daardoor verkregen zij van de ziel geen ander denkbeeld dan dat van gedachten alleen; en men ontnam daaraan het voorwerp, waardoor het beschouwd wordt als een soort van wegvliedende ademtocht of enkel lucht, die niet anders dan vernietigd kan worden bij het sterven van het lichaam. Daar de kerk evenwel op gezag van de Heilige Schrift in de onsterflijkheid van de ziel gelooft, kon zij er niet omheen er enig levend beginsel aan toe te schrijven, zoals aan de gedachten, doch niets van een waarnemingsvermogen zoals de mens heeft, voordat zij weer met het lichaam verenigd is. Op deze voorstelling is de algemene leer aangaande de opstanding gegrond en het geloof dat de ziel en het lichaam verenigd zullen worden bij het Laatste Oordeel. Hieraan is het toe te schrijven dat, wanneer iemand over de ziel denkt volgens de kerkleer en tegelijk volgens vermoedens, hij volstrekt niet begrijpt dat de ziel een geest is, en dat deze in de vorm is van een mens. Men kan hier nog aan toevoegen dat er heden ten dage nauwelijks n is, die weet wat het geestelijke is, en nog minder dat zij die geestelijk zijn, wat alle geesten en engelen zijn, een menselijke gedaante hebben. Hierdoor is het ook dat bijna allen die van de wereld in de andere overgaan, zich bovenmate verwonderen dat zij leven en mensen zijn zoals tevoren; dat zij kunnen zien, horen en spreken; dat hun lichaam gevoel bezit evenals tevoren en dat er geen onderscheid bestaat (zie nr. 74). Is hun verwondering over zichzelf geindigd, dan moeten zij zich opnieuw verwonderen dat de kerk hoegenaamd geen kennis heeft van deze staat van de mensen na de dood en dientengevolge ook evenmin van de hemel en de hel, terwijl toch allen die ooit in de wereld hebben geleefd, in dit ander leven zijn overgegaan en daar als mensen voortleven. Eveneens verwonderden zij zich dat dit niet door een visioen aan de mens was geopenbaard, omdat het toch een wezenlijk bestanddeel van het geloof van de kerk is. Hierop werd hun uit de hemel bericht, dat dit zou kunnen zijn geschied, want niets is meer gemakkelijk wanneer de Heer zoiets behaagt; maar dat diegenen toch niet zouden geloven, die zich tegen zulke dingen in valsheden hebben bevestigd, ook dan niet, indien zij ze zelf zouden zien; en ook, dat het gevaarlijk is om iets door visioenen te bewijzen aan mensen die zich op de leugen hadden gegrond; want zij zouden dan eerst geloven, maar daarna het weer loochenen en zo de waarheid zelf ontheiligen, want ontheiligen is eerst de waarheid geloven en daarna weer ontkennen; en zij die de waarheid ontheiligen, worden in de diepste en aller jammerlijkste van alle hellen geworpen. Dit gevaar is het, waarop Heer doelt in Johannes 12:40: Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, met hun hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en ik hen genees. Dat zij die in de leugen zich hebben gevestigd, niet zouden geloven, is in Lucas 16:29,31 geleerd: Abraham zei tot de rijke man in de hel: Zij hebben Mozes de profeten, dat zij die horen! En hij zei: Neen, vader Abraham! maar zo iemand van de doden tot hen heenging, zij zouden zich bekeren. Maar Abraham zei tot hem: Indien zij Mozes en de profeten niet horen, zo zullen zij ook, ware het dat er iemand uit de doden opstond, zich niet laten gezeggen.

457. Het voorkomen en de toon van de stem die de mens in de wereld had, blijven de geest bij wanneer hij de geestenwereld binnentreedt; dit geschiedt spoedig na zijn opwekking, zoals in het vorige hoofdstuk is beschreven. De reden is dat hij dan in de uiterlijke staat is en zijn innerlijk nog niet is ontvouwd. Dit is de eerste staat van de mens na de dood. Daarna verandert zijn gelaat en wordt geheel verschillend; het komt dan overeen met de heersende neiging van zijn liefde, die de grondslag van het innerlijk van zijn gemoed was tijdens zijn leven in de wereld, en die zijn geest beheerste terwijl deze in het lichaam was. Want het gelaat van de geest verschilt zeer veel van dat van zijn lichaam, daar het gelaat van het lichaam ontleend is aan zijn ouders, maar het gelaat van de geest is ontleend aan zijn geneigdheid, waarvan het de beeltenis is. De geest ontvangt dit voorkomen na zijn leven in het lichaam, wanneer zijn uiterlijk wordt verwijderd en zijn innerlijk wordt onthuld. Dit is de tweede staat van de mens na de dood. Ik heb sommigen gezien die juist uit de wereld kwamen en die ik herkende aan hun gelaat en aan de toon van hun stem; maar toen ik hen naderhand zag, kende ik hen niet meer. Zij die in goede neigingen waren, hadden schone gezichten, maar zij die in kwade neigingen waren, hadden lelijke gezichten; want de geest van de mens is op zichzelf beschouwd niet anders dan zijn aandoening, waarvan de uiterlijke vorm het gelaat is. Een andere oorzaak van de verandering van het gelaat is, dat het in het andere leven niet mogelijk is om aandoeningen te veinzen die niet gemeend zijn, noch ook een gezicht te vertonen in tegenstelling met zijn liefde. Iedereen, onverschillig wie, moet daar spreken gelijk hij denkt, en in zijn uiterlijk en houding vertonen wat de begeerten zijn van zijn wil. Uit deze oorzaken volgt dat de aangezichten van allen de vormen en beeltenissen worden van hun aandoeningen; vandaar is het, dat allen die elkaar in de wereld kenden, elkaar ook kennen in de geestenwereld, maar niet in de hemel noch in de hel, zoals hierboven werd gezegd (zie nr. 427).

458. De aangezichten van huichelaars worden langzamer veranderd dan die van anderen, doordat zij gewoon waren hun innerlijk het voorkomen te geven van goede neigingen. Zij bleven daarom geruime tijd vrij mooi, maar omdat hun aangenomen voorkomen geleidelijk verdwijnt en het innerlijk van hun gemoed de vorm van zijn genegenheden aanneemt, werden zij naderhand nog lelijker dan anderen. Huichelaars zijn zulke mensen die praten als engelen, maar innerlijk de natuur alleen erkennen en dus niet het Goddelijke en daarom loochenen zij de zaken die tot de hemel en de kerk behoren.

459. Men moet weten dat de menselijke vorm na de dood mooier is naarmate hij meer innerlijk de Goddelijke waarheden heeft liefgehad en daarmee overeenkomstig heeft geleefd; want het innerlijk van ieder mens wordt geopend en ook gevormd overeenkomstig de liefde en dat leven. Hoe meer innerlijk de aandoening is, des te meer is zij gelijkvorming aan de hemel en zoveel te meer bevallig is het gelaat. Hierdoor komt het dat de engelen die de binnenste hemel bewonen, de allermooiste zijn; want zij zijn vormen van hemelse liefde. Zij echter die de Goddelijke waarheden meer uiterlijk hebben liefgehad en dus uitwendig in overeenstemming daarmee hebben geleefd, zijn minder mooi; want alleen uitwendige gevoelens schijnen uit hun gelaat en de innerlijke hemelse liefde glinstert er niet doorheen, dus niet de vorm van de hemel zoals dat innerlijk is. Er is iets betrekkelijk duisters in hun gelaat, niet bezield met de doorschijnende glans van hun innerlijk leven. In n woord, alle volkomenheid vermeerdert als het innerlijk toeneemt en vermindert naar het uiterlijke, en zoals volmaaktheid vermeerdert of vermindert, evenzo gaat het met de schoonheid. Ik heb aangezichten van engelen gezien uit de derde hemel, die zo mooi waren, dat geen schilder met alle hulpmiddelen van zijn kunst aan zijn kleuren een schittering zou kunnen schenken, gelijk aan een duizendste gedeelte van het licht en het leven dat uit hun gelaat blonk. De aangezichten van de engelen van de benedenste hemel zouden misschien enigszins door een schilder kunnen worden gevenaard.

460. Tenslotte zal ik een geheim mededelen dat tot nu toe aan niemand is bekend geweest, namelijk dat al het goede en ware dat uitgaat van de Heer en dat de hemel maakt, in menselijke vorm bestaat; en dit niet alleen in het geheel en in wat het grootste is, maar ook in ieder deel en in het geringste; en dat deze vorm invloed uitoefent op iedereen die het goede en het ware ontvangt van de Heer, en de menselijke vorm mededeelt aan iedere bewoner van de hemel, overeenkomstig de hoogte van zijn vatbaarheid. Hierdoor is het dat de hemel zowel in het algemeen als in het bijzonder gelijk is aan zichzelf en dat de menselijke vorm de vorm is van het geheel, van elk gezelschap en van elke engel, zoals boven werd aangetoond in vier hoofdstukken (zie nr. 59-86). Hieraan kan worden toegevoegd, dat de menselijke vorm ook in de engelen bestaat, in elk deel van de gedachte, die aan de hemelse liefde is ontleend. Maar dit geheim kan moeilijk door enig mens worden begrepen, hoewel het helder door de engelen wordt ingezien, omdat zij in het licht van de hemel zijn.

.

top

DE MENS BLIJFT NA ZIJN DOOD IN HET BEZIT VAN ALLE ZINTUIGEN, VAN GEHEEL ZIJN GEHEUGEN EN VAN AL DE GEDACHTEN EN AANDOENINGEN DIE HIJ HAD IN DE WERELD. HIJ LAAT NIETS ACHTER DAN ZIJN AARDS LICHAAM

461. Wanneer de mens uit de natuurlijke wereld in de geestelijke overgaat, neemt hij alles mee wat tot zijn wezen als mens behoort, uitgezonderd zijn aards lichaam. Dit is mij uit veelvuldige ervaring gebleken. Wanneer hij de geestelijke wereld of het leven na de dood intreedt, is hij in een lichaam zoals in de wereld. Naar alle schijn is er volstrekt geen verschil, want hij kan geen verschil voelen of zien. Maar zijn lichaam is nu van een geestelijke natuur en dus gescheiden of gezuiverd van wat aards is, en daar nu het geestelijke voelt en ziet wat geestelijk is, zo is de uitwerking op de zinnen volmaakt hetzelfde als toen het natuurlijke voelde en zag wat natuurlijk was. Daardoor is het dat, wanneer hij een geest is geworden, hij niet beter weet dan dat hij in het lichaam is, waarin hij in de wereld was; hij is zich derhalve niet bewust dat hij gestorven is. De mens die nu een geest is, is in het genot van alle zinnen, zowel innerlijk als uiterlijk, gelijk in de wereld. Hij ziet als tevoren; hoort en spreekt als tevoren; hij ruikt, voelt en is bij aanraking gevoelig gelijk tevoren; hij verlangt, begeert, wenst, denkt, overweegt, wordt aangedaan, bemint en wil als tevoren, en de mens die lust heeft in studie, leest en schrijft als tevoren. In n woord, de overgang van de mens van het ene leven in het andere of van de ene wereld in de andere is het gaan van de ene plaats naar de andere. Hij neemt mee wat hij als mens in zichzelf bezit. Er kan niet gezegd worden, dat de mens na zijn dood iets dat tot zijn wezen behoort, heeft verloren; alleen zijn aardse lichaam is dood. Hij draagt met zich zijn natuurlijk geheugen, want al wat hij ooit in de wereld hoorde, zag, las, leerde of dacht, van zijn vroegste kindsheid af tot de laatste dag van zijn leven toe blijft hem bij. De natuurlijke voorwerpen even wel, die in zijn geheugen zijn opgenomen, rusten, evenals zij rusten wanneer de mens in de wereld er niet aan denkt, want zij kunnen in de geestelijke wereld niet weer te voorschijn gebracht worden; zij worden echter weer in geheugen teruggeroepen, wanneer de Heer het zo wil. Van het geheugen en de staat ervan na de dood zal het er in hetgeen volgt meer worden gezegd. De zinnelijke mens kan volstrekt niet geloven, dat de staat van de mens na de dood zodanig is, want hij begrijpt niet hoe dit zijn kan, daar de zinnelijke mens niet anders dan op de natuurlijke wijze, ook over geestelijke zaken, kan denken. Wat hij daarom niet gewaar wordt door zijn zinnen, niet ziet met zijn ogen, of voelt met de zinnen van het lichaam, dat bestaat niet voor hem, zoals wij lezen over Thomas in Johannes 20:25, 27, 29. Wat de zinnelijke mens is, kan men zien in nr. 267.

462 a. In weerwil daarvan is er groot verschil tussen het leven van de mens in de geestelijke wereld en zijn leven in de natuurlijke wereld, zowel wat de uiterlijke zinnen en hun aandoeningen aangaat, als de innerlijke zinnen en hun aandoeningen. De bewoners van de hemel hebben een scherpere waarneming, dat wil zeggen zij zien en horen voortreffelijker, en zij denken ook met meer wijsheid dan toen zij in de wereld waren. Want zij zien door het licht van de hemel, dat het licht van de wereld vele malen overtreft (zie nr. 126), zij horen door een geestelijke atmosfeer, die de atmosfeer van de aarde vele malen overtreft (zie nr. 235). De grotere voortreffelijkheid van deze uitwendige zintuigen boven die in deze wereld, is gelijk aan die van een heldere lucht op aarde boven een bewolkte lucht, evenals van het licht op de middag boven de avondschemering; want het licht van de hemel, omdat het de Goddelijke waarheid is, stelt de engelen in staat om de kleinste voorwerpen te ontdekken en te onderscheiden. Ook hun uiterlijk gezicht is in overeenstemming met hun innerlijk gezicht of met hun verstand; want bij de engelen vloeit het ene zien in het andere, zodat zij als n geheel werken; vandaar hebben zij zulk een sterk vermogen om te zien. Op dezelfde wijze staat hun horen in overeenstemming met hun gewaarwording, die zowel tot het verstand als tot de wil behoort, en daardoor ontdekken zij in de toon van de stem en in de woorden die iemand spreekt, de geringste bijzonderheden van zijn genegenheden en gedachten; in de toon ontdekken zij alles wat in verband staat met de genegenheden, en in de woorden alles wat betrekking heeft op zijn gedachten (zie nr. 234-245). De andere zinnen van de engelen zijn echter niet zo voortreffelijk als die van het gezicht en het gehoor, omdat deze aan hun kennis en wijsheid dienstbaar zijn en de andere niet. Als de andere zinnen even voortreffelijk waren als die van het gezicht en gehoor, dan zouden zij het licht en de blijdschap van hun wijsheid wegnemen, en daarvoor in de plaats de blijdschap stellen over het genoegen dat aan de verschillende lusten en aan het lichaam is verbonden en die het verstand verduisteren en verzwakken in zoverre zij heersen; zoals dit het geval is met de mensen in de wereld die dof en stom zijn voor geestelijke waarheden naarmate zij zich overgeven aan het genoegen van de smaak of aan de aanlokkelijkheden van het gevoel dat het lichaam streelt. Dat de innerlijke zintuigen van de engelen, dat is die van hun gedachte en aandoening, voortreffelijk en meer volkomen zijn dan zij waren in de wereld, is duidelijk uit hetgeen gezegd en aangetoond werd in het hoofdstuk over de wijsheid van de engelen van de hemel (zie nr. 265-275). Het verschil tussen de staat van de bewoners van de hel en hun vroegere staat in de wereld is eveneens zeer groot; want is bij engelen van de hemel de hoge volkomenheid en voortreffelijkheid van de uiterlijke en innerlijke zinnen groot, zo groot is ook de onvolkomenheid bij de bewoners van de hel. Deze staat zal echter in een ander deel worden beschreven.

462 b. Dat de mens zijn gehele geheugen uit de wereld meeneemt, is mij door vele bewijzen aangetoond. Talloze vermeldenswaardige zaken heb ik gezien en gehoord; enige zal ik er meedelen. Sommigen ontkenden de misdaden en ongeregeldheden die zij in de wereld hadden begaan. Opdat zij nu niet voor onschuldig zouden gehouden worden, werden hun daden opengelegd en in volgorde door hun eigen geheugen voorgedragen van het begin tot het einde van hun leven. Zij bestonden meestal in overspel en hoererij. Sommigen hadden op slechte wijze anderen bedrogen en bestolen; hun streken en dieverijen werden ook in hun opeenvolging opgenoemd, waarvan de meeste nauwelijks bij iemand anders in de wereld bekend waren buiten henzelf. Zij erkenden ze ook allen, omdat zij als in helder daglicht werden openbaar gemaakt, met al de gedachten, voornemens, vermaken en angsten, die in hun hart bij die gelegenheden kwamen. Sommigen hadden zich laten omkopen en handel gedreven met hun rechterlijk ambt, deze werden op dezelfde wijze in hun geheugen onderzocht en daaruit weer teruggeroepen, vanaf de eerste dag dat zij hun ambt bekleedden tot de laatste dag toe. Alle bijzonderheden verschenen, zowel de aard van de omkoping, het tijdstip en de toestand van hun gemoed en het voornemen van het ogenblik. Alles snelde weer tezamen en werd opengelegd voor hun gezicht, van dat ogenblik tot een getal van enige honderden. Soms werden, zeer wonderbaar, ook hun dagboeken, waarin zij de bijzonderheden hadden opgetekend, geopend en bladzijde voor bladzijde hun voorgelezen. Sommigen, die maagden verleid hadden tot schande of die de kuisheid hadden aangerand, werden tot eenzelfde oordeel geleid en de omstandigheden werden voor hun geheugen teruggeroepen en herhaald; zelfs de aangezichten van de maagden en vrouwen werden voorgesteld alsof zij tegenwoordig waren, verenigd met de plaatsen en woorden die tussen hen gewisseld waren, met de staat van hun gemoed, alles zo onverwachts, alsof het een verschijning was, welke uitbeeldende dingen soms verscheidene uren duurden. Er was een zekere geest die het als niets had aangemerkt om over anderen te lasteren en ik hoorde zijn lasteringen en onteringen met dezelfde woorden als hij gebezigd had, in volgorde herhalen; de personen over wie hij gelasterd had en degenen tegen wie hij ze had gesproken, werden allen voorgebracht, geheel naar het leven, en toch had hij bij iedere gelegenheid zijn handeling zorgvuldig bedekt toen hij in de wereld leefde. Een zeker iemand had door een bedrieglijk voorwendsel zijn bloedverwant van zijn erfenis ontroofd; hij werd op eenzelfde wijze overtuigd en geoordeeld, en wat nog wonderlijker is, de brieven en papieren die tussen hen waren gewisseld, werden voor mijn oren voorgelezen, en er werd gezegd dat er geen woord aan ontbrak. Dezelfde persoon had, kort vr zijn dood, zijn buurman heimelijk door vergif van het leven beroofd. Dit werd op de volgende wijze aan het licht gebracht. Hij scheen onder zijn voeten een gat te graven in de grond en toen het gegraven was, kwam er een man uit voort, als uit een graf. Deze riep hem toe: 'Wat hebt gij mij aangedaan?' Al de bijzonderheden kwamen toen aan het licht; hoe de gifmenger met hem op een vriendschappelijke wijze had gesproken en hem toen de beker had toegereikt; wat hij van tevoren had gedacht en wat er later voorviel. Nadat alles aan het licht gebracht was, werd hij veroordeeld tot de hel. In n woord, alle misdadige praktijken, de boze daden, de roverijen, de bedriegerijen, de kunstgrepen, waaraan de kwade geesten zich in de wereld hadden schuldig gemaakt, werden voor hen opengelegd, door hun eigen geheugen teruggeroepen, en aldus werden zij overtuigd. Voor ontkennen is er geen gelegenheid, want alle omstandigheden verschijnen er bij elkander. Er werd een zekere geest onderzocht en ondervraagd door de engelen; ik hoorde toen, uit zijn geheugen, alle bijzonderheden waarover hij in de loop van een maand, dag aan dag had gedacht, herhalen, zonder de minste fout; al de bijzonderheden werden teruggeroepen, juist zoals hij daarin was bezig geweest in die dagen. Uit deze voorbeelden mag duidelijk blijken dat de mens zijn gehele geheugen met zich meeneemt in de andere wereld, en dat er niets zo geheim is in deze wereld, dat niet openbaar wordt gemaakt na de dood, en wel in het bijzijn van vele getuigen, gelijk ook de Heer heeft gesproken in Lucas 12:2, 3: Er is niets bedekt dat niet zal ontdekt worden, en niets verborgen dat niet zal geweten worden. Daarom, al wat gij in de duisternis gezegd hebt, zal in het licht gehoord worden; en wat gij in het oor gesproken hebt, in de binnenkamers, zal op de daken gepredikt worden.

463. Wanneer de daden van een mens na de dood voor hem worden opengelegd, zien de engelen aan wie de taak van het onderzoek is opgedragen, hen in het gelaat. Het onderzoek loopt over het gehele lichaam, vangt aan met de vingers van beide handen en zet zich vandaar over het hele lichaam voort. Daar ik mij verwonderde waarom dit was, werd het mij gezegd. Alle bijzonderheden van de gedachten en de wil van mensen hebben indrukken nagelaten, of zijn ingeschreven in de hersenen; want daarin bestaan zij in hun allereerste beginselen. Vervolgens worden zij ingeschreven in zijn gehele lichaam, omdat alles, wat tot de gedachte en de wil behoort, van hun eerste beginselen op het lichaam overgaat en daar eindigt, omdat dit het laatste is. Dit is de oorzaak, dat wat dan ook uit de wil van de mens en ook uit zijn daaruit voortkomende gedachte in zijn geheugen is ingeschreven, niet alleen ingeschreven is in de hersenen, maar ook over de gehele mens, en aldaar aanwezig blijft in een orde, die overeenkomt met de orde in de delen van het lichaam. Hierdoor werd het duidelijk, dat mens zodanig is in zijn geheel, als hij is in zijn wil en zijn daaruit voortgaande gedachten; zelfs zo volledig dat een slecht mens zijn eigen kwaad, en een goed mens zijn eigen goed is. Hieruit mag ook duidelijk worden wat men verstaan moet onder het boek des levens van een mens, waarvan in het Woord gesproken wordt, namelijk dat alles, zowel zijn handelingen als zijn gedachten, ingeschreven zijn over de gehele mens, en dat het voorkomt, alsof het werd voorgelezen uit een boek, wanneer zij opgeroepen worden door zijn geheugen, en als in beeltenis worden gezien, zodra de geest onderzocht wordt in het licht van de hemel. Aan hetgeen hier gezegd is, zal ik nog een gedenkwaardigheid over het geheugen van de mens na de dood toevoegen, waardoor ik verzekerd werd dat niet alleen algemene zaken, maar ook de kleinste bijzonderheden die in het geheugen van een mens zijn ingegaan, ook na de dood aanwezig blijven en nimmer uitgewist worden. Ik zag enige boeken met geschreven schrift, zoals zij in de wereld bestaan; en mij werd gezegd dat zij uit het geheugen van de schrijvers waren opgeschreven en dat er geen enkel woord ontbrak aan hetgeen door hen in de boeken in de wereld was geschreven; en dat op deze wijze de allergeringste bijzonderheden die in iemands geheugen waren, weer konden worden teruggeroepen, zelfs zulke, die hij in de wereld had vergeten. De reden werd ook verklaard: namelijk, dat de mens een uitwendig geheugen en een innerlijk geheugen heeft. Het uiterlijk geheugen is dat van zijn natuurlijke mens, en het innerlijk geheugen is dat van de geestelijke mens; en dat elke bijzonderheid die iemand gedacht, gewild, gesproken en gedaan heeft, ja zelfs wat hij heeft gehoord en gezien, is ingeschreven in zijn innerlijk of geestelijk geheugen. Wat daarin is geschreven wordt nimmer uitgewist, omdat het gelijktijdig is ingeschreven in de geest zelf en in de leden van zijn lichaam, zoals bovenvermeld; langs deze weg verkrijgt de geest een vorm overeenkomstig de gedachten en de handelingen van zijn wil. Ik weet wel dat deze dingen als ongerijmdheden zullen voorkomen en daarom moeilijk geloof zullen vinden; maar ze zijn niettemin waar. Dat daarom niemand zal denken dat er iets is wat hij in zijn hart heeft bedacht, of gedaan heeft in het geheim, dat verborgen kan blijven na de dood; maar dat hij zich verzekerd weet dat alles en elk voornemen dan openbaar zal worden als op klaarlichte dag.

464. Hoewel de mens na de dood zijn uiterlijk of natuurlijk geheugen behoudt, worden toch de uitsluitend natuurlijke zaken die het heeft opgenomen in het andere leven niet teruggeroepen, maar in plaats daarvan de geestelijke zaken die aan de natuurlijke zaken door overeenstemming waren verbonden, die evenwel als zij verschijnen, in geheel dezelfde vorm zijn als in de natuurlijke wereld; want alle voorwerpen die in de hemelen verschijnen, vertonen geheel en al dezelfde vorm als in de wereld, ofschoon zij naar hun wezen niet natuurlijk zijn, maar geestelijk, zoals dit werd aangetoond in het hoofdstuk over de uitbeeldende dingen en schijnbaarheden in de hemel (zie nr. 170-176). Het uiterlijk of natuurlijk geheugen, in zoverre het dingen daarin betreft iets gemeen hebben met het stoffelijke, met tijd en ruimte en met al het overige dat aan de natuur eigen is, verleent aan de geest niet dezelfde dienst als in de wereld, omdat de mens in de wereld, wanneer hij door middel van zijn uiterlijke zintuigen en niet tegelijk door zijn innerlijke zintuigen verstandelijk denkt, natuurlijk en niet geestelijk denkt. In het andere leven echter, waar hij een geest is in een geestelijke wereld, denkt hij geestelijk en niet natuurlijk. Geestelijk denken is verstandig of redelijk denken. Daarom is het dat het uiterlijk of natuurlijk geheugen dan ten opzichte van zijn stoffelijke inhoud rust en dat alleen datgene in gebruik komt, wat door het denkvermogen is opgenomen en als met een redelijk karakter is bedeeld. De oorzaak waarom het uiterlijk geheugen ten opzichte van geheel natuurlijke zaken rust, is omdat zulke zaken niet teruggeroepen kunnen worden; want de geesten en engelen spreken uit de aandoeningen van hun gemoed en uit de gedachten die daaruit voortvloeien; zij kunnen dus niets uiten, wat daarmee niet overeenkomt, zoals blijken kan uit hetgeen gezegd is over de taal van de engelen in de hemel en hun spreken met de mens (zie nr. 234-257). Daardoor komt het dat naarmate de mens in de wereld door middel van een bekendheid met talen en wetenschappen redelijk geworden is, hij in die mate redelijk is na de dood; niet echter naar de mate van de blote uitbreiding van zijn bekendheid met talen en wetenschappen. Ik sprak met velen die in de wereld voor geleerden golden door hun kennis van de oude talen, zoals Hebreeuws, Grieks en Latijn, maar die hun rede niet hadden ontwikkeld door de boeken die in deze talen waren geschreven. Sommigen van hen waren even onontwikkeld als wanneer zij met die talen niet waren bekend geweest; anderen waren zelfs geheel en al stom, hoewel zij een verbeelding bezaten alsof zij wijzer waren dan anderen. Ik sprak met sommigen die zich tijdens hun leven in de wereld voorstelden dat de wijsheid afhing van de opvulling van hun geheugen en die daarom hun geheugen hadden opgevuld met een grote massa zaken en bijna alleen daarover spraken, dus niet uit zichzelf, maar uit anderen, zonder hun rede verbeterd te hebben door hetgeen hun geheugen bevatte. Enigen van hen waren geheel stom; anderen waren idioten of dwazen die volstrekt geen waarheid konden beoordelen, en zien of het waarheid was of niet en die alle dwalingen omhelsden die door hen die zich geleerd noemden, voor waar werden uitgegeven, want zij waren niet in staat om voor zichzelf te zien wat waarheid is of niet; zij kunnen derhalve niets van wat zij van anderen vernemen, met verstand beoordelen. Ook heb ik gesproken met sommigen die in de wereld veel over verschillende wetenschappelijke onderwerpen hadden geschreven en daarom bij de wereld als geleerden naam hadden gemaakt. Sommigen van deze konden werkelijk over waarheden redeneren en een twistgesprek voeren, of iets zo was of niet. Als enigen van hen in aanraking kwamen met hen die zich in het licht van de waarheid verheugden, konden zij wel begrijpen wat waarheid was, maar zij wilden haar niet verstaan; wanneer zij dan ieder in hun eigen leugen terugzonken, en daardoor in zichzelf, ontkenden zij ze weer. Anderen waren even onwetend als het ongeletterde publiek. Zij verschillen dus van elkaar naarmate zij door de wetenschappelijke werken die zij hadden geschreven of nageschreven, hun redelijke aanleg hadden ontwikkeld. Zij echter die zich tegen de waarheden van de kerk hadden gekeerd en hun gedachten hadden beziggehouden met uitsluitend wetenschappelijke zaken en die zich daardoor hadden bevestigd in de leugen, hadden niet een beschaafde, redelijke aanleg, maar alleen de kunst om te redeneren. De wereld noemt die kunst de rede, maar zij is een bekwaamheid die met de rede niets gemeens heeft; want zij is een kunst om alles waarin de mens behagen schept, als waarheid te verdedigen, en om uit aangenomen beginselen en leugen de leugen als waarheid aan te zien, maar de waarheid zelf niet te kennen. Zulke mensen kunnen nooit tot de kennis van de waarheid komen, omdat de waarheid niet door de leugen kan gezien worden, maar de leugen wel door het ware kan worden gezien. De redelijke aanleg van een mens is gelijk aan een tuin of aan een bloembed, of gelijk bouwland; het geheugen is de grond, wetenschappelijke waarheden en kennis zijn de zaden, het licht en de warmte brengen groeikracht, zonder deze geen groei. Zo kan er, wanneer het licht van de hemel, dat de Goddelijke waarheid is, en de warmte van de hemel, die de Goddelijke liefde tot het gemoed is, niet worden toegelaten, geen groeikracht aanwezig zijn; want alleen daardoor heeft de rede haar bestaan. De engelen bedroeven zich zeer dat zo vele geleerden alles aan de natuur toeschrijven en daardoor het innerlijk van hun gemoed hebben gesloten, zodat zij niets van de waarheid kunnen zien door het licht van de waarheid, dat is door het licht van de hemel. In het andere leven worden zij daarom beroofd van het vermogen om te redeneren, opdat zij door hun redenering geen leugen onder de eenvoudige goeden zouden uitstrooien en hen zo zouden verleiden. Zij zelf worden naar een woeste plaats verbannen.

465. Een zekere geest was boos omdat hij zich vele dingen niet kon herinneren waarmee hij bekend was in het leven van het lichaam; hij was bedroefd over het genoegen dat hij had verloren en dat hem zozeer had verblijd. Er werd hem gezegd dat hij niets had verloren, maar nog bekend was met al wat hij ooit kende, zelfs tot in de kleinste bijzonderheid; maar dat het hem in de wereld waarin hij nu was, niet was geoorloofd om die zaken terug te roepen en dat hij tevreden behoorde te zijn, omdat hij nu veel beter en meer juist kon denken en spreken dan tevoren zonder zijn rede, gelijk hij gewoon was, onder te dompelen in plompe, duistere, stoffelijke en lichamelijke dingen, die geen nut hadden in het koninkrijk waarin hij nu was ingetreden. Er werd hem ook gezegd dat zij nu in het bezit waren van alles wat het eeuwige leven kon bevorderen, en dat hij zo en niet anders zalig en gelukkig kon worden; dat het derhalve onwetendheid was om zich te verbeelden dat in het koninkrijk waarin hij nu was, het verstandige verloren was gegaan tegelijk met de verwijdering en rust van de stoffelijke inhoud van het geheugen. Terwijl toch de werkelijkheid is, dat naarmate het gemoed vatbaar is om onttrokken te worden aan de zinnelijke zaken, die tot de uiterlijke mens of tot het lichaam behoren, het naar die mate verheven wordt tot geestelijke en hemelse zaken.

466. De aard van dit tweerlei geheugen wordt in het andere leven soms duidelijk gemaakt voor het gezicht in zodanige vormen als alleen daar kunnen gezien worden; want vele dingen worden daar tot voorwerpen van het gezicht gemaakt, die onder de mensen alleen als idee kunnen bestaan. Het uiterlijk geheugen is daar voorgesteld aan het gezicht als een dikke huid en het innerlijk geheugen gelijk een mergachtige zelfstandigheid, zoals de menselijke hersenen en hieruit wordt de kennis ontleend van hun karakter. Bij hen die in het leven van het lichaam alleen gewerkt_hadden om hun geheugen op te vullen en hun rede niet hadden ontwikkeld, was het dikhuidige hard en innerlijk als met pezen doorweven. Bij hen die hun geheugen met onwaarheden hadden gevuld, was het harig en ruw als gevolg van de ongeregelde ophoping van dingen. Bij hen die hadden gewerkt om hun geheugen te verrijken uit eigenliefde en liefde tot de wereld, schijnt het samen gelijmd en beenachtig te zijn. Bij hen die wensten door te dringen in Goddelijke geheimen door middel van de wetenschap, in het bijzonder door de wijsbegeerte, en die niet wilden geloven, tenzij zij langs die weg overtuigd werden, was het geheugen duister en van dien aard dat het de stralen van het licht opslorpte en in duisternis verkeerde. Bij hen die met bedrog en huichelarij hadden omgegaan, vertoonde het geheugen zich als hard been, gelijk ebbenhout dat de stralen van het licht terugkaatst. Bij hen echter die gegrond waren in het goede van de liefde en in de waarheden van het geloof, verscheen zulk een dikke huid niet, omdat hun innerlijk geheugen de stralen van het licht doorlaat tot hun uiterlijk geheugen en tot de voorwerpen of ideen daarvan als tot hun grond of basis, waar de stralen eindigen en bereidwillige ontvangers vinden. Het uiterlijk geheugen is het laatste in de orde, waarin geestelijke en hemelse zaken zacht ten einde lopen, daarin wonen ze indien aldaar het goede en ware zich bevindt.

467. Zij die gegrond zijn in liefde tot God en de naaste hebben gedurende hun leven in de wereld engeleninzicht en wijsheid bij zich en in zich, echter verborgen in het binnenste van hun innerlijk geheugen. Dit inzicht en deze wijsheid worden nimmer aan henzelf openbaar, totdat zij het lichamelijke hebben afgelegd; hun natuurlijk geheugen slaapt dan in en zij ontwaken in hun innerlijk geheugen en tenslotte langzamerhand in zodanig geheugen als de engelen bezitten.

468. Hoe de redelijke aanleg kan ontwikkeld worden, zal ook kort worden verklaard. De echte rede bestaat uit waarheden en niet uit onwaarheden; dat wat door de leugen bestaat, is de rede niet. De waarheden zijn drierlei: burgerlijke, zedelijke en geestelijke waarheden. Burgerlijke waarheden hebben betrekking op zaken van de wet en de vorm van bestuur in de staat; in het algemeen op alles wat tot recht en billijkheid behoort. Zedelijke waarheden hebben betrekking op zaken die tot het leven van ieder behoren ten aanzien van de maatschappij en zijn betrekkingen tot anderen; in het algemeen op zuiverheid en oprechtheid en wel bijzonder op allerlei deugden. Maar geestelijke waarheden hebben betrekking op zaken die tot de hemel en de kerk behoren; in het algemeen op het goede, dat het voorwerp is van de liefde, en op de waarheid, die het voorwerp is van het geloof. In ieder mens zijn drie graden van het leven. (zie nr. 267). De rede wordt door middel van de burgerlijke waarheden geopend tot de eerste graad; door zedelijke waarheden tot de tweede en door geestelijke waarheden tot de derde graad. Maar er moet bij in aanmerking worden genomen dat de rede niet wordt gevormd en geopend enkel door bekend te zijn met deze waarheden, maar door daarmee overeenkomstig te leven. Met daarmee overeenkomstig leven wordt bedoeld ze liefhebben vanuit een geestelijk gevoel, terwijl met liefhebben vanuit een geestelijk gevoel wordt bedoeld dat men recht en billijkheid liefheeft omdat het recht en billijk is, zuiverheid en oprechtheid omdat het zuiver en oprecht is, en wat goed en waar is liefhebben omdat het goed is en waar. Daarentegen is het leven in overeenkomst daarmee en ze liefhebben uit lichamelijke gevoelens, een liefhebben uit eigenbelang, om naam, eer of winst. In zoverre iemand deze waarheden dus liefheeft uit lichamelijke gevoelens, wordt hij niet redelijk; want het zijn dan niet de waarheden die hij liefheeft, maar zichzelf, aan wie hij ze dienstbaar maakt als dienstknechten aan hun meesters. Wanneer nu waarheden gebruikt worden enkel als dienstknechten, gaan zij niet in tot de mens en openen ze geen enkele graad van zijn leven, niet eens de eerste, maar zij zetelen slechts in zijn geheugen, als zaken van uiterlijke kennis onder een stoffelijke vorm, waar zij zich verenigen met de eigenliefde, die een lichamelijke liefde is. Hieruit mag blijken hoe de mens redelijk wordt: dat hij redelijk wordt gemaakt tot de derde graad door de geestelijke liefde voor het goede en het ware, die tot de hemel en kerk behoren; tot de tweede graad door de liefde tot zuiverheid en oprechtheid, en tot de eerste graad door de liefde tot recht en billijkheid. De twee laatste worden ook geestelijk door de geestelijke liefde tot het goede en het ware; want deze vloeit tot hen in, verenigt zich dan met hen en vormt in hen als het ware haar eigen gelaatstrekken.

469. De geesten en engelen hebben een geheugen, evenals de mensen. Wat zij horen, zien, denken, willen of doen blijft bij hen en hun rede wordt verder door middel daarvan ontwikkeld, welke ontwikkeling eeuwig voortduurt. Zo komt het dat de geesten en engelen in verstand en wijsheid toenemen door de kennis van het ware en het goede, evenals de mens. Dat de geesten en engelen een geheugen hebben, is mij eveneens door vele ervaringen vergund te weten. Ik heb gezien dat als zij in gezelschap met andere geesten waren, alles wat zij hadden gedacht of gedaan, hetzij in het openbaar hetzij in het verborgene, uit hun geheugen werd teruggeroepen. Ik heb ook gezien dat zij die in enige graad van waarheid waren, uit het eenvoudig goede met kundigheden werden bedeeld en daardoor met verstand en dat zij daarna werden opgenomen in de hemel. Maar men moet weten dat zij niet met kundigheden en door deze met verstand worden bedeeld verder dan de graad van genegenheid voor goed en waar, waarin zij in de wereld waren. Want in iedere geest en engel blijft de genegenheid, zowel naar de mate als naar de aard die hij bezat in de wereld. Later wordt die meer volkomen gemaakt door bij- of toevoeging, en dit loopt tot in eeuwigheid voort; want er is niets dat niet eeuwig kan vermeerderd worden, daar alles vatbaar is voor een oneindige verscheidenheid, derhalve ook om rijker te worden en dus ook om vermenigvuldigd en vruchtbaar te worden door verschillende middelen. Aan niets wat goed is, kan een einde zijn, omdat het voortvloeit uit de Oneindige. Dat geesten en engelen aanhoudend meer volmaakt worden in verstand en wijsheid door kundigheden van het ware en goede, kan men hiervoor zien in de hoofdstukken over de wijsheid van de engelen in de hemel (zie nr. 265-275); over de volkeren en natin uit de kerk in de hemel, zie nr. 318-328 en over kleine kinderen in de hemel, zie nr. 329-345. En dat dit zover gaat als de graad van genegenheid voor goed en waar die ze in de wereld hadden en niet verder, zie men in nr. 349.

.

top

DE MENS IS NA DE DOOD EVENALS ZIJN LEVEN WAS IN DE WERELD

470. Dat het eigen leven van iedereen na de dood bij hem blijft, weet ieder Christen door het Woord; want daarin wordt op zoveel plaatsen verklaard dat de mens zal geoordeeld worden en hem zal vergolden worden overeenkomstig zijn daden en zijn werken. Iedereen die onder de invloed van het goede en van de werkelijke waarheid denkt, heeft ook geen ander denkbeeld dan dat hij die goed leeft naar de hemel gaat, en dat hij die kwaad leeft naar de hel gaat. Zij echter die in het kwade zijn, willen niet geloven dat hun staat na de dood in overeenkomst zal zijn met hun leven in de wereld; maar zij denken, vooral op hun ziekbed, dat de hemel geopend is voor iedereen door de vrije genade van de Heer; hun leven mag dan geweest zijn zo het wil, en zulks in overeenstemming met hun geloof dat door hen wordt afgescheiden van het leven.

471. Dat de mens geoordeeld zal worden naar zijn daden en naar zijn werken en hem zal vergolden worden, wordt in het Woord op vele plaatsen verklaard. Enige ervan zal ik aanvoeren. Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met Zijne engelen, en dan zal hij ieder vergelden naar zijn daden. (Matthes 16:27) Zalig zijn de doden die in de Heer sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen. (Apocalyps 14: 13) En ik zal u lieden geven een ieder naar uw werken. (2:23) En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken. En de zee gaf de doden die in haar waren; en de dood en de onderwereld gaven de doden die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn werken. (20:12, 13, 15) En zie, ik kom spoedig; en mijn loon is met mij; om een ieder te vergelden gelijk zijn werk zal zijn. (22: 12) Een ieder dan die mijn woorden hoort en deze doet, die zal ik vergelijken bij een voorzichtig man. En een ieder die mijn woorden hoort, en ze niet doet, die zal met een dwaas man vergeleken worden. (Matthes, 7:24, 26) Niet een ieder die tot mij zegt: Heer, Heer! zal ingaan in het koninkrijk der hemelen, maar die doet de wil van mijn Vader, die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot mij zeggen: Heer, Heer! hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, en in uw naam duivelen uitgeworpen, en in uw naam vele krachten gedaan? En dan zal ik hen openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend,' gaat weg van mij, gij die de ongerechtigheid werkt. (Matthes, 7:22, 23) Dan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben in uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en gij hebt in onze straten geleerd En hij zal zeggen: Ik zeg u, ik ken u niet, van waar gij zijt: wijkt van mij af alle gij werkers der ongerechtigheid (Lucas 13:25, 27) Alzo zal ik hen vergelden naar hun doen, en naar het werk van hun handen. (Jeremia 25: 14) Jehovas ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om een ieder te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht van zijn handelingen. (Jeremia 32: 19) En ik zal zijn wegen over hem bezoeken en zijn handelingen hem vergelden. (Hosea 4:9) Gelijk Jehovah gedacht heeft ons te doen, naar onze wegen en naar onze handelingen, alzo heeft hij met ons gedaan. (Zacharia 1 :6) Waar de Heer het laatste oordeel voorzegt, spreekt Hij alleen van de werken, en verklaart dat zij, die het goede hebben gedaan, in zullen gaan in het eeuwige leven, en die welke het kwade hebben gedaan, in zullen gaan in de vervloeking. (Matthes 25:32-46); en in vele andere plaatsen, waar van de zaligheid en veroordeling van de mensen gesproken wordt. Dat de werken en daden het uitwendig leven van de mensen voorstellen en dat daardoor de aard van zijn innerlijk leven uitkomt, is duidelijk.

472. Onder daden en werken zijn echter niet bedoeld de blote daden en werken, zoals zij zich alleen in hun uiterlijke vorm vertonen, maar ook zoals zij innerlijk zijn. Iedereen weet dat elke daad of elk werk voortvloeit uit de wil en de gedachte van de bewerker; want als zij daaruit niet voortgingen zouden zij slechts bewegingen zijn als van automatische werktuigen en beelden. Een daad of een werk dus, op zich zelf beschouwd, is niets anders dan een blote werking, die zijn ziel en zijn leven van het willen en denken verkrijgt, zozeer dat zij de wil en de gedachte in uiterlijke werking en dus in uitwendige gestalte is. Hieruit volgt dus, dat gelijk de wil en de gedachte zijn die de daad of het werk voortbrengen, zo ook de daad en het werk zelf zijn; dat indien de gedachte en de wil goed zijn, de daden of werken goed zijn, maar indien de gedachte en wil kwaad zijn, de daden en werken kwaad zijn, terwijl zij voor het uiterlijke ook hetzelfde schijnen. Laten duizenden mensen op gelijke wijze handelen en wel zo gelijk, dat naar het uiterlijk nauwelijks de ene handeling van de andere te onderscheiden is, zo zullen toch, in zichzelf beschouwd, allen van elkaar verschillen, omdat zij voortvloeien uit ongelijke wil. Bijvoorbeeld het zuiver en recht met zijn naaste handelen. De een zal dit doen om een oprecht en rechtvaardig man te schijnen ter wille van zichzelf en zijn eigen eer. Een ander zal hetzelfde doen ter wille van de wereld en om winst. Een ander omdat het hem vergolden en als verdienste zal worden toegerekend. Een vierde uit oorzaak van vriendschap. Een vijfde uit vrees voor de wet of voor verlies van zijn goede naam of ambt. Een zesde om een ander tot zijn zijde over te halen, hoewel zijn doel verkeerd is. Een zevende om te bedriegen. Anderen doen het weer om andere redenen. De daden van al deze mensen, hoewel goed naar het uiterlijke, want oprecht en rechtvaardig zijn naaste behandelen is toch goed, zijn niettemin kwaad. Want zij zijn niet gedaan ter wille van oprechtheid en rechtvaardigheid, noch omdat de bewerkers deze deugden liefhebben, maar uit liefde tot zichzelf en tot de wereld; die zijn het die de bewerkers liefhebben; en deze liefhebben is oprechtheid en recht dienstbaar maken gelijk knechten aan hun meester, die de meester veracht en wegzendt wanneer zij hem niet langer dienstbaar zijn. Deze handelen dus oprecht en recht met de naaste op een wijze die wat het uiterlijke betreft hetzelfde voorkomen heeft als van zulke, die het doen uit liefde tot zuiverheid en recht. Van deze laatsten handelen sommigen uit de waarheid van het geloof, of uit gehoorzaamheid, omdat het zo bevolen is in het Woord. Sommigen handelen uit het goede van het geloof, of uit het geweten door een godsdienstig beginsel. Sommigen handelen uit ware liefde tot de naaste, omdat diens welzijn behoort in acht genomen te worden; anderen uit het goede van de liefde tot de Heer, omdat het goede behoort gedaan te worden ter wille van het goede en derhalve oprechtheid en recht ter wille van oprechtheid en recht, dat zij liefhebben omdat die van de Heer komen, en omdat de Goddelijke sfeer, die uitgaat van de Heer, daarin is, en vandaar in haar wezen beschouwd, Goddelijk is. De daden of werken van al deze laatsten zijn innerlijk goed en daarom ook uiterlijk goed; want wals boven is opgemerkt, daden en werken zijn juist van dien aard als de gedachte en wil vanwaar zij uitgaan, en zonder deze zijn geen daden of werken, maar alleen zielloze bewegingen. Uit dit alles moge duidelijk blijken, wat in het Woord onder daden en werken is verstaan.

473. Omdat daden en werken de voortbrengselen zijn van de wil en de gedachte, zo zijn zij ook de voortbrengselen van liefde en geloof, en zij zijn derhalve van een aard als de liefde en het geloof zijn; want of men spreekt van de liefde of van de wil van de mens, dat is hetzelfde; ook of men spreekt van zijn geloof of van zijn welberaden gedachten; want wat de mens liefheeft, dat wil hij ook en wat hij gelooft, dat denkt hij ook. Indien iemand liefheeft wat hij gelooft, dan wil hij het ook en voor zover hij in staat is, doet hij het. Iedereen nu weet dat liefde en geloof in de wil en de gedachten van de mensen zetelen, en niet daar buiten bestaan; want de wil is wat wordt aangewakkerd door de liefde, en de gedachte is wat verlicht wordt in zaken van het geloof. Om deze reden worden alleen zij die in staat zijn om wijs te denken, verlicht, en naar de mate van die verlichting bedenken en willen zij het ware, of wat hetzelfde is, geloven zij de waarheid en hebben haar lief.

474. Men moet echter weten dat het de wil is die de mens vormt, en de gedachte alleen in zoverre zij voortvloeit uit de wil; en de daden of werken vloeien uit beiden voort. Of wat hetzelfde is, dat de liefde de mens vormt, en het geloof alleen in zoverre het voortvloeit uit de liefde; en de daden vloeien uit beide voort. Hieruit volgt dat de wil of de liefde de mens zelf is; want alles wat voortvloeit, behoort tot dat waaruit het voortvloeit. Voortvloeien is te worden voortgebracht en voorgesteld in een geschikte vorm, zodat het waargenomen en gezien worden kan. Uit deze dingen mag duidelijk gezien worden, wat het geloof is dat afgescheiden is van de liefde. Het is namelijk volstrekt geen geloof, maar alleen een zaak van kennis, die in zich geen geestelijk leven bezit; evenzo wat een daad of een werk is zonder liefde; dat zij geen daad of werk van het leven is, maar een daad of werk van de dood, die het voorkomen heeft van leven door de liefde tot het kwaad en een geloof in de leugen. Deze schijn van leven wordt de geestelijke dood genoemd.

475. Verder moet worden opgemerkt dat de gehele mens in de daden of werken te voorschijn komt en dat zijn wil en gedachten, of zijn liefde en geloof, die zijn innerlijk vormen, niet volmaakt zijn totdat zij in daden of werken bestaan die zijn uiterlijk uitmaken. Want daden of werken zijn de uitersten, waarin de wil en gedachten eindigen en zonder welke zij zijn als onvolledige dingen, die nog niet bestaan en dus niet in de mens zijn. Denken en willen zonder te handelen wanneer er gelegenheid is, zijn gelijk aan een ontvlamd iets dat opgesloten wordt in een pot, en uitgedoofd wordt; of gelijk zaden die in het zand zijn geworpen en niet ontkiemen, maar ondanks hun vruchtbaarheid vergaan. Wanneer echter denken en willen overgaan tot handelen, zijn zij gelijk aan een vlammend voorwerp, dat hitte en licht rondom zich verspreidt, of gelijk aan zaad in de grond dat opgroeit tot een boom of bloem en een bestaan verkrijgt. Iedereen weet dat iets willen en niet doen als er de gelegenheid bestaat, in werkelijkheid niet gewild is, en dat het goede liefhebben en niet doen indien de middelen er voor bestaan, in werkelijkheid is het goede niet liefhebben; dus dat het alleen een mening was die hij wil en liefheeft, en dus alleen gedacht is afgescheiden van wil of liefde en spoedig verdwijnt en tot niets komt. Liefde en wil zijn de eigenlijke ziel van daden en werken, en deze vormt zichzelf een lichaam in de zuivere en juiste daden die de mens doet. Het geestelijk lichaam of het lichaam van de geest van de mens heeft geen andere oorsprong, dat wil zeggen, het is door niets anders gevormd dan door dat wat de mens doet met zijn liefde of zijn wil (zie nr. 463). In n woord, al wat tot een mens en zijn geest behoort, is opgesloten in zijn daden of werken.

476. Uit deze dingen mag nu met klaarheid blijken wat verstaan wordt onder het leven van een mens, dat hem bijblijft na de dood; dat het namelijk zijn liefde en zijn geloof zijn, niet alleen als bestaande in aanleg (potentieel) maar als bestaande in de daad; derhalve dat dit leven bestaat in zijn daden of werken, want deze bevatten in zich alles wat tot de liefde en het geloof van de mens behoort.

477. Wat de mens bijblijft na zijn dood, is zijn heersende liefde; deze wordt na de dood in eeuwigheid niet veranderd. Ieder mens is onderworpen aan velerlei neigingen; maar alle staan in betrekking tot zijn heersende liefde en maken er n geheel mee uit, ofwel stellen haar, alle verenigd, tezamen. Alles in de wil wat overeenstemt met de heersende liefde wordt liefde genoemd (amores), omdat dat alles bemind wordt. Deze neigingen van de liefde zijn zowel innerlijk als uiterlijk. Sommige staan in onmiddellijke gemeenschap met de heersende liefde, van sommige is de gemeenschap middellijk. Sommige zijn er nauw mee verbonden, andere weer minder; maar alle zijn langs verschillende wegen dienstbaar aan hetzelfde doel Alle tezamen genomen maken zij een zeker koninkrijk uit, dat in orde om de mens is geschaard, hoewel de mens er geheel onbekend mee is dat hij zulk een ordening om zich heeft. Het wordt hem echter enigermate duidelijk gemaakt in het andere leven; want het is overeenkomstig die ordening dat uitbreiding van gedachten en aandoeningen bij hem plaatsvindt. Die uitbreiding wordt geleid in hemelse gezelschappen, als zijn heersende liefde het uitvloeisel is van de liefde van de hemel, maar in helse gezelschapen als zijn heersende liefde ontleend is aan de liefde van de hel. Dat alle gedachten en neigingen van geesten en engelen uitbreiding ondervinden in gezelschappen, kan men boven zien in het hoofdstuk over de wijsheid van de engelen in de hemel en in dat over de vorm van de hemel, volgens welke alle samenleving en gemeenschap geschiedt.

478. Wat echter tot hiertoe gezegd werd, is alleen berekend voor de gedachte van de redelijke mens. Opdat het ook bevattelijk zou zijn voor de zinnen, zal ik enige feiten uit de ervaring aanhalen, waardoor het mag worden opgehelderd en bevestigd. Ik zal dan aantonen, vooreerst: dat de mens, na zijn dood zijn eigen liefde of zijn eigen wil is; ten tweede: dat de mens voor eeuwig zodanig blijft als hij is ten opzichte van zijn wil en zijn heersende liefde; ten derde: dat de mens wiens liefde hemels en geestelijk is, naar de hemel gaat, maar dat de mens wiens liefde lichamelijk en werelds is, ontbloot van hemelse en geestelijke liefde naar de hel gaat; ten vierde: dat het geloof de mens niet bijblijft, indien het niet gegrond is in hemelse liefde; ten vijfde: dat de daadwerkelijke liefde, dus zijn leven, de mens bijblijft.

479. De mens is na de dood zijn eigen liefde of zijn eigen wil. Dit is mij door overvloedige ervaring bewezen. De gehele hemel is verdeeld in gezelschappen naar het onderscheid in het goede van de liefde. Iedere geest die in de hemel wordt verheven en een engel wordt, komt in het gezelschap waarin zijn liefde heerst. Wanneer hij daar komt, is hij alsof hij thuis was, en alsof hij leefde in het huis waarin hij is geboren. De engel voelt dit en komt daar in gezelschap van andere engelen, die gelijk zijn aan hemzelf. Zo hij vandaar weggaat en op enige andere plaats komt, voelt hij altijd een zekere tegenzin en wenst hij naar zijn gelijken en dus tot zijn eigen liefde terug te keren. Op deze wijze worden de bewoners in de hemel tezamen gevoegd tot gezelschappen. Hetzelfde vindt in de hel plaats, waar eveneens de bewoners samengevoegd zijn in gezelschappen naar de aard van hun liefde, die de tegenstelling is van die van de hemel. Dat de hemel uit gezelschappen bestaat en evenzo de hel en dat zij alle onderscheiden zijn naar hun liefde, kan men boven zien in nr. 41-50 en 200-212. Dat de mens na de dood zijn eigen liefde is, mag ook duidelijk zijn doordat dan van hem is verwijderd en als het ware weggenomen wordt, al wat niet n was geworden met zijn heersende liefde. Indien hij goed is, wordt alles wat hem mishaagt of wat niet met hem overeenkomt, verwijderd en als het ware weggenomen en wordt hij in zijn eigen liefde gelaten. Hetzelfde vindt plaats wanneer hij slecht is. Het verschil is, dat de waarheid wordt weggenomen van de kwaden en de leugen van de goeden; dit wegnemen eindigt niet voordat ieder zijn eigen liefde is. Dit is bereikt, wanneer de geestmens in zijn derde staat is gebracht, waarover in een volgend hoofdstuk zal gehandeld worden. Wanneer dit bereikt is, dan wendt de geest standvastig het gelaat naar zijn eigen liefde en heeft die aanhoudend voor ogen, hij mag zich wenden zo hij wil (zie nr. 123-124). Alle geesten kunnen naar welgevallen worden geleid, indien zij slechts in hun heersende liefde worden vastgehouden. Zij kunnen zich niet verzetten, hoezeer zij ook weten wat op hen wordt uitgeoefend, en hoe zij ook mogen overleggen om weerstand te bieden. Soms werd beproefd of zij tegen hun heersende liefde konden handelen, maar het was telkens tevergeefs. Hun liefde is gelijk aan een band of koord, waarmee zij als het ware omspannen zijn en waardoor zij kunnen worden getrokken, maar waarvan zij zich niet kunnen ontdoen. Hetzelfde heeft plaats in de wereld; de mens zijn eigen liefde of gezindheid leidt hem en daarmee wordt hij door anderen geleid; sterker is dit het geval wanneer zij geesten worden, want dan is het niet veroorloofd om een voorkomen aan te nemen van een andere liefde of zich anders voor te doen dan men is. Dat de menselijke geest zijn heersende liefde is, wordt in het andere leven in alle omgang duidelijk gemaakt; want als iemand handelt of spreekt in overeenstemming met de liefde van iemand anders, dan is deze dadelijk tegenwoordig, met een open, vrolijk en levendig gelaat; maar als iemand handelt of spreekt in tegenstelling met de liefde van iemand anders, dan begint het gelaat van de ander te veranderen, het wordt duister en verdwijnt, totdat hij zelf geheel verdwenen is, alsof hij er niet was geweest. Vaak heb ik mij hierover verwonderd, omdat er in de wereld niets van dien aard kan plaatsvinden; mij werd echter gemeld, dat iets soortgelijks voorkomt met de geest die in de mens is; dat wanneer deze zich afwendt van een ander, hij niet langer voor hem zichtbaar is. Dat de geest zijn eigen heersende liefde is, werd mij ook duidelijk doordat de geest al wat met zijn liefde overeenkomt, vurig aangrijpt en zich toeeigent en alles wat niet daarmee overeenkomt, afscheidt en verwerpt. Een ieders liefde is gelijk aan het sponsachtig en poreuze hout van een boom, dat die vochten inzuigt die zijn groei kunnen bevorderen en alle andere verwerpt. Het is ook gelijk aan dieren van allerlei soort, die het hun passende voedsel kennen en zoeken naar datgene wat met hun natuur overeenkomt en een afkeer tonen van al wat daarmee niet overeenkomt; want elke liefde wenst gevoed te worden door zijn eigen voedsel _ kwade liefde door de leugen, goede liefde door de waarheid. Soms is mij vergund te zien dat zekere eenvoudige goede geesten kwade geesten onderwijs wensten te geven in de waarheid en het goede, maar dat de laatsten ver van het aangeboden onderwijs wegvluchtten en toen zij bij hun eigenlijke gezelschap waren gekomen, met groot genoegen zulke onwaarheden omhelsden als overeenkwamen met hun liefde. Er werd mij ook gelegenheid gegeven om op te merken dat wanneer goede geesten onder elkaar over waarheden spraken, andere goede geesten die er tegenwoordig waren, met begeerte luisterden, terwijl kwade geesten die ook tegenwoordig waren, niet de minste aandacht aan het gesprek schonken en zich gedroegen alsof zij het niet hoorden. Er vertonen zich in de geestenwereld verschillende wegen, waarvan sommige tot de hemel en andere naar de hel leiden, en wel alle naar een bijzonder gezelschap. De goede geesten bewandelen geen andere wegen dan die naar de hemel leiden en wel naar het gezelschap waarin het goede van hun eigen liefde heerst; de wegen die in een andere richting leiden, zien zij niet. Zo ook bewandelen de kwade geesten geen andere wegen dan die naar de hel leiden, en wel naar het gezelschap in de hel waarin het kwaad van hun eigen liefde heerst; de wegen die in een andere richting leiden, zien zij niet en zo zij die zien, dan zijn zij toch niet van plan om die te bewandelen. In de geestenwereld komen zulke wegen, die overeenstemmen met waarheden of leugens, werkelijk voor en daarom betekenen wegen in het Woord waarheden of leugens. Door deze werkelijke voorbeelden van ervaring wordt bevestigd wat zoven door de rede werd aangetoond, namelijk dat ieder mens na de dood zijn eigen liefde is en zijn eigen wil; de wil wordt genoemd, omdat de wil van elk mens zijn liefde is.

480. De mens blijft na zijn dood voor eeuwig zodanig als hij is ten opzichte van zijn wil of zijn heersende liefde. Ook dit is mij door vele werkelijke voorbeelden bevestigd. Het is mij vergund geworden om te spreken met sommigen, die tweeduizend jaren vroeger hadden geleefd, en wier leven mij uit de geschiedenis bekend was; mij werd duidelijk dat zij nog waren wat zij toen waren geweest; dat zij hetzelfde karakter bezaten, dat hen in de geschiedenis werd toegeschreven, dat hun liefde nog gelijk was aan die, welke de grondslag van hun leven had uitgemaakt. Ook met sommigen, die zeventien eeuwen geleden geleefd hadden en mij uit de geschiedenis bekend waren, was het mij vergund te spreken; ook met anderen, die voor vier eeuwen, drie eeuwen, of minder tijd geleefd hadden sprak ik en ik ontdekte dat dezelfde neigingen die hen in de wereld bestuurden, nog in hen heersten. Er was geen ander onderscheid dan dat hun genot was overgebracht op zulke geestelijke genoegens als met de vroegere overeenstem_ den. Er werd mij door de engelen vermeld dat het leven van de heersende liefde bij niemand in eeuwigheid veranderd wordt, omdat iedereen zijn eigen liefde is; dit wil zeggen dat de poging om in een geest die liefde te veranderen, een poging zou zijn om hem zijn leven te ontnemen, of hem geheel te vernietigen. Zij zeiden mij ook wat hiervan de oorzaak is, namelijk dat de mens na de dood niet meer in staat is om door middel van onderwijs hervormd te worden zoals in de wereld, omdat de uiterste grondslag waarin natuurlijke kundigheden en aandoeningen bestaan, dan rust en niet in staat is om te worden geopend, omdat het niet geestelijk is (zie nr. 464), en dat verder op die grondslag de innerlijke grondslagen, die van het gemoed en het hart zijn, daarop rusten zoals een huis op zijn grondvesten, en dat daarom de mens voor eeuwig zo blijft als het leven van zijn liefde geweest is in de wereld. De engelen verwonderen er zich zeer over, dat de mens er niet mee bekend is dat iedereen van dien aard is als zijn heersende liefde en dat velen geloven dat ze zalig zullen worden door louter genade en alleen door het geloof, onverschillig hoedanig hun leven is geweest; en zij weten niet dat de Goddelijke genade middellijk werkt en daarin bestaat dat zij door de Heer worden geleid, zowel in deze wereld en in eeuwigheid; en dat zij door genade worden geleid, die niet leven in het kwade; noch ook dat geloof de genegenheid is voor het ware, voortkomende uit de hemelse liefde, die van de Heer komt.

481. De mens wiens liefde hemels en geestelijk is, gaat naar de hemel; maar de mens, van wie de liefde lichamelijk en werelds is, ontbloot van hemelse en geestelijke liefde, gaat naar de hel. Ten opzichte van deze waarheden werd ik in staat gesteld om zekerheid te ontvangen door allen die ik heb zien opnemen in de hemel, of heb zien neerwerpen in de hel. Zij die in de hemel waren opgenomen, hadden een leven dat gegrond was in hemelse en geestelijke liefde; terwijl zij die in de hel werden geworpen, verzonken waren in een leven dat gegrond was in lichamelijke en wereldse liefde. Hemelse liefde is de liefde voor het goede, oprechte en rechtvaardige, omdat het goed, oprecht en rechtvaardig is, en dat uit liefde doen. Dezulken dus, die in hemelse liefde zijn, hebben het leven van het goede, oprechte en rechtvaardige, dat een hemels leven is. Zij die deugden als deugden liefhebben en ze behartigen of in hun leven tot werkelijkheid brengen, hebben God lief boven alles, omdat deze deugden uitgaan van Hem. Zij hebben tegelijk hun naaste lief, omdat dit de naaste is, die men lief moet hebben. Maar lichamelijke liefde bestaat in de mens, wanneer hij het goede, de oprechtheid en de rechtvaardigheid liefheeft, niet terwille van die deugden, maar uit eigenbelang; want hij gebruikt ze als middelen om naam, rang of winst te verwerven. Zij bedoelen met het goede, met oprechtheid en rechtvaardigheid niet God en hun naaste, maar zichzelf en de wereld. Zij verheugen zich in bedrog en wanneer het goede, de oprechtheid en de rechtvaardigheid worden beoefend uit zondige beweegredenen, worden zij veranderd in kwaad, onoprechtheid en onrechtvaardigheid, die zij liefhebben onder de vorm van de ware deugden. Daar het liefde is, wat op deze wijze de aard van het leven bepaalt, wordt ieder na de dood, zodra hij intreedt in de geestenwereld, onderzocht van welke aard hij is en wordt dan verbonden aan hen die gegrond zijn in gelijke liefde. Zij die gegrond zijn in hemelse liefde, worden op deze wijze verbonden met de bewoners van de hemel, en zij die bedolven waren onder lichamelijke liefde, met de bewoners van de hel. Nadat hun eerste en tweede staat is voltooid, worden zij gescheiden, zodat zij elkaar nimmer meer zien noch kennen, want iedereen wordt zijn eigen liefde, niet alleen wat zijn innerlijk aangaat en wat tot zijn gemoed behoort, maar ook wat zijn uiterlijk aangaat, vooral wat behoort tot zijn gelaat, zijn lichaam, zijn spraak. Iedereen wordt dus het beeld van zijn eigen liefde, ook in het uiterlijk voorkomen. Zij die in lichamelijke liefde zijn, worden grof, duister, zwart en lelijk, terwijl zij die in hemelse liefde zijn, vrolijk, helder, blank en mooi zijn. Zij zijn geheel ongelijk aan elkaar in hun gemoed en in hun gedachten. Zij die in hemelse liefde zijn, zijn ook verstandig en wijs, terwijl zij die in lichamelijke liefde zijn, dom zijn en op dwazen lijken. Wanneer er een inzicht verleend wordt in het innerlijk en uiterlijk van de gedachte en aandoening van hen die in hemelse liefde zijn, dan schijnt hun innerlijk gelijk te zijn aan het licht, en van sommigen gelijk vlammend licht; hun uiterlijk vertoont verschillende schone kleuren, gelijk die van de regenboog; terwijl het innerlijk van hen die verzonken zijn in lichamelijke liefde, op iets zwarts gelijkt, omdat zij gesloten zijn; en het uitwendige van sommigen heeft een dof vurig voorkomen, namelijk bij hen, die zich innerlijk op boosaardig bedrog toelegden, omdat hun uiterlijk vuile kleuren vertoont en onaangenaam is voor het oog. Het innerlijk en uiterlijk van de geest en het gemoed worden namelijk in de geestelijke wereld, indien de Heer dit goedvindt, zichtbaar voorgesteld. Zij die in lichamelijke liefde verkeren, kunnen in het licht van de hemel niets zien, want dit is voor hen als dikke duisternis, terwijl het licht van de hel, dat het voorkomen heeft van glimmend houtskool, voor hen gelijk helder licht is. In het licht van de hemel wordt ook hun innerlijk gezicht verduisterd en wel zozeer, dat zij krankzinnig worden; daarom ontvluchten zij het en verschuilen zich in holen en spelonken, waarvan de diepte in verhouding is tot hun leugen uit het kwade. Zij daarentegen die gegrond zijn in hemelse liefde, zien alles des te helderder en de voorwerpen schijnen hen des te mooier, naarmate zij meer innerlijk of hoger ingaan in het licht van de hemel, terwijl zij ook naar die mate de waarheid meer verstandig en wijselijk bevatten. Zij die gedompeld waren in lichamelijke liefde, kunnen onmogelijk leven in de warmte van de hemel; want de warmte van de hemel is de hemelse liefde; maar zij kunnen alleen leven in de hitte van de hel, waarvan het de liefde is te woeden tegen anderen die hen ongunstig gezind zijn. Anderen smaden, vijandschap, haat en wraak zijn de vermaken van die liefde en wanneer zij in deze zijn, zijn zij in hun leven. Zij zijn er geheel onbekend mee wat het is goed te doen aan anderen uit het goede zelf en terwille van het goede zelf; maar zij weten alleen wat het is goed te doen uit het kwade en terwille van het kwaad. Iemand die verzonken is in lichamelijke liefde, kan in de hemel zelfs niet ademhalen. Zodra een kwade geest daarheen wordt geleid, hijgt hij naar adem, gelijk iemand die met de dood worstelt. Aan de andere zijde ademen zij die gegrond zijn in hemelse liefde, des te meer vrij en leven zij des te meer volkomen, naarmate zij meer in het innerlijk van de hemel komen. Uit deze dingen mag het duidelijk zijn dat de hemelse en geestelijke liefde de hemel uitmaakt in de mens, omdat in die liefde al wat de hemel uitmaakt, is ingeschreven; terwijl lichamelijke en wereldse liefde, ontbloot van hemelse en geestelijke, de hel in de mens is, omdat in deze liefde al wat de hel uitmaakt, is ingeschreven. Duidelijk volgt hieruit dat de mens van wie de liefde hemels en geestelijk is, naar de hemel gaat; maar dat de mens van wie de liefde lichamelijk en werelds is, ontbloot van hemelse en geestelijke liefde naar de hel gaat.

482. Het geloof blijft de mens niet bij als het niet gegrond is in de hemelse liefde. Dit is mij uit zovele voorbeelden gebleken, dat zij, zo ik ze alle wilde verhalen, die ik met betrekking tot dit onderwerp heb gezien en gehoord, een boekwerk zouden vullen. Ik kan getuigen dat er hoegenaamd geen geloof bestaat noch medegedeeld kan worden aan hen die ingenomen zijn door lichamelijke en wereldse liefde en ontbloot zijn van het hemelse en geestelijke, en dat datgene wat bij hen voor geloof doorgaat, slechts oppervlakkige kennis is of een overtuiging dat het waar is, omdat het tot bevordering van de voorwerpen van hun liefde dient. Velen die meenden dat zij geloof bezaten, werden tot hen gebracht die het werkelijk deelachtig waren, en toen de gemeenschap was opengesteld, was het eerste wat zij ontdekten, dat zij volstrekt geen geloof hadden. Naderhand beleden zij ook dat enkel de waarheid en het Woord geloven, geen geloof is, maar de waarheid liefhebben met hemelse liefde en haar willen en doen uit innerlijke aandrift. Er werd ook getoond dat hun overtuiging, die zij geloof noemden, slechts als het licht was van de winter, gedurende welk seizoen er geen genoegzame warmte in het licht is en alle voorwerpen op aarde verstijven en gesloten zijn door de vorst en onder de vorst en onder de sneeuw zijn begraven. Zodra dus het licht van het geloof van hun overtuiging, dat in hen bestaat, in aanraking komt met de stralen van het licht van de hemel, dan wordt het niet alleen uitgeblust, maar wordt werkelijk als dikke duisternis, waarin men zichzelf niet zien kan. Hun innerlijk wordt tegelijkertijd zo duister, dat zij volstrekt niets kunnen begrijpen en tenslotte krankzinnig worden in de leugen. Om deze reden worden alle waarheden, waarmee zij bekend waren, en die zij aan het Woord en de leer van de kerk hadden ontleend, en die zij de waarheden van hun geloof hadden genoemd, van hen weggenomen en in de plaats daarvan worden zij bedeeld met alle leugen, die met de kwaadheid van hun leven overeenkomt; want allen worden overgelaten in hun eigen liefde en tegelijkertijd ook in de leugen die met hun liefde overeenkomt. Daarna haten zij de waarheid, hebben er een afkeer van en verwerpen haar, omdat de waarheid in strijd is met de leugen van het kwaad, waaronder zij bedolven zijn. Ik ben in staat om uit alle ervaring die ik heb verkregen betreffende de zaken van de hemel en van de hel, te getuigen dat allen die door de leer het geloof alleen beleden hebben en het kwade in hun leven hebben aangehouden, in de hel zijn. Ik heb hen erin zien werpen in vele duizendtallen, waarover geschreven is in het kleine werk Over het Laatste Oordeel en de Verwoesting van Babylon.

483. Hetgeen de mens bijblijft is liefde in daad, dus het leven van de mens. Dit volgt als een besluit uit alle tot hiertoe aangevoerde voorbeelden van de ervaring en uit de dingen die boven zijn aangehaald over daden en werken. Liefde in handeling is werk en daad.

484. Men moet hierbij opmerken dat alle werken en daden zaken zijn die tot het zedelijk en burgerlijk leven behoren, en die dus ook betrekking hebben op zuiverheid en oprechtheid en op recht en billijkheid. Zuiverheid en oprechtheid zijn deugden die tot het zedelijk leeft behoren; recht en billijkheid zijn deugden die tot het burgerlijk leven behoren. De liefde die haar uitoefent, is f hemels f hels. De werken en daden van het zedelijk en burgerlijk leven zijn hemels, indien zij voortbrengselen zijn van de hemelse liefde, want al wat gedaan wordt uit hemelse liefde is gedaan uit de Heer en wat uit de Heer gedaan is, is goed. Zo ook zijn de daden en werken van het zedelijk en burgerlijk leven hels, indien zij voortbrengselen zijn van helse liefde, want al wat uit deze liefde wordt gedaan die eigen - en wereldliefde is, is gedaan door de mens zelf en wat door de mens zelf gedaan wordt, is in zichzelf kwaad; want de mens, beschouwd in zichzelf of naar zijn eigene, is enkel kwaadheid.

.

top

DE GENOEGENS VAN HET LEVEN VAN ELK MENS WORDEN NA DE DOOD VERANDERD IN OVEREENKOMSTIGE GENOEGENS

485. Dat de heersende neiging of liefde iedere mens eeuwig bijblijft, is in het voorgaande hoofdstuk aangetoond; dat de genoegens van die neiging of liefde in overeenkomstige genoegens worden veranderd, zal nu worden aangetoond. Onder de verandering in iets overeenkomstigs is bedoeld de verandering in zodanig iets geestelijks als overeenkomt met het natuurlijke. Dat zij veranderd wordt in geestelijke verheuging, moge hieruit duidelijk zijn, dat de mens, zolang hij in zijn aards lichaam leeft, in de natuurlijke wereld bestaat; maar dat hij, na verlating van dat lichaam, ingaat in de geestelijke wereld en een geestelijk lichaam aandoet. Dat de engelen een volkomen menselijke gedaante hebben en ook na hun dood mensen zijn, en dat de lichamen waarmee zij bekleed zijn, geestelijk zijn, kan men hierboven zien (zie nr. 73-77 en 453-460); en ook wat de overeenstemming is van geestelijke dingen met natuurlijke (zie nr. 87-115).

486. Alle genoegens, waarin de mens zich verblijdt, zijn die van zijn heersende liefde; want de mens schept in niets anders behagen dan in hetgeen hij liefheeft; wat hem dus het meest aangenaam is, heeft hij ook het meest lief. Of men spreekt over zijn heersende liefde, of over dat wat hij het meest liefheeft, of het meest hem lust, komt op hetzelfde neer. Deze genoegens zijn verschillend; in het algemeen zijn er zoveel als er verschil in heersende liefde is. Er zijn dus zo velerlei genoegens als er mensen, geesten en engelen zijn; want de heersende liefde van de een is nimmer in welk opzicht gelijk aan die van de ander. Ook hierdoor is het, dat het gelaat van de ene mens nimmer volkomen gelijk is aan dat van een ander; want het gelaat van eenieder is het beeld van zijn gemoed en is in de geestelijke wereld het beeld van zijn heersende liefde. De genoegens van ieder in het bijzonder zijn ook van oneindige verscheidenheid; en geen enkel genoegen is ooit in elk opzicht gelijk of hetzelfde als een ander; dit is ook waar, zowel ten opzichte van de genoegens die elkaar opvolgen, als die welke gelijktijdig bestaan. Want het ene is nooit gelijk aan het andere. Deze genoegens, die afzonder lijk in ieder mens bestaan, hebben echter betrekking tot zijn hoofdliefde, die zijn heersende liefde is; want zij stellen die tezamen en maken er daarom n geheel mee uit. Op dezelfde wijze hebben alle genoegens tezamen betrekking op een algemeen heersende liefde, die in de hemel de liefde tot God, en in de hel de eigenliefde is.

487. Wat en hoedanig de geestelijke genoegens zijn, waarin de natuurlijke genoegens van ieder mens na de dood veranderd worden, kan alleen gekend worden uit de wetenschap van de overeenstemmingen. Deze wetenschap leert in het algemeen, dat er niets natuurlijks kan bestaan, dat niet iets overeenkomstigs heeft in het geestelijke. Zij leert ook in het bijzonder, wat en hoedanig deze overeenstemmingen zijn. Iemand die in deze wetenschap ervaren is, kan ook weten en bekendheid verkrijgen met zijn staat na de dood, indien hij slechts bekend is met zijn eigen liefde en weet welke hoedanigheid zij heeft in het gebied van de heersende liefde, waarmee alle liefde in betrekking staat, gelijk zojuist werd behandeld. Het is echter onmogelijk voor hen die gedreven worden door eigenliefde om hun heersende liefde te kennen; want zij hebben lief wat van hen is en noemen hun boosheden goed en gelijktijdig noemen zij waarheid de leugen die in kwaad begunstigt, waardoor zij zich in het kwaad bevestigen. Indien zij willen, kunnen zij dit evenwel weten door anderen die wijs zijn en zien wat door hen niet gezien wordt. Zij echter die geheel door eigenliefde zijn genomen, weigeren onderwezen te worden en verwerpen iedere vermaning die de wijze hen aanbiedt. Maar zij die bevestigd zijn in hemelse liefde, nemen onderwijs aan en wanneer zij tot het kwaad worden geleid waarin zij geboren zijn, zien zij dit door de waarheid, waarin zij onderwezen zijn; want deze maakt het kwaad als zodanig openbaar. Iedereen kan door zulke waarheid die uit het goede ontspringt, het kwaad en de leugen ervan zien; maar niemand kan door het kwade het goede en de waarheid zien. De oorzaak hiervan is dat de leugen, die in het kwaad is gegrond, duisternis is en evenzo met duisternis in overeenstemming is; daar zijn zij die onder de leugen zijn die in het kwaad is gegrond, gelijk aan blinden die geen voorwerpen kunnen zien die in het licht zijn geplaatst; zij vluchten werkelijk voor deze voorwerpen gelijk nachtvogels. Anderzijds zijn de waarheden uit het goede licht, en zijn in overeenstemming met licht (zie nr. 126-134); daarom zijn zij, die in de waarheid uit het goede zijn, in staat om te zien en hebben geopende ogen. Zij onderscheiden de zaken die tot het licht en tot de schaduw behoren. Ten opzichte van deze dingen was het mij vergund verzekering te verkrijgen door duidelijke ervaring. De engelen in de hemel zien en ondervinden het kwade en de leugen, die soms in henzelf opkomen, en ook het kwade en de leugen waaronder die geesten zijn die in de geestenwereld met de hellen verbonden zijn, hoewel die geesten zelf niet in staat zijn om hun eigen kwaad en leugen te zien. Ook kunnen deze laatsten niet bevatten wat het goede van de hemelse liefde is, wat het geweten, noch wat oprechtheid en rechtvaardigheid is die niet uit eigenbelang voortvloeit, of wat het is om geleid te worden door de Heer. Zij verzekeren dat zulke zaken niet bestaan, en zij dus niet waardig zijn er de opmerkzaamheid aan te schenken. Deze dingen worden medegedeeld om de mens tot zelfonderzoek te leiden en uit zijn genoegens te leren wat zijn liefde is, en in zoverre hij bekend is met de wetenschap van de overeenstemmingen, kan hij zien wat de staat van zijn leven na de dood zijn zal.

488. Op welke wijze de genoegens van het leven van ieder mens na de dood in iets overeenkomstigs worden veranderd, kan deze wetenschap van overeenstemmingen werkelijk leren. Maar omdat deze wetenschap nog niet openlijk bekend is gemaakt, zal ik door enkele voorbeelden uit ervaring een licht over dit onderwerp verspreiden. Allen die onder het kwaad bedolven zijn, en die zich in de leugen tegen de waarheden van de kerk hebben bevestigd, in het bijzonder zij die het Woord hebben verworpen, schuwen het licht van de hemel en verschuilen zich in de plaatsen onder de grond, die aan hun openingen zeer donker schijnen, en in holen van rotsen, waar zij zich verborgen houden. De oorzaak is dat zij de leugen hebben liefgehad en de waarheid hebben gehaat; want zulke plaatsen onder de grond en zulke holen van rotsen stemmen met de leugen overeen; duisternis eveneens omdat het licht overeenstemt met de waarheid. Het is hun aangenaam om in zulke plaatsen te wonen en niet in open velden. Hetzelfde wordt gedaan door hen die lust hadden in het leggen van valstrikken en in het geheim bedrieglijk handelen. Ook deze wonen in zulke onderaardse plaatsen in vertrekken, waar zij elkaar in de oren fluisteren, en die plaatsen zijn zo duister dat zij elkaar niet eens kunnen zien. Dit is het waarin de lust van hun liefde wordt veranderd. Zij die de wetenschappen hebben bestudeerd met geen andere bedoeling dan om als geleerden geacht te worden en die hun rede daardoor niet hebben ontwikkeld, maar van wie de lust bestond in de opvulling van hun geheugen, uit eigenwaan die hen om deze begaafdheden vervulde, deze kiezen liever zandige plaatsen dan velden en tuinen, omdat zandige plaatsen met zulke studies overeenstemmen. Zij die zich bekend hadden gemaakt met de stellingen van hun eigen kerk en die van andere kerken zonder dienovereenkomstig te hebben geleefd, kiezen voor hun woonplaatsen rotsachtige plaatsen en wonen tussen steenhopen; zij schuwen de bebouwde streken, omdat zij er een afkeer van hebben. Zij die alles aan de natuur hebben toegeschreven en zij die alles aan hun bekwaamheid toeschreven en die zich door verschillende kunstgrepen tot eer en aanzien hebben verheven en rijkdom hadden verzameld, wijden zich in het andere leven aan toverachtige kunsten, die misbruiken zijn van de Goddelijke orde, en waarin zij de grootste blijdschap van hun leven vinden. Zij die de Goddelijke waarheden dienstbaar hebben gemaakt aan hun eigenliefde en deze waarheden dus hebben vervalst, beminnen urineachtige dingen, omdat urine overeenstemt met de lusten van hun liefde. Zij die uitermate gierig zijn geweest, wonen in kelders en beminnen het vuil van de zwijnen en zulke uitwalmingen als voortkomen uit onverteerde spijzen in de maag. Zij die hun leven in enkel vermaak hebben doorgebracht, lekkerlijk hebben geleefd en hun gehemelte en smaak hebben gevolgd en als het hoogste goed van hun leven hebben liefgehad, beminnen in het andere leven uitwerpselen, die dan hun lust zijn; want zulke vermaken zijn geestelijk vuil. Plaatsen die helder zijn en vrij van vuil, schuwen zij, omdat die hun onaangenaam zijn. Zij die zich hebben overgegeven aan overspel, brengen hun tijd door in bordelen, waar alle dingen vuil en vies zijn. Zij beminnen deze plaatsen en schuwen kuise woningen, waarin zij niet kunnen binnengaan zonder in bezwijming te vallen. Niets is hun meer aangenaam dan echtbreuk te begaan. Zij die wraakgierig waren en daardoor wild en wreed zijn geworden, beminnen dode lichamen, zij wonen ook in zodanige hellen. En zo voorts.

489. Maar de lusten van het leven van hen die in de wereld in de hemelse liefde hebben geleefd, worden op zodanige genoegens gericht, als in de hemelen worden genoten, die hun bestaan aan de Zon van de hemel ontlenen en aan het licht dat vandaar uitgaat. Dit licht vertoont aan de blik voorwerpen die innerlijk Goddelijke zaken in zich sluiten. De voorwerpen die aldus duidelijk worden, doen het innerlijk, dat tot het gemoed van de engelen behoort, en het uiterlijk, dat tot hun lichaam behoort, gelijkelijk aan. Wanneer het Goddelijk licht, dat is de Goddelijke waarheid die uitgaat van de Heer, doorbreekt in hun gemoed dat door de hemelse liefde is geopend, zien zij ook uiterlijk zulke voorwerpen als overeenkomen met de lusten van hun leven. Dat de dingen die in de hemel voor het oog verschijnen, met het innerlijk van de engelen overeenstemmen, of met de dingen die tot geloof en liefde behoren, en van daar tot inzicht en wijsheid, is aangetoond in het hoofdstuk over de uitbeeldende dingen en schijnbaarheden in de hemel (zie nr. 170-176), en in het hoofdstuk over de wijsheid van de engelen in de hemel (zie nr. 265-275). Daar wij er op ingegaan zijn om deze zaken te bevestigen door duidelijke voorbeelden, tot toelichting van de waarheden die uit oorzaken van dingen zijn afgeleid en boven zijn aangevoerd, zal ik ook enige feiten vermelden ten opzichte van de hemelse lusten, waarin de natuurlijke lusten van hen die in de wereld in hemels liefde leefden, veranderd worden. Zij die de Goddelijke waarheden en het Woord uit innerlijke beweging hebben liefgehad, of uit liefde tot de waarheid zelf, wonen in de andere wereld in het licht, op verheven plaatsen, zoals bergen waar het licht van de hemel hen onafgebroken schijnt. Zij weten niet wat duisternis is, zoals in de nachten van de wereld en leven in een temperatuur als van de lente. Rondom zien zij velden en korenoogst tezamen met wijngaarden. In hun huizen schijnen alle voorwerpen verlicht, alsof zij bezet waren met kostbare stenen. Zien zij door de vensters, dan is het alsof zij door zuiver kristal zagen. Deze zijn genoeglijke voorwerpen van hun gezicht; maar dezelfde voorwerpen zijn de lust van het innerlijk, door hun overeenstemming met Goddelijk hemelse dingen, want de waarheden die afgeleid zijn van het Woord dat zij hebben liefgehad, stemmen overeen met korenoogst, wijngaarden, kostbare stenen, vensters en kristal. Zij die onmiddellijk de leer van de kerk die aan het Woord is ontleend, toegepast hebben op hun leven, wonen in de meest innerlijke hemel, waar zij boven anderen zich verheugen in de vreugde van de wijsheid. Deze zien in al wat hen omringt Goddelijke zaken; wel zien zij werkelijk de voorwerpen, maar de Goddelijke zaken die daarmee in betrekking staan, dringen onmiddellijk door hun gemoed en vervullen hen met een zaligheid die al hun gewaarwordingen aandoet. Hierdoor glimlachen, verheugen en leven als het ware alle voorwerpen voor hun ogen zoals hierboven werd gezien (zie nr. 270). Zij die de wetenschappen hebben liefgehad en die daardoor hun rede hebben ontwikkeld en verstandig zijn geworden en gelijktijdig het Goddelijke hebben erkend, vinden het vermaak dat zij in de wetenschappen vonden en in de verlichting van hun rede in het andere leven terug in een geestelijke verlichting, die de kennis van het goede en het ware is. Zij wonen in tuinen, door bloembedden en perken in schone afdelingen verdeeld en door rijen bomen omgeven, die schone gaanderijen en wandelpaden vormen. De bomen en bloemen variren iedere dag. De blik over het geheel vervult in het algemeen hun gemoed met blijdschap, terwijl de afwisseling van het bijzondere onophoudelijk vernieuwd wordt. Omdat nu de voorwerpen in betrekking staan tot de Goddelijke zaken, en zij die ze zien, bevestigd zijn in de wetenschap van de overeenstemmingen, worden zij onophoudelijk met nieuwe kundigheden verrijkt, waardoor hun geestelijk redelijke aanleg volkomen wordt. Zij genieten deze genoegens, omdat tuinen, bloemen, perken en bomen overeenstemmen met wetenschappen en kundigheden, en deze weer met inzicht, dat daaruit ontspruit. Zij die alles aan het Goddelijke hebben toegeschreven en de natuur als in zichzelf dood hebben beschouwd en alleen als dienstbaar aan geestelijke doeleinden, en die zich in dit geloof hebben bevestigd, wonen in hemels licht. Alle voorwerpen die zij zien, baden in licht en worden doorschijnend en in deze doorschijnendheid zien zij ontelbare schakeringen van licht, dat hun innerlijk gezicht onmiddellijk indrinkt, en waaraan zij hun innerlijke blijdschap ontlenen. De voorwerpen in hun huizen zijn als van diamant, waarin gelijke schakeringen licht gezien worden. Er werd mij verhaald dat de muren van hun huizen als van kristal zijn, en dus even doorschijnend, en dat daarin als het ware vloeibare vormen voorkomen die hemelse zaken vertegenwoordigen, die eveneens vergezeld worden door aanhoudende wisseling. De reden hiervan is, dat zo'n doorschijnendheid overeenstemt met een verstand dat verlicht is door de Heer; de schaduwen die een natuurlijk geloof en natuurlijke liefde afgeven, worden verwijderd. Zodanig zijn de dingen met oneindig vele andere, waarvan zij die ze in de hemel hadden gezien, zeiden dat zij dingen zagen die geen oog ooit heeft gezien, en die, door een vatbaarheid voor hemelse dingen die hen was toebedeeld en uitging van de hemel, ook zeiden dat zij zaken hadden gehoord die het oor nooit heeft gehoord. Zij die op geen bedrieglijke wijze hadden gehandeld en gewild hadden dat al hun gedachten open zouden zijn, voor zover de staat van het burgerlijk leven dit toeliet, hebben in de hemel aangezichten die blinken van licht, omdat zij niets anders hadden gedacht dan wat oprecht recht was uit een Goddelijke bron. Overeenkomstig met het licht stonden al hun aandoeningen en gedachten op hun aangezichten te lezen als in hun zuivere vorm, en taal en handelingen waren evenzeer de uitdrukkingen van hun gevoelens. Deze zijn bijgevolg meer geliefd dan anderen. Als zij spreken is hun gelaat enigszins duister; maar zodra zij geindigd hebben, verschijnt alles wat zij bespraken in hun gelaat, ten volle duidelijk voor het oog. Alle voorwerpen die hen omgeven, hebben eveneens, omdat zij in overeenstemming zijn met hun innerlijk, een zodanig voorkomen, dat anderen duidelijk kunnen zien wat zij vertegenwoordigen en betekenen. Geesten wier lust het was om bedrieglijk te handelen, ontvluchtten, wanneer zij deze oprechten op een afstand zagen, hun tegenwoordigheid en schenen van hen weg te sluipen gelijk de slangen. Zij die overspel als een afschuwelijke ondeugd hebben beschouwd en in eerlijke huwelijksliefde hebben geleefd, zijn meer dan anderen in de orde en vorm van de hemel en bezitten een toenemende schoonheid en blijven eeuwig in de bloei van hun leven. De vreugde van hun liefde is onuitputtelijk en neemt eeuwig toe. Want alle blijdschap en vreugde van de hemel vloeien in in die liefde, omdat zij afkomstig is van de vereniging van de Heer met de hemel en met de kerk, en in het algemeen, van de vereniging van het goede en het ware. Deze vereniging is de hemel zelf, zowel in haar geheel als van iedere engel in het bijzonder (zie nr. 366386). De uiterlijke vreugden van hen zijn zodanig, dat zij door geen woorden van de menselijke taal kunnen beschreven worden. Wat hier gezegd is heeft betrekking op het overeenkomstige van de lusten bij hen die in hemelse liefde zijn gegrond, en is slechts betrekkelijk weinig.

490. Uit deze aanhalingen mag blijken dat na de dood de lusten van allen veranderd worden in iets overeenkomstigs. De liefde zelf blijft evenwel eeuwig, zoals de echtelijke liefde, de liefde tot rechtvaardigheid, oprechtheid, goedheid en waarheid, de liefde tot de wetenschappen en kundigheden, de liefde tot kennis en wijsheid, enz. De lusten zijn de uitvloeisels van de liefde, gelijk de stromen uit een fontein. Ook deze blijven, maar zij worden verheven tot een hogere graad wanneer zij van het natuurlijke tot het geestelijke verheven worden.

.

top

DE EERSTE STAAT VAN DE MENS NA DE DOOD

491. Er zijn drie staten die de mens na de dood doorloopt, voordat hij overgaat naar de hemel of naar de hel. De eerste staat is die waarin hij nog in zijn uiterlijk is; de tweede staat is die waarin hij in zijn innerlijk is, en de derde staat is die van zijn voorbereiding. Deze staten worden door hem in de geestenwereld doorlopen. Sommigen echter doorlopen deze staat niet, maar worden onmiddellijk na de dood f opgenomen in de hemel f neergeworpen in de hel. Zij die onmiddellijk opgenomen worden in de hemel, zijn degenen die wedergeboren zijn en zo in de wereld voor de hemel zijn toebereid. Zij die zo zijn wedergeboren en toebereid dat zij niets hebben te doen dan natuurlijke onreinheid met het lichaam af te werpen, worden rechtuit door de engelen de hemel ingedragen. Ik heb sommigen op deze wijze dadelijk na hun doodsuur zien overbrengen. Maar zij die innerlijk slecht waren, hoewel in hun uiterlijk voorkomen goed, dus zij die hun boosaardigheid voltooid hebben met bedrog en het goede als middel hebben gebezigd om te bedriegen, worden onmiddellijk in de hel geworpen. Sommigen van deze heb ik onmiddellijk na den dood in de hel zien werpen; een, die buitengewoon bedrieglijk was, met het hoofd naar beneden en de voeten omhoog, anderen op andere wijzen. Er zijn sommigen die onmiddellijk na de dood verbannen worden naar spelonken en dus afgescheiden zijn van hen die in de geestenwereld vertoeven. Later worden zijweer daaruit genomen en weer heengezonden bij afwisseling. Het zijn zij die onder de dekmantel van welwillendheid slecht hebben gehandeld met hun naasten. Maar deze en de voorgaande zijn slechts weinigen in vergelijking met hen die naar de geestenwereld gaan en daar volgens de Goddelijke Orde voor de hemel of voor de hel worden toebereid.

492. In de eerste staat, waarin de mens nog in zijn uiterlijk is, komt hij onmiddellijk na de dood. Ieder mens bezit met betrekking tot zijn geest een innerlijk en een uiterlijk. Het uiterlijk van zijn geest is datgene waardoor hij zijn lichaam aanpast aan de wereld, in het bijzonder zijn gelaat, zijn spraak en zijn gedrag voor het leven in gemeenschap met anderen. Het innerlijk van zijn geest is dat wat uitsluitend behoort tot zijn wil en tot zijn gedachten die uit die wil voortvloeien; zelden worden deze uitgelaten in zijn gezicht, zijn spraak en zijn gedrag. Want de mens is van kinds af gewoon om een voorkomen aan te nemen van vriendschap, welwillendheid en oprechtheid en de gedachten van zijn eigenlijke wil te verbergen. Hierdoor krijgt hij de gewoonte om het zedelijk en burgerlijk leven in zijn uiterlijk aan te nemen, hoe ook de aard van zijn innerlijk is. Ten gevolge van deze gewoonte is de mens nauwelijks met zijn eigen innerlijk bekend en denkt er met over.

493. De eerste staat van de mens na de dood is gelijk aan die van de wereld, omdat hij dan nog in zijn uiterlijk is. Zijn gelaat is gelijk, zijn spraak is gelijk en zijn gesteldheid is gelijk, derhalve ook zijn zedelijk en burgerlijk leven. Hij weet daarom ook niet beter dan dat hij nog in de wereld is; tenzij hij let op hetgeen om hem heen voorvalt en op hetgeen de engelen hem hebben meegedeeld toen hij werd opgewekt, dat hij nu een geest is (zie nr. 450). Aldus gaat het ene leven in het andere over en is de dood alleen de overgang.

494. Omdat de geest van de mens die pas het andere leven is ingetreden, na afloop van zijn leven in de wereld zodanig is, volgt hieruit dat hij dan herkend wordt door zijn vrienden en door allen die hij kende toen zij met hem in de wereld waren. De andere geesten herkennen hem niet alleen aan zijn gelaat en spraak, maar ook wanneer zij hem nabij komen door de sfeer van zijn leven. Wanneer in het andere leven de een over de ander denkt, stelt hij zich ook in gedachte zijn gelaat voor met de vele omstandigheden van zijn leven; en wanneer hij dit doet, verschijnt de persoon over wie hij denkt voor hem, alsof hij gezonden of geroepen was. Dit verschijnsel heeft in de geestenwereld plaats, omdat daar een gemeenschap van gedachten bestaat en er geen ruimte is zoals in de natuurlijke wereld (zie nr. 191-199). Hierdoor is het dat allen bij hun eerste intrede in het andere leven door hun vrienden en betrekkingen herkend worden, en door allen aan wie zij op de een of andere wijze bekend waren, en dat zij met elkaar in gesprek geraken en vervolgens tezamen blijven, overeenkomstig de mate van hun vriendschap of bekendheid in de wereld. Dikwijls heb ik de vreugde vernomen van hen die van de wereld kwamen en hun vrienden weerzagen, terwijl deze zich eveneens verheugden dat hun vrienden tot hen gekomen waren. Als echtgenoten elkaar ontmoeten, verwelkomen zij gewoonlijk elkaar. Zij blijven dan ook lange of korte tijd tezamen, naarmate van het genot van hun vroegere samenwoning. Is de band die hen verenigde geen ware huwelijksliefde geweest, die in de vereniging van het gemoed bestaat onder de invloed van de hemelse liefde, dan worden zij na enige tijd samen geweest te zijn, weer gescheiden. Indien echter het gemoed van beiden wederkerig oneens is geweest en er een innerlijke afkeer van elkaar heeft bestaan, dan breekt deze in openlijke vijandschap uit en soms in een werkelijk gevecht. Zij worden evenwel niet gescheiden vr zij ingaan in de tweede staat, waarover in het volgende hoofdstuk zal worden gehandeld.

495. Omdat het leven van de pas gescheiden geest niet ongelijk is aan zijn leven in de natuurlijke wereld en hij geen kundigheden heeft meegebracht over de staat van het leven na de dood, noch betreffende de hemel of de hel, dan alleen die welke hij verkregen heeft uit de letter van het Woord en uit de prediking over die letterlijke zin, is het gevolg dat hij, na zich te hebben verwonderd dat hij zich in een lichaam bevindt en in het genot van alle zinnen die hij had in de wereld, en omdat hij dezelfde voorwerpen gewaar wordt, de wens in zich voelt opkomen om te weten wat de natuur van de hemel en wat de natuur van de hel is, en waar zij gelegen zijn. Daarom onderwijzen zijn vrienden hem dan in de staat van het eeuwig leven, en wordt hij zo naar verschillende plaatsen en in verschillende gezelschappen geleid. Sommigen worden meegenomen in steden of ook in tuinen en paradijzen, gewoonlijk met schone tonelen, omdat zulke zaken aangenaam zijn voor het uiterlijk, waarin zij dan zijn. Langs deze weg worden zij tot herinnering van de gedachten geleid die zij in het lichaam hadden over de staat van de ziel na de dood, aangaande de hemel en de hel, totdat zij verontwaardigd worden, omdat zij in zulk een grote onwetendheid omtrent deze zaken zijn geweest en omdat er zulk een onwetendheid daaromtrent in de kerk bestaat. Bijna allen zijn begerig om te weten of zij naar de hemel zullen gaan; de meesten geloven dit al, omdat zij in de wereld een zedelijk en burgerlijk leven hebben geleid. Zij denken er niet aan dat zowel de slechten als de goeden uiterlijk een soortgelijk leven hebben geleid; allen hebben anderen gelijkelijk goed behandeld, zijn ter kerke gegaan, hebben naar de predikingen geluisterd en hebben gebeden, maar zij hebben niet geweten dat uiterlijke handelingen en uiterlijke aanbidding niets betekent, maar alleen innerlijke beginselen waaruit de uiterlijke daden voortvloeien. Onder duizenden is er nauwelijks n die weet wat innerlijke staten zijn en dat de mens in deze de hemel en de kerk bezit; laat staan dat uiterlijke handelingen zo zijn als de voornemens en de gedachten zijn, en dat daarin de liefde en het geloof zijn ingesloten waaruit zij voortkomen. Worden zij hierin onderwezen, dan kunnen zij niet begrijpen hoe denken en willen iets betekenen, maar zij menen dat alles ligt in spreken en doen. Zodanig zijn de meesten die in deze tijd uit de Christelijke wereld het andere leven ingaan.

496. Zij worden evenwel door de goede geesten naar hun aard onderzocht. Dit geschiedt op verschillende wijzen; want in deze eerste staat spreekt de kwade mens waarheden en doet goede daden, evenals de goeden. Zij doen dit uit de boven verklaarde oorzaak, namelijk dat zij ook een zedelijk leven hebben geleid in de uiterlijke vorm - want zij hebben geleefd onder een geregeld bestuur en zijn onderworpen geweest aan de wetten, die daar bestonden_ en dat zij door zo te leven de naam van rechtvaardig en rechtvaardig hadden verkregen, dat zij de gunst van anderen hadden gewonnen, en langs deze weg tot eer en aanzien waren verheven. De kwade geesten worden echter van de goeden in het bijzonder hierdoor onderscheiden, dat zij graag luisteren naar hetgeen gezegd wordt over uiterlijke dingen en weinig oren hebben voor het innerlijke, die de waarheden en het goede van de hemel en de kerk zijn. Wel horen zij wat hun over deze onderwerpen wordt gezegd, maar niet met oplettendheid en blijdschap. Ook hierdoor worden zij onderscheiden dat zij dikwijls dezelfde plaatsen bezoeken, en wanneer zij aan zichzelf worden overgelaten, bewandelen zij de wegen die in die richting lopen. Door het dikwijls terugkeren naar zekere plaatsen en het bewandelen van zekere wegen, wordt de aard van de liefde gekend, die hen leidt.

497. Alle geesten die van de wereld aankomen, zijn werkelijk aan een bepaald gezelschap in de hemel, of aan een bepaald gezelschap in de hel verbonden. Deze verbintenis betreft echter alleen hun innerlijk. Niemand zijn innerlijk is voor anderen openbaar zolang hij in zijn uiterlijk is, want dit uiterlijk belet hen om hun innerlijk te kennen, vooral bij hen die innerlijk kwaad zijn. Wanneer zij echter later in de tweede staat komen, wordt hun innerlijk openbaar; want hun innerlijk ligt dan open en hun uiterlijk slaapt.

498. De eerste staat van de mens na de dood duurt bij sommigen enige dagen, bij anderen enige maanden en anderen een jaar, maar zelden duurt het bij iemand meer dan een jaar. De duur hangt in elk geval af van het al of niet overeenkomende van het innerlijk met het uiterlijk. Want bij iedereen moet het uiterlijke en het innerlijke gelijk handelen en met elkaar samenlopen. Het is niet geoorloofd, dat iemand in de geestenwereld denkt en wil, anders dan hij spreekt en doet. Iedereen moet daar het uitgedrukte beeld van zijn eigen aandoening of van zijn eigen liefde zijn; wat hij dus innerlijk is, moet hij ook uiterlijk zijn. Daarom moet het uiterlijke van een geest eerst worden opengelegd en tot orde gebracht worden om te dienen als een basis in overeenstemming met zijn innerlijk.

.

top

DE TWEEDE STAAT VAN DE MENS NA DE DOOD

499. De tweede staat van de mens na de dood wordt de staat van zijn innerlijk genoemd, omdat hij dan in het innerlijk is geleid, dat tot zijn gemoed of tot zijn wil en zijn gedachten behoort. Zijn uiterlijk, waarin hij in de eerste staat was, slaapt. Wanneer men acht slaat op het leven van de mens en op zijn gesprekken en handelingen, dan zal men bemerken dat iedereen een uiterlijk en een innerlijk heeft, of uiterlijke en innerlijke gedachten en voornemens bezit. Dit moge hieruit duidelijk worden: iedereen die in een beschaafde maatschappij leeft, denkt over anderen naar hetgeen hij heeft gehoord en ervaren, hetzij door anderen, hetzij door zichzelf. Hij spreekt echter niet met hen naar hetgeen hij over hen denkt, maar behandelt hen beleefd, al zijn zij slecht van karakter. Dit loopt bijzonder in het oog bij de verwaanden en vleiers, die geheel anders handelen dan zij denken en willen; vooral bij huichelaars, die omtrent God, omtrent de hemel, de zaligheid van de zielen, over de waarheden van de kerk, over het goede van hun vaderland en over hun naasten spreken, alsof zij spraken onder de invloed van geloof en liefde, maar met hun hart niets geloven van hetgeen zij zeggen en niemand anders dan zichzelf liefhebben. Hieruit is het duidelijk dat er tweerlei gedachten bestaan, innerlijke en uiterlijke; dat zulke mensen spreken naar hun uiterlijke gedachten, terwijl zij naar hun innerlijke gedachten andere gevoelens koesteren, dat deze tweerlei gedachten wel van elkaar zijn onderscheiden, en dat er bijzonder zorg wordt gedragen dat het innerlijk niet op de een of andere wijze in het uiterlijk invloeit en daaruit zou blijken. De mens is zo geschapen dat zijn innerlijke gedachten met zijn uiterlijk door overeenstemming n geheel zouden vormen en bij hen die in het goede zijn gegrond, is dit ook werkelijk zo; want zij denken niets dan goed en spreken daarmee overeenkomstig. Maar bij hen die aan het kwade zijn onderworpen, zijn de innerlijke en uiterlijke gedachten niet n, want zij denken het kwade en bespreken het goede. Bij hen is de orde omgekeerd, want het goede is buiten en het kwade binnen in hen; daarom heerst bij hen het kwade over het goede en onderwerpt dit aan zich gelijk een knecht, opdat het dienstbaar zou zijn als een middel tot bereiking van zijn doel, dat het doel is van zijn liefde. En omdat er zulk een doel ligt in het goede dat zij doen en zeggen, is het duidelijk dat hun goede niet goed is, maar aangestoken is met kwaad; hoezeer het ook uiterlijk goed schijnt voor hen die niet bekend zijn met hun innerlijk. Met hen die in het goede zijn, is het zo niet. Bij hen is de orde niet omgekeerd; maar uit hun innerlijke gedachte vloeit het goede in hun uiterlijke en dus ook in hun spreken en handelen. Dit is de orde waarin de mens is geschapen, want zo is zijn innerlijk in de hemel en in het licht van de hemel, en omdat het licht van de hemel de Goddelijke waarheid is die voortkomt van de Heer (zie nr. 126-140), worden zij door de Heer geleid. Deze dingen zijn vermeld, opdat het bekend mag zijn dat ieder mens innerlijke en uiterlijke gedachten heeft, en dat deze van elkaar zijn onderscheiden. Als de gedachte wordt genoemd, is ook de wil bedoeld, omdat de gedachte voortkomt uit de wil; want zonder wil kan niemand denken. Uit deze opmerkingen is duidelijk, wat de uiterlijke en wat de innerlijke staat van de mens is.

500. Als er gesproken wordt over de wil en over de gedachte, dan wordt onder wil ook liefde en genegenheid verstaan, met alle blijdschap en genoegens die ermee verbonden zijn; want de aandoeningen van de liefde hebben betrekking op de wil als uitgangspunt, omdat de mens wat hij wil liefheeft en dat ook als genotvol en aangenaam voelt, en omgekeerd, dat hij wil wat hij liefheeft en wat hem aangenaam en genotvol is. Onder gedachte is bedoeld elke vorm waarin hij zijn aandoening of liefde bevestigt; want de gedachte is niets anders dan de vorm van de wil, of datgene waarbij de wil openbaar wordt gemaakt. Deze vorm wordt samengesteld uit verschillende verstandelijke onderdelen (analyses rationales), die hun oorsprong ontlenen aan de geestelijke wereld en eigenlijk tot de menselijke geest behoren.

501. Men moet wel in acht nemen dat de mens geheel zodanig is, als hij is naar zijn innerlijk en niet zoals hij naar het uiterlijk is wanneer dit van zijn innerlijk gescheiden is; want het innerlijk behoort tot zijn geest, en het leven van de mens is het leven van de geest, want door die geest leeft het lichaam. Daarom, wat de mens innerlijk is, dat blijft hij eeuwig. Maar omdat het uiterlijke ook tot het lichaam behoort, wordt dit na de dood van hem gescheiden, en dat gedeelte dat zijn geest aanhangt, wordt in slaap gebracht, en dient alleen tot basis van het innerlijk, zoals boven werd aangetoond bij de behandeling van de voortduring van het menselijk geheugen na de dood. Hieruit blijkt wat al of niet werkelijk tot de mens behoort. De uiterlijke gedachten van zijn spreken, en de uiterlijke wil van zijn handelen zijn niet het eigendom van de kwade, maar wel wat hij innerlijk denkt en wil.

502. Na de vervulling van zijn eerste staat, die een uitwendige staat is, waarover in het vorige hoofdstuk werd gehandeld, wordt de geest-mens in de staat van zijn innerlijk geleid, of in de staat van zijn innerlijke wil en daaruit voortkomende gedachten, waarin hij reeds in de wereld was als hij aan zichzelf was overgelaten om vrij en zonder bedwang te denken. Onbewust gaat hij in deze staat over, zoals hij bijvoorbeeld in de wereld de gedachte, die aan zijn spreken het naast ligt, of de gedachte, waaruit hij spreekt, naar het innerlijk terugtrekt en daarin blijft. Als de geest-mens nu in deze staat is, is hij in zichzelf en in zijn ware leven; want vrij denken, uit aandoeningen die uitsluitend zijn eigendom zijn, is het ware leven van de mens en de mens zelf.

503. Een geest die in deze staat is, denkt uit zijn werkelijke wil, dus uit zijn werkelijke aandoening of uit zijn werkelijke liefde. Dan vormen zijn gedachten en wil n geheel, en wel zo'n geheel dat hij bijna niet schijnt te denken, maar alleen te willen. Het is bijna hetzelfde met het spreken, alleen met dit verschil, dat hij spreekt met een zekere angstvalligheid dat de gedachten van zijn wil naakt zullen ontsnappen; want zijn wil heeft deze gewoonte aangenomen gedurende zijn leven in de wereld.

504. Alle mensen zonder uitzondering worden na de dood in deze staat geleid, omdat het de eigen staat van hun geest is. De vorige staat is die van de menselijke geest wanneer hij in verkeer is met anderen, en is dus niet werkelijk zijn eigendom. Dat deze staat van het uitwendige, waarin de mens na zijn dood het eerst komt, zoals in het vorige hoofdstuk werd getoond, niet zijn eigen is, kan uit vele dingen blijken, zo bijvoorbeeld hieruit, dat geesten niet alleen denken maar ook spreken uit eigen genegenheid, want hun spraak is uit die genegenheid, zoals werd aangetoond in het hoofdstuk over de spraak van de engelen (zie nr. 234-245). De mens dacht ook op die wijze in de wereld wanneer hij in zichzelf dacht, omdat hij dan niet over de woorden van zijn mond dacht, maar de onderwerpen zelf in zijn geest zag, en hij zag dan in n minuut meer dan hij later in een half uur kon uitspreken. Dat de uiterlijke staat niet het eigendom van de mens is, noch het eigendom van zijn geest, is ook hieruit duidelijk, dat hij gedurende zijn leven in de wereld, in verkeer met anderen spreekt volgens de wetten van het zedelijk en burgerlijk leven, en zijn innerlijke gedachte dan heerst over de uiterlijke, gelijk de ene mens over de andere, opdat die de grenzen van de achtbaarheid en eerbaarheid niet zal overschrijden. Verder hieruit, dat de mens in zichzelf overlegt hoe hij moet spreken en handelen om te behagen, vriendschap te winnen, goedwilligheid en gunst te verwerven. Hij doet dit op een wijze die aan zijn natuur vreemd is; hij spreekt dus anders dan hij doen zou indien hij uit vrije wil sprak. Het is hieruit duidelijk, dat de staat van zijn innerlijk, waarin de geest geleid wordt, zijn eigen staat is en ook zijn eigen staat was toen hij nog in de wereld verkeerde.

505. Als de mens in de staat van zijn innerlijk is, dan wordt het duidelijk van welke aard de mens innerlijk was in de wereld, want hij handelt dan uit zijn eigen zelf. Hij die tijdens zijn leven op aarde innerlijk in het goede was, handelt dan redelijk en wijs en inderdaad verstandiger en wijzer dan in de wereld, omdat hij losgemaakt is van het lichaam en van aardse dingen die duisternis veroorzaken en als het ware een wolk daartussen plaatsen. Hij echter die vroeger in het kwade was, handelt dan meer dwaas en krankzinnig dan hij deed in de wereld, omdat hij nu geheel vrij is, zonder enige band; want toen hij daar was, scheen hij voor het uiterlijke verstandig, omdat hij zich daarin als een verstandig mens voordeed, maar nu hij van het uiterlijke is ontdaan, wordt zijn krankzinnigheid openbaar. De slechte mens, die uiterlijk het voorkomen van een goede heeft, kan vergeleken worden met een vaas die uitwendig gepolijst is en glinstert en met een overdekking bedekt, maar waarin van binnen allerlei vuile stoffen verborgen zijn, zoals de Heer zegt: Gij zijt de gepleisterde graven gelijk, die van buiten wel mooi schijnen, maar van binnen zijn ze vol doodsbeenderen en alle onreinheid. (Matthes 23:27)

506. Allen die in de wereld goed hebben geleefd en volgens hun geweten hebben gehandeld, zij namelijk die het Goddelijke hebben erkend en die de Goddelijke waarheden hebben liefgehad, vooral diegenen die ze op hun leven hebben toegepast, schijnen zich zelf toe, wanneer zij in hun innerlijke staat verplaatst worden, als ontwaakten zij uit de slaap, of als traden zij uit de schaduw in het licht. Zij denken ook uit het licht van de hemel en dus uit innerlijke wijsheid; zij handelen uit het goede en dus uit innerlijke aandoening; ook vloeit de hemel in hun gedachten en aandoeningen in met een innerlijk gevoel van zaligheid en blijdschap, als waarvan zij vroeger geen denkbeeld hadden; want zij hebben nu gemeenschap met de engelen van de hemel. Ook erkennen zij dan de Heer en aanbidden Hem uit hun eigen leven; want zij zijn in hun eigenlijk leven wanneer zij in de staat van hun innerlijk zijn, zoals zoven in nr. 505 gezegd werd. Zij erkennen en aanbidden Hem in vrijheid, want vrijheid behoort tot de innerlijke genegenheid. Zodoende onttrekken zij zich ook aan de staat van de uiterlijke heiligheid en komen in die van de innerlijke heiligheid, waarin de ware aanbidding werkelijk bestaat. Zodanig is de staat van hen die een Christelijk leven hebben geleid, overeenkomstig de geboden van het Woord. Het leven echter van hen die kwaad en zonder geweten hebben geleefd, en tengevolge daarvan het Goddelijke hebben geloochend, is juist het tegenovergestelde. Want allen die in kwaadheid leven, ontkennen innerlijk in zichzelf het Goddelijke, hoezeer zij in hun uitwendige gedachten ook mogen denken, dat zij niet loochenen, maar erkennen; omdat de erkenning van het Goddelijke en een leven in het kwade tegenovergesteld zijn. Wanneer zulke personen in het andere leven in de staat van hun innerlijk komen, doen zij, wanneer men hen hoort spreken of ziet handelen, evenals zotten; want onder de invloed van hun boze lusten, breken zij uit in gruwelijke uitspattingen, zoals lastering, spot, kwaadspreken, haat, wraak, en het ontwerpen van bedrieglijke listen, die sommigen met zoveel geslepenheid en boosheid beramen, dat men zou geloven dat zoiets niet in het innerlijk van een mens bestaan kon; want zij zijn in deze staat vrij om naar de gedachte van hun wil te handelen, daar zij ontdaan zijn van hun uiterlijk, dat hen in de wereld in toom hield. In n woord, zij zijn ontbloot van redelijkheid, omdat de rede die zij in de wereld bezaten, haar zetel niet had in hun innerlijk, maar alleen in hun uiterlijk, en toch verbeelden zij zich dan boven alle anderen wijs te zijn. Omdat zij dit karakter hebben, worden zij in deze tweede staat soms voor een korte tijd in hun uiterlijke staat teruggebracht met herinnering aan de handelingen, die zij in hun staat van het innerlijk hadden begaan. Sommigen worden dan beschaamd over zichzelf en bekennen dat zij dwaas zijn geweest. Anderen zijn niet beschaamd, en sommigen zijn kwaad dat het hun niet geoorloofd is voortdurend in hun uiterlijke staat te blijven. Aan deze werd dan getoond hoedanig zij zouden zijn, indien zij aanhoudend in die staat bleven; zij zouden dan heimelijk met gelijke gruwelijke daden omgaan en onder de schijn van goedheid, oprechtheid en rechtvaardigheid, de eenvoudigen van hart en geloof verleiden en ook zichzelf totaal verwoesten; want de brand die in hun binnenste woedde, zou ten laatste ook hun uiterlijk aangrijpen en hun gehele leven verteren.

507. In de tweede staat blijkt van de geesten duidelijk welke mensen zij innerlijk in de wereld waren. Zij maken dan openbaar wat zij in het verborgen hadden gezegd en gedaan; omdat nu geen uiterlijke overwegingen hen weerhouden, zeggen zij die dingen openlijk en handelen zij eveneens zonder enige vrees voor hun naam, zoals in de wereld. Ook worden zij dan in vele staten geleid van hun vroegere boosheden, opdat het aan engelen en goede geesten mag blijken welke wezens zij zijn. Op deze wijze worden de verborgen dingen openbaar en het heimelijke ontdekt, zoals de Heer heeft gesproken: En er is niets bedekt dat niet zal ontdekt worden, en niets verborgen dat niet zal geweten worden. Daarom al wat gij in de duisternis gezegd hebt, zal in het licht gehoord worden; en wat gij in het oor gesproken hebt in de binnenkamers, zal op de daken gepredikt worden. (Lucas 12:2,3) Maar ik zeg u, dat van elk ijdel woord dat de mensen gesproken hebben, zij daarvan rekenschap zullen geven in de dag des oordeels. (Matthes 12:36)

508. Hoedanig in deze staat de kwaden zijn, kan met weinig woorden niet gezegd worden, omdat ieder dan aan zijn eigen lusten is overgegeven, en deze er vele zijn. Ik zal daarom slechts enige voorvallen mededelen, waardoor men over de anderen kan oordelen. Zij die voornamelijk zichzelf hebben bedoeld en in alle betrekkingen en handelingen alleen hun eer voor ogen hadden en nut hebben gesticht, niet om het nut zelf en omdat zij daarin vreugde voelden, maar om er naam door te maken en hoger dan anderen geacht te worden, en vreugde gevoeld hadden in de verbreiding van hun roem, deze zijn in de tweede staat stompzinniger dan anderen. Want naarmate iemand zichzelf liefheeft, verwijdert hij zichzelf van de hemel en naarmate hij verwijderd is van de hemel, is hij ook verwijderd van de wijsheid. Zij echter die tegelijk door eigenliefde en listigheid zijn ingenomen en die zich door kunstgrepen in ereplaatsen hebben gewerkt, verbinden zich met het allerslechtste gezelschap en leren toverkunsten, die een misbruik zijn van de Goddelijke Orde, waardoor zij iedereen die hun geen eer bewijst, onrecht doen en kwellen. Zij leggen strikken, koesteren haat, branden van wraak en wreedheid jegens allen die hen niet onderworpen zijn en in dit alles storten zij zichzelf zo ver in als het kwade hen begunstigt. Tenslotte overleggen zij hoe zij kunnen opklimmen naar de hemel om die te verwoesten, of zich daar als goden te laten aanbidden. Tot zulk een hoogte stijgt hun waanzin. Dezulken onder hen, die tot de Pauselijke godsdienst hebben behoord, zijn meer uitgelaten dan anderen, want zij menen dat de hemel en de hel hun onderworpen zijn en dat zij de zonden van het volk naar welgevallen kunnen vergeven. Zij matigen zich alle Goddelijke eigenschappen aan en noemen zich Christus. Hun waan dat dit zo is, is zo sterk, dat waar die indringt, het gemoed wordt verstoord en een duisternis veroorzaakt tot pijnlijkheid toe. Deze geesten zijn in beide staten tamelijk gelijk, maar in de tweede is hun redelijkheid weg, maar van hun razernij en van hun lot na deze staat zal nog in het bijzonder iets gezegd worden in het werkje: Over het laatste oordeel en het verwoeste Babylon. Zij die de Schepping toeschreven aan de natuur en, alhoewel niet met de lippen maar in het hart, het Goddelijke en dus ook alle dingen omtrent de kerk en de hemel loochenen, verbinden zich in deze staat met hun gelijken en noemen iedereen God die in sluwheid uitmunt en bewijzen hem Goddelijke eer. Ik zag een aantal van die geesten in een samenkomst een tovenaar aanbidden; zij twistten over de natuur en gedroegen zich zo waanzinnig, dat zij beesten leken in menselijke vorm. Toch waren onder hen mannen van hoge rang in de wereld, en sommigen die voor geleerden en wijzen doorgingen, en zo waren anderen met verscheidenheid. Uit deze weinige voorbeelden mag blijken hoedanig zij moeten zijn van wie het innerlijk gemoed was gesloten voor de invloed van de hemel, zoals dit het geval is met allen die in het geheel geen invloeiing uit de hemel opnemen door erkenning van het Goddelijke en een leven van het geloof. Iedereen mag beoordelen hoedanig hij zou zijn als hij geheel vrij handelen durfde, zonder vrees voor de wet of voor zijn leven, vrij van alle uiterlijke banden, zoals vrees voor zijn naam of eer of winst en het aangename daaraan verbonden. De uitgelatenheid van zulke geesten is echter onder het toezicht van de Heer, zodat zij de grenzen van hun nut niet te buiten gaan; want ook zij dienen nog een nut. Goede geesten zien in hen wat kwaad is en hoe de mens zou zijn indien hij niet geleid werd door de Heer. Een nut is ook dat gelijksoortige kwade geesten bijeen vergaderd en afgescheiden worden van de goeden, en ook dat het ware en het goede dat de kwaden uiterlijk hebben en laten zien en voorwenden, van hen zou worden weggenomen, en zij aan zichzelf zouden worden overgegeven in de leugen van hun kwaad en zo zouden voorbereid worden voor de hel. Want niemand gaat naar de hel voordat hij in zijn eigen kwaad en in het valse van zijn kwaad is, omdat het niet past dat men daar nog verdeeld is van gemoed, of dat men over het een denkt en spreekt en het andere wil. Daar moet iedere kwade geest de leugen, afgeleid van het kwaad, bedenken en bespreken en beide doen volgens zijn wil, dus uit zijn eigenlijke liefde met blijdschap en vermaak, juist zoals hij deed in de wereld wanneer hij dacht in zichzelf, dat is in zijn geest, vanuit zijn innerlijke aandoening. Want de wil is de mens zelf, niet zo de gedachte, tenzij die voortkomt door de wil. De wil is de ware menselijke natuur of zijn bestaan, zodat overgave aan zijn wil een overgave is aan zijn eigen natuur en zijn eigen leven; want de mens neemt een natuur aan gedurende zijn leven en de mens blijft na de dood die natuur bij, die hem eigen was tijdens zijn leven op de aarde en die natuur van de boze kan daar dus niet meer verbeterd of veranderd worden door middel van de gedachten of het verstand van de waarheid.

509. Daar in deze tweede staat kwade geesten tot allerlei misdaden toesnellen, gebeurt het dikwijls dat zij streng worden gestraft. In de geestenwereld bestaan verschillende straffen en er wordt geen onderscheid van persoon gemaakt, of iemand nu in de wereld een koning dan wel een dienstknecht geweest is. Elk kwaad draagt zijn straf in zich - beide gaan samen. Wie dus deelgenoot is aan het kwaad is ook deelgenoot aan de straf. Niemand wordt er echter gestraft voor kwaad dat hij in de wereld heeft gedaan, maar voor hetgeen hij daar doet. Het komt evenwel op hetzelfde neer of men zegt dat de boze gestraft wordt voor zijn kwaad in de wereld, dan wel voor het kwaad in het andere leven; want ieder keert na de dood tot zijn eigen leven terug en dus tot soortgelijke boosheden, terwijl zijn natuur zodanig blijft als zijn leven was in het lichaam (zie nr. 470-484). De reden waarom zij gestraft worden is, omdat de vrees voor straf het enige middel is om boosheden in deze staat te onderdrukken. Vermaningen, onderwijs, vrees voor de wet en voor hun naam, zijn niet langer van nut; want iedereen handelt nu overeenkomstig zijn natuur die niet beteugeld of verbroken kan worden, tenzij door straf. Goede geesten worden echter niet gestraft, ofschoon zij in de wereld kwaad hebben gedaan; want hun kwaad keert niet terug. Ook werd mij gezegd dat hun kwaad van een andere aard was dan dat van de bozen, omdat zij daarin niet met opzet handelden tegen de waarheid, noch uit een ander slecht hart dan wat zij van hun ouders hadden overgerfd, waarin zij werden geleid door een blind vermaak wanneer zij in hun uiterlijk waren, afgescheiden van hun innerlijk.

510. Ieder gaat naar zijn eigen gezelschap, waarin zijn geest reeds in de wereld was, want ieder mens is namelijk met zijn geest verenigd met een gezelschap uit de hemel of uit de hel; een slecht mens met een hels gezelschap, een goede met een hemels gezelschap, waarheen hij na zijn dood terugkeert (zie nr. 438). Door achtereenvolgende stappen wordt de geest nader gebracht tot dat gezelschap, totdat hij tenslotte er intreedt. Als een kwade geest in de staat van zijn innerlijk is, wordt hij trapsgewijs naar zijn gezelschap gekeerd en tenslotte regelrecht daarheen, nog voor zijn staat is geindigd. Is dat einde daar, dan werpt hij zichzelf uit eigen beweging naar zijn gelijken in de hel. Als hij werkelijk zichzelf neerwaarts werpt, schijnt het voor het oog alsof hij hals over kop met het hoofd naar beneden en met de voeten omhoog neervalt; de reden hiervan is, dat hij de orde heeft omgekeerd omdat hij de helse dingen heeft liefgehad en de hemelse heeft verworpen. Sommige bozen gaan in hun tweede staat beurtelings de hellen in en komen er weer uit; maar deze schijnen dan niet ondersteboven te vallen zoals zij die ten volle zijn bedorven. Het gezelschap waarmee reeds in de wereld hun geest was verbonden, wordt hun reeds in hun uiterlijke staat getoond, opdat zij weten zouden dat zij tijdens hun leven in het lichaam, reeds met de hel verbonden waren. Zij waren echter toen nog niet gelijk aan de bewoners van de hel zelf, maar met die van de geestenwereld. De staat van hen, in vergelijking tot die van hen die in de hel zijn, zal in een volgend hoofdstuk worden aangetoond.

511. De scheiding tussen kwade en goede geesten wordt volbracht in deze tweede staat. In de eerste staat blijven zij tezamen omdat de geest in zijn uiterlijk nog handelt zoals in de wereld, waar slechten en goeden met elkaar omgaan. Is hij aan zijn innerlijk en aan zijn eigen natuur of wil overgelaten, dan houdt dit op. De scheiding van de kwade geesten van de goede wordt langs verschillende wegen volbracht. Zij worden gewoonlijk rondgeleid tot die gezelschappen waarmee zij door goede gedachten en aandoeningen in de eerste staat verenigd waren, en wel tot zulke die hen, naar hun uiterlijk, voor niet kwaad hadden aangezien. Meestal worden zij rondgevoerd in een wijde kring en overal wordt aan de goede geesten getoond van welke aard zij zijn. Als deze hen zien, keren zij zich van hen af en de kwade geesten wenden zich wederkerig van de goede af naar de streek waar hun hels gezelschap is, waar zij later heengaan. De vele andere wegen om de scheiding te bewerken, gaan wij stilzwijgend voorbij.

.

top

DE DERDE STAAT VAN DE MENS NA DE DOOD, WELKE DE STAAT IS VAN ONDERWIJZING VOOR HEN DIE NAAR DE HEMEL GAAN

512. De derde staat van de mens of zijn geest, na de dood, is de staat van onderwijzing. Deze staat is voor hen die naar de hemel gaan en engelen worden, maar niet voor hen die naar de hel gaan, omdat zij er onvatbaar voor zijn. Hun tweede staat is daarom ook de derde, die daarin eindigt dat zij geheel tot hun eigen liefde en dus tot het helse gezelschap dat in gelijke liefde is, worden gekeerd. Is dit bereikt, dan willen en denken zij uit die liefde die hels is. Zij willen dan niets dan kwaad, bedenken niets dan leugen, en verblijden er zich over omdat het voorwerpen zijn van hun liefde. Zij verwerpen daarom al wat goed is en waar, omdat zij dit slechts van tevoren hadden aangenomen, terwijl het aan hun liefde dienstbaar was. De goeden worden echter van de tweede staat in een derde geleid, die door het onderwijs daar hun voorbereiding is voor de hemel; want niemand kan voorbereid worden voor de hemel dan door de kennis van goed en waar, dus niet zonder onderwijs, omdat niemand weten kan wat geestelijk goed en waar is, noch wat de tegenstellingen tussen kwaad en leugen zijn, dan door onderwijs. Wat burgerlijk en zedelijk goed en waar is, zoals rechtvaardigheid en oprechtheid, mag in de wereld gekend worden; want de burgerlijke wetten leren wat recht is en er is maatschappelijke omgang die de mens leert leven naar de zedelijke wetten die alle betrekking hebben op hetgeen zuiver en oprecht is, maar geestelijk goed en waar worden niet door de wereld maar door de hemel geleerd. Wat zij zijn, kan weliswaar gekend worden door het Woord en de leer van de kerk die afgeleid is van het Woord; maar zij kunnen niet ingaan in het leven, tenzij de mens, wat zijn innerlijk betreft, in de hemel is. De mens is in de hemel wanneer hij het Goddelijke erkent en tegelijk recht en zuiver handelt, omdat dit bevolen is in het Woord. Zodanig leeft hij rechtvaardig en spreekt hij terwille van het Goddelijke en niet uit eigen - of wereldliefde. Niemand kan zo handelen tenzij hij onderwezen is in waarheden als deze: dat er n God is, dat er een hemel is en een hel, dat er een leven is na de dood, dat men God lief moet hebben boven alles en zijn naaste als zichzelf, en dat de dingen die in het Woord staan, geloofd moeten worden omdat het Woord Goddelijk is. Zonder kennis en erkenning van deze dingen kan de mens niet geestelijk denken, en zonder gedachten daarover wil hij ze ook niet; want zonder bekendheid ermee kan hij er niet over denken, en waarover hij niet denkt, kan hij niet willen. Wanneer daarom deze waarheden voorwerpen zijn van de menselijke gedachten, dan gaat de hemel tot hem in, dat is, de Heer gaat door de hemel in tot zijn leven; want Hij gaat in tot zijn wil en door deze tot zijn gedachten, en door beide tot zijn leven; want het gehele leven van de mens is uit zijn wil en zijn gedachte. Uit deze opmerking blijkt dat het geestelijk goede en ware niet door de wereld worden geleerd, maar door de hemel en dat niemand voor de hemel kan worden voorbereid, tenzij door onderwijs. Naarmate daarom de Heer tot iemands leven invloeit, onderwijst Hij hem, daar Hij in zijn wil liefde voor de kennis van de waarheid ontsteekt en z zijn gedachten verlicht, dat hij in staat is om haar te kennen, en naarmate dit is bereikt, is het innerlijk van de mens geopend en is de hemel in hem ingeplant. Goddelijke en hemelse beginselen vloeien voortaan in de handelingen van zijn zedelijk leven en in de rechtvaardige handelingen die tot zijn burgerlijk leven behoren, en delen er een geestelijke natuur aan mee; want hij handelt dan uit het Goddelijke, dat is ter wille van het Goddelijke. De zuivere en oprechte handelingen van zijn zedelijk en burgerlijk leven, die van deze oorsprong zijn, zijn de uitwerkingen van het geestelijk leven zelf, en de uitwerkingen ontlenen alles wat zij hebben aan de dadelijke oorzaak, want zoals de oorzaak is, zo is ook de werking.

513. De onderwijzingen worden gegeven door de engelen van vele gezelschappen, in het bijzonder door hen die in de noordelijke en zuidelijke streken zijn, omdat zij in inzicht en wijsheid zijn, die ontsproten is uit de kennis van goed en waar. De plaatsen van onderwijs zijn noordelijk gelegen, zijn van verschillende beschrijving en zijn geregeld en onderscheiden naar de soort en de aard van het hemelse goede, opdat iedereen onderwijs zou kunnen ontvangen naar gelang zijn aanleg en vatbaarheid. Deze plaatsen breiden zich tot een aanmerkelijke uitgestrektheid in alle richtingen uit en de goede geesten die daar zullen onderwezen worden, worden daarheen geleid door de Heer na de voltooiing van hun tweede staat in de geestenwereld. Allen gaan evenwel niet daarheen, want zij die in de wereld onderwijs hadden ontvangen, waren daar ook door de Heer voor de hemel voorbereid en gaan langs een andere weg naar de hemel. Sommigen van hen gaan er onmiddellijk heen na de dood, anderen na een kort oponthoud bij de goede geesten, waar het grove uit hun denkbeelden, als een gevolg van eer en rijkdom in de wereld, wordt verwijderd en hun zuivering voltooid wordt; anderen ondergaan eerst een loutering die geschiedt in plaatsen onder de voetzolen, die de onderwereld wordt genoemd; sommigen ondergaan dan een zwaar lijden. Het zijn deze die zich in valsheden hebben bevestigd en toch een goed leven hebben geleid; want valsheden, indien men er zich in bevestigd heeft, hechten zich met veel kracht, en tenzij zij verwijderd worden, kan de waarheid niet worden gezien en dus ook niet worden ontvangen. Maar het onderwerp van de louteringen (vastationes) en de wijze waarop zij bewerkt worden, is in de Hemelse Verborgenheden behandeld.

514. Allen die in de plaatsen van onderwijs zijn, wonen afzonderlijk, want iedereen is ten opzichte van zijn innerlijk verbonden met het gezelschap van de hemel waar hij heen zal gaan. Zoals nu de hemelse gezelschappen geordend zijn overeenkomstig de vorm van de hemel (zie nr. 200212) zo ook de plaatsen waar onderwijs wordt gegeven; zij lijken daarom, wanneer die plaatsen van de hemel uit gezien worden, een hemel in het klein. In de lengte lopen zij van Oost tot West, en in de breedte van Zuid tot Noord; de breedte schijnt korter dan de lengte. In het algemeen is de orde als volgt. Vooraan zijn zij die als kinderen zeer jong stierven en tot hun vroege jeugd in de hemel werden opgevoed en die, na de staat van hun kindsheid te hebben doorlopen, met hen die voor hen zorgden door de Heer hierheen gebracht en onderwezen worden. Achter hen zijn zij die in rijpe leeftijd stierven en die bevestigd waren in liefde tot de waarheid uit het goede van het leven. Achter deze zijn de Mohammedanen die in de wereld een zedelijk leven hadden geleid, n God erkenden en de Heer als profeet beschouwden. Wanneer deze van Mohammed afvallen, omdat hij hen geen hulp kan verlenen, komen zij tot de Heer, aanbidden Hem, erkennen zijn Goddelijkheid en worden dan onderwezen in de Christelijke godsdienst. Achter hen, meer noordelijk, zijn de plaatsen voor onderwijs van verschillende heidense volkeren die in hun leven overeenkomstig hun godsdienst goed hebben geleefd en daardoor een zeker geweten hebben verkregen; die recht en oprecht hebben gehandeld, niet zozeer uit gehoorzaamheid aan de wetten van hun land, dan wel aan die van hun godsdienst, in het geloof dat deze behoren heilig gehouden en niet geschonden te worden. Na onderwezen te zijn, worden deze allen gemakkelijk tot de erkenning van de Heer gebracht, omdat zij in hun hart hebben geloofd dat God niet onzichtbaar is, maar zichtbaar onder een menselijke vorm. Deze overtreffen in getal al de overigen; de beste van hen komen uit Afrika.

515. Allen worden echter niet op dezelfde wijze onderwezen noch door dezelfde hemelse gezelschappen. Zij die in hun kindsheid in de hemel zijn opgevoed, worden door engelen uit de binnenste hemelen onderwezen, omdat zij geen onwaarheden van godsdienstige leugen hebben ingezogen, noch hun geestelijk leven hebben besmet door bedorvenheden van eer en rijkdom van de wereld. Zij die op rijpere leeftijd zijn gestorven, worden meestal allen onderwezen door engelen uit de laagste hemel, die hiervoor meer geschikt zijn dan de engelen uit de binnenste hemelen die bevestigd zijn in innerlijke wijsheid, die zulke geesten nog niet kunnen bevatten. De Mohammedanen worden onderwezen door engelen die van die godsdienst tot het Christendom waren bekeerd. Zij die de heidenen onderwezen, waren engelen die zelf heidenen waren geweest.

516. Alle onderwijs wordt daar gegeven door een leer die getrokken is uit het Woord, maar niet door het Woord zonder leer. Christenen worden onderwezen door hemelse leer die in elk opzicht met de innerlijke zin van het Woord overeenkomt; alle anderen, ook Mohammedanen en heidenen, door een leer die berekend is naar hun vatbaarheid, die alleen van de leer van de hemel daarin verschilt, dat in haar het geestelijk leven wordt onderwezen door middel van het zedelijk leven, in overeenstemming met het goede in hun godsdienst, waardoor hun leven in de wereld was gevormd.

517. De manier van onderwijs in de hemelen verschilt van die op aarde hierin, dat de kennis niet medegedeeld wordt aan het geheugen, maar aan het leven; want het geheugen van de geesten bestaat in hun leven, daar zij al wat met hun leven overeenkomt, ontvangen en in zich opnemen, maar niet ontvangen en nog minder in zich opnemen hetgeen er niet mee overeenkomt. De reden daarvoor is dat geesten aandoeningen zijn en daarom in menselijke vorm gelijk aan hun aandoeningen bestaan. Omdat nu hun natuur zo is, wordt de genegenheid voor waarheid hen onophoudelijk ingeboezemd ter wille van het nut van het leven. Want de Heer zorgt ervoor dat iedereen zal liefhebben wat geschikt is voor zijn aanleg, welke liefde wordt aangespoord door de hoop om een engel te worden. Daar al wat in de hemel als nuttig wordt beschouwd, betrekking heeft op het algemene nut, dat is van het rijk van de Heer, daar dit rijk hun vaderland is, en omdat alle speciale en bijzondere nutten uitmuntend zijn naarmate dat zij meer van nabij en meer volkomen dat algemeen nut beogen, daarom zijn alle speciale en bijzondere nuttigheden, en die zijn ontelbaar, goed en hemels. Hierom is in ieder de genegenheid voor waarheid verenigd met genegenheid voor het nut, zodat zij n uitmaken; hierdoor wordt waarheid in het nut ingeplant, zodat de waarheden die zij leren, waarheden zijn van nut. Op deze wijze worden engelen geesten onderwezen en voorbereid voor de hemel. De genegenheid om de waarheid nuttig te laten zijn, wordt hen ingegeven door verschillende middelen, die meestal onbekend zijn in de wereld. Dit geschiedt vooral door voorstellingen van nut die in de geestelijke wereld langs duizenden wegen verkregen worden en die vergezeld gaan met zulke verblijdende en genoeglijke gewaarwordingen, die de geest doordringen van het innerlijk van zijn gemoed tot het uiterlijk van zijn lichaam en dus hem geheel aandoen. Op deze wijze wordt de geest als het ware zijn eigen nut, en als hij dus zijn eigen gezelschap ingaat, waarin hij door zijn onderwijs is ingeleid, is hij in de verheuging van zijn leven als hij in het gebruik is van dat nut. Uit deze opmerkingen mag duidelijk zijn, dat kundigheden, die uiterlijke waarheden zijn, geen grond zijn voor het ingaan in de hemel, maar wel het leven dat het leven van het nut is, dat door kundigheden wordt ingeplant.

518. Er waren sommige geesten die zich door hun gedachten in de wereld hadden voorgesteld dat zij in de hemel zouden komen en vr anderen zouden worden toegelaten, omdat zij geleerd waren en veel kennis van het Woord en van de leer van hun kerk hadden opgedaan. Daarom meen den zij wijs te zijn en te behoren tot hen van wie gezegd is, dat zij zullen blinken gelijk de zon en als de sterren (Danil 12:3). Maar zij werden onderzocht of hun kennis in hun geheugen of in hun leven bestond. Zij die in oprechte liefde voor de waarheid of in de waarheid om haar nut, afgezien van lichamelijk of werelds voordeel, dus in innerlijk, geestelijk nut waren bevestigd, werden na hun onderwijzing opgenomen in de hemel. Het werd hen dan gegeven om te weten wat het is dat in de hemel schijnt, en dat het inderdaad de Goddelijke waarheid is, die het licht is van de hemel, in nut. Dit nut is de grondslag, die de stralen van het licht van de hemel opneemt en in prachtige, verschillende kleuren verandert. Zij echter bij wie kennis alleen in hun geheugen bestond en die een zekere bekwaamheid hadden opgedaan om over de waarheid te redeneren ter bevestiging van hetgeen zij als vaste beginselen hadden aangenomen en na hun bevestiging voor waarheden hadden aangezien, ofschoon ze vals waren aangezien zij in geen hemels licht waren, en die toch door eigenwaan, die gewoonlijk zon inzicht aankleeft, meenden dat zij meer geleerd waren dan anderen en daarom naar de hemel zouden gaan en door de engelen gediend zouden worden, werden om hen van deze noodlottige verbeelding te verlossen tot de eerste of laagste hemel opgenomen, als om in enige engelengezelschappen ingeleid te worden. Maar toen zij nog bij de ingang waren, begonnen hun ogen te verduisteren door het indringende hemelse licht, hun kennis werd daarna verward en zij begonnen tenslotte naar adem te hijgen, als op het punt om te stikken. En toen zij de hitte van de hemel ondervonden, namelijk de hemelse liefde, voelden zij een innerlijke marteling. Zij werden daarom naar beneden geworpen en later werd hen geleerd, dat het geen kundigheden zijn die de engel vormen, maar het leven dat door middel daarvan wordt verkregen; want kennis is op zichzelf beschouwd buiten de hemel, maar het leven dat door haar wordt verkregen, is er thuis.

519. Nadat de geesten door onderwijs voor de hemel toebereid zijn in de plaatsen hierboven beschreven, wat in korte tijd geschiedt, omdat zij in het bezit zijn van geestelijke denkbeelden die vele zaken ineens bevatten, dan worden zij bekleed met de kleding van de engelen die meestal wit is, als van fijn wit linnen. Zij worden dan op een weg geleid die oploopt naar de hemel en onder de zorg van engelen gesteld; daarna komen zij onder de zorg van andere engelen en worden in verschillende gezelschappen ingeleid, waar zij vele zalige dingen ontmoeten; tenslotte wordt ieder door de Heer langs verschillende, soms zeer kronkelende wegen, tot zijn eigen gezelschap geleid. Geen engel is met deze wegen bekend, maar alleen de Heer. Wanneer zij in hun eigen gezelschap aankomen, wordt hun innerlijk geopend en daar dit in overeenstemming is met het innerlijk van de engelen die in dat gezelschap zijn, worden zij dadelijk herkend en met vreugde ontvangen.

520. Met betrekking tot de wegen die van deze plaatsen naar de hemel leiden, waarlangs de nieuwe engelen ingaan, zal ik een merkwaardige bijzonderheid toevoegen. Zij zijn acht in getal. Twee leiden van elke plaats van onderwijs opwaarts, n Oostelijk en n Westelijk. Zij die het hemels koninkrijk van de Heer ingaan, gaan langs de Oostelijke weg en zij die naar Zijn geestelijk koninkrijk gaan, begaan de Westelijke. De vier wegen die naar het hemels koninkrijk leiden, zijn als versierd met olijfbomen en vruchtbomen van allerlei soort en zij die naar Zijn geestelijk koninkrijk leiden, zijn als getooid met wijngaarden en laurieren. Dit komt door de overeenstemmingen, want wijnranken en laurieren stemmen overeen met liefde voor waarheid en haar nut, terwijl olijven en vruchtbomen overeenstemmen met liefde voor het goede en het nut ervan.

.

top

NIEMAND GAAT DE HEMEL IN DOOR ONMIDDELLIJKE GENADE

521. Zij die niet onderwezen zijn over de hemel en de weg daarheen, noch over het leven van de hemel in de mens, menen dat de opneming in de hemel alleen afhangt van genade die geschonken wordt aan hen die geloofd hebben en door voorspraak van de Heer; met andere woorden dat het niets anders is dan een toelating door list en dat alle mensen zonder uitzondering zalig kunnen worden, indien de Heer dit wil. Sommigen menen zelfs dat al de bewoners van de hel ook zalig zullen worden. Maar zij zijn geheel onbekend met de natuur van de mens en dat hij zo van aard is als zijn leven is, en dat zijn leven overeenkomstig zijn liefde is, niet alleen het innerlijk van zijn wil en zijn verstand, maar ook het uiterlijk dat tot zijn lichaam behoort en dat het lichamelijk omkleedsel alleen de uiterlijke vorm is, waardoor het innerlijk zich openbaart, en waaruit volgt dat de gehele mens zijn eigen liefde is. (zie nr. 363) Ook weten zij niet dat het lichaam niet op zichzelf leeft, maar wel door zijn geest; dat de geest van de mens werkelijk zijn genegenheid zelf is, en dat zijn geestelijk lichaam niets anders is dan de genegenheid van de mens in menselijke vorm, zoals die dan ook verschijnt na de dood. (zie nr. 453-460) Zolang deze dingen onbekend zijn, kan de mens geloven dat de zaligheid niets anders is dan een handeling van het Goddelijk welbehagen, dat gunst en genade wordt genoemd.

522. Eerst zal echter verklaard moeten worden wat de Goddelijke genade is. Goddelijke genade is zuivere genade voor het gehele menselijke geslacht, om dat zalig te maken. Zij wordt onophoudelijk aan ieder mens aangeboden en wijkt van niemand terug, zodat iedereen die zo mogelijk gezaligd kan worden, ook zalig wordt. Maar niemand kan zalig worden dan door Goddelijke middelen, die door de Heer in het Woord zijn geopenbaard. Goddelijke middelen zijn Goddelijke waarheden; deze leren hoe de mens moet leven om zalig te worden. Door deze waarheden leidt de Heer de mens naar de hemel en plant hem het leven van de hemel in. De Heer doet dit bij allen. Maar Hij kan niemand het leven van de hemel inplanten, tenzij hij afstand doet van het kwade; want het kwade werkt dit tegen. Naarmate daarom de mens afstand doet van het kwade, leidt hem de Heer door Goddelijke middelen uit loutere genade, en zulks van Zijn kindsheid af tot aan het einde van zijn leven in de wereld en daarna tot in de eeuwigheid. Dit is het wat onder Goddelijke genade is te verstaan. Uit deze opmerkingen is het duidelijk dat de genade van de Heer zuivere genade is, maar geen onmiddellijke genade, die alleen zalig maakt uit enkel goedvinden, onverschillig hoe zij hebben geleefd.

523. De Heer doet nooit iets tegen de orde, want Hij is de orde zelf. De Goddelijke waarheid die uitgaat van de Heer, is het die deze orde daar samenstelt. Goddelijke waarheden zijn de wetten van de orde, waarnaar de Heer de mens leidt. De mens zaligen door onmiddellijke genade zonder middelen, is tegen de Goddelijke orde, en wat tegen de Goddelijke orde is, is tegen het Goddelijk wezen zelf. De Goddelijke orde is de hemel in de mens; maar de mens heeft in zichzelf deze orde verdorven door een leven tegen de wetten van deze orde, die Goddelijke waarheden zijn. Door zuivere genade wordt Hij door de Heer tot die orde teruggebracht, door middel van de wetten van orde. Naar de maat van zijn herstelling ontvangt hij de hemel in zich, en hij die de hemel in zich ontvangt, gaat na de dood de hemel in. Hieruit is weer duidelijk dat de Goddelijke genade van de Heer wel zuivere, loutere genade is, maar geen onmiddellijke genade.

524. Indien de mens zalig kon worden door onmiddellijke genade, zo zouden allen gezaligd worden, ook de bewoners van de hel; er zou zelfs geen plaats zijn zoals de hel. Want de Heer is de genade zelf, de liefde zelf, de goedheid zelf, en zeggen dat Hij iedereen onmiddellijk zalig kan maken, maar dat Hij het niet doet, is dus Zijn Goddelijke natuur weerspreken. Uit het Woord is bekend, dat de Heer de zaligheid van allen wil en niet wil dat iemand verloren gaat.

525. De meeste mensen die uit de Christelijke wereld het andere leven ingaan, dragen dit geloof in zich dat zij zalig zullen worden door onmiddellijke genade. Die genade is het, waarvoor zij pleiten. Als zij onderzocht worden, blijkt dat zij hadden geloofd dat er, om in te gaan in de hemel, niets meer nodig was dan een enkele toelating en dat allen die er eens zijn ingeleid, ingaan in het volle genot van de hemelse vreugde, omdat zij niet weten wat de hemel en wat de hemelse vreugde is. Er werd hun daarom gemeld, dat de Heer aan niemand de hemel weigert, en dat zij toegelaten worden als zij dit wensen, en er mogen blijven als zij willen. Zij die dit wensten, werden ook toegelaten, maar zodra zij de eerste drempel bereikten en de hitte van de hemel op hen blies, die de liefde is waarin de engelen zijn, en door de instroming van hemels licht, dat de Goddelijke waarheid is, werden zij door zulk een beklemming van het hart aangegrepen, dat zij helse pijniging ondervonden in plaats van hemelse blijdschap, en door ontsteltenis geslagen wierpen zij zich met het hoofd neerwaarts naar omlaag. Aldus werden zij onderricht door levendige ervaring dat de hemel niet gegeven kan worden door onmiddellijke genade.

526. Soms heb ik met de engelen over dit onderwerp gesproken, aan wie ik meedeelde dat in de wereld de meesten die in kwaad leven, in hun gesprekken met anderen over de hemel en het eeuwige leven standvastig beweren dat de toegang tot de hemel in niets anders bestaat dan in een enkele toelating uit blote genade en dat dit voornamelijk wordt geloofd door hen die het geloof tot het enige middel tot zaligheid maken, want zulke mensen hechten door de beginselen van hun godsdienst geen waarde aan het leven en aan de daden van de liefde die het leven uitmaken, noch aan enige andere middelen waardoor de Heer de hemel in de mens inplant en hem vatbaar maakt voor de hemelse vreugde. Omdat zij nu elk werkzaam middel, als noodzakelijk voor de hemel, verwerpen, nemen zij de noodzakelijke gevolgtrekking aan dat de mens naar de hemel gaat door genade alleen, waarbij zij geloven dat God de Vader tot deze genade bewogen wordt door de voorspraak van de Zoon. De engelen antwoordden hierop dat zij begrepen dat zo'n leer noodzakelijk volgt uit het vooraf aangenomen beginsel van zaligheid door geloof alleen en dat er, omdat dit leerstuk het hoofd is van al de andere en er, omdat het onwaar is, ook geen licht van de hemel kan indringen, dat er daarom tegenwoordig zoveel onkunde in de kerk bestaat over de Heer, de hemel, het leven na de dood, de hemelse vreugde, het wezen van de liefde en het weldoen en in het algemeen betreffende het goede en haar vereniging met het ware; dientengevolge ook over het leven van de mens, wat zijn oorsprong is en zijn natuur; terwijl toch niemand ooit zijn leven ontleent aan gedachten, maar wel aan zijn wil en de daden die daaruit voortkomen, en door de gedachten alleen in zoverre als deze ook uit de wil voortvloeien; zo bezit ook niemand het leven door zijn geloof, dan alleen in zoverre dit geloof uit de liefde voortvloeit. De engelen bedroeven zich dat deze zelfde personen niet weten dat het geloof alleen bij iemand niet bestaan kan, omdat het geloof zonder zijn oorsprong, die de liefde is, enkel een kennis is, en bij sommigen een soort van overtuiging, die een gelijkenis met geloof heeft (zie nr. 482), en niet in het leven van de mens is gezeteld, maar daarbuiten, daar het afgescheiden is van de mens, wanneer het niet verenigd is met zijn liefde. Zij zeiden verder dat zulke mensen, die aan deze beginselen met betrekking tot het wezenlijke middel tot zaligheid voor de mens vasthielden, niet anders doen konden dan in een onmiddellijke genade geloven; want zij merken door natuurlijk licht en ook door duidelijke ervaring, dat geloof alleen het leven van de mens niet maakt, omdat zij die een slecht leven leiden eveneens kunnen denken en hetzelfde vertrouwen kunnen aannemen als anderen. Hierdoor is het geloof ontstaan dat de slechte zowel zalig kan worden als de goede, als hij slechts in zijn stervensuur met hetzelfde vertrouwen spreekt over de voorspraak en over genade door die voorspraak. De engelen verklaarden dat zij tot nu toe niemand hadden gezien die slecht had geleefd en door een daad van onmiddellijke genade de hemel was ingegaan, hoeveel hij in de wereld ook had gesproken over die berusting of dat vertrouwen, dat in meer bijzondere zin bedoeld wordt met het geloof. Als hen gevraagd werd of Abraham, Izaak, Jakob en David en de Apostelen niet door onmiddellijke genade in de hemel waren opgenomen, antwoordden zij: Niet n van hen. Zij verzekerden verder dat zij allen hadden ontvangen overeenkomstig hun leven in de wereld en dat zij wisten waar zij waren en dat zij niet meer achting genoten dan anderen. Zij merkten verder op dat de reden waarom zij zo eervol in het Woord waren vermeld, deze is, dat door hen in de innerlijke zin, de Heer wordt bedoeld, en wel door Abraham, !zaak en Jakob de Heer naar zijn Goddelijkheid en Goddelijke Mensheid; door David de Heer naar zijn Goddelijk Koningschap, en door de Apostelen de Heer naar zijn Goddelijke waarheden. Zij zeiden verder dat zij niet eens aan deze personen dachten, wanneer het Woord door de mens werd gelezen, omdat hun namen de hemel niet ingaan, maar dat zij in plaats daarvan een denkbeeld hebben van de Heer zoals juist vermeld is, en dat dus in het Woord dat in de hemel bestaat (zie nr. 259) deze personen niet zijn vermeld, omdat dit Woord de innerlijke zin is van het Woord dat op de wereld bestaat.

527. Het is onmogelijk het leven van de hemel in te planten in hen die in de wereld een tegenovergesteld leven hebben geleid. Ik kan dit uit vele ervaring getuigen. Sommigen hadden zich verbeeld dat zij de Goddelijke waarheden spoedig zouden ontvangen en geloven, indien zij die van engelen zouden horen; dat zij dan een ander leven zouden leiden en in de hemel zouden worden opgenomen. Dit was met velen beproefd, echter alleen aan zulke die dit hadden gemeend, om hen te overtuigen dat er na de dood geen berouw kan plaatsvinden. Sommigen van hen verstonden de waarheden die zij hoorden en schenen ze aan te nemen; maar direct nadat zij tot het leven van hun liefde waren teruggekeerd, verwierpen zij ze of spraken zij ze tegen. Anderen verwierpen ze dadelijk en wilden ze niet eens horen. Anderen wensten dat het leven van hun liefde uit de wereld hun zou worden ontnomen en het leven van de engelen en van de hemel er voor in de plaats zou worden gesteld. Ook dit werd bij toelating beproefd, maar toen het leven van hun leven van hen was weggenomen, waren zij als dood en niet langer in het gebruik van hun zintuigen. Door deze en andere ervaringen werden de eenvoudig goeden overtuigd dat iemands leven onmogelijk na de dood kan worden veranderd en geen kwaad leven in een goed kan worden bekeerd, noch een hels leven in dat van een engel; want iedere geest is van het hoofd tot de voet zodanig als zijn liefde is, dus zoals zijn leven is, en dit in een tegenovergesteld leven veranderen staat gelijk met de geest vernietigen. De engelen verklaarden dat het gemakkelijker was om een vleermuis in een duif of een uil in een paradijsvogel te veranderen dan een geest van de hel in een engel van de hemel. Dat de mens na zijn dood zo blijft als zijn leven in de wereld geweest is, kan men hierboven zien in het hoofdstuk daarover. (zie 470 484) Hieruit mag duidelijk zijn dat niemand de hemel kan ingaan door onmiddellijke genade.

.

top

HET IS NIET ZO MOEILIJK OM EEN LEVEN TE LEIDEN DAT NAAR DE HEMEL VOERT ALS VAAK WORDT GELOOFD

528. Sommigen menen dat het moeilijk is om een leven te leiden dat naar de hemel voert, en een geestelijk leven genoemd wordt, omdat zij gehoord hebben dat de mens de wereld moet verloochenen, zich moet ontdoen van al wat de lusten van het lichaam en van het vlees genoemd wordt, en op geestelijke wijze moet leven. Hieronder verstaan zij dat zij de wereld se zaken moeten verwerpen, die voornamelijk in rijkdom en eer bestaan; dat zij onophoudelijk zich moeten bezighouden met vrome overdenkingen over God, de zaligheid en het eeuwig leven; dat zij hun leven in gebed moeten doorbrengen en in het lezen van het Woord en godsdienstige boeken. Dit wordt naar hun mening bedoeld met het verloochenen van de wereld, en met het leven naar de geest en niet naar het vlees. Dat dit in het geheel niet het geval is, is mij uit vele ervaring en gesprekken met engelen geleerd; ja zelfs, dat zij die de wereld verloochenen en op vermelde wijze naar de geest leven, zichzelf een treurig leven berokkenen, dat ongeschikt is om de hemelse vreugde te ontvangen, want een ieders leven blijft hem bij. Dat een mens, om het leven van de hemel te ontvangen, veeleer in de wereld moet leven en bezigheden en beroep moet waarnemen en dan door een zedelijk en burgerlijk leven het geestelijk leven ontvangt en dat er geen andere weg is waardoor het geestelijk leven in de mens kan worden gevormd, of zijn geest voorbereid kan worden voor de hemel. Want een innerlijk leven leiden zonder een uiterlijk, is gelijk aan het wonen in een huis dat geen fundament heeft, dat na verloop van tijd in de grond zinkt, scheurt en vaneen splijt, of waggelt tot het valt.

529. Als men een verstandige blik op het leven van de mensen slaat en het onderzoekt, dan zal men merken dat het drievoudig is; namelijk dat er een geestelijk, zedelijk en een burgerlijk leven bestaat, elk van het andere onderscheiden. Er zijn mensen die een burgerlijk leven leiden zonder een zedelijk en geestelijk; anderen die zedelijk leven, maar niet geestelijk, en weer anderen die burgerlijk en zedelijk en tegelijk geestelijk leven. De laatsten leiden een hemels leven, maar de twee anderen leiden alleen een werelds leven, afgescheiden van het hemels leven. Hieruit mag duidelijk zijn dat geestelijk leven niet van natuurlijk leven of het leven van de wereld gescheiden is, maar dat er een vereniging tussen hen bestaat, zoals tussen de ziel en het lichaam, en dat hen scheiden, zoals reeds is opgemerkt, gelijk zou zijn aan het leven in een huis zonder fundament. Zedelijk en burgerlijk leven is de werkzaamheid van het geestelijk leven; want goed te willen behoort tot het geestelijk leven en wel te handelen behoort tot het zedelijk en burgerlijk leven. Zonder deze laatste is het geestelijk leven niets dan denken en spreken, en de wil treedt terug omdat die geen grondslag heeft om op te rusten; en toch is de wil het eigenlijke geestelijke bestaan van de mensen.

530. Dat een leven leiden dat naar de hemel voert, niet zo moeilijk is als gewoonlijk wordt verondersteld, mag uit de volgende overwegingen blijken. Wie is er niet in staat om zedelijk en burgerlijk te leven, terwijl iedereen van zijn kindsheid af erin opgeleid en ermee bekend wordt door zijn leven in deze wereld? Werkelijk leidt dan ook iedereen zulk een leven, of hij slecht is of goed, want wie wil niet een oprecht man genoemd worden en wie wil niet rechtvaardig genoemd worden? Bijna allen oefenen uiterlijk oprechtheid en rechtvaardigheid en wel zo, dat zij in hun hart oprecht en rechtvaardig schijnen te zijn, of uit ware oprechtheid en rechtvaardigheid schijnen te handelen. De geestelijke mens behoort op dezelfde wijze te leven en hij kan dit even gemakkelijk doen als de natuurlijke mens, alleen met dit verschil, dat de geestelijke mens in God gelooft en zuiver en recht handelt, niet alleen omdat de burgerlijke en zedelijke wetten dit eisen, maar ook omdat het volgens de Goddelijke wetten verlangd wordt. Iemand die, wanneer hij handelt, aan de Goddelijke wetten denkt, staat met de engelen in de hemel in gemeenschap en naarmate hij zo denkt en handelt, treedt hij met hen in verbinding. Langs deze weg wordt de innerlijke mens geopend die in zichzelf beschouwd de geestelijke mens is. Is de mens van zo'n karakter, dan wordt hij aangenomen en geleid door de Heer, hoewel hij er onbewust van is. Zijn oprecht en rechtvaardig handelen in het zedelijk en burgerlijk leven is dan van geestelijke oorsprong, en uit deze oorsprong handelen is werkelijk oprecht zijn, of van harte doen. Naar het uiterlijk schijnt hun rechtvaardigheid en oprechtheid geheel gelijk aan dezelfde deugden van de natuurlijke mensen, en zelfs van hen die kwaad zijn en hels, maar innerlijk verschillen zij geheel en al. Want bozen handelen alleen eerlijk en oprecht ter wille van zichzelf en van de wereld. Waren zij niet bevreesd voor de wetten en haar straffen en voor verlies van goede naam, eer, winst of leven, dan zouden zij uitermate oneerlijk en onrechtvaardig handelen, omdat zij God noch enige Goddelijke wet vrezen en dus geen innerlijke band hebben die hen weerhoudt. Zij zouden daarom in zo'n geval met alle macht anderen bedriegen, beroven en plunderen en zulke daden met genot doen. Dat zij innerlijk zo zijn, blijkt duidelijk uit dergelijke personen in het andere leven, waar iedereen van zijn uiterlijk wordt ontdaan, terwijl zijn innerlijk wordt geopend, waarin hij dan eeuwig blijft leven (zie nr. 499511). Dan zijn zulke mensen ontdaan van uiterlijke banden, zoals vrees voor de wet, voor het verliezen van hun goede naam, eer, winst en hun leven en handelen ze onzinnig en lachen met eerlijkheid en rechtvaardigheid. Als zij echter die recht en rechtvaardig hebben gehandeld uit eerbied voor de Goddelijke wetten, ontdaan worden van hun uiterlijk en aan hun innerlijk leven worden overgelaten, dan gedragen zij zich wijs, omdat zij in vereniging zijn met de engelen van de hemel, van wie hun wijsheid wordt medegedeeld. Hieruit blijkt dat de geestelijke mens evenzo als de natuurlijke mens burgerlijk en zedelijk kan leven, mits hij met God verbonden is naar zijn innerlijk, of naar zijn wil en gedachten. (zie nr. 358-360)

531. De wetten van het geestelijk leven en van het burgerlijk en van het zedelijk leven zijn ook bevat in de wet van de tien geboden. In de eerste drie de wetten van het geestelijk leven, in de volgende vier de wetten van het burgerlijk leven, in de laatste drie de wetten van het zedelijk leven. Naar het uiterlijk leeft de geheel natuurlijke mens naar al deze geboden, evenals de geestelijke mens; hij aanbidt God op gelijke wijze, gaat ter kerke, luistert naar de preek, zet een aandachtig gezicht; hij moordt niet, doet geen overspel, steelt niet, geeft geen valse getuigenis en rooft niet de goederen van zijn naasten. Maar dit alles doet hij alleen uit eigenbelang en wereldliefde, of voor het oog. Innerlijk is hij juist het tegenovergestelde van wat hij uiterlijk schijnt. In zijn hart loochent hij God, in zijn godsdienstige handelingen speelt hij de huichelaar en aan zichzelf en aan zijn eigen gedachten overgelaten, lacht hij met de heilige dingen van de kerk en gelooft dat zij alleen goed zijn om de onnozele menigte in toom te houden. Zo iemand is bijgevolg geheel gescheiden van de hemel; omdat hij geen geestelijk mens is, is hij ook niet werkelijk zedelijk noch burgerlijk. Want hoewel hij niet doodslaat, toch haat hij iedereen die hem tegenstaat, door haat brandt hij van wraak tegen hem. Als hij dus niet werd verhinderd door burgerlijke wetten en uiterlijke banden die hij vreest, zou hij doden en omdat zijn lust daarnaar uitgaat, volgt daaruit dat hij aanhoudend een moordenaar is. Hoewel hij geen overspel doet, is hij toch voortdurend een overspeler, want hij gelooft dat het geoorloofd is; hij doet het daarom als hij kan en gelegenheid vindt. Hij steelt niet, maar begeert toch de goederen van een ander; hij acht bedriegerij en boze kunstgrepen niet als onwettig en is voortdurend een dief in zijn hart. Ten opzichte van de voorschriften van het zedelijk leven, zoals het niet geven van valse getuigenis en het niet begeren van iemands goederen, geldt dezelfde opmerking. Ieder mens, die het Goddelijke loochent en geen geweten door de godsdienst heeft verkregen, is van zodanige aard. Dit blijkt duidelijk bij hen die zulk een natuur hebben, wanneer zij na de dood van al het uiterlijke zijn ontdaan en aan hun innerlijk zijn overgelaten. Afgescheiden van de hemel handelen zij dan in vereniging met de hel; zij zijn verenigd met haar bewoners. Niet zo is het met hen die in hun hart God hebben erkend, die in de handelingen van hun leven eerbied hebben gehad voor de Goddelijke wetten en de eerste drie geboden hebben gehouden, evenals de andere. Wanneer zij in hun innerlijk worden geleid, nadat hun uiterlijk is weggenomen, zijn zij wijzer dan in de wereld, want als zij in hun innerlijk komen, is het alsof zij uit de schaduw in het licht treden, uit de onwetendheid in de wijsheid, uit een zorg vol leven in een gelukkig; want zij zijn in de Goddelijke sfeer en dus in de hemel. Deze bijzonderheden zijn vermeld opdat men het verschil zou weten tussen deze tweerlei mensen, hoewel zij uiterlijk een gelijk leven in de wereld hebben geleid.

532. Iedereen weet dat de gedachten uitgaan en richting nemen al naar gelang het voornemen of de richting die het voornemen heeft; want de gedachte is het innerlijk gezicht van de mens, dat evenals het uiterlijk gezicht zich wendt naar ieder punt waarheen het gericht wordt en een voornemen heeft en daar verblijft. Is daarom het innerlijk gezicht of de gedachte naar de wereld gekeerd en daarop gevestigd, dan volgt hieruit dat de gedachte werelds wordt; is zij gekeerd naar zichzelf en naar eigen eer, dan wordt zij lichamelijk. Hieruit volgt dat zij, wanneer zij naar de hemel is gekeerd, hemels wordt en daardoor verheven; wanneer zij op zichzelf is gekeerd, wordt zij daarentegen van de hemel afgewend en gedompeld in de lichamelijke natuur. Is zij naar de wereld gekeerd, dan wordt zij evenzo afgewend van de hemel en wordt zij verspreid over die voorwerpen die voor het oog liggen. De liefde van de mens brengt zijn voornemen voort en bepaalt zijn innerlijk gezicht of zijn gedachte over het voorwerp. De eigenliefde bepaalt dus de gedachte op zichzelf en op zelfzuchtige voorwerpen; de wereldliefde op wereldse, en de hemelse liefde op hemelse voorwerpen. Uit deze dingen blijkt dat uit de menselijke liefde de staat van zijn innerlijk gemoed gekend wordt; dat het innerlijk van een mens die de hemel liefheeft, naar de hemel is verheven en naar boven is geopend, en dat het innerlijk van hem die de wereld liefheeft en van hem die zichzelf liefheeft, naar boven gesloten is en naar buiten is geopend. Zijn nu de hogere delen van zijn redelijk gemoed naar boven gesloten, dan kan de mens niet langer de voorwerpen zien die tot de hemel en de kerk behoren en die voor hem in dichte duisternis zijn gehuld; en voorwerpen die in dichte duisternis zijn, worden f ontkend f niet verstaan. Hierdoor is het dat zij die hoofdzakelijk zichzelf en de wereld liefhebben en die de hogere vermogens van hun gemoed hebben gesloten, in hun hart de Goddelijke waarheden loochenen, en zo zij er al over spreken uit hun geheugen, zij die toch niet verstaan. Zij achten ze gelijk aan wereldse en lichamelijke zaken. Omdat hun staat nu zodanig is, houdt hun gemoed zich met niets anders bezig dan met wat door de zintuigen van het lichaam erin wordt gebracht; in niets anders scheppen zij behagen, waaronder veel is dat onrein, zedeloos, goddeloos en zondig is. Deze dingen kunnen niet worden verwijderd, omdat er invloeiing van de hemel in hun innerlijk gemoed is, hetwelk, zoals juist is opgemerkt, van boven gesloten is. Het voornemen van de mens, dat zijn innerlijk gezicht of zijn gedachte bepaalt en bestuurt, is zijn wil; want wat de mens wil, neemt hij zich voor en wat hij zich voorneemt, houdt zijn gedachten bezig. Is daarom zijn voornemen gericht naar de hemel, dan is ook zijn gedachte daarheen gericht en daarmee heel zijn gemoed, dat daardoor in de hemel is; hij ziet dan de voorwerpen van de wereld als beneden hem, zoals iemand van het dak van een huis naar beneden ziet. Iemand dus wiens innerlijk gemoed geopend is, is in staat om het kwaad en de leugen te zien die in hem zijn, omdat deze beneden zijn geestelijk gemoed zijn. De mens daarentegen wiens innerlijk niet geopend is, kan zijn eigen kwaad en leugen niet zien, omdat hij er in is en niet erboven verheven is. Uit deze voorbeelden mag blijken vanwaar de mens wijsheid bezit en vanwaar zinneloosheid; wat verder zijn aard na de dood zal zijn, wanneer hij zich in vrijheid bevindt om te willen en te denken, te handelen en te spreken overeenkomstig zijn innerlijk. Deze dingen worden vermeld, opdat geweten wordt wat het innerlijk van een mens is, ofschoon hij uiterlijk aan een ander gelijk schijnt te zijn.

533. Dat het niet zo moeilijk is, als gewoonlijk verondersteld wordt, om een leven te leiden dat naar de hemel voert, is ook hieruit duidelijk, dat alles wat de mens te doen heeft, wanneer er iets bij hem opkomt dat volgens zijn weten oneerlijk en onrecht is en waartoe hij genegen is, is vervolgens te denken dat het niet mag worden gedaan, omdat het tegen de Goddelijke wet is. Indien de mens het zich tot een gewoonte maakt om zo te denken en zo door oefening een gewoonte vormt, wordt hij stap voor stap in vereniging met de hemel gebracht. Naarmate nu de mens in vereniging met de hemel is gebracht, worden de hogere vermogens van zijn gemoed geopend; naarmate deze zijn geopend, ziet hij wat oneerlijk en onrecht is en naarmate hij dit ziet, is hij ook in staat het af te leggen; want het is onmogelijk om enig kwaad af te leggen, dan nadat het eerst gezien is. Dit is de staat waarin de mens door zijn vrije wil kan ingaan; want wie kan niet uit vrije wil op deze wijze denken? Maar wanneer hij een begin gemaakt heeft, dan bewerkt de Heer in hem het goede en leidt hem om niet slechts het kwade als kwaad te zien, maar ook om het niet te willen en er eindelijk een afkeer van te krijgen. Dit is het wat de Heer bedoelt met de woorden in Matthes 11 :30: Mijn juk is zacht en mijn last is licht. Men moet hier wel opmerken dat de moeilijkheden om op deze wijze te denken en zodoende het kwade te weerstaan, toenemen naarmate de mens uit de wil het kwade doet; want is dit het geval, dan gewent hij er zich aan totdat hij het tenslotte niet meer als kwaad beschouwt en het hem lief wordt. Heeft hij het kwade werkelijk lief gekregen, dan bedenkt hij excuses en bevestigt zich erin door allerlei voorwendsels of leugens en noemt het uiteindelijk geoorloofd en goed. Maar dit vindt bij hen plaats die op jeugdige leeftijd teugelloos in alle kwaad voorthollen en tegelijk Goddelijke dingen uit hun hart verbannen.

534. Er werd mij eens een voorstelling gegeven van de weg die naar de hemel leidt en van die, welke naar de hel leidt. Ik zag een brede weg die naar de linkerhand of noordwaarts liep en een menigte geesten bewandelden die. Op een afstand ontdekte ik een grote steen waar de brede weg eindigde. Boven die steen waren twee wegen, de een liep links en de andere rechts in tegengestelde richting. De weg links was nauw of eng en liep door het westen naar het zuiden en zo in het licht van de hemel; maar die rechts liep was breed en ruim en leidde hellende neerwaarts naar de hel. Alle geesten schenen eerst dezelfde weg te bewandelen, totdat zij aan de grote steen kwamen waar de twee wegen uiteenliepen; als zij daar aankwamen, werden zij gescheiden. De goeden wendden zich links en gingen de nauwe weg die naar de hemel leidt; maar de kwaden zagen de steen niet, vielen erover en bezeerden zich, en nadat zij waren opgestaan, renden zij de brede weg rechts op die naar de hel leidde. Het werd mij later verklaard wat al deze bijzonderheden betekenden. Onder de eerste, brede weg, die de goeden en kwaden tezamen bewandelden en waarop zij met elkaar als vrienden spraken, omdat er uiterlijk geen verschil bestond, worden zij verstaan die uiterlijk eerlijk en rechtvaardig leven en op het oog niet van elkaar worden onderscheiden. De steen aan het einde van de weg, waarover de bozen vielen en vanwaar zij de weg die naar de hel liep afrenden, betekent de Goddelijke waarheid die geloochend wordt door hen die zich naar de hel keren, en in meer verheven zin is met deze steen het Goddelijk Menselijke van de Heer bedoeld. Zij echter die de Goddelijke waarheid erkenden en daarbij de Goddelijkheid van de Heer, werden langs de weg geleid die naar de hemel voert. Uit dit voorbeeld bleek mij verder dat beide, de kwaden en de goeden, uiterlijk hetzelfde leven leidden of dezelfde weg bewandelden, de een even gemakkelijk als de ander. Zij die echter God van harte erkennen en in het bijzonder zij die het Goddelijk Menselijke van de Heer in de kerk erkenden, worden naar de hemel geleid, de anderen naar de hel. De gedachten van de mensen die uitgaan van zijn voornemens of zijn wil, worden in het andere leven voorgesteld door wegen. Naar het voorkwam waren er ook wegen te zien in volkomen overeenkomst met zulke gedachten van het voornemen, en iedereen wandelt ook in overeenstemming met de gedachten van zijn voornemens. Dus kunnen aan de wegen die de geesten bewandelen, hun aard en hun gedachten geweten worden. Hierdoor is duidelijk, wat de Heer bedoelt met: Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort en breed is de weg die tot het verderf leidt, en velen zijn er die door deze ingaan. Want de poort is eng en de weg die tot het leven leidt is nauw, en weinigen zijn er, die dezelve vinden. (Matthes 7: 13, 14) Hiermee is verklaard dat de weg die tot leven leidt, nauw is; niet omdat hij moeilijk te bewandelen is, maar omdat er weinigen zijn die hem vinden, zoals hier ook gezegd wordt. Door de steen die aan het einde van de brede weg is geplaatst, en vanwaar twee wegen zijn te zien die in tegenovergestelde richtingen lopen, werd duidelijk gemaakt wat de Heer bedoelt met de woorden: Hebt gijlieden niet gelezen wat geschreven is: de steen die de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot een hoofd van de hoek geworden? Een ieder die op de steen valt, zal verpletterd worden. (Lucas 20: 17, 18) De steen betekent de Goddelijke waarheid en de steen (of rots) van Isral het Goddelijk Menselijke van de Heer; de bouwlieden zijn de leden van de kerk; het hoofd van de hoek is de plaats waar de twee wegen scheiden; vallen en verbroken worden is het loochenen en verdorven worden.

535. Het was mij verleend om te spreken met sommigen in het andere leven, die zich teruggetrokken hadden van de bezigheden van de wereld, om zich aan een vroom en heilig leven te wijden; en ook met sommigen die zich langs allerlei wegen hadden gekweld, omdat zij zich verbeeldden dat dit de weg was om de wereld te verloochenen en de lusten van het vlees te onderwerpen. De meesten van hen hadden echter hierdoor een treurig leven verkregen en zich teruggetrokken van het leven in weldoen, dat alleen kan geleid worden door te leven in de wereld. Zij konden daarom niet opgenomen worden in vereniging met de engelen, omdat hun leven een blijmoedig leven is door de zaligheid die zij innerlijk genieten, en die in goed doen en in werken van de naastenliefde bestaat. Bovendien hadden zij die zich teruggetrokken hadden van de wereldse bezigheden, een hoge dunk van hun verdiensten en meenden dat zij zeker in de hemel zouden worden toegelaten, omdat zij de hemelse vreugde als billijk loon voor hun verdiensten aan zich toerekenden, echter niet wetende wat hemelse vreugde is. Als zij dus tot de engelen worden toegelaten en in hun blijdschap, die zonder verdiensten is maar in de uitoefening en volbrenging van plichten en vriendelijke diensten bestaat, en in de zaligheid die ontspringt uit het goede dat zij doen, dan vervult hen verbazing, zoals bij mensen die geheel het tegendeel ondervinden van hetgeen zij hebben verwacht. Daar zij nu niet in staat zijn om die blijdschap op te nemen, gaan zij weg en verenigen zich met hen die in de wereld een gelijk leven hebben geleid. Zij die uiterlijk heilig hebben geleefd, die steeds in de plaatsen van aanbidding waren en er gebeden opzonden, die zichzelf hebben gekastijd, altijd om zichzelf hebben gedacht en meenden dat zij hierdoor meer geacht en geerd zouden worden dan anderen en na de dood als heiligen zouden worden vermeld, komen in het andere leven niet in de hemel, omdat zij alles uitsluitend hebben gedaan met het oog op zichzelf. En omdat zij de Goddelijke waarheden hebben onteerd door eigenliefde, waaronder zij die bedolven hebben, zijn sommigen zo onzinnig dat zij zichzelf goden wanen; daarom is hun lot in de hel onder hen die aan hen gelijk zijn. Sommigen waren vol geslepenheid en bedrog; deze hebben hun deel in de hellen van de bedriegers. Het zijn zulke personen, die door kunstgrepen en bedriegerijen een uiterlijk voorkomen van heiligheid hebben aangenomen om het mindere volk te doen geloven dat er een Goddelijke heiligheid in hen woonde. Velen van de Rooms Katholieke heiligen zijn zodanig. Met sommigen was het mij vergund te spreken en hun leven werd mij duidelijk getoond, zoals het in de wereld was geweest en zoals het later was geworden. Deze dingen zijn vermeld opdat men zal weten dat het leven dat naar de hemel voert, niet een leven is van terugtrekking uit de wereld en dat een vroom leven zonder een weldoend leven, dat alleen in de wereld uitgeoefend kan worden, niet naar de hemel leidt; maar wel een weldoend leven, dat erin bestaat om oprecht en rechtvaardig te handelen bij elke gelegenheid, in elke bezigheid en in elke handeling, uit innerlijke en hemelse beweegredenen; en zo'n beweegreden is in dat leven, wanneer de mens recht en rechtvaardig handelt, omdat de Goddelijke wetten dit verlangen. Zo'n leven is niet moeilijk, maar een vroom leven zonder weldoend leven, is wel moeilijk en voert bovendien van de hemel af, hoewel zovelen veronderstellen dat zo'n vroom leven wel naar de hemel leidt.

Emanuel Swedenborg 1758.

.

hier eindigt deel 2 - Over de Wereld der Geesten - uit 'Hemel en Hel'..

top

Oorspronkelijke titel:

  • De COELO et ejus mirabilis et de INFERNO,
  • ex auditis & visis.
  • Over de Hemel en zijn wonderen en over de Hel,
  • naar hetgeen gehoord en gezien is;
  • door Emanuel Swedenborg, Londen 1758.

____________________________________________________

Bovenstaande tekst werd als boek uitgegeven in 1998 door het Swedenborg Boekhuis en Uitgeverij Sigma, getiteld:

"Ontwaken uit de dood"

  • ISBN 9065561668 - Nugi 632 redactie: Guus Janssens.

Aangezien dit boekdeel uit 'Hemel en Hel' als boek al geruime tijd is uitverkocht, heeft de redactie besloten het digitaal beschikbaar te maken.

  • 'Ontwaken uit de Dood' is hier ook gratis te downloden (257 Kb) als
  • Printer Document en omvat dan 50 pagina's A4 formaat.
  • Digitale uitgave - Swedenborg Boekhuis - 2006.