| Het
Bruiloftskleed Hiernamaalsroman door Louis Pendleton
Hoofdstuk
1 Tijdens
een ernstige darmziekte heb ik heel vaak een klein diertje benijd waarvan gezegd
wordt dat het de wonderbaarlijke eigenschap bezit om zichzelf van een nieuwe maag
te voorzien zodra de oude versleten is. En toch, toen het me duidelijk werd dat
ik zou sterven, dat ik spoedig mijn gehele vermoeide lichaam, zo door ziekte versleten
en verwoest, zou afleggen, zoals iemand een oud en afgedankt kledingstuk terzijde
legt, om in een zeer bewuste toestand in een onsterfelijk lichaam wakker te worden,
kon ik niet bepaald zeggen dat ik er blij mee was. Niet
dat ik ernstig twijfelde aan de vriendelijke woorden van iemand die bij mijn bed
zat en hoopvolle woorden sprak betreffende het uitzicht, dat mijn leven bij het
graf zou ophouden. Integendeel, het had mij altijd geschenen dat er een God moest
zijn en onsterfelijkheid voor zijn schepsel, de mens. Sterven en nooit meer leven
was naar mijn mening een onbeschrijflijke, monsterlijke, onmogelijke toestand. Vanaf
mijn vroegste kindertijd was de gedachte hoe het werkelijk zou zijn, in mijn innerlijk
gegrift. Maar dit was in de afgelopen jaren nauwelijks tot mijn bewustzijn doorgedrongen,
daar zowel mijn vrienden als ikzelf wat men noemt niet religieus waren. Onze gedachten
hielden zich bezig met de wereld en niet met de eeuwigheid. Dit was de oorzaak
van mijn verdriet. Ik hield van deze wereld en zag geen noodzaak deze te verlaten,
want ondanks de rampspoeden die het lot de mens te dragen geeft, vind ik het een
goede en aangename wereld. "Jij
zegt dat je het niet prettig vindt te denken aan begraven worden" sprak een
goede vriend aan mijn bed, "maar jij zelf zult niet rotten in de aarde. Het
is alleen maar je materiële lichaam dat zich zal ontbinden." "Dat
is toch zeker hetzelfde, niet waar?" vroeg ik met een zachte, haast geluidloze
stem in een moment van neerslachtigheid. "Deze handen zullen rotten, deze
ledematen, deze ogen, deze hersens, en dat ben ik." "Zij
vormen de bekleding van het lichaam dat je draagt in de natuurlijke wereld. Dit
lichaam is niet de mens." "Noem
het louter een kleed, als je wilt," antwoordde ik, "maar het blijft
een feit dat het moeilijk te zien is wanneer je het wegneemt." "Het
feit dat je niet kunt zien met de ogen van je lichaam, bewijst niets. We zijn
gedwongen te geloven in het bestaan van dingen die we niet kunnen zien. Wat is werkelijker dan onze gedachten? En toch
kunnen we die niet zien met de ogen van ons lichaam." "Onze
gedachten en gevoelens zijn zeker zo werkelijk als maar kan," antwoordde
ik passief. "Het
is waar," ging mijn vriend verder, "dat de ogen van ons lichaam gezichtsorganen
zijn. Door deze zien we de dingen van deze wereld en we handelen door deze door
middel van materiële spieren, toegerust met de kracht en het vermogen om de ons
omringende dingen, de zwaarwichtige onderwerpen te zien, maar ons verstand ziet
dat er een innerlijke kracht moet zijn. Dit iets is de ziel of de geestelijke
mens, en dit wat leeft, denkt en handelt, is de werkelijke mens. "Wanneer
je van je natuurlijk lichaam bent gescheiden, verlies je niet meer dan bijvoorbeeld
een kokosnoot, die ontdaan is van zijn ruw uitwendig omhulsel of bolster. Trek
deze bolster eraf en je houdt alleen maar de harde omslag over, waarin de kern
zelf zit met zijn innerlijke bewaarplaats van melk. Zo blijft er alleen maar het
geestelijk lichaam over, wanneer je je bij het sterven ontdoet van de materiële
bedekking, die je tijdens het verblijf in deze wereld tot nut is geweest, als
een omslag en rustplaats voor je bewuste gemoed en je innerlijk leven of je ziel.
Al wat werkelijk van waarde is tot nut van een hoger bestaan, blijft. Je
leeft, ademt, beweegt als tevoren en je bent dezelfde persoonlijkheid met alleen
maar het verschil dat je de winnaar bent door de scheiding van je broze materiële
lichaam, dat een deel en een stukje van de materiële wereld is, een zekere uiterlijke
bekleding, die je zogezegd gedragen en uitgetrokken hebt toen het niet langer
nodig was. Al
deze dingen spraken tot mijn verstand. Ik voelde dat dit waar moest zijn en toch
was er een onbestemde onbehagelijkheid. Dit alles moge waar zijn, maar daar bleef
toch nog het sterven. Als iemand maar niet hoefde te sterven! "De
onsterfelijkheid van de ziel”, ging mijn ernstige vriend verder, "is typerend
voor ieder ding in de natuur. Een overrijpe appel valt inderdaad op de grond en
bederft; maar in het verrottende hart bevindt zich een zaad dat op die plek wordt
gevoed, dat opgroeit tot een nieuwe boom en op zijn beurt weer nieuwe vrucht draagt.
Het bevat weer nieuw zaad waarin in potentie alle appelbomen elkaar een aantal
jaren opvolgen. Op deze wijze presenteert zich aan ons een beeld van de onsterfelijkheid
en de eeuwigheid. Hetzelfde
geschiedt eveneens, zelfs meer direct, in sommige van de laagste vormen in het
dierlijk koninkrijk. Wat later een vlinder wordt, is in het begin een nietig klein
wormpje, dat op een gegeven moment in een pop verandert en te bestemder tijd zijn
omhulling afwerpt, zijn banden verbreekt en zich als een prachtig gevleugeld schepsel
verheft in de hoge lucht, waar het zijn hemel vindt. In zijn eerste staat was
hij maar een miserabele worm, geketend aan de grond, die nu omhoog vliegt, van
bloem tot bloem, en in de grote vreugden van zijn hoger leven komt. Zo is het
ook met de mens, in het begin alleen maar betrokken bij de aardse dingen, maar
wanneer hij bij de dood zijn overgangsstaat passeert, begeeft hij zich naar een
geweldig, meer volmaakt bestaan. Ongetwijfeld
was dit een moeilijke preek, gericht aan een stervend mens; maar ik was helder
van geest en sterk genoeg om zonder al te veel uitputting te luisteren, want enkele
dagen later viel de beslissing dat ik niet lang meer kon leven. Ik zag dat mijn
zuster angstig was; maar het ontging haar niet dat ik ongewoon geïnteresseerd
was. Zij maakte geen tegenwerpingen. De
predikant kwam geregeld en praatte met me over het voorgaande, bovendien over
de problemen van het menselijk leven, van waar het is en over de bedoeling ervan.
Hij verzekerde me dat het natuurlijke universum alleen maar een kinderkamer is
en een leerschool voor de mens in het eerste plan van zijn bestaan. De strekking
daarvan betreft steeds en alleen maar de dingen in hun orde, ten einde de dingen
naar een aanvulling en vervolmaking tot een hoger en bovenmaterieel plan te brengen.
Een mens in zijn eerste staat bezit het vermogen omhoog naar zijn Schepper te
schouwen. Vanuit zijn rede kan hij het verschil tussen goed en kwaad onderscheiden.
Uit
vrijheid is de mens in staat om het ene te verbeteren en het andere te laten,
om op deze manier wederverwekt te worden. Op deze manier kan hij wederverwekt
worden en kan hij zich tenslotte plaatsen in overeenstemming met de eindbestemming
van zijn schepping, want de bedoeling van de schepping is uiteindelijk om uit
het mensdom een Hemel te vormen. "Spreek
met mijn zuster," zei ik tenslotte, vermoeid als ik was. "Misschien
kan het haar meer helpen dan mij." Ik
was echt moe en de tijd om te luisteren en over deze dingen te mediteren was voorbij.
De wereld gleed van mij weg. De dagen en nachten volgden elkaar op in een weinig
bewogen toestand, gelijk nevelige fasen in een droom. Maar opeens, in een helder
ogenblik zag ik hoe de dokter zich over me heen boog en ik hoorde mijn zusters
onderdrukte snik, terwijl hij met zachte stem tot haar sprak. "Ik ben nu
stervende," was mijn gedachte, “stervende." Het
was niet verschrikkelijk. Zacht voelde ik nu een lichamelijke rust over me komen,
die na zo veel lijden in mij op scheen te stijgen en zachtjes invloeide in mijn
geest, als verkoelend water. Er was echter nog een gevoel van pijn bij de gedachte
aan mijn zuster. Ik wist heel goed hoe het met haar zou zijn. In het begin zou
zij het gevoel hebben of haar hart gebroken was; want we hielden veel van elkaar
en hadden het verlangen om veel bij elkaar te zijn. Dit kon ik wel voorspellen.
Wanneer de in het zwart geklede mensen rond het open graf verzameld waren, zou
vanuit een gesloten wagen een onderdrukt maar troosteloos geween te horen zijn.
Zo zou mijn lieve zuster komen om te zien hoe de laatste plechtigheid vervuld
werd. Wanneer de eerste spade met aarde in het graf werd geworpen, met dat holle,
vreselijke geluid, zou zij haar hoofd buigen tot op haar knieën en zou haar gehele
houding getuigen van een gekneusd en geslagen verdriet. Deze
pijn was er wel, maar dat was het enige. De wetenschap van de naderende dood bracht
geen opwinding en angstige ontsteltenis. Gedurende enige tijd was mijn gedachte:
"Als het de wil van de Heer God is, wat kan ik dan doen?" Na een tijd
van zwerven kwam een andere gedachte in mij op: " Wat er ook moge gebeuren,
er zal een oordeel komen, dat wist ik zeker. Ik
wist dat de doodsbedscène ophanden was, dat mijn zuster, mijn tante, de dokter,
de zuster, misschien de predikant allemaal om me heen waren. Zo nu en dan hoorde
ik gefluister. Een keer was er het geluid van een deur die gesloten werd in een
verder gedeelte van het huis. Er was het kraaien van een haan, zacht en ver weg.
Dan scheen tenslotte een zachte wervelende wolk over me heen te gaan. Met gesloten
ogen vloeide ik hierin weg. Een koele hand legde zich op mijn voorhoofd, die me
verwardheid bracht over alle wederwaardigheden. Het uur was daadwerkelijk gekomen.
De kruipende schaduw van de dood omsloot langzaam maar onwankelbaar ieder gevoel,
totdat er niets meer overbleef dan een vaag bewustzijn van een laatste vonk als
van een hoop dovende kolen. Welke
macht houdt een enkele vonk zo lang in leven? Het is een vreemd, vreemd iets,
dit toeven van de goddelijke levensvonk in een steeds kouder wordend lichaam.
Nee, het is ten slotte niet vreemd. Zal een mens, die vele jaren in een huis heeft
geleefd, op de drempel niet even terugkijken wanneer hij afscheid neemt? Zelfs
wanneer het huis oud en in verval is? De kool houdt het nog een poosje, maar als
een vleugje wind de bescherming verdrijft, verdwijnt de tinteling. De man, die
even in de deuropening wacht, keert niet terug. Hij kijkt alleen even om met een
glimlach en een zucht, gaat heen en de deur is gesloten. Zo ook nu, de kool doofde
en de deur was gesloten. Hoofdstuk
2 - De dood is de poort naar het leven Zou
het waar kunnen zijn? - de deur nog op een kier - de vonk nog levend? Is het geoorloofd
te dromen? Kan het een voorbijgaande droom ... neen de schaduw van de dood scheen
opgeheven. Een zwak bewustzijn van bestaan flikkerde nevelig met tussenpozen door
mijn geest en werd langzaam sterker. Ik raakte ervan overtuigd dat ik weer een
levend schepsel was. Was
het wel de dood geweest? Dit was niet de dood, en toch zag ik niets. Maar er was
een gevoel van uitbundige vreugde bij de terugkeer van het leven. Ik leefde en
er waren vrienden in mijn nabijheid, die mij gespannen in het gelaat staarden.
Alles was in orde. Een lange tijd verkeerde ik in die toestand - een lange gelukkige
tijd. Tenslotte
begon ik te beseffen dat ik uitgestrekt op een bank lag en dat er een ongewone
energie in mijn ledematen was. Nu drong van enige afstand een gezang van lieflijke
jonge stemmen in mijn oren, en een geur van bloeiende lentebomen in mijn neusgaten.
Ik zag alleen maar helder licht, maar wist dat ik niet alleen was. Onmiskenbaar
voelde ik de tegenwoordigheid van - van wie? Was dit de drempel van het eeuwige
leven? Waren die wezens naast me engelen? Ik voelde dat zij onderzoekend naar
me keken en door mijn gelaat in mijn ziel lazen, waardoor ik angstig werd en naar
hun vertrek verlangde. Dit
gebeurde. Even later voelde ik dat zij waren verdwenen, en ik was blij dat ik
alleen was. Neen, niet alleen, want even later zag ik weer anderen. Andere wezens
waren om me heen en raakten me aan met vriendelijke handen. Zij keken eveneens
in mijn gezicht. Het scheen alsof iets zachtjes van mijn gezicht werd afgetrokken
en eveneens zachtjes van mijn ogen afgerold, waarachter ik licht zag. Gedurende
enige tijd kon ik niet helder zien. Waar zouden deze nieuwe vrienden vandaan komen?
Tenslotte
trachtte ik mijn ogen wijd te openen en deed ik moeite om op te staan. Terwijl
ik dit deed vond er een opvallende verandering plaats. Wat het inhield kon ik
niet verklaren. De lieflijk zingende stemmen waren ver weg. De aanraking door
die aardige wezens, die ik eerder voelde, was verdwenen. Hoor,
waren dat niet hun zachte voetstappen terwijl zij weggingen? Het scheen me toe
als hoorde ik een zachte, lieve stem, of was het pure suggestie die vorm aannam
in mijn ontwakende geest, die zei: "Kleed je aan en kom met ons naar buiten.” Nu
zat ik rechtop en zag om me heen, terwijl ik wist dat ik alleen was. Die zoete
harmonie was verdwenen. Wat een wonderbaarlijke ervaring was dit. Ik bevond me
hier in mijn eigen kamer met alle vertrouwde voorwerpen om me heen. Het was morgen
en tijd om op te staan. Wat was er gisteren gebeurd ? Was ik niet ziek geweest
en verwachtte ik niet binnenkort te sterven? En nu, geen zwakheid, geen lijden,
enkel licht en kracht. Waar waren mijn zuster en de anderen? "Kleed
je aan en kom bij ons, buiten." Had iemand me niet zoëven met deze woorden
gewekt? Wie was "daarbuiten"? Mijn oog viel op een stapel kleren die
binnen armlengte over een stoel hingen. Ik stond op en verbaasd kleedde ik me
snel aan. Ik verliet mijn kamer, doorzocht het gehele huis, vond niemand, en vroeg
me af, waar zij wel allemaal naartoe waren gegaan. Behalve
mijn zuster en mijn tante waren er hier nog drie bedienden aanwezig. Het was ons
eigen landhuis, waar we de zomer doorbrachten, alleen maar wij met ons drieën,
want ik was 23 jaar oud en ongetrouwd. Toen ik de voordeur opende en naar buiten
ging, trof het me dat iets het vertrouwde landschap verstoord had. Waren de wouden
en velden van plaats veranderd? Bij de poort draaide ik me om, keek terug en was
volkomen ontsteld. Het
had een bepaalde gelijkenis, maar zonder twijfel was dit niet ons landhuis. Wat
betekende dit mysterie ? Er kwam een naar gevoel over me en mijn verontruste gedachten
wendden zich in een gebed om hulp omhoog. Een
ogenblik later zag ik een man wandelen in de laan. Door de open poort snelde ik
op hem toe. Van een afstand leek hij op onze naaste buurman, maar een nauwkeuriger
blik maakte duidelijk dat hij een buitengewoon iemand was. Een man in de bloei
van zijn jaren, een goed gevormd gelaat en een schitterende gouden baard zouden
alleen maar voorbijgaande aandacht opwekken. Deze man riep verwondering op, want
naast deze aangename kenmerken bezat hij iets dat onvergelijkbaar en onuitsprekelijk
was. Ik bedoel dat dit gezicht een uitdrukking had, die een nobele schoonheid
genoemd mag worden in een graad, die je hier beneden de Hemel nergens zou kunnen
vinden. "Wanneer
deze man niet goed en oprecht zou zijn, waar zou de wereld dan naartoe gaan?"
was mijn ogenblikkelijke gedachte. Hij scheen mij te verwachten en reikte me warm
de hand, terwijl hij vroeg hoe ik het maakte. "Ik ben blij je te zien"
zei hij glimlachend met een blijde uitdrukking, die mij trof. Klaarblijkelijk
hield hij me voor een ander. "U bent erg vriendelijk" zei ik "maar
ik heb niet de eer - ik ken u niet." “U
zult me later beter kennen" antwoordde hij ernstig, terwijl zijn rustige,
diepe ogen geen moment van mijn gezicht afweken. Wat
zou dit kunnen beduiden? Ik was zeer onder de indruk, maar ditantwoord maakte
me onrustig. "Kunt u mij vertellen waar ik ben?" vroeg ik met een bruuskheid
die mijn angst verried. "Dat
kan ik en dat zal ik" antwoordde hij bedaard "maar eer ik dat doe, laat
ons naar die bosjes gaan en daar gaan zitten. Ik heb u veel te zeggen." Ik
keek in de vriendelijke ogen van deze man, keek even weg en keerde me dan weer
naar hem toe. Was hij niet wijs? Het zou diep bedroevend zijn om te denken aan
- te denken dat een zo perfect menselijk mechanisme hevig verward was geraakt. "U
bent er helemaal naast" zei hij plotseling, terwijl hij me strak in het gezicht
keek. Er zijn hier geen geestelijk gestoorden, behalve diegenen die naar de hel
neigen. In het ware licht zijn alleen de bozen gestoord, en zijn alleen de goeden
in hun ware geestvermogens." Wie
was deze man? Ik had niet gesproken en toch kende hij mijn gedachten. Was het
mogelijk dat ik niet meer zorgvuldig over mijn gedachten kon waken en deze alleen
via mijn gezicht konden worden weergegeven? Iets was er verkeerd, en ik moest
op mijn hoede zijn. Niettemin werd ik sterk gedwongen tot vertrouwen aan deze
sterke persoonlijkheid, die in staat scheen de gedachten van anderen te lezen.
Ik liep naast hem voort. "U schijnt mij te kennen" waagde ik te zeggen
"waar heeft u mij eerder gezien?" "Ik
heb u niet eerder gezien" antwoordde hij “maar uw naam is Oswald Burton,
nietwaar?" Ik
zei niet eens ja, zo was ik in gedachten verzonken en verrast. Intussen wandelden
we tussen de bomen. Het was een bos van betoverende eiken, die ik tot nu toe niet
opgemerkt had. Geplaveide, kronkelende wandelwegen liepen er doorheen. Dicht bij
een open plek was een ronde, diepe plas met helder en doorzichtig water, dat van
beneden opwelde uit een ondergrondse rots en voort stroomde via de bosjes in een
zacht murmelende beek. Nabij de spreng stonden twee tuinstoelen. Terwijl hij me
uitnodigde om plaats te nemen, haalde mijn vreemde gids een zilveren beker te
voorschijn en ving wat water op. "Drink" zei hij; en ik gehoorzaamde. Op
het moment dat ik de inhoud van de beker proefde, zochten mijn ogen die van mijn
begeleider. "Noemt u dit water?" vroeg ik met verhit gelaat. "Het
is zo heerlijk als de beste wijn. Hoe komt dat?" "Dat
komt doordat deze bron in nauwkeurige overeenstemming is met de Bron van Wijsheid,
waarvan hij een uitbeelding is", was het antwoord. "Ik verheug me er
over, dat je dit heugelijke feit waarneemt, want dat is voor mij een teken dat
je oren niet voor hemels onderricht gesloten zijn. Dit kroesje water is een noodzakelijke
proef, dit water een onfeilbare test." "U
zegt zulke vreemde dingen", riep ik na een ogenblik verbaasd uit. "Zeg
me, wat betekent dit allemaal?" "Het
wil zeggen, dat u nu een bewoner bent van de geestelijke wereld." Verbaasd
stond ik rechtop, angstig, ongelovig. “O, hoe is dat mogelijk!" riep ik. “U
bent een geest" was het kalme, rustige antwoord. "U bent zojuist aangekomen
vanuit de materiële wereld - de aarde - en bent nu in de toegangshof van de geestelijke
wereld, waar allen komen na hun overlijden, en daar blijven voor een kortere of
langere tijd, totdat zij volkomen voorbereid zijn of voor de hemel of voor de
hel." "Het
is onmogelijk" zei ik iets rustiger, indachtig aan hetgeen ik de laatste
weken van mijn ziekte gedacht had. "Ik heb altijd begrepen dat een geest,
zo er al zoiets mocht zijn, een dun, ijl iets was, dat in de atmosfeer rondvliegt,
maar ik zie, hoor, proef, ruik, voel - ik ben een mens." Je
bent een mens, zeker, in het volledige bezit van alle eigenschappen; niettemin,
de verbinding met je natuurlijke lichaam is verbroken en je leeft nu bewust in
een geestelijk lichaam, dat in alle opzichten een natuurlijke tegenhanger is van
jouw andere lichaam, dat alleen maar gevormd werd uit de substantie van de geestelijke
wereld, en daarom niet materieel maar substantieel is." "Maar"
drong ik aan "ik ontwaakte een half uur geleden in het huis daar tegenover,
en kleedde me precies als ik mijn gehele leven heb gedaan." "En
was daar vandaag niets ongewoons in verband met jouw ontwaken?" Ja dat was
er. Het is waar dat ik op een onberekenbare manier van plaats veranderd ben. Hedenochtend,
voor ik ontwaakte, had ik een mooie droom van zoete muziek en geuren; maar... “Dat
was direct na uw opstanding" onderbrak mijn metgezel. "Het was de invloed
van de engelen die toen bij u waren. Deze engelen waren gedwongen u na een tijd
te verlaten, want zij waren van de hoogste, of wel, de meest innerlijke Hemel.
U kon hun tegenwoordigheid niet verdragen. Toen kwamen engelen van de middelste
Hemelen en zij bleven bij u, totdat u geheel wakker was. Er werden voorbereidingen
getroffen voor uw instructie, en u werd omringd door alle voorwerpen van uw aardse
huis. Dit gebeurde om u moed en vertrouwen te geven. Er wordt steeds in voorzien
dat de nieuweling (nieuwe geest) niet zal lijden door een te grote angst." Ik
nam plaats en keek zwijgend naar de spreker. De wind ruiste door de toppen van
de eiken, de zonneschijn glinsterde op het water van de bron. Het gezoem van de
bijen en het zingen van vogels streelden mijn oor. Nee, nee, het kon niet waar
zijn! Dit was de wereld. Ik stond weer op. Terwijl ik met mijn teen langs een
steen streek, rolde deze langs een hellinkje naar beneden. "Wilt
u mij vertellen dat dit geen steen is?” vroeg ik. “Dat
is een steen, maar niet een die tot de materiële wereld behoort", was het
antwoord. “Het is een deel van de eeuwige substantie van de natuurlijke wereld,
die een soort uiterlijke bedekking is." Ik
nam weer plaats. "En toch is het onmogelijk!" zei ik. Er was een teleurgestelde
uitdrukking op het gezicht van mijn metgezel. Hij keek me enkele ogenblikken onderzoekend
aan. "Wanneer
alles wat ik tegen je heb gezegd niet voldoende is, moge de Heer zich verwaardigen
je op een andere manier te overtuigen, jongeman" zei hij tenslotte met, naar
het mij scheen, enige droefenis. "Sta op en wandel een klein eindje langs
dit pad" vervolgde hij, terwijl hij me met zijn hand de richting wees. "Wanneer
je daar zo gaat, tracht dan in gedachten een aardse vriend op te roepen, die kort
geleden is gestorven. Keer dan na een poosje hier bij me terug." Benieuwd
wat er zou gebeuren, stond ik op en gehoorzaamde. Ongeloof, angst en eerbied stonden
zonder twijfel op mijn gezicht te lezen. Nauwelijks had ik een honderd meter gelopen,
toen ik bemerkte dat een jonge man bij enige bomen te voorschijn kwam en langs
het pad wandelde dat het mijne op enkele meters afstand kruiste. Het was een jongen
die ik jaren gekend had. Drie of vier maanden voordat ik ziek was geworden, was
hij overleden. We zagen elkaar op hetzelfde
moment. Met een glimlach van herkenning op zijn gezicht versnelde hij zijn gang.
Plotseling stond ik stil en werd koud, zelfs misselijk toen ik hem luid mijn naam
hoorde noemen. "Wat
- wat doe jij hier?", hijgde ik. "Wees
niet bevreesd", zei hij met een vriendelijke glimlach “ik ben werkelijk hier,
zoals je ziet.” "Heb
ik niet gezien dat je drie maanden geleden werd gecremeerd? Of heb ik het mis?" "Ja,
dat is zo - dat wil zeggen, je zag dat mijn natuurlijke lichaam werd verbrand.
In het begin geloofde ik het ook niet.” Even zweeg hij, en ging een ogenblik later
verder: “Ik was spoedig overtuigd. Ja, heel snel. De situatie heeft het mij bewezen.
Onze zwakke, vergankelijke lichamen hebben we afgelegd, Burton, en nu zijn we
in de geestelijke wereld." Verbluft
luisterde ik, tot hij tenslotte tot ziens zei. Toen draaide hij zich om en vervolgde
zijn weg. "Ga niet weg !" smeekte ik en greep zijn arm. Hij bleef staan
en ik begon hem ijverig te ondervragen, maar hij hield me tegen. "Wie
ben ik om jou te onderwijzen? Ik moet je nu verlaten. Misschien zien we elkaar
weer; dat hoop ik. Tot ziens!" Met
tegenzin liet ik hem gaan en volgde hem met ingespannen blik, totdat zijn gestalte
achter de bomen verdween. O, het was waar! Het was waar! Ik was een geest. Beschaamd
en verward draaide ik me om en ging mijns weegs. Mijn
begeleider van het eikenbos was nu niet langer alleen. Hij was in ernstig gesprek
met twee mannen. Zij schenen mij niet op te merken. Op enige afstand bleef ik
staan, bang om hun gesprek te onderbreken. Terwijl ik ze zo gadesloeg, las ik
plotseling een vriendelijke groet op hun gezicht. Waren dit soms de engelen uit
de Hemel, die mij gingen onderwijzen? Het moest wel zo zijn. Een van hen had reeds
onderwijzende woorden tot mij gericht. Hoe ondankbaar had ik geluisterd! Ik voelde
me onwaardig om naar hen te kijken. Ik keek naar de grond. Enkele minuten bleef
ik in deze houding, en terwijl ik mijn situatie overdacht, luisterde ik naar de
zachte wind die door de bomen aan de overkant waaide. Toen ik het tenslotte waagde
om op te kijken, waren de twee bezoekers verdwenen. Alleen degene met wie ik het
eerst had gesproken, bleef staan. Hij zat nu rustig te wachten in een van de stoelen.
Zijn kalme blik rustte op mij. "Zeg
me wie u bent!" smeekte ik, hem zo eerbiedig mogelijk naderend. "Ik
ben Ariël, een dienaar van de Heer." Een glans van intense vreugde kwam op
zijn gelaat, toen hij sprak. Tenslotte werd het me duidelijk, dat hij een engel
was. Dit schuldgevoel werd vergezeld door diepe vernedering. Ik knielde voor hem
en wist niet wat ik moest zeggen. Maar hij bukte zich snel, trok me op en zei:
"Buig je knieën alleen voor de Heer. Hij is je vriend, je beschermer. Hij
alleen is oneindig goed, wijs en barmhartig.” Het
leek alsof ik in de schaduw of duisternis stond, ver van hem vandaan. Ik voelde
me bedroefd, ongemakkelijk, en verlangde ernaar om weg te gaan en alleen te zijn,
maar durfde niet. Hij scheen mijn gedachten te lezen. Verwachtingsvol en bemoedigend
rustten zijn mooie ogen op me. Zo werd ik tot spreken gebracht: "O, goede,
vriendelijke Ariël, laat me weggaan! Ik ben het niet waard en niet geschikt om
met u samen te zijn, want u bent een engel van de Hemel." "Je
bent vrij om te gaan" zei hij vriendelijk. “Het wordt tijd voor ons om afscheid
te nemen. Jij moet nu verder gaan, je verzoekingen tegemoet. Het zal het werk
van goede geesten zijn om je naar de Hemel te leiden, terwijl het kwaad zal trachten
je naar de hel te trekken. Al naar gelang de staat van je liefden en aandoeningen
die tijdens je leven bepaald zijn, zul je aangetrokken worden tot het éne of je
aansluiten bij het andere. Dit hangt geheel af van je leven in de wereld. Verzoekingen
hier hebben alleen tot doel de wederverwekking van de mens, die in de wereld aan
de hervorming is begonnen, tot op een bepaalde hoogte aan te vullen en te vervolmaken.
Wanneer je het goede en het ware lief hebt, zul je geleidelijk opwaarts gaan.
Maar indien je het kwaad verkiest en lief hebt, zul je te zijner tijd alle herinnering
aan hetgeen goed is, kwijt raken en je uiteindelijk thuis voelen tussen de bozen
in de hel. De Heer en alle Hemelen verlangen ernaar om je te helpen, maar kunnen
dit niet doen wanneer je jezelf bevestigd hebt in de liefde tot het kwade. Ga
nu verder. De Heer zij met je! Het ga je goed!" Hij
drukte me warm de hand en wandelde weg. Ik keek hem na, gebukt onder een diepe
droefheid. Ik keek om, en toen mijn ogen hem opnieuw zochten, was de engel uit
het zicht verdwenen. Hoofdstuk
3 - Eeuwigdurende kerkdiensten Er
zijn tijden waarin onze zonden, onvervulde plichten zich sterk voor onze geest
aftekenen. Eigen interesses, zelfaandacht, zelfliefde en nog meer zó sterk zijn,
dat zij afschuwelijk zichtbaar worden. Men is verbaasd en men schrikt ervan. Op
zulke momenten ziet men misschien, dat duivels zichzelf liefhebben en engelen
van anderen houden. Bij bespiegeling van dit soort dingen vraagt men zich dan
af of men, ondanks een fatsoenlijk en ordelijk leven in het natuurlijke, innerlijk
misschien een duivel is. Wanneer
ik er nu over na ging denken, scheen het me toe alsof iedere daad in mijn afgelopen
leven door egoïstische motieven werden ingegeven. Dan zei ik tegen mezelf dat
ik waarschijnlijk niet beter verdiende, dan een plaats in de hel. Desondanks heb
ik gebeden, dat ik er op een keer toe gebracht zou mogen worden, om de plaatsen
van de goddelozen te mijden en de tegenwoordigheid van de engelen te zoeken. Langzamerhand
verdween mijn nederigheid. Nu begon ik tegen mezelf te zeggen, dat ik, ofschoon
ik in de wereld de gelegenheden, om een wijzer en beter mens te worden, verworpen
had, het mij niet volkomen kwalijk genomen zou worden. Die mensen, die ik in mijn
jeugd ontmoet had voor religieus onderwijs, deden weinig meer dan in niets zeggende
termen praten over geloof, geloof en nog eens geloof. Dit kon ik nooit begrijpen
en echt geloven. Zo kreeg ik hoop en vertrouwde er op, dat ik ondanks alles, toch
in de wereld de kiem had gelegd voor het goede en het ware. Wat ik nu te doen
had, was vooruit gaan en de weg naar de Hemel te gaan vragen en daarvan nooit
af te dwalen. Steeds zou ik het als mijn taak moeten zien om mijn geest en mijn
hart van het kwaad te zuiveren. Voor mij stond het vast, dat dit tijd zou vergen,
want ik was er beslist nog niet klaar voor. Er kwam een weten dat, zo ik ooit
mocht slagen, ik nu nog niet geschikt was, om in het gezelschap van zulk een engelmens
te verblijven. Door
deze gedachten bemoedigd, draaide ik me om en wandelde uit het eikenbosje. Het
afslaande pad volgend, had ik nog niet ver gelopen, toen ik een gezelschap van
ongeveer 15 mannen en vrouwen in mijn gezichtsveld zag komen, die snel rechtuit
liepen. Zij hadden reeds mijn weg gekruist en schenen in grote haast te verkeren.
Daarom liep ik hard roepend naar ze toe in verlangen om met hun te mogen praten
en inlichtingen te verkrijgen. Zodra zij me zagen hielden ze stil. Zij verwachtten
mijn komst met nieuwsgierigheid. Op bijna een voet afstand van hen, boog ik en
nam ik mijn hoed af voor de dames. Dan richtte ik me tot een voorovergebogen,
statige man van middelbare leeftijd, die mij de leider van dit gezelschap toescheen.
Naar zijn manier van doen en naar zijn kleding te oordelen, leek hij op een geestelijke.
Hij groette me hartelijk en vroeg waar ik vandaan kwam. Ik zei dat ik heel erg
wenste om de weg naar de Hemel te vinden. Zeer dankbaar zou ik zijn als hij in
staat zou zijn om mij enige inlichtingen te verschaffen. "De
weg naar de Hemel?" antwoordde hij blij. "Wij zijn op weg en zullen
daar zo spoedig mogelijk aankomen. "Is
het zó dichtbij ?" vroeg ik twijfelachtig. "We
hopen en geloven dat het zo is," was het antwoord. "Wij,
deze goede vrienden en ikzelf zijn ook zojuist vanuit de wereld aangekomen. Zodra
we tot bewustzijn kwamen vroegen we een ieder de weg naar de Hemel. Men zei ons,
deze weg te volgen. Terwijl we met elkaar kennis maakten, gingen we verder en
vormden dus ons kleine gezelschap. Wij vertrouwen er allemaal op om spoedig door
de poorten van parelen te gaan,want we behoren tot een uitgelezen gezelschap."
Hoe staat het met u, jonge man?" Vanaf het moment dat ik van gezicht tot
gezicht stond met deze mensen, werd ik mij bewust van een zekere intuïtieve afkeer
van hen. Bij deze woorden werd mijn afkeer nog versterkt. Zonder aarzelen vroeg
ik: Bent u daar zo zeker van? "Heel
zeker. Hebben we niet de belofte van God? Wij stonden zeer vast in ons geloof.
De gelovigen zullen zeker hun beloning vinden. Wij hebben onze zielen geheiligd
voor God; Wanneer iemand eens door geloof geheiligd is, valt hij niet in ongenade. Juist
zoals ik ben, verwacht ik, dat mijn ziel zonder enige voorwaarde bevrijd zal worden
van elke smet, omdat uw bloed voor mij vergoten werd. Dit
citeerde hij in vooringenomen vervoering. " Geloof - geloof; dit éne grote
woord verklaart alles. Jonge man, ik merk dat u zonder geloof bent." "Ik
vrees dat ik dat ben," gaf ik ten antwoord, zonder nederigheid, beledigd
door de vrijheid, die hij zich met dit oordeel veroorloofde. Daarop
wendde hij zich tot zijn makkers. Met luide stem van een vermaner zei hij: "kom,
lieve broeders en zusters, laat ons een ziel meer tot God brengen. Oh, gedachteloze
jongeman, bekeer je tot Jezus! Bekeer je, zondaar, bekeer je!" Als
antwoord op dit allemaal groepeerden zij zich rondom me heen en begonnen met een
vurig enthousiasme een treurig kerkgezang te zingen. Zeer onbehagelijk voelde
ik me, zowel geestelijk als lichamelijk. He leek, alsof ik moeilijk kon ademen.
Er waren echter niet genoeg van hen, die mij de adem konden ontnemen. Niettemin
werd ik bevangen door lichamelijk lijden. Nu wrong ik mij door die groep heen
en was vrij. "Ik
bid u, laat me met rust!", schreeuwde ik. Maar nog drongen zij onstuimig
achter me aan, terwijl zij met verdubbelde energie zongen. Toen zette ik het op
een lopen, maar stopte bij een plotselinge gedachte. "Waarom
verknoeid u uw tijd ?"riep ik. "Jullie vergeten dat jullie je eigen
intrede in de Hemel vertragen." Dit
hield hun opmerkzaamheid meteen gevangen. " Hij heeft gelijk," zei de
geestelijke, zichzelf onderzoekend. "Laten we niet dralen. Onze met sterren
versierde kronen wachten op ons - laten we verder gaan en ze ontvangen. Hoewel,
jonge man, je mag ons tot aan de poort begeleiden." voegde hij daaraan toe.
Het zal dienstbaar zijn aan je ziel, wanneer je ons de gezegende verblijfplaats
ziet binnen gaan." Allen
draaiden zich om en haastten zich voort, zoals tevoren, met gespannen gelaat,
vol vurig verwachten. Zij hadden me grote angst bezorgd. Van ganser harte blij,
was ik toen van hun gescheiden. Maar ik voelde me prompt zeer nieuwsgierig en
volgde hen, tenminste, een tijdlang, om te zien wat er van hun werd. De geestelijke
maakte verschillende opmerkingen tijdens het voortgaan. Door de veroorzaakte afstand
tussen on was een gesprek moeilijk. Ik vreesde dat zij opnieuw de gedachte zouden
krijgen mij te omsingelen, en hield me op een zekere afstand, teneinde een goede
kans op ontsnapping te hebben, in het geval zij hun aanval zouden herhalen. Hoewel,
ik vroeg en kreeg antwoord op deze vraag: "Wat
verwacht u te doen na uw intrede in de Hemel?" "Doen
? Wat een vraag! We zullen de zangen van Zion zingen, dat is zeker, en voor altijd
leven in volkomen zaligheid. Je bent ogenschijnlijk zeer behoeftig aan onderwijs,
jonge man. Heb je nooit gehoord dat de Hemel een plaats is waar de rechtvaardigen
na de dood zijn verenigd om God te prijzen, de plaats waar samenkomsten en Sabbath
nooit eindigen?" "Ik
ben benieuwd, wat de engel Ariël van deze mensen zou denken," was mijn gedachte.
Zij zijn zeer zeker niet klaar voor de Hemel; zij misleiden zichzelf." Mijn
overdenkingen werden hier afgesneden, want we hadden nu de top van een glooiende
helling bereikt. Voor ons verrees op een kleine afstand een hoge, witte muur van,
zoals scheen glinsterende stenen. In deze was een met fraaie torentjes omkransde
poort. Mijn begeleiders juichten, toen zij bemerkten dat zij alleen maar door
een groen gazon gescheiden waren van, wat zij dachten, zonder twijfel het doel
van hun bestemming was. Dankend vielen zij op hun knieën. Een huivering van opwinding
en eerbied voer door me heen. Was dit werkelijk de poort naar de gezegende verblijfplaats,
en was ik er regelrecht naartoe gegaan, oneerbiedig, twijfelachtig en onvoorbereid? Nu
zag ik een open deur in die poort. Mensen kwamen uit verschillende richtingen
en gingen met alle mogelijke haast na binnen. Deze gretigheid, om daar binnen
te komen werkte aanstekelijk. Nauwelijks zaten mijn begeleiders op hun knieën,
of zij stonden al weer op hun voeten, terwijl zij in vervoering met bijzondere
haast voorwaarts liepen. Op de voet volgde ik hen, en zag hoe zij de ingang naar
binnen drongen. Sommigen bekommerden zich niet om de rechten van een ander in
deze haastige spoed. Bijna allen vergaten hun waardigheid. Intussen wachtte ik,
geestelijk totaal verslagen. Terwijl ik dit zo gade sloeg, vroeg een soort portier
met grijze baard, waarom ik aarzelde. "Waarom
komt u niet binnen?" vroeg hij hoffelijk, naar het leek verstoord door mijn
ongewoon gedrag. In
nog grotere verwarring liep ik langs hem heen en kwam in een ontzaggelijk grote,
lage hal. Het uiterlijk deed kaal aan. Hier waren misschien ongeveer twee duizend
mensen aanwezig. Deze waren in groepen ingedeeld. Sommigen waren bezig met zingen,
anderen met bidden, weer anderen waren aan het prediken of zij luisterden. Het
veroorzaakte lawaai was onbeschrijfelijk. Degenen, die zongen hieven hun blik
omhoog met wat men zou kunnen noemen, een uitdrukking van overdreven zaligheid.
Zij, die naar de predikanten luisterden verkneukelden zich blijkbaar en dronken
ieder woord in. Deze sloegen ogenschijnlijk geen acht op het wanluidend, disharmonisch
geluid. De predikanten zelf, en degenen, die aan het bidden waren, werden nagenoeg
tot waanzin gedreven. "Wat
betekent dit toch allemaal, dacht ik. "Deze mensen zijn buiten zichzelf."
Ik herhaalde de vraag luid aan een meneer naast me. "Het
betekent," was het enthousiaste antwoord," dat we nu in de Hemel zijn,
waar samenkomsten steeds maar doorgaan en Sabbath nooit eindigt." Bij
deze woorden zonk mij het hart in de schoenen en keek ik vlug over mijn schouder
naar de deur. De rest mag de gehele eeuwigheid door in deze opwinding blijven,
maar wat mij betreft, ik verlangde ernaar om zo vlug mogelijk te vertrekken. Voor
hun moge dit de Hemel zijn, maar het zou nooit een Hemel kunnen zijn voor mezelf.
Enige minuten later keerde ik om en zocht de ingang. Tot mijn verbazing werd ik
geconfronteerd met een stevige muur. De deur was schijnbaar verdwenen. Met een
gebed, vol angst en pijn ging ik terug naar de hal. Daar vond ik een zitplaats
en luisterde naar de gemengde geluiden van preken, bidden en zingen, totdat het
leek alsof ik doof en versuft en misschien wel krankzinnig werd. Er overviel mij
een dodelijk gevoel van verstikking. Dan stond ik op en wankelde langs de muur,
biddende om bevrijding uit deze gevangenis. Mijn weg langs de muur rond de halve
grote zaal vervolgend, zag ik ineens een kleine deur voor me en rende erdoor. Nu
bevond ik me in een zaal die bijna even groot was als de eerste, waarin veel mensen
waren. Hier was geen bidden en preken maar niet minder grote verwarring en een
enorm geluid. Staande
aan tafels met verfrissingen, waren sommigen aan het eten en drinken, van een
overvloed aan voeding. Enkelen lagen of zaten op banken, naar het scheen, dommelend
door een buitengewone vermoeidheid. De meesten van hen stapten rusteloos heen
en weer, in discussie over deze situatie. De intense religieuze vervoering van
de vorige hal had plaats gemaakt voor ontevredenheid en angst. Na
iets gedronken te hebben aan een van de tafels, voelde ik me prettiger, en ik
keek aandachtig om me heen. Ik ging op een bankje zitten naast een oudere vrouw
wier aardige gezicht verdonkerd was door diepe neerslachtigheid, en nam de vrijheid
haar te vragen naar de reden van haar verdriet. "Ik
ben ongelukkig," zei ze, "omdat ik hier ben opgesloten en niet weg kan.
Men vertelde me dat ik, zodra ik wat opgefrist was, weer naar die andere zaal
terug moet gaan en mee moet doen met zingen en bidden. Wanneer ik dan weer wil
eten, moet ik hier naar toegaan, dan weer teruggaan, enzovoorts, voor altijd.
Dit is het leven in de Hemel. Ik heb gedaan zoals mij werd gezegd, maar hoe langer
ik hier ben, des te vreselijker het allemaal wordt. Ik ben hier pas achtenveertig
uur, maar achtenveertig jaar zouden nauwelijks langer kunnen zijn. Mijn hoofd
doet pijn, alleen al bij de gedachte steeds maar naar preken, zingen en bidden
te moeten luisteren. Ik zal wel een slecht mens zijn met zulke gedachten, maar
ik hoef mijn leven lang geen priester of predikant meer te zien." "Dacht
u dat dit de hemelse gelukzaligheid zou zijn toen u nog in de natuurlijke wereld
was?" vroeg ik. "Ja,
maar tot mijn schade bemerkte ik dat dit niet gelukkig maakt. Nu vind ik dit alleen
maar ellendig. Als ze mij daarheen willen laten teruggaan, waar al die mensen
maar doorgaan en doorgaan," ging zij na een ogenblik verder, "weet ik
nog niet wat ik zal doen - ik heb het gevoel dat ik het zal uitschreeuwen en dat
ik gek word. Ik zal sterven als ze me hier niet laten weggaan," besloot zij,
angstig en verkrampt om zich heen kijkend. "Ik
verwacht dat ze ons hier spoedig laten gaan," was mijn antwoord, "want
ik ben tot de conclusie gekomen dat alles hier maar een klucht is, om ons te laten
zien hoe ijdel en dwaas onze ideeën over de Hemel zijn." Een
straaltje hoop gloorde in de matte ogen van de vrouw. "Lieten ze me hier
maar uit en gaven ze me wat te doen," zei ze peinzend, "kon ik maar
aan mijn dagelijkse bezigheden gaan!" Enige
tijd later ontdekte ik, terwijl ik door deze ruimte naar de andere kant wandelde,
een deur in de muur, die tot nu toe aan mijn aandacht was ontsnapt. Onmiddellijk
liep ik erdoor en ik kwam in een derde hal, die eveneens overvol was. Hier heerste
de allergrootste verwarring. De grond was bezaaid met de restanten van fruit en
met allerlei kleren. De mensen zagen er slordig en ontmoedigd uit en drongen elkaar
ruw opzij. Alle tekenen van religieus enthousiasme waren verdwenen en hadden plaatsgemaakt
voor gescheld en gekibbel, vooral verderop waar een deinende menigte stond voor
een grote gesloten deur, in de verwachting dat deze geopend zou worden. Toen
ik die kant uitliep, hoorde ik heftig gevloek van de mensen die bezorgd waren
uit hun voordelige posities verdrongen te worden. "Mijn
predikant mag zeggen wat hij wil, maar men heeft hier wel zijn waardigheid verloren,"
dacht ik. Ik deed pogingen me afzijdig te houden, maar kwam weldra in het gedrang
terecht. Toen ik probeerde iemand die voor mij stond, te beschermen, ontdekte
ik, dat zij dezelfde was als de ongelukkige vrouw met wie ik in de tweede hal
gesproken had. "Ze
zullen ons hier nu wel gauw uitlaten," zei ik om haar te bemoedigen. "Misschien
worden we wel gestraft voor onze inbeelding, dat we waardig waren om in de Hemel
te komen," hijgde zij vrolijk. "U zult mettertijd vast waardig bevonden
worden," zei ik bij mijzelf. Het
was waarschijnlijk niet zó lang, maar het leek alsof het al een uur had geduurd,
toen de grote schuifdeur opzij geschoven werd. Daarbuiten werd een groen landschap
zichtbaar. De menigte drong naar buiten in een brede, bewegende stroom en verspreidde
zich in een oogwenk. Sommigen renden weg, als voor hun leven. Eindelijk bevrijd,
plofte ik neer op een bank en keek naar de mensen die door de deur drongen en
in alle richtingen wegrenden. Na
een korte tijd bemerkte ik dat een van de portiers van de uitgang naast me stond.
Hij beantwoordde vragen, die hem door een aantrekkelijke jongeman werden gesteld.
Deze was zojuist aan de menigte ontsnapt. "Wat
is dit voor een plaats? Waarvoor dient dit?" was de eerste vraag, die ik
hoorde. "Het stelt een denkbeeldige hemel voor, bestemd voor onderricht aan
diegenen die menen dat het leven in de Hemel een leven is van nietsdoen,"
was het antwoord. Zulke mensen worden hier en ook op andere plaatsen samengebracht,
alleen maar om hun duidelijk te maken dat zo'n hemel werkelijk een hel is. Nadat
dit voldoende in hun geheugen is geprent, worden zij naar buiten gelaten. Ofschoon
zij ver uiteen stromen, wordt er voor iedereen gezorgd en leert iedereen wat de
Hemel in feite is. Sommigen zijn blij over wat zij vernemen, velen zijn verontwaardigd
wanneer hun verteld wordt dat een leven van nietsdoen in de Hemel onmogelijk is.
De eerst genoemden lopen onbewust in oostelijke richting, de anderen gaan westwaarts." "Waarom
oostwaarts en westwaarts? "Omdat
de Hemel in het oosten is en de hel in het westen," dacht ik, rondkijkend.
"Kan
iemand dan niet zelf naar de Hemel wandelen, door het oosten aan te houden?"
was de volgende vraag. "Nee,
de staat van iemands liefden of neigingen bepaalt iemands richting. De nieuw aangekomen
geest, die het goede en het ware liefheeft, zal door zijn eigen wil geleid, naar
het oosten gaan, maar hij die het boze en valse liefheeft, zal sterk aangetrokken
worden door het westen, totdat de hel bereikt is." Verward
stond ik op en liep langs een lichte glooiing naar de oever van een stroompje. "Ik
zal zo teruggaan en aan die man vragen hoe het leven in de Hemel werkelijk is;
nu ben ik te moe," dacht ik. Toen ik mijn dorst gelest en mijn gezicht en
handen gewassen had, ging ik in het welige, zachte gras zitten. Met onze bevrijding
was de dag bijna ten einde, en nu werd het donker. Daar was ik blij mee, want
ik verlangde naar rust. De
geur van het gras en de naburige heesters, het tjilpen van een vogel en het geluid
van de stroom streelden mijn zinnen, en weerhielden me ervan terug te gaan. De
maan verscheen zacht, groots en prachtig aan de hemel, zoals ik het op zomeravonden
op aarde gewend was. Terwijl ik daar zo zat te kijken, trok een koele luchtstroom
zachtjes langs me heen. Ze deed de blaadjes bewegen, waardoor ik me meer en meer
bewust werd van een grote tevredenheid. Na
een tijdje was ik mijn voornemen terug te keren geheel vergeten. Ik ging in het
gras liggen en vergat alles in mijn slaap. Hoofdstuk
4 - In een denkbeeldige Hemel Toen
ik tenslotte ontwaakte was het ochtend. De vogels zongen in de bomen in mijn nabijheid.
Mijn sluimer was gezond en verfrissend geweest. Toen ik bij het opstaan eens om
mij heen keek, werd ik mij bewust van een verbazende energie in mijn ledematen.
Dit gevoel was zo sterk, dat ik me op dat moment verwonderd afvroeg, of een mars
van honderd mijl hetzelfde resultaat zou veroorzaken. "Wat
een verschil met de zwakheid en pijn van de laatste weken!" dacht ik. "En
waarvan deze verbazende verandering? Het geestelijk lichaam, ongetwijfeld."
Hoe blij was ik om van dat broze lichaam bevrijd te zijn! Dit
vermolmt zonder twijfel snel tot stof, terwijl ik... Is het niet wonderbaarlijk?
In de wereld was ik gewend om met schrik te denken aan het rottende lichaam in
de aarde; maar nu geef ik er niet meer om dan iemand, die weet dat sommige oude
kleren vergaan op een vuilnishoop. En mijn zuster, mijn arme zuster, zij is misschien
bezig mijn aardse graf met een kleed van bloemen te verfraaien, terwijl zij tranen
schreit, omdat ik dood ben. Dood! Hoe zeer zou ik wensen, dat zij zou kunnen weten,
zoals ik, dat zij in de wereld allemaal blind zijn. Blind... blind." Zo
redenerende ging ik naar beneden om water te putten uit de beek. Terwijl ik dronk,
kreeg ik in de gaten dat iemand naderde. Opkijkend, zag ik een slanke jonge man
met een prettig voorkomen, dicht bij me staan. Hij groette me op een blijmoedige
manier. Zijn spraak en manier van doen waren zo vriendelijk als maar kan. Ik voelde
me betoverd. "Hier is een aangename persoonlijkheid, om iets te vragen,"
dacht ik onmiddellijk. Hij
legde uit, dat hij me in het voorbijgaan had gezien en gedacht had, om me aan
te spreken, daar ik ook een nieuwkomer uit de wereld was. "Waar gaat u naartoe?"
vroeg ik. "Hemelwaarts." "Ik ook." "Ik
stel voor dat we samen gaan," bood hij gretig aan. "Ik denk, dat het
niet ver weg is," voegde hij eraan toe. "Integendeel,
ik denk beslist dat het héél ver weg is." "In
ieder geval," voegde hij er vertrouwelijk aan toe, werd ik uit betrouwbare
bron geïnformeerd, dat het maar een klein eindje boven ons is." "Een
denkbeeldige Hemel misschien," gaf ik ten antwoord. "Je hebt niet ver
te gaan, om er zo een te vinden. Er is er één daar boven op die heuvel. Wat mij
betreft, heb ik er genoeg van." "Ik
bedoel niet een van die psalmzingende plaatsen," zei hij een beetje minachtend,
hetgeen mij een onprettig gevoel gaf; "Ik bedoel een mooi paradijs, een Eden.
Weet je niet wat de Hof van Eden is, waarin de primitieve mens vóór de val leefde?
Dat is de Hemel, en daar ga ik naar toe... naar de Hof van Eden." Deze
gedachte boeide me. In de wereld schilderde ik mezelf op een duistere, dromerige
wijze, een mooi paradijs en nu werd ik, ondanks de jongste gebeurtenissen sterk
beïnvloed door de dingen, die mijn metgezel zei. Hij sprak ver boven hetgeen ik
me daarvan had voorgesteld, en met zo'n groot enthousiasme, dat mijn bezwaren
verdwenen, en ik stemde ermee in, om hem te begeleiden. Toen
we verder wandelden, vertelde hij me, dat hij in de wereld Downing werd genoemd,
en gaf ik hem mijn eigen naam. Zoals reeds voorspeld, was het paradijs dichtbij.
We hoefden alleen maar de helling af te lopen naar beneden en dan een andere heuvel
op, om een ommuurde tuin te zien, ogenschijnlijk eindeloos uitgestrekt en van
een grote schoonheid. De
ineengestrengelde boomtoppen hadden dat frisse, betoverende groen van het vroege
voorjaar, dat soms te mooi schijnt om waar te zijn. Deze bomen waren behangen
met veelkleurige wingerd en begroeid met mossen, zoals ik nooit eerder had gezien.
Blij met onze eerste indruk, zochten we ijverig naar de ingang. Zonder vragen
werden we toegelaten. Verdiept in het aangename uitzicht voor ons, kreeg ik ineens
een verre voorbijgaande ingeving, dat een zó snelle toegang tot de Hemel zelfs
met een tamelijke waarschijnlijkheid moeilijk te verenigen was. De
tuin was inderdaad mooi. Volgens ons onderzoek was de tuin een opeenvolgende aanplant
van fruit en lommerrijke bomen van een niet te bepalen verscheidenheid. Hier en
daar waren met bloemen bezaaide gazons. Daar tussen door liep een smalle, heldere
beek of stroom. Er was volop fruit, zodat hetgeen gevallen was de grond overal
bedekte. We zagen enkele jonge mensen, die zich vermaakten met daarvan hoopjes
te maken. Downing en ik kozen uit , wat we graag wilden eten en gingen ontbijten.
Later zochten we naar iets waarmee we ons konden vermaken. Later
in de morgen sloten we ons aan bij een groep jonge mannen en vrouwen, die met
veel pret spelletjes deden op een gazon met bloemen. Rondom hen heen waren veel
tuinstoelen opgesteld door personen van middelbare en oudere leeftijd, die met
een bemoedigende glimlach naar ons keken. Bij het naderen begonnen muzikanten
te spelen op harpen en fluiten. Op dezelfde manier keken we met interesse hoe
jongens en meisjes dansparen vormden. Hoe de naam van die dans was kon ik niet
verstaan, maar me hierop bezinnend, noemde ik dit de "Bloemendans van behaagzieke
mensen", waarvan verschillende uitvoeringen bestonden; deze dans onderscheidde
zich van andere doordat de jonge vrouwen telkens hun partners verlieten voor een
ander, dit alles tot genoegen van de toeschouwers. Alle
jonge meisjes droegen om hun arm kleurige banden van rozen. Eén daarvan werd op
het hoofd van de nieuwgekozen partner geplaatst voordat deze opstond om met haar
te dansen. Intussen werd de vorige partner aan zijn lot over gelaten. Gedurende
deze dans bemerkte ik tot mijn verbazing, dat een van de stoelen naast me bezet
werd door de geestelijke die ik de vorige dag naar de denkbeeldige hemel gevolgd
was. Ik zou hem waarschijnlijk niet opgemerkt hebben, als niet een van de flirtende
jonge vrouwen hem plotseling uitgekozen had en zonder meer een krans van rozen
over zijn hoofd had geworpen. Toen
hij glimlachend en blozend opstond, hoorde ik hem zeggen: "Ik heb steeds
gedacht dat dansen een verschrikkelijk iets was, maar als ze dit in de hemel doen..."
De rest ging verloren toen hij weg wervelde met zijn arm om de leest van het jonge
meisje. Intussen kreeg hij veel aandacht naar aanleiding van de snelheid van zijn
voeten, zeker gezien de voor het dansen ongemakkelijke lengte van zijn benen. Een
van de lieflijkste dansende meisjes, die ik Flora noemde, had de aardigheid om
me verschillende keren vriendelijk te benaderen. Haar ogenschijnlijke voorkeur
was zó duidelijk, dat ik me opgelaten voelde en mezelf zag als een trotse leeuw.
Telkens wanneer zij de rozenkrans om mijn nek legde, voelde ik me bedwelmd van
plezier, tot er op het laatst, toen ik dansende mijn arm om haar heen legde, iets
in mijn borst bewogen werd, hetgeen mij verbaasde. "Wees voorzichtig, Oswald
Burton, of je wordt op staande voet verliefd," zei ik glimlachend tot mezelf.
Deze aardige kleine Flora is zonder meer betoverend, maar is zij de soort vrouw
die jij voor jezelf gedacht had?" Met
deze interessante afleiding was de dag snel voorbij gegaan. Lang na het vallen
van de nacht, en nadat de vrolijke meisjes zich met hun begeleiders hadden teruggetrokken,
zochten Downing en ik een plaats om te slapen. We kozen een met bloemen begroeid
grasveld, vol zoete geuren. De lucht was beladen. Er heerste volkomen stilte.
Hier had ik voor het eerst een vaag, ontevreden gevoel. Een bed met rozen is in
je verbeelding een zeer aangenaam iets om in te slapen, maar in werkelijkheid
is het minder gemakkelijk dan de duurste slaapbank. Mijn klachten maakten echter
geen sympathie wakker bij Downing, die zich met alles volkomen tevreden voelde.
Daarom zei ik niets meer en lag een lange tijd wakker, terugdenkend aan de vreemde
situatie. Met
de dageraad waren alle zorgen verdwenen. Vroeg op, sloten we ons aan bij de vrolijke
mensen en de vreugden van de vorige dagen, die zich herhaalden in afwisselend
plezier. Zo ging nog een dag voorbij, en nog een en nog een. Met ontspanning,
praten, spelen, dansen, zingen en feesten ging de tijd voort. Er bleek geen grens
te zijn in gelegenheden om pret te maken, temidden van dit vrolijk gezelschap.
Wat kon een mens meer verlangen dan een zorgeloos, idyllisch bestaan? Alleen in
de nacht zouden de zorgelijke gedachten komen. Het licht in de lucht vond ik hinderlijk.
Het was moeilijk om de ogen gesloten te houden. Wel
kwam ik tot de conclusie dat het schemerig blauw, met sterren bezaaide hemelgewelf
iets leuks was om naar te kijken, maar pijnlijk om onder te slapen. De sterren
schenen me aan te klagen, terwijl ik steeds maar zei: "Wat doe je, Oswald
Burton? Hebben de laatste belevenissen je niets geleerd? Ondanks alle onderwijs
dat je hebt ontvangen, ben je bezig je tijd met dwaasheid te verdoen." Niet
dat we altijd onder de sterren sliepen, want mettertijd begonnen de grazige bedden
hinderlijk te worden. Daarom gingen we verder de tuin in, waar we overdekte paviljoenen
vonden, met meer gemak en behaaglijkheid. Maar
nu vervolgden me ook overdag de kwellende gedachten. Zonder ophouden werd ik door
die vrolijkheden afgeleid. Zelfs het fruit, eens zo kostelijk, voldeed niet langer
aan mijn smaak. Gaf dit lieflijke paradijs reeds zo spoedig een teleurstelling
te proeven? De rijke, groene begroeiing, de lange slingerende paden, de bloemen,
de stromen en meren werden hinderlijk voor mijn ogen. Hoe dom en eenvoudig was
dit allemaal. Was deze prachtige zeldzame tuin uit mijn gezichtsveld verdwenen,
of was de verandering, helaas, alleen maar in mijn wispelturig hart? In de morgen
van de zevende dag stond ik op met een kwellende geest, maar met het vaste voornemen
om verder te gaan. Deze plaats zou me nooit bevrediging kunnen geven. Nu
nam ik dan afscheid van dit vrolijke volk en verliet hen. "Ik zou ook van
Downing afscheid moeten nemen," dacht ik, "we passen niet bij elkaar."
Hij vond echter dat hij mijn beslissing niet kon delen en stond erop mij te vergezellen.
Toen we verder gingen was het zijn vaste wens om me van de koers af te brengen
die ik wenste te volgen. Zijn overtuigende macht was opmerkelijk. Ik voelde dat
hij mij volkomen kon doen omzwaaien, me dwingen kon om alles te zien zoals hij
het zag. Steeds minder voelde ik me op mijn gemak bij de gedachte om bij hem te
blijven. Een
keer stelde hij voor dat we ons naar de andere kant zouden begeven om ons aan
te sluiten bij een gezelschap van stoeiende, beschamende jonge vrouwen. "Nee",
zei ik, "ik houd er niet van zoals zij er uitzien." "Je
houd niet van schoonheid," riep hij uit. "Kom Burton, je maakt gekheid.
Wat zou je zeggen als ik je vertelde dat je lieflijke Flora onder hen was ?"
Dit was moeilijk te weerstaan, maar ik antwoordde: "Dan is zij niet zoals
ik heb geloofd dat zij zou zijn." De jonge man keek me aan en ik voelde me
geschokt. Indien ik me niet had omgedraaid en vastbesloten verder was gegaan,
was ik bezweken, daar ben ik zeker van. Later
op de dag gebeurde er iets vreemds. We pauzeerden om te rusten, en ik was onder
een boom gaan liggen. Toen ik ontwaakte, zag ik Downing dichtbij in het gras zitten
kijken naar een voorwerp naast mij. Hij was zó geabsorbeerd, dat mijn open oog
niet zijn aandacht had, hoewel het zeker was dat hij me als het ware bewaakt had.
Eerst dacht ik dat hij iemand anders was en meende het niet goed gezien te hebben.
Zijn trekken waren dezelfde, maar zijn gewoonlijk heldere, vriendelijke blik was
veranderd in een donkere, onheilspellende, boosaardige uitdrukking, de meest duivelse
die ik ooit had gezien. Me op mijn voeten worstelend, schreeuwde ik met afschuw:
"Downing, wat betekent deze verandering?" Hij huiverde als door de wind
en stond op, met trillende handen en verwrongen gezicht. "Welke verandering
?" vroeg hij, glimlachend. In het begin scheen zijn glimlach spookachtig,
spottend. Zodra hij zijn ogen op mij richtte, schenen zijn trekken kalmer te worden
en keerde zijn oude uitdrukking terug. "Het is niets," zei hij: "Je
hebt gedroomd." "Ik heb niet gedroomd," antwoordde ik. We
keken elkaar strak aan, totdat zich een onprettig besef van zijn sterke overredingskracht
en mijn eigen slapheid kenbaar maakte. Desondanks vocht ik ertegen en zei: "Ik
denk dat we uit elkaar moeten gaan, maar hij hield me door zijn blik vast. "De
tijd is nu gekomen," zei ik. "Oh nee! Wij zullen niet uit elkaar gaan,"
zei hij. Ik was machteloos. In mezelf schreeuwde ik luid om bevrijding uit deze
vreemde betovering. Plotseling
merkte ik dat iemand, een vriendelijk persoon, me van achteren was genaderd, om
de aandacht van Downing af te leiden, want deze keek naast me of achter me, op
een wilde, nieuwsgierige manier, met angst en haat in zijn ogen. Plotseling begonnen
zijn trekken te krimpen. In een moment losten zij zich op en kregen het verschrikkelijke
voorkomen dat zij hadden toen ik voor het eerst ontwaakte. Waarschijnlijk machteloos
om de worsteling vol te houden, deinsde hij terug, rende gillend en vloekend weg
en verdween tussen de bomen uit het gezicht. Ik
draaide me nu om en keek naar mijn beschermer, maar zag niemand. Ik was vrij,
maar alleen. Was het dan een engel, die net zo stil was vertrokken als hij gekomen
was, omdat ik zijn aanwezigheid niet kon verdragen? Bevend van opwinding, haastte
ik me voort, intussen terugblikkend op het vreemde van mijn lotgevallen. Nu geloofde
ik dat ik wel alles begreep. Ondanks
mijn ontvangen instructie had ik mezelf veroorloofd, om me in een andere denkbeeldige
hemel te laten brengen, deze keer door een slechte geest, vermomd in een mooie
gedaante. En een engel, die handelde naar de wil van God had me door zijn tussenkomst
gered, en de macht gebroken, die zich van mij meester trachtte te maken. Hij haalde
me weg. Eerbiedig en nederig fluisterde ik in mezelf, "Hoe goed en barmhartig
is God voor zulk een onwaardig mens als ik." De
afscheidswoorden van de engel Ariël rezen in mijn herinnering en beschaamden me.
"Je moet nu verder gaan, je verzoekingen tegemoet. Het zal het werk zijn
van goede geesten om je naar de Hemel te leiden, terwijl de bozen proberen je
naar de hel te drijven. Al naar gelang je liefden en aandoeningen, die zich in
de wereld hebben gevormd zul je neigen tot het ene of je verbinden met het ander."
Deden deze ernstige woorden niet reeds een appèl op mij en trokken zij soms een
voor mij vreselijke conclusie? Had ik me niet afgewend van de engel Ariël, omdat
ik ongelukkig was in zijn nabijheid? Zou ik me verbonden hebben met een kwade
geest, in wiens nabijheid ik meer op mijn gemak was? Hoofdstuk
5 - De stad van de Nieuw Aangekomenen Na
een tijd merkte ik, dat de grens van het paradijs bereikt was. Nu zag ik veel
mensen, die deze omgeving niet langer konden verdragen, en wier voornaamste wens
het waarschijnlijk was, om daaruit bevrijd te worden. Sommigen, nog meer terneergeslagen,
hadden zich ter aarde geworpen en jammerden over hun noodlot. Toen ik een gesprek
met hen begon, vertelden zij, dat zij niet minder dan tien dagen in de grote tuin
waren geweest, en reeds sinds lange tijd een afkeer hadden bij het blote zien
van dat groene gebladerte. De vele soorten vruchten, als zij die zagen, en die
eens zo kostelijk smaak waren, werden nu met weerzin verworpen. "Er
is daar een poort, die vermoedelijk een uitweg is uit deze afschuwelijke plaats,"
voegde een van hen korzelig toe, "maar wat heeft een poort, die zich nooit
opent voor nut ? Het is net goed voor ons, wier noodlot het waarschijnlijk is,
gekweld te worden totdat we krankzinnig zijn." Nauwelijks
waren deze woorden geuit, of sommigen van hen, die in de verte stonden,kwamen
in onze richting naar ons toe en riepen blij, "De poort ! Zij is open !" In
een tel waren de vertwijfelden onder ons opgestaan. Zij wrongen zich door het
kreupelhout, en renden, met halsbrekende toeren het gazon over. Elke laan was
ineens vol leven, met zich haastende mensen. Nauwelijks was de poort in zicht,
of een grote stroom van hen werd naar buiten gedrongen. Me zonder haast voorwaarts
bewegend, stond ik aan de buitenkant van de menigte, en ging als een der laatsten
door de poort. Ik
had besloten om aan de bewaker van die poort, die klaarblijkelijk een intelligent
persoon was vragen te stellen. Terwijl de luide menigte zich her en der verspreidde,
klampte ik hem aan. Ik bespeurde dat hij zeer genegen was om te praten, en vertoefde
toen meer dan een uur in zijn gezelschap. Aan hem vertelde ik mijn belevenissen
in het pseudo-paradijs en stelde hem vele vragen. Hij verzekerde me dat dit uitgestane
leed in deze denkbeeldige hemelen niet bepaald verenigbaar was met de Goddelijke
Barmhartigheid. Valsheden in het geloof, die zich reeds lang bevestigd hadden,
zonder die levende ondervindingen, en de pijn en het lijden, die deze inhielden,
niet konden worden ontdekt. De man Downing was ontegenzeggelijk een van die overredende,
slechte geesten, die zijn levensliefde vond in het verleiden tot het boze, aan
de nieuwelingen. Zo probeerden zij hen op het verkeerde pad te brengen. Zulke
kwade geesten hebben waarschijnlijk nog niet iedere schijn van het goede afgelegd.
Zij zijn nog niet helemaal gereed om in de hel opgesloten te kunnen worden. Deze
mogen de vrijheid behouden om diegenen, die zich voorbereiden tot de Hemel, door
verzoekingen te zuiveren. Sommigen van die behaagzuchtige bloemendanseressen waren
zonder twijfel onschuldig, en vroegen alleen om verzoekingen en onderwijs, om
hen te genezen van de neiging tot onschuldige koketterie, maar velen waren lichtekooien
in hun hart. Enkelen waren misschien het evenbeeld van Downing, die iemand in
verzoeking mogen brengen, om zo het innerlijk boze uit de goeden te verdrijven.
Op deze manier werden zij overwinnaar voor het nut, ofschoon zij zelf al wat goed
was gingen verliezen. "De
innerlijk goeden," zei hij, " zijn altijd blij om te kunnen leren dat
het echte hemelse leven iets geheel anders is dan een leven van nutteloos gemak,
dat zij zo dwaas gedacht hadden voor zichzelf. "Wilt
u me iets vertellen over het leven in de Hemel," vroeg ik. Mij
werd toen uitgelegd, hoe de Hemel een koninkrijk van nutten is, waar iedere engel
vanaf de laagste tot de hoogste gelukkig is verbonden met een of andere taak,
waarvoor hij geschikt is en een, die goed is voor het gezelschap. Deze taken zijn
ontelbaar, nog veel talrijker dan alle verplichtingen op aarde; want de Hemel
is geen plaats van nietsdoen, maar waar alles wordt gedaan - dat wil zeggen alles
was onschuldig en nuttig is. Het is een plaats, waar herboren en verbeterde mannen
en vrouwen tezamen werken in onuitsprekelijk geluk. Zij prijzen God inderdaad
onophoudelijk in hun hart. Alleen op gezette tijden brengen zij hun tijd door
in gezelschap. Intussen vervullen zij hun dagelijkse plichten zoals in de wereld
en geven zich over aan verrukkelijke ontspanningen. "De
liefde, om in de stroom van de Goddelijke Voorzienigheid en naar de Goddelijke
Orde te leven, met liefde en nutten voor de ander, dat is, een engel te zijn in
de Hemel," zei hij tenslotte. "Het
is belangrijk," zei de portier verder, voor geesten met goede neigingen,
om enige bezigheden te kiezen en te leren om serieuze plichten getrouw en goed
te vervullen, niet in de hoop op beloning, maar uit liefde tot God en de medemens.
Op die wijze zullen zij zich sneller voorbereiden voor hun uiteindelijk tehuis.
Het nut is het werkelijke leven in de Hemel, evenals nutteloosheid en genotzucht
het leven vormen voor de hel." "Hoe
kan ik een bezigheid kiezen?" vroeg ik twijfelachtig. "Waar zal ik het
kunnen vinden ?" "Ga
alleen maar verder met de ernstige wens, en u zult vinden wat voor u het meest
geschikt is om te doen." Met
deze opmerking stond hij plotseling op van de bank, waarop we zaten. Na een aarzeling
vertelde hij me dat hij een sein van boven had gekregen, dat het tijd werd om
de poort opnieuw te openen. Dan bemerkte ik dat een verse stroom mensen zich binnen
de omheining had verzameld. Sommigen van hen vochten voor een gelegenheid tot
een vermoedelijk voordeel, terwijl anderen vergeefse pogingen deden om door de
poort heen te dringen. Ik
stond stil en keek hoe de portier bedaard naar voren ging. Na een klein ogenblik
zwaaide de poort terug , en wrong de menigte zich al dringend, en zich onstuimig
voortbewegend, door die poort, en verspreidde zij zich als tevoren. Het gedrang,
het vechten en ook de met geweld aandoende haast en het kwaad gewauwel van de
aanvallers zouden me gewoonlijk hebben doen lachen. Ik was echter te serieus in
gedachten verloren om gemakkelijk afgeleid te zijn. De gevoelloze mensen schenen
mij toe als de gedachteloze wereld, waar we allemaal vandaan waren gekomen. In
korte tijd waren allen, die bevrijd waren, uiteen gegaan, behalve twee of drie,
die in gesprek bleven met de poortwachter. Benieuwd naar alles wat gezegd zou
worden, ging ik dichterbij staan. Tot mijn grote verrassing vond ik onder hen
niemand anders dan de geheiligde geestelijke, die ik twee keer eerder had ontmoet.
Wat deze, in antwoord op zijn vragen te horen kreeg was blijkbaar niet plezierig,
want toen ik dichterbij kwam hoorde ik hem met luide, kwade stem zeggen: "Nadat
ik me moeite heb getroost om zó veel jaar mijn geloof te behouden, terwijl ik
mezelf bijna alle geneugten van het leven heb ontzegd, nadat ik eerlijk mijn met
sterren bezaaide kroon heb verworven en het recht op de hemelse rust heb verdiend,
gaat u me nu vertellen dat de hemel een werkplaats is!" "Het
is niet mijn schuld, wanneer u dit niet leuk vind," zei de poortwachter mild,
maar met waardigheid. "Ik spreek alleen de waarheid, zoals me geleerd is
vanuit de Hemel." "Ik
weiger dit te geloven !" schreeuwde de ander, in toorn, zich omdraaiend en
eraan toevoegend: "Ik zal doorgaan met zoeken, totdat ik de Hemel van mijn
geloof heb gevonden. Indien die niet te vinden is, ben ik bedrogen, en niemand
behoeft me meer over een God te praten. Het gelaat van die man was erg weerzinwekkend,
toen hij deze bittere woorden zei. Het gezicht van de poortwachter was echter
een slaand contrast, waardig, mild en vredig en levendig door een edel oogmerk.
Uit eerbied voelde ik een beetje kippenvel over me kruipen, toen ik naar hem keek.
Was hij een engel ? Als ik gedurfd had, zou ik het hem hebben gevraagd, wanneer
we alleen waren. Zeker, door zijn uitstraling en zijn spreken scheen hij me edel
genoeg, en, al was hij nog geen engel, dan zou hij er spoedig een zijn. Gedurende
een verder gesprek vertelde hij me dat niet ver hier vandaan een dicht bevolkte
stad was van mensen, die pas aangekomen waren. Het zou niet veel tijd vergen om
daar te komen, als ik die grote weg zou volgen, die hij me aanwees. Met een vriendelijke
uitdruk van goodwill zei hij me tot ziens, en we gingen uiteen. Na
een half uur gaans door een prettige, heuvelachtige streek, gescheiden, door bossen
en gecultiveerde velden, bevond ik mezelf aan de rand van een grote stad. Deze
had in alle opzichten het aanzien van grote steden in de natuurlijke wereld, die
mij vertrouwd was. De straten waren geplaveid en de huizen waren gebouwd, zoals
gewoonlijk, sommige van baksteen of steen, en weer anderen van hout. Het was laat
in de middag, toen ik aankwam. Mensen doolden door de straten en parken, enkelen
reden, en anderen zochten plaatsen van vermaak. Oudere mensen zaten voor de vensters
van de meeste huizen en keken naar buiten, zonder iets te ondernemen. Alles drukte
een vakantiestemming uit. De winkels en boetieks waren druk met hun zaken doen. Tenslotte,
beu van het wandelen door de straten, ging ik een herberg binnen en bestelde een
lichte maaltijd. Ik dronk een glaasje wijn toen drie beschaafd uitziende jonge
mannen binnen kwamen. Zij namen plaats aan een tafel in de nabijheid. Het spel
van de uitdrukkingen in hun gezicht was interessant. Ik draalde een weinig, en
luisterde naar brokken conversatie die ik vaak opving. Een van hen, de vrolijkste
van de drie, onderscheidde zich door fijne trekken, hoffelijke manieren en een
spontane oogopslag, die waarachtigheid en eerlijkheid scheen uit te stralen. Dit
werd nog verhoogd door een aardige naam, Alaric Mortimer. De andere twee waren
uiterlijk niet bepaald onaantrekkelijk, maar ik voelde me niet op dezelfde wijze
tot hen aangetrokken. Na
hun maaltijd genuttigd te hebben, werd nog meer wijn en een pak met kaarten binnen
gebracht. Nadat hij naar me had gekeken, nodigde Alaric Mortimer me uit, om een
spelletje kaart met hun te spelen. Wat we speelden kon ik niet herkennen, maar
het was productief, en kameraadschappelijk, bovendien onderhoudend. Met vurig
animo begon ik het spel en toonde ik meer resultaat als ooit tevoren. Hier op
terug blikkend was het duidelijk, dat mijn eigenschappen actiever en sterker waren,
sinds ik van de natuurlijke wereld af was. "Ik
stel voor dat we vanavond naar het toneel gaan," zei Mortimer, nadat we een
tijdje gespeeld hadden. "Ik weet een plaats, waar je prachtige muziek kunt
horen en mooie dansen kunt zien. Een poëtische pantomime, geen ballet, zei hij.
Hij glimlachte naar zijn twee vrienden, die hij Jack en Percy noemde, en dan,
al pratende, ook naar mij. "Ik
ga liever naar het volkstoneel," antwoordde Jack vlug. "Geef
mij maar de klassiek," zei Percy." " We kunnen een Griekse tragedie
zien , ergens niet ver hier vandaan." "Hoe
wonderbaarlijk is het," zei ik, "Hier alles te vinden zoals in de natuurlijke
wereld! Nu, wat zouden we anders moeten vinden. De waarheid is, dat mensen in
de natuurlijke wereld er op zijn hoogst maar half geloven in een andere wereld,
en daarom hiervan maar de vaagste idee koesteren." "Hier
bemerkte ik, dat Mortimer goudeerlijk en begrijpend naar me keek, maar dat op
de gezichten van de twee anderen een uitdrukking van verrassing en minachting
lag, die niet bepaald bemoedigend was. Toch vatte ik moed om te zeggen: "Ik
ben benieuwd of drama's ook in de Hemel worden vertoond." "Alaric,
hij is een man naar je hart! riep Jack," schuddend van het lachen. "Hemel,
dat schijnt heden ten dage absurd," zei hij, zich herstellende "Dit
geleuter over een verdichtsel met een voorstelling van een zogenaamde "hemel
van geëxalteerde oude wijven fabels is altijd al een vruchteloos werk geweest,"
lachte Percy. Op
een niet al te vriendelijke manier keek ik intussen naar hem. Dat was dan hun
mening, ik benijdde hen niet. "Jij
bent aan de beurt," zei de laatste spreker, met een zeker ongeduld, en keek
naar me. Op
goed geluk gooide ik een kaart en zei niets meer. We vlogen er doorheen. Toen
het spel uit was, stond ik op, alsof ik weg zou gaan. Alaric Mortimer stond eveneens
op. "Ik
wil graag met je over de Hemel praten," zei hij, met een zeker verrukkelijk
verlangen, dat me trof. Onwillekeurig
bewogen we onze stoelen iets apart. De twee andere zetten het spel voort. "Weet
je," begon mijn metgezel ernstig, "ik zag op een dag een engel - of,
het is te zeggen, een mooie, prachtige vrouw, die me vertelde dat zij aan het
einde van haar voorbereiding was gekomen en binnenkort als een engel naar de Hemel
zou gaan. Deze vrouw was mijn eigen lieve moeder, die zes jaar vóór mij overleed.
Ik vertelde dit aan Jack en Percy, maar zij lachten alleen maar en zeiden, dat
ik had gedroomd. "Laat
ons gaan zitten," zei ik. "Maar
het was geen droom. Nooit van mijn leven was ik zó nuchter. En, och, zij sprak
zulke lieve woorden, en vertelde me zó veel, wat ik graag wilde weten. En, tussen
haakjes, zij had gehoord, dat er toneel en alle andere soorten vermaak was in
de Hemel. Zij vertelde, dat de engelen in de morgen hun dagelijkse plichten vervullen.
In de middag en in de avond zoeken zij ontspanning in gezelschappelijk verkeer.
Zij rijden, wandelen en bezoeken gelegenheden met toneel, concerten en dergelijke.
Zij zei echter dat in hemels toneel nooit iets slechts werd gepresenteerd." "Het
is moeilijk te begrijpen, hoe dit zo kan," zei ik, "maar niet moeilijk
om te zien hoe enige sterke invloed verkregen kan worden, in feite, hoe een toneeldrama
vertoont kan worden, als alle karakters goed zijn. "Een
mooie en harmonieuze onthulling, gelijk de ontvouwing van een bloem, misschien,"
zei Alaric. Ik ben blij dat ik kennis met je mocht maken," ging hij verder.
"Ik kan met Jack en Percy niet over zulke dingen praten ™zij lachen me steeds
uit. Je moet weten, zulke kerels willen daadwerkelijk redeneren tegen de mogelijkheid
aan een leven na de dood, en trachten te bewijzen dat we nog in de natuurlijke
wereld zijn." "Ik
weet niet hoe het met jou is," zei ik na een uitroep van verbazing,"
maar ik acht het verstandiger, om met zulke mensen niet te veel te doen te hebben.
Wat een krankzinnigheid!" "Het
zijn altijd goede vrienden van mij geweest," antwoordde hij met een twijfelachtige
uitdrukking." Behalve, als we beginnen over de Hemel en zulk soort dingen
te praten, zijn het de meest prettige mensen en ik - werkelijk, ik zou niet weten
hoe ik ze op zou kunnen geven." "Op
een dag zal het duidelijk worden, dat zij niet zulke goede vrienden zijn als je
misschien zou denken. Een mens kan niet reizen in gezelschap van Atheïsten. De
diepe duisternis, waarin zij tasten, zal mettertijd in hun geest al het licht
uit de Hemel verduisteren. Hoewel, toen later op de avond het voorstel, dat ons
gezelschap naar een toneel voorstelling zou gaan, werd herhaald, stemde ik in.
Het volksdrama werd gekozen. Het bleek, dat het toneelstuk hoogst interessant
was en het werd bijzonder goed gespeeld, maar liet een verre van aangename indruk
achter. Ik vond het nooit prettig om terneergeslagen te zijn na zulke hedendaagse
drama’s, waar de verleiding van een jonge vrouw werd geschilderd, die aan haar
echtgenoot werd ontnomen, of omgekeerd. Zo een schilderij is de schildering van
de hel. Kort
na de uitvoering gingen we met ons allen terug en logeerden in de herberg. Hoofdstuk
6 - Vreemde Lotgevallen De
volgende morgen was het zondag en hoorde men op het gewoonlijke uur de kerkklokken
luiden. Tot mijn verrassing stelden de andere twee voor om samen ernaar toe te
gaan, toen Alaric en ik erover spraken om samen naar de dienst te gaan. "Oh,
lachte Percy, en legde ons uit en zei, "we gaan alleen maar voor de pret."
"De tegenwoordige moderne kerk is niets anders dan en andere vorm van een
theater en de gehele wereld gaat alleen maar voor afleiding, uitgezonderd, natuurlijk,
enige onder hen, die erg simpel en onbeschaafd zijn." Vredelievende
Alaric voorzag hier een vinnig antwoord van mijn kant en veranderde van onderwerp.
We begaven ons op straat. Nadat we een paar keer rond het plein hadden gelopen
gingen we een lang mooi stenen kerkgebouw binnen. De kerk was helemaal gevuld
met goed geklede mensen van hogere klasse. De preek verschilde in wezen niet van
andere, zoals men die in de wereld te horen kregen. Het doel van de geestelijke
scheen niet te zijn om te onderrichten, om de toehoorders door het ware naar het
goede des levens te leiden, maar voor het onderhouden van het publiek, hen te
amuseren, waarbij hij aangename zelftevredenheid zou verkrijgen. Hij sprak over
de grote en prachtige dingen die mensen hadden gedaan voor het altaar van de menselijkheid,
maar hij verspilde geen woord aan de verdorven en slechte liefdes, die het mensdom
aan zijn hart koesterde, waarvan het afgetrokken moest worden, eer het hemels
zou kunnen worden. Tenslotte
stond ik verontwaardigd op en verliet in begeleiding van Alaric de kerk, tot groot
vermaak van zijn twee vrienden. "We
zijn hier allemaal in de geestelijke wereld," begon ik. De Hemel is aan de
éne en de hel aan de andere kant en ons eigen probleem is, om ons van het kwaad
te zuiveren, dat ons nog steeds gevangen houdt, om ons voor ons uiteindelijk tehuis
gereed te maken. Die man daar boven op die preekstoel praat over stoommachines,
drukpersen en handenarbeid!" "Misschien
weet hij niet beter."Hij zou beter moeten weten. Ariël, de engel waarmee
ik na mijn opstanding sprak, zei dat aan iedereen verteld werd waar hij was en
bovendien van de voorbereidende ondervindingen die we moeten ondergaan. Alle onkunde
is daarom opzettelijk." "Het
schijnt dan," zei Alaric, "dat zulke mensen in hun verharde staat snel
vergeten wat hen geleerd is en spoedig terug vallen op hun gedachten en gewoontes
die zij in de natuurlijke wereld hadden. "Ongetwijfeld
is dat zo, gaf ik toe: "de zaak schijnt voor zulke mensen hopeloos. Indien
zij volharden met weigeren, om aan hun boze dingen te denken en te trachten om
ze niet te doen, zullen zij er tenslotte een slaaf van blijven." Gedurende
ons gesprek slenterden we door de straten en bevonden ons nu voor een grote kerk
van steen. Uiterlijk was deze bijna dezelfde als de vorige. Nieuwsgierigheid spoorde
ons aan om binnen te gaan kijken. Onmiddellijk werd ik getroffen door het gezicht
van de dienst doende predikant. Een verdere onderzoekende blik maakte me duidelijk
dat ik het bij het rechte eind had. Het was dominee Sebastian Boniface, die pastoraal
verbonden was aan de kerk in de buurt van ons landhuis in de natuurlijke wereld. Een
paar maanden vóór mijn laatste ziekte was hij gestorven. Ik kende hem niet intiem,
maar hij had mijn respect afgedwongen door zijn onvervalste integriteit en onkreukbaarheid,
waarvan ik meer dan eens gehoord had. "Laat
ons hier naar binnen gaan; ik ken deze prediker," zei ik. Wij
zagen, dat mensen uit allerlei klassen vertegenwoordigd waren. Waarschijnlijk
waren de meesten daar bijeen gekomen om zich te vermaken. In de achterste kerkbanken
zat een behoorlijk aantal gespuis, waarvan velen van hen openlijk commentaar gaven
op alles wat er gebeurde. Zij spraken in luid gefluister, onderbroken door ingehouden
gelach. Degenen, die iets meer vooraan zaten, gedroegen zich behoorlijk en zij
schenen diep geïnteresseerd in hetgeen zij vanaf de kansel hoorden. Toen we plaats
namen, zei de dominee; "na de eerste schok van verbazing zijn de nieuw aangekomenen
in de geestelijke wereld geneigd om te vergeten waar zij zijn. Zij hebben de neiging
om in hun vroegere gewoontes en manier van denken en handelen terug te vallen.
Zij maken zich geen zorgen om de taak die voor hen ligt. Goede vrienden, we hebben
ons uiteindelijk tehuis nog niet bereikt, hetgeen onveranderlijk voor ons is weg
gelegd. Deze eerste staat in ons eeuwige leven is voorbijgaand. We zijn hier om
ons voor de Hemel voor te bereiden of voor de hel. Laten we dit dan ook gaan doen.
Tot diegenen, wier leven in de wereld zodanig is geweest, dat zij nu onmogelijk
van hemelse dingen kunnen houden (en daarom niet de poort naar de Hemel door kunnen
gaan ) zeg ik niets, want hun les is voorbij. Maar laat ik er voor degenen, die
er wél geschikt voor zijn, op aandringen, zich af te wenden van vele dingen, die
zij in deze stad zien. Laat
mij hen aanbevelen, niet alleen actief, maar ook in doen en laten hun schreden
te richten naar zaken, die het fatsoen, eer en waarheid betreffen. Wij werden
allemaal op een of andere manier geïnformeerd dat de Hemel geen plaats van nietsdoen
is. Het is evenzeer duidelijk dat de middelste, geestelijke wereld ten behoeve
van die geesten is, die zich volgens die orde wensen te gedragen en dat daar meer
te doen is, dan van de ene plaats naar de andere te wandelen voor pleziertjes
om alleen maar de weg naar de Hemel te gaan. Mogen we bedenken dat alleen bij
goed denken en doen onze schreden binnenwaarts worden gericht, om zo het hemelse
pad te betreden. Niet eer we de innerlijke neiging, om voorwaarts te gaan, hebben
verworven, zijn onze ogen geopend en vinden we de opwaartse weg. Ik raad allen,
die hun blik hemelwaarts hebben gericht aan, geen tijd te verliezen, om dat werk
of die taak te vinden, die voor hun geschikt is. Ik geef hun ook de raad om hun
taken serieus, trouw en eerlijk te vervullen, zonder hoop op beloning, maar alleen
uit liefde voor wat goed en waar is. Wanneer u dit leert, goede vrienden, zult
u zich plaatsen in de stroom der "Goddelijke Voorzienigheid"welke naar
de Hemel voert." Na
een paar toevoegende woorden boog de priester het hoofd, ten teken dat geëindigd
was. Juist toen hij "Amen" zei gebeurde er iets beschamends. Binnen
de kerk werden plotseling harde kreten gehoord van spot. Er werd een aantal kiezelstenen
naar de predikant geworpen, waarvan enkelen op zijn gebogen hoofd en op het boek
voor hem neerkwamen. Van boven af werden kreten gehoord, zoals, "sluit hem
op!" Gooi hem eruit!" "Hij liegt!" Met
opgeheven hoofd en met een bleek maar onbewogen gelaat keek de geestelijke zonder
vrees naar de rustverstoorders. Het
toneel dat daarop volgde was onbeschrijfelijk. Allen in dit volle huis rezen op,
en schreeuwden mee in de uitlatingen van ontevredenheid. Anderen trachtten deze
tot zwijgen te brengen en riepen "schande!".Allen droegen bij tot dit
lawaai. Weldra werd het duidelijk dat ruwe handen zich zouden leggen op deze onschuldige
man, indien hij niet beschermt zou worden. Sommigen,
onder wie Alaric en ik, probeerden zich een weg te banen naar de preekstoel. Op
deze wijze werden diegenen die met de predikant sympathiseerden en zij die boosaardig
kwaad wilden, meteen duidelijk onderscheiden. Wat
het einde geweest moge zijn, zonder tussenkomst, is alleen maar een kwestie van
gissen. Juist toen er een botsing dreigde, verschenen tussen de twee tegenoverstaande
groepen ineens drie in het wit geklede mannen met een zweep in hun handen. Niemand
scheen te weten wie zij waren en waar zij vandaan kwamen, maar zij verkondigden
direct hun opdracht. Zonder woorden richtten zij zich tegen deze rustverstorende
wezens. Zij sloegen krachtig met hun zweep en dreven allen voor zich uit, totdat
de kerk van hun gezuiverd was. Iets in hun manier van doen scheen aan de rustverstoorders
angst te bezorgen. Niemand probeerde zich tenminste te verzetten. Op
een eerbiedige afstand volgden Alaric en ik deze drie vreemde mannen. We zagen
hoe die onverlaten tot op de laatste man de straat op werden gedreven. En dit
was niet alles. Degenen van de oproerkraaiers, die de leiding hadden gehad en
die waarschijnlijk met stenen gegooid hadden, werden door de witgeklede mannen
de handen met touw gebonden en gevangen weg gevoerd. Ik zag deze om de hoek van
de straat verdwijnen. Vermoedelijk werden deze aanranders onmiddellijk in een
naburige gevangenis opgesloten. Na een paar minuten kwam het nieuwsgierige volk
dat achter hen aangehold was, na en na terug. Zij berichtten dat daar om de hoek
de arresteerders met hun gevangenen zo maar in het niets waren verdwenen. Zij
waren noch een huis of een tuinpoort binnen gegaan. Zij waren op de straat en
in vol zicht plotseling onzichtbaar geworden. Alaric en ik keken elkaar vol verbazen
aan. Terwijl we de kerk weer betraden, zochten we de heer Boniface te spreken,
die predikant, die blijkbaar niets was overkomen, en die , daar was ik blij mee,
mij met groot genoegen herkende. "Wie
waren deze drie vreemde mannen?" vroegen we bijna zonder inleiding. "Dienaren
van de Heer, dat is gewis," was het antwoord. "Kent
u ze? Verwachtte u deze?" "Nee,
hun komst was een even grote verrassing voor mij als ook voor u." "Wat hebben ze gedaan met deze ellendelingen?"
vroeg ik. "Dit
kunnen we niet met zekerheid zeggen, maar we kunnen ervan op aan dat men deze
naar een of andere gevangenis gebracht heeft, waarschijnlijk een tijdelijke aan
de grenzen van de hel zelf." "Ik
begrijp hun plotselinge verdwijnen niet," zei Alaric. "Toen
zij uit ons oog verdwenen," vulde de geestelijke aan, verschenen zij voor
de ogen, die tot het gezelschap behoren waarmee zij verbonden zijn en welke van
dezelfde aard zijn. Intussen komen zij zichzelf voor alsof zij een wandeling maken.
In de geestelijke wereld echter zijn er in werkelijkheid geen afstanden, hoewel
het schijnbaar wel het geval is. Alle voortschrijding is niets anders dan een
verandering van staat. Dit is de oorzaak, dat diegenen bij elkaar leven, die in
dezelfde aandoeningen zijn, en waarom een persoon onmiddellijk zichtbaar wordt
voor de ander, wanneer zijn tegenwoordigheid intens wordt verlangd. Ik hoorde
dit van de engelen. Je begrip zal in het begin iets duister zijn maar later zal
het helder worden. Het
werd nu tijd om de kerk te verlaten. Zij zou waarschijnlijk worden gesloten. Met
enige tegenzin zeiden we de predikant vaarwel. Hij nodigde ons hartelijk uit voor
een bezoek in, wat hij glimlachend zijn tijdelijk tehuis noemde. Het was niet
ver weg. Na een warme handdruk namen we afscheid. “Wat
een heerlijk, prachtig geschenk is het leven, een eeuwig leven” zei ik toen we
op straat liepen. De
ogen van Alaric gleden over de ruisende boomtoppen van een park dat zich links
van ons uitstrekte. Met een zachte, diepe zucht antwoorde hij:”O ja, maar arme
Jack en Percy. - Het werd hen gegeven en zij weigeren om dit te geloven”. Hoofdstuk
7 - De school der wijzen Ik
was diep doordrongen van het voorstel met betrekking tot de belangrijkheid van
het zoeken naar enige bezigheid. Hetgeen de heer Boniface vanaf de preekstoel
zei, hielp me dit standpunt te bevestigen van de lering bij de poortwachter, bij
de uitgang van het paradijs. Ik wenste iets meer te doen dan rond te wandelen
in de geestelijke wereld op zoek naar inlichtingen en belevenissen, maar wat zou
ik kunnen doen? Dit was een onthutsende vraag. In de natuurlijke wereld had ik
nog geen vaste bezigheden, daar ik pas mijn studieloopbaan had beëindigd. Ik vermaakte
me gedurende een jaar met reizen, toen ik overvallen werd door de ziekte, die
in mijn dood eindigde. Het hebben van vele meningen was een oorzaak van dit ongewoonlijk
uitstel van het zoeken naar een beroep. Een zekere wispelturigheid naar een doel,
mijn neiging om de ene weg naar de andere te bewandelen, totdat ik de toonladder
van de beroepen had geleerd, zou een deel van de oorzaak kunnen zijn. Het was
een van de uitgesproken zwakheden van mijn karakter, dat ik me verbeeldde een
universeel talent te bezitten, een zwakheid, die niet zo zeer een erfelijke aanleg
was, dan wel die omstandigheid, welke mijn opvoeding betrof. Het dagelijkse gezelschap
in mijn familie, die onvoorzichtig mijn talenten overschatte, was meer aangenaam
dan heilzaam. Wanneer ik voordroeg, redeneerde, schilderde, schreef, musiceerde
of was dies meer zij, deze domme familiegenegenheid vulde alle open plaatsen in
mijn onrijpe vertoningen. Zei zeiden dat deze prachtig waren. Stel
zich mij voor op twintig jarige leeftijd, die zich de een weinig aanmatigend de
weinig en aanlokkelijke taak oplegde, om aan een jonge schrijver met, die goede
verwachtingen had en beloftes, de kunst van opstellen onderwees. Dit werd zó vervelend
dat ik een vriendschap verspeelde, die beloofde zeer waardevol voor ons beiden
te worden. Deze zeer openhartige ervaring was alleen maar en lange rij van domheden.
In plaats van mijn ogen te openen, bracht dit mij er toe om enkele schampere opmerkingen
te maken op de ondankbaarheid van het mensdom. Zo ging ik door met redeneren en
beeldde me in dat ik wel geschikt zou zijn voor een van die duizend beroepen.,
indien ik alleen maar de moeite zou doen met inleidend sloofwerk. Onze karakters
zouden ons verachtelijk genoeg voorkomen, wanneer we maar diep in ons hert zouden
kijken en daarbij de getuigenis van domheid en zonde zouden opmerken. Hoe weinig
doen we dit. Hoe zelden geven we toe dat we niet oprecht tegen onszelf zijn. Maar
tegen die tijd toen ik de vijfentwintig jarige leeftijd had bereikt, begon er
verbetering te komen. Het nam een andere vorm aan. Langzamerhand drong de neiging
door naar een grote liefde voor de studie van onderwijs. Ik richtte daarom mijn
gedachten op een eventueel vak als leraar, hoewel ik door mijn rijkdom gemakkelijk
buiten de grenzen van noodzakelijkheid geplaatst had kunnen worden. Mocht
het in de natuurlijke wereld al moeilijk zijn, hier scheen het dubbel gecompliceerd
te zijn. Waar pasten mijn heersende neigingen wel bij? Nog steeds voor onderwijs,
want bij het overdenken realiseerde ik me, dat daarin geen verandering was gekomen.
Maar hoe zou ik kunnen onderwijzen, daar mijn houding tot nu toe alleen maar informerend
en belerend was geweest? Maar stel, dat ik door een lange en zorgvolle reeks van
opleidingen moest gaan - wat dan ? Als ik maar voorbereid kon worden, om diegenen,
die nieuw uit de natuurlijke wereld kwamen, welkom te heten en te onderwijzen,
zoals de engel Gabriël deed - ah ! In het ogenblik waarin zich deze gedachte vormde
werd het al duidelijk voor me. Als in een plotselinge heldere lichtflits van boven
zag ik waarheen mijn liefde me dreef. Ik zag hoe mijn leven zou kunnen zijn bij
het nastreven van deze gedachte. Hoe
moest ik dit uitvinden ? Per slot zouden de moeilijkheden wel niet zo groot zijn.
Om te beginnen zou ik de weg vragen naar een of ander onderwijsinstituut - er
moesten zulke plaatsen zijn, waar ik me in zou laten schrijven als student. Dit
instituut zou natuurlijk onder bescherming van engelen staan. Het onderwijs zou
gezond en doeltreffend zijn.Bij dit streven nam ik Alaric in vertrouwen. Het was
bemoedigend toen ik hoorde dat zijn ervaringen niet onthutsend waren geweest.
Zijn levensliefde was kunst. Ofschoon hij al snel de weg vond naar een school,
werd het al ras een kwelling voor hem. Alleen uiterst realisme was toegestaan.
Sinds kort had hij ermee gebroken en een andere school voor kunsten gezocht, waar
hij zich vrijer aan zijn eigen smaak en ideaal over kon geven. In de loop van
het gesprek vertelde hij dat niet ver van de stad voor nieuwkomers een beroemd
instituut voor onderwijs was, genoemd De Universiteit voor Wijsheid, waaraan vele
professoren van bekende scholen in Europa verbonden waren. Zijn twee vrienden
waren van plan om daar lessen te volgen. Hij twijfelde of ik wel hield van het
z.g. rationalisme, dat overal was doorgedrongen, dat volgens zijn mening verre
van rationeel was, maar navorsing kon geen kwaad. Hij had begrepen dat zijn beide
vrienden de volgende avond aan het gymnasium zouden spreken.. Hij stelde voor
om in de namiddag daar heen te gaan om een bezoek te brengen aan die school, om
te dineren in het studentenrestaurant en om de avondbijeenkomst bij te wonen.
Dan zou ik de gelegenheid hebben om te beslissen of ik me wilde laten inschrijven. Zeer
begerig naar dit avontuur gingen we er de volgende middag snel heen. Door de conversatie
met Alaric werd de wandeling interessant. Het bleek, dat de school al spoedig
na het verlaten der stad in zicht kwam, een groot en onregelmatig gebouw met een
pretentieuze structuur van zandsteen, gelegen in een laag zanderig dal, vlak bij
een woestijn. Ik was met verbazing geslagen, toen ik bemerkte dat in de gehele
omtrek geen stroom te bekennen was, die de stralen van de zon weerkaatsten. Bij
nader inzien was er geen poging gedaan om de grond te bewerken, maar waar edele
boomtakken hadden moeten zijn, daar waren alleen maar onvolgroeide struiken. "Wat
liet hen dit verlaten plekje kiezen?" vroeg ik. "Het
werd misschien voor hen gekozen," was het antwoord, waarbij de glimlach van
Alaric getemperd werd door een ernstige blik in zijn ogen. Toen
we voor de hoofdingang stil hielden, ontcijferden we de inscriptie erboven. DE
SCHOOL VOOR WIJSHEID. Een
dienaar verscheen en vroeg, om hem te volgen door een lange, kale hal, naar een
ontvangkamer, waar men ons vroeg, om te gaan zitten en te wachten op een van de
schoolfunctionarissen. Terwijl we de kamer rondkeken, werd onze aandacht getrokken
door een aantal inscripties op de wanden, in grote, zwarte letters. Onder andere
citeer ik deze: "Geloofsovertuigingen
zijn een vloek, wanneer zij worden gebruikt om de vooruitgang te stoppen" "Het
toekomstige leven is zuiver een oncontroleerbare veronderstelling der dogmatische
theologie." En
dit: De
geloofwaardigheid van de massa is het grote ei, waaruit de gekroonden, priesters
genaamd, zijn voortgekomen. Onze waarnemingen van die opschriften werden onderbroken
door de door ons verwachte universiteitsfunctionaris, die ons zeer hartelijke
begroette. Hij was een grote, bleke, schoolmeesterachtig uitziende man, knap genoeg,maar
ik kon de uitdrukking in zijn ogen niet bewonderen. Het was tot een zekere graad
een minzaamheid om de onbedachtzamen te bekoren. Ik vertelde hem wat ons hier
gebracht had en luisterde naar de lofprijzende uitlatingen, deze school betreffend.
Hij was er trots op om erbij te mogen horen en op de beroemde professoren die
aan deze belangrijkheid bijdroegen. Hij verzekerde me, dat ik er goed aan had
gedaan om bij hen te komen en dat we dit binnenkort wel zouden ervaren. Hij stelde
voor om ons zonder uitstel de school te laten zien. Toen hij opstond hield ik
hem terug en wees hem op die opschriften aan de muren. "Ik
heb hierover gepiekerd," zei ik. Bij de eerste kan ik geen fout ontdekken,
vooropgesteld dat u daarmee valse geloofsovertuigingen bedoeld. Ik kan me voorstellen
dat sommige welgezinde mensen met het sarcasme van het laatste instemmen, omdat
het zeer waarschijnlijk is dat een groot aantal priesters op de wereld heden ten
dage huichelaars of bedriegers zijn. Uw opschrift over het toekomstige leven heb
ik met verbazing gelezen. Wat bedoelt u met deze? "Precies
wat deze woorden uitdrukken." Alaric
en ik keken elkaar aan"Maar" -na een pauze- "Hoe kunt u zeggen
dat het toekomstige leven een veronderstelling is, wanneer beiden, u en ik, daarin
leven, nadat we van de natuurlijke naar de geestelijke wereld zijn over gegaan
?" De
functionaris glimlachte toegevend, als een volwassene doet wanneer hij luistert
naar sommige wilde, jeugdige onzin. "
Ik zie dat sommige krankzinnigen met u hebben gepraat," zei hij spijtig.
Dit zullen ze doen als u het hen toestaat. Zij kwamen zelfs bij mij - bij mij
- met hun kinderachtig geleuter, maar dat is lang geleden. Er
volgde een dodelijke stilte. "Kunt
u zich het uur, volgende op uw verrijzenis, niet herinneren?'-vroeg Alaric plotseling. "Klets!
Waarom verdoet u uw tijd met discussies over deze onzin ? Hoewel, deze krankzinnigen
- als we over hen moeten spreken - kwamen en spraken met me, juist toen ik na
een lang dutje ontwaakte. Ik zond hen gauw naar hun eigen bezigheden."Dan
gelooft u werkelijk dat u nog in de natuurlijke wereld bent ? Het is ongelofelijk,"
zei ik. "Zeker.
Er is geen andere wereld." "U
bedoelt te zeggen," begon Alaric, een beetje ongeduldig," dat u denkt
dat u op dezelfde school werkt, in dezelfde stad ergens in Europa of Amerika,
waarin u eerder -" "Nee,-
nee, dat kan ik niet zeggen, hoewel sommigen van ons dit beweren. Er is ontegenzeggelijk
iets veranderd, erkennen enkelen onder ons, maar zij zijn nog niet voldoende in
staat om dit te verklaren. Zeker, we zij niet meer in ons vroeger huis, maar sommige
gelijksoortige, hoewel andere plaatsen in dezelfde wereld. Hoe dit nu precies
kan en waar we nu precies zijn - dat zijn de duistere punten. We hebben er vaak
over gediscussieerd. Sommigen denken dat we bedwelmd zijn. Niemand zal toegeven
dat er een bovennatuurlijke werking was. Een van onze hoogleraren, een buitengewoon
geleerd iemand, houdt zich nu bezig met een grondig onderzoek van dit mysterie.
Hij verwacht beslist een volledige oplossing door wetenschappelijke methodes te
bereiken." Na
dit viel er werkelijk niets meer te zeggen. Een dusdanige krankzinnigheid was
niet te beantwoorden. Door onze houding maakten we kenbaar, dat we gereed waren
om verder te gaan, om de rest van het gebouw te gaan zien. We
werden dan naar een grote hal gevoerd, waarvan de ene wand uit glas bestond. Weinig
licht werd echter doorgelaten. Een verklaring hiervoor was, dat verschillende
telescopen waren aangebracht op bepaalde afstanden in het rond, die met de open
lucht in verbinding stonden. De andere wanden waren grotendeels zwart geverfd
en bedekt met krijtschetsjes van de verschillende posities van de diverse sterrenbeelden. "Dit
is onze afdeling, gewijd aan astronomische observaties," legde onze gids
uit. We kunnen een dankbare vooruitgang der wetenschap aantonen. Het hoofd van
onze geleerde astronomen heeft reeds twee nieuwe planeten ontdekt, en verschillende
daarvan gelokaliseerd. Hij heeft nu het oppertoezicht bij een constructie van
een geweldige telescoop, waar hij de bewegingen van de naaste planeten, zo mogelijk
per minuut, kan afleiden van de heersende principes, niet alleen de luchtnavigaties,
maar van het heelal zelf. Hij is er van overtuigd dat hij de praktische toepassingen
van deze beginselen zal vinden voor vliegtuigen, die elke stoute avonturier een
bezoek aan de planeten zal verzekeren, evenals het verst verwijderde zonnestelsel.
Dit zal de onvermoeibare hoogleraar en onze school onsterfelijk maken, en daarnaast
een winst incalculeren voor de wetenschap. Alaric
en ik hebben ongetwijfeld getoond dat de "onvermoeibare professor en ons
college" lang en vergeefs zou wachten op onsterfelijkheid; maar wij zwegen
voorzichtig en volgden onze gids naar een tweede hal of wel, een voordrachtkamer,
waarvan de muren eveneens zwart waren, om op te tekenen met wit krijt. Aan het
einde daarvan stonden enige kwijnende potplanten. Hier troffen we een bezige professor
welke, naar men ons vertelde een van de meest vermaarde, levende plantkundige
was. Toen wij binnen kwamen was hij net klaar met tekenen op een wand achter de
tribune, terwijl hij naar het aantal lege plaatsen keek. "Ik
was net bezig met de lessen voor morgen voor te bereiden," zei hij, toen
wij aan hem werden voorgesteld. Hij
had een diagram getekend dat een ontwikkeling toonde van de hogere levensvormen
vanaf de lagere, vegetatieve en dierlijke soorten. Aan de basis was het protoplasma,
die zeldzame, half vloeibare, klevende materie, vol ontelbare minuscule korrels
in hun onophoudelijke en snelle beweging, waarvan ons werd verteld, dat zij gold
voor het eerste, of wel de basis van alle plantaardig en dierlijk leven. De tekening
was gemaakt, om te laten zien, uit deze alscheppende, onverklaarbare substantie,
een opvolgende orde in het plantenrijk, de korstmossen, het leverkruit, varens,
palmen, grassen, dennen, lariksen, eiken, brandnetels, rozen, appels, olijven,
winde en de hogere groepen, zoals madeliefje en de dahlia. Een deel van het diagram
gaf aan dat na het plasma de protozoën, sponsen ontstonden, koraalvormen, kwal,
zeester, zeespuiter, ganoëd, vis, inktvis, oesters, graatvis, insecten, amfibieën,
reptielen, vogels, insecteneters, bovendien knaagdieren, vosapen, vleermuizen.
Hierna kwamen dieren, zoals roofdieren, aapachtige met of zonder staart en tenslotte
de mens. "Maar
wat is de oorsprong van dit wonderbare, alscheppende protoplasma?" vroeg
Alaric voorzichtig, nadat hij een tijd naar de professor geluisterd had. "Ik
heb u verteld dat dit het eerste beginsel was. Hoe kunnen we beneden het begin
gaan? Indien dit het eerste is, heeft het natuurlijk zijn eigen begin." Dit
werd met een lichte wrevel gezegd. "En
denkt u niet," vervolgde Alaric, rustig, "dat er nog iets zou kunnen
zijn dat nog eerder was? Is het nooit bij u opgekomen dat deze eerste natuurlijke
vorm van leven zijn ziel of essentie uit een geestelijke vorm heeft betrokken,
dat omgekeerd bestaat en zijn leven van het allereerste begin trok - de ongeschapen
en eeuwige God?" "
Bah !" "Mag
ik u een vraag stellen ?" kwam ik ertussen. "U
mag," antwoordde de professor uit de hoogte. "Dit
alles-scheppende plasma, kan het denken en liefhebben? "Denken
en liefhebben ? "Zeker niet!" "Als
u mij toestaat, dan, wanneer de mens een wezen is dat kan denken en liefhebben,
zoals u moet doen, ziet u dan niet dat het geschapene boven de schepper verheven
is?, iets onmogelijks? Welke stroom kan boven zijn bron oprijzen?" De
professor werd bleek van toorn, toen hij luisterde. Bij wijze van antwoord keerde
hij zich naar onze gids en vroeg met trillende stem: "Wie zijn deze domme
en arrogante jonge mannen? Breng ze weg voordat ik mezelf vergeet." Dan,
met een sarcasme, terwijl hij naar zijn diagram keek: Spreek met mij over God
die het heelal kan overzien, als ik weet dat de afstand van de miljoenen zichtbare
sterren zo ver is, dat drie jaren nodig zijn voor het licht dat een honderd en
zesentachtig duizend mijlen per seconde af moet leggen, om ons te bereiken!" De
gids voerde ons wijselijk snel weg en bracht ons naar een derde hal, een collegeruimte
voor wetenschappelijk onderricht betreffende de vergelijkende graad der anatomie..
Ordelijke gerangschikt vonden we hier verschillende menselijke skeletten en de
duffe huiden en skeletten van een groot aantal dieren. Later werd het mij duidelijk
dat deze een product der fantasie waren. De daar aanwezige professor was bezig
met het maken van krijttekeningen op de zwarte wanden. Hij bereidde zich voor
op zijn aanstaande college. Hij informeerde ons dat dit zou handelen over de evolutietheorie.
Hij had een prachtig skelet van een vleermuis getekend. Hij vond dat het, hoe
vreemd ook, leek op een menselijk skelet, maar vleugels had,en zelfs de vleugels
waarvan de punten waren afgeknipt niet ongelijk aan de menselijke beenderen van
een arm. Er waren nog andere skeletten, die de gelijkenis aantoonden van de vroege
reptielen en vogels."De wondervolle feiten der wetenschap vertellen hun eigen
geschiedenis," zei hij met een tevreden uitdrukking. Graag
zou ik hem gevraagd hebben, of zijn eigen interpretatie van de feiten ook hun
eigen geschiedenis vertelden. Maar onze vroegere ervaring was nog niet vergeten
en ik zei niets. "Laat
ons nu de hal van de mythologische curiositeiten bezoeken," stelde de gids
voor. "Voor mij is dit het meest interessante van alles, ofschoon u misschien
liever naar de bibliotheek wilt gaan?" Hij
leidde ons verder naar een vierde hal. De wanden waren voorzien van diepe planken,
waarop groepsgewijs een groot aantal beelden waren geplaatst. Dank
zij de onvermoeide energie van onze geleerden, mythologisten en bekwame beeldhouwers,"
begon hij, met een trotse zwaai van zijn hand, " hebben we een unieke en
waardevolle verzameling. We hebben hier een beeld om als voorbeeld te dienen van
alle goden met al hun eigenschappen in elk systeem dat bestond vanaf de dageraad
der geschiedenis. Laten we beginnen met de meest belangrijke groepen. Hier hebben
we de Sumero-Akkadian, de Assyriërs de Babyloniërs, hier de Egyptenaren, de Phoeniciërs
en de Carthagen. In deze groep voor ons vinden we de twaalf Griekse Goden en al
de kleine godheden en halfgoden, zelfs al naar hun belangrijkheid de iets lagere
gratiën, de riviergoden, de najaden of waternimfen en bosnimfen. Hier is de interessante
Romeinse collectie en de magere overblijfselen der Etrusken. Hier staan de Hindoes,
Chinezen, Tartaren en hier de Persen. Deze hier zijn de oude Germanen en Scandinaviërs.
Deze hier zijn de goden van de oude Galliërs en Britten. "En
hier," zei hij," hebben we de enige Joodse en de drie Christelijke.
Mijn adem ging snel. Ik keek naar beneden toen hij een moment veelbetekenend naar
me keek. Ik hield mijn adem in. Door een gebiedend bevel werden de woorden van
de man plotseling tegen gehouden. "Stilte!" Ik
keek Alaric aan, want het was hij, die gesproken had. Zijn gezicht was afgekeerd
en bleek tot aan zijn lippen. Hij draaide zich om. Onze ogen ontmoetten elkaar.
Dan gingen we ineens snel naar de deur. Enkele ogenblikken later stonden we stil
in de buitenlucht. Met een warm gevoel gaven we elkaar de hand. "Mijn
vriend, mijn vriend," fluisterde ik zacht. Ik was stil van afgrijzen. "Dit
moet wel de hel zelf zijn," zei ik tenslotte. "
Een hel, zowel innerlijk alsook uiterlijk," was zijn antwoord. Dan merkten
we dat de gids ons was gevolgd en naar ons toe kwam. "Ik
vraag u duizend maal excuus," begon hij te zeggen op zijn bevallige onuitstaanbare
manier van doen. "Ik was te voorbarig. Maar werkelijk, dit had ik van twee
zo veel belovende jonge mannen niet verwacht, vooral heden ten dage, waar het
niet meer van goede smaak getuigd om in een intelligent gezelschap over religie
te praten. Het is verbazend, werkelijk wonderbaarlijk hoe groot de vasthoudendheid
van de Bijbelse fabel is op het menselijk ras. Dat is voor de eenvoudigen en niet
voor diegenen, die verlicht zijn. Mijn lieve jonge vrienden, jullie wensen toch
niet tot de eenvoudigen te behoren? Niet waar ?" Wij
keken naar de man met een gezicht van afkeer, toen hij zweeg. "U
kunt ons beter verlaten." Alaric waarschuwde met trillende stem. Langzaam
verdween de minzame manier van doen bij die man. Met een dreigende blik begon
hij aan een vreselijke profane redevoering. Maar de toespraak was nog niet af.
De grens van tolerantie was overschreden. Alaric zijn arm schoot plotseling uit,
recht vanuit zijn schouder. Een boze, geschokte man lag omver geslagen op de grond
achter ons, toen we ons omdraaiden en snel wegliepen. Hoofdstuk
8 - De aap zonder staart. Zoals
we ons hadden voorgenomen, maakten we een lange wandeling naar het restaurant
voor studenten. Ik drong aan op een onmiddellijke terugkeer naar de nieuwkomers,
maar Alaric herinnerde me eraan, dat zijn vrienden in de avond op een bijeenkomst
in het gymnasium zouden spreken. Hij stond er op, om tenminste een paar uur langer
te blijven. "Ik
kan er niet toe komen om weer in dat gebouw te gaan," zei ik. "Zulke
plaatsen zouden we moeten mijden. Het is alsof we met vuur spelen." "Het
zou inderdaad zo zijn, indien we niet zo vast in ons geloof zouden zijn,"
was het antwoord, "maar daar het wél zo is, denk ik dat het nuttig zou kunnen
zijn. "Maar
hoe weten we,wat voor een ongehoorde profanatie zij tegen ons zullen spuien?" "Bij
de eerste aanleiding van dergelijke dingen kunnen we weggaan. Ik moet deze ene
keer gaan," zei Alaric ernstig, in het belang van mijn vrienden. Ik heb nog
steeds hoop dat zij gered kunnen worden." Het
was reeds donker toen we het restaurant verlieten. We vonden een plaats op een
lage, platte rots, die tegen al dat zand vreemd afstak. Daar bespraken we de zaak.
Onze rustplaats bevond zich op twee honderd yards afstand van het hoofdgebouw
voor ons. In lijfelijke, duidelijke lijnen tekende het zich af tegen de horizon.
Het licht van de vele vensters werkte op mijn verbeelding. Het gebouw kreeg geleidelijk
het aanschijn van een sterk, kruipend monster, wiens honderd rode, starende ogen
ons glurend gade sloegen. Hoewel,
een uur later, toen de bel van het gymnasium luidde, stemde ik ermee in om mijn
vriend te volgen. We vonden rustig onze weg naar de hal en gingen in een onopvallende
positie dicht bij de deur zitten. Het gymnasium was een ronde gehoorzaal van een
aanzienlijke omvang. De reeks plaatsen waren opgesteld op een hellend vlak, dat
geleidelijk afliep naar het midden van de vloer, of wel een platvorm, waarop een
klein verhoogd spreekgestoelte was geplaatst. De professor zat op het platvorm,
de studenten er in het het rond omheen. Beiden droegen zwarte, dunne gewaden en
kappen. Zo werden zij onderscheiden in hun posities. De hoogleraar droeg hetzelfde
kleed, maar was goed zichtbaar voor de collega's, omdat hij op de verhoogde stoel
goed naar de spreker kon kijken. Ik merkte op, dat die man, welke door Alaric
was neergeslagen, tussen de professoren zat. Hij nam de gezichten van de binnenkomende
studenten kritisch op te nemen, alsof hij naar ons uitkeek. Toen allen aanwezig
waren stond de president op. Met een gracieuze inleiding kondigde hij het onderwerp
van die avond aan. "Voor
het gemak," zei hij, "hebben we het onderwerp in drie delen verdeeld
en mogen we luisteren naar drie verschillende toespraken. De onderverdeling is
als volgt: - "Is
de mens meer als een perfect dier? 1.)
Indien niet, hoe verklaren we zijn bijgeloof, zijn geloof in een ziel en in een
volgend leven? 2.)
Wat is de oorsprong van de legende en in welke relatie staan de aanhangers
daarvan tot de joodse en christelijke religies? 3.)
Wat is onze stelling, gezien vanuit het standpunt der vergelijkende anatomie ?" Het
eerste en het tweede deel van het onderwerp zal gepresenteerd worden door twee
brillante vertegenwoordigers van onze hogere klas studenten. Het derde onderwerp
zal behandeld worden door onze eminente collega, wiens anatomisch onderzoek hem
op twee halfronden beroemd maakte en van wie ik de naam niet behoef te noemen."
Met dit bloemrijke gezegde hernam de president zijn plaats. Een student, in wie
ik Jack, de vriend van Alaric herkende, stond op en begaf zich naar de lezenaar.
Hij spreidde zijn stelling voor zich uit en probeerde het volgende te bewijzen. "Indien
de mens niet meer is dan een verbeterd dier, hoe verklaren we dan zijn bijgelovigheid,
zijn geloof in een ziel en in een volgend leven? Wij zijn het er allemaal over
eens dat de mens de bloem de schepping is - een meer ontwikkelde vorm van leven,
waarmee de natuur in staat was haar werk na en strijd van miljoenen jaren te bekronen.
Wanneer dit grootse werk der natuur dan zo alles overtreffend is, zoals schoonheid
en samengesteldheid van de natuurkundige structuur, zal het in overeenstemmende
wijze begiftigd moeten zijn met een voortreffelijkere verstandelijke kwaliteit.
Daar we een fijner lichaam bezitten, hebben we dientengevolge ook een fijner verstand.
Laat ons eens zien naar de primitieve mens met zijn hogere ontwikkeling van lichaam
en verstand en vergelijk hem in relatie tot zijn omgeving. In hem zijn de hersenen
van het voorouderlijk beest varbazend meer ontwikkeld. Door langzame ontwikkeling
werden zij begiftigd met de nieuwe en wonderbaarlijke eigenschappen van het voorstellingsvermogen
en de redelijkheid, hoewel hij in het begin op dezelfde manier leeft als zijn
viervoetige voorouders en zoals nog de tegenwoordige wilden leven. In hem hebben
we een schepping die in staat is indrukken op te vangen en om erover te denken. Zijn
denken is echter eeuwenlang van weinig nut, want hij is ongeletterd en afhankelijk
van zichzelf. De gehele wereld is voor hem als een gesloten boek. Niettegenstaande
verwerfd hij langzaam een stapel aan ideeën en koestert ze met groeiende waardering.
Liggende op de grond, gedurende de nacht, blijft zijn denkvermogen wakker. Hij
droomt dat hij ver weg wandelt en veel avonturen beleeft. In de morgen spreekt
hij over deze belevenissen met zijn vrienden, alsof zij werkelijk waren. In antwoord
daarop lachen zij; zij vertellen hem dat hij de gehele nacht naast zijn vuur,
onder de eik heeft geslapen. Deze en gene waren wakker en kunne bewijzen dat hij
zich niet verroerde. Toch is de indruk van zijn nachtelijk avontuur te levendig
om er afstand van te kunnen doen. Zodoende is,toen men trachtte dit mysterie te
verklaren, langzaam aan het geloof in een ander zelf of ziel ontstaan, die zich
afscheidt en rond wandelt waar hij maar wil, terwijl het lichaam op de grond blijft
liggen slapen. "
Weldra heeft de primitieve mens tevens door ervaringen geleerd, dat hij en al
zijn kameraden op een dag moeten sterven. Hij ziet het leven in zijn vriend uitgedoofd;
het licht in zijn ogen vervaagd, de ledematen verstijven. De gehele mens verrot
en wordt tot niets. Desondanks, terwijl hij slaapt en droomt vertrekt zijn ander
zelf. Hij ziet zijn vriend in levende lijve, ziet hem lachen, praten en eten.
Alles welbeschouwd is de dode vriend nog in leven. Zo heeft zich langzamerhand
de gedachte ontwikkeld en is het geloof in een toekomstig leven gevestigd." Toen
hij naar zijn plaats terugkeerde, ontving de spreker een glimlach en een warme
goedkeuring van de president. Er volgde een luid applaus van de meerderheid der
studenten. Toen de rust weergekeerd was werd de tweede stelling over dit onderwerp
voorgelezen. Een andere student, in wie ik de andere vriend van Alaric herkende,
stond op en begaf zich naar de lezenaar. Het belangrijkste kernpunt op zijn papier
was het volgende: "Wat
is de oorsprong van de legendes en in welke relatie staan de joodse en christelijke
religies tot de aanhangers van deze stelling? De vorige lezing geeft in het algemeen
een antwoord op deze vraag. Wat is de oorsprong van deze legende? De eerste onrijpe
fabels kunnen alleen maar in het leven geroepen zijn in de maagdelijke geest van
de primitieve mens. Terzelfder tijd en op dezelfde wijze ontstond de idee van
een ander zelf, of ziel en een geloof in een toekomstig leven. "Stelt
u zich de primitieve mens eens voor, die nog in de wouden leefde en in de staat
van zijn ver verwijderde voorouders, de aap zonder staart. Schilder hem in gedachten
met zijn geringe bagage aan kennis en ervaring, in confrontatie met de opzienbarende
verschijnselen in de natuur. Wanneer zijn nieuw ontwaakte geest het opgaan en
de ondergang van zon en maan waarneemt, deze zich samenpakkende zwarte dreigende
wolken, de regenbui, de stem van de wind, het flitsen van de bliksem en het gerommel
van de donder. Hoe geeft hij aan deze natuurkrachten de juiste waarde en plaatst
hij die in het stelsel der natuur, iemand wiens geest alleen maar opgehoopt is
met nieuwe en vage indrukken ? Hij kan dit niet. Toch is hij niet leeg. Hij is
angstig, hij trilt, hij tart ze. Bijna alle Mythologen catalogiseren de zon en
de maan onder de goden en we behoeven alleen maar terug te gaan tot de Grieken,
om deze dingen als een vreselijke vuurvogel te zien. "Wat
hebben verdere vragen voor zin? De oorsprong van de legende is volkomen duidelijk.
Het is beklagenswaard hoe deze legende zich vanaf de dageraad der geschiedenis
tot in de tegenwoordige tijd heeft kunnen verbreiden. De geschiedenis van dit
verloop is alleen maar een opeen stapeling van vele ideeën van de mens en zijn
daarop volgende verbetering van zijn redenerend vermogen. Datgene, dat in een
bepaalde eeuw te goeder trouw werd geaccepteerd, wordt in een volgende eeuw als
onzinnig gezien en wordt dan losgelaten. De aanhoudende terzijdestelling, die
wordt bewerkt, gaat door, totdat we bij de Christelijke Religie aankomen. Die
is veel eenvoudiger en redelijker dan enig ander systeem. Een kenmerkend hoofdpunt
in deze graduele wijziging is de gestadige aanwas van het aantal goden. De vijf
tot achthonderd Egyptische en de vierhonderd goden in de Assyrische en Babylonische
stelsels worden tot één in de Joodse religie. De Christenen echter hebben de regels
gebroken en schijnen een pas terug te gaan, terwijl zij er drie erkennen. "We
spraken over de Christelijke godsdienst als de meest redelijke en eenvoudige van
al de vorige religies, maar in het licht van het verstand gezien, wat is het dan
een weefsel van dwaasheden! Zou er een meer completer gegeven van de naakte eerste
beginselen van redelijk denken kunnen zijn, dan het begrip drie heiligheden, van
wie ieder van hen een Almachtig God is? De volgende makers der legenden laat wijd
meer wijsheid zien, want tot nu toe was er maar een God, waaraan alle andere ondergeschikt
waren? In dit opzicht hebben de Joden meer Godsoordeel dan de Christenen. Deze
twee latere mythologieën of religies, waaraan men ons wilde doen geloven, met
gesloten ogen, hebben veel in zich van de grove, eerste fabels, waarvan zij afstammen,
die bovendien nog schadelijker zijn. Zij hebben veel in zich dat ertoe neigt om
ze op een hoogte te plaatsen met de barbaarse systemen der wilden. Bijvoorbeeld,
afgezien van de meer ernstige kant; de Orangonegers zeggen dat het een zonde is
om op de grond te spugen. De Christenen zeggen, dat het een zonde is, om te kaarten;
de Kamschatdales zeggen dat het een zonde is, om in de voetsporen van een beer
te treden en Christenen zeggen dat dansen een zonde is. Met
beschouwing van de grote, onpartijdige loop der tijd en het werk der natuur, van
het kolossale heelal, van de onweerlegbare en onsterfelijke feiten der wetenschap,
hoe arrogant lijken dan de religieuze systemen met hun goden en duivels, hun vergeldingen
en straffen! Hemel - hel - een volgend leven! Alsof er een plaats zou kunnen zijn
waar alle mensen, die gedurende ontelbare eeuwen hebben geleefd in het bewoonbare
heelal. Een plaats, zo uitgestrekt, een plaats, die de oneindige ruimte zou vullen
is ondenkbaar en daarom onmogelijk. Hoe kunnen we verbaasd zijn dat sommige wilden
in een materiële atmosfeer, die zo dicht met geesten gevuld is, zich onmogelijk
kunnen bewegen zonder elkaar te duwen en zich bij hen moeten verontschuldigen,
bang om geslagen te worden, als zij iets de lucht inwerpen? Maar" De tijd
is niet ver af," zei de spreker, "als beiden, de joodse en de christelijke
religie verbannen worden, totdat de massa der mensheid zoals reeds is gebeurd
bij de intelligente mensen, gaan naar hun eigen plaats onder de afgeschafte vroegere
religies. De massa moet leren, zoals wij hebben geleerd, dat het heelal alleen
maar uit materie en energie is gemaakt. Als we al goden moeten hebben, dan zijn
dat onze goden. Laat onze grote god "Macht " genoemd worden en onze
daarvan afgeleide goden kracht en energie. Deze
toespraak werd gevolgd door een luid en aanhoudend applaus. Toen de rust helemaal
teruggekeerd was, stond een van de professoren op en eiste toestemming van de
president om te spreken, die hem niet van harte gegund werd. "Wij
hebben te veel theorie," begon hij op een ruzieachtige toon. We weten allen,
dat theorieën steeds door andere stellingen worden verdrongen; De feiten zijn
daarom van groot belang. In mijn tijd werden we moe van theorie, theorie en nog
eens theorie. Men helde meer en meer over naar blote feiten. Laat me u een paar
kostelijke feiten geven in verband met wilde mythologieën. De Orinoca Indianen
zeggen dat de dauw de spuug van de sterren is. De Kamtchatdalen zeggen, dat het
een zonde is om een rood gloeiende kool niet anders dan met de vingers gepakt
mag worden bij het aansteken van een pijp. Bij de Caribs moet iemand leren om
tabakssap te drinken, eer hij priester kan worden. Bastian zegt dat de koning
van Quinsembo aan de Witte Nijl, niet naar de zee mag kijken, omdat hij anders
zal sterven en zijn koninkrijk zal worden verwoest. De Dyaks van Borneo noemen
een hevige regenbui een hij-regen. De oude Russen zeiden, dat de vier winden vier
goden waren, die zij vereerden. De Paraguayers slaan met hun vuisten in de lucht,
om bij nieuwe maan hun blijdschap te tonen; zij lopen ook de windhoos tegemoet
en verjagen deze met brandend vuur. Daarna jagen ze de storm schrik aan, door
de lucht gezond te slaan. De Kasirs van Bengalië zeggen, dat de sterren mensen
zijn, die in de toppen van de bomen klommen. Toen de top afgehakt werd, bleven
zij hoog in de lucht achter. De Muscovieten van Zuid Amerika zeggen, dat de maan
een man is. Zij denken dat zijn ellips veroorzaakt wordt door een hond, die de
ingewanden eruit trekt. Daarbij verlenen zij hem haastig bijstand door vreselijk
lawaai te maken en met gezichten trekken het monster weg te jagen. In dit verband
is het interessant om te weten dat Amerikaanse Indianen en andere wilden gewend
zijn om hun honden gedurende de ellips van de maan, te slaan. Halleur zei, dat
een neger hem uitlegde,dat het niet de (boom was waaronder hij offers bracht van
palmolie, voedsel en dergelijke) dat was de fetisj, maar een onzichtbare geest
die daar leefde. Hij genoot alleen maar het geestelijk deel van het voedsel, terwijl
hij het materiële afwees. Wanneer er onder de kinderen op het eiland Fernando
Po een besmettelijke ziekte uitbrak, dan werd er op het marktplein de huid van
een slang aan een paal bevestigd. De moeders brengen daar hun kinderen om de fetisj
aan te raken. Bij de Bambas van Angola is het gebruik, dat alle leden van de stam
door een tijdelijke dood moeten gaan. Wanneer de priester zijn kalebas schudt,
vol met alle soorten tovermiddelen, worden de jonge mannen, die zich aandienen
in een verdovende slaap gebracht. Hun lichamen vallen als dood op de grond. Zij
blijven daar drie dagen liggen in dezelfde toestand. Degenen, die niet door deze
ceremonie zijn gegaan, worden allerwegen veracht. Het is hun niet vergund, om
aan stamdansen mee te doen. De Hottentotten, zo bericht Waitz, zeggen dat de maan
de haas opdracht heeft gegeven , om de mensen te informeren, dat zij evenals hij,
die eerst afnam, en daarna herstelde tot zijn volheid,weer tot leven zullen komen
na de dood. Gedurende
dit zeldzame betoog toonde de president een groeiende onbehaaglijkheid. Hij stond
plotseling op en onderbrak de spreker. Ik moet de spreker tot de orde roepen,"
zei hij; zijn opmerkingen hebben geen merkbare betrekking tot dit onderwerp. Op
een ander tijdstip zullen deze interessante en waardevolle feiten naar behoren
worden gewaardeerd." Met
een verachtelijke blik in de richting van de president nam de spreker, die onderbroken
werd, zijn plaats weer in. Gedurende enige tijd, naar de beweging van zijn lippen
te oordelen, vervolgde hij fluisterend zijn redevoering. Voor de presentatie van
het derde deel van het gevraagde onderwerp stond temidden onder het applaus, die
professor op, die we ontmoet hadden in de hal, die gewijd was aan de vergelijkende
anatomie. In grote lijnen legde hij zich toe op het volgende: "Wat
is onze stelling? Is de mens meer dan een geperfectioneerd beest, gezien vanuit
het standpunt van de vergelijkende anatomie? Moet dit negatief worden beantwoord
? Het is bekend, dat de mens volgens hetzelfde principe gebouwd is, volgens hetzelfde
type, of model, als andere zoogdieren. Alle beenderen van zijn skelet kunnen vergeleken
worden met corresponderende beenderen van de aap, de zeehond of zelfs de vleermuis,
evenals zijn spieren, zenuwen, bloedvaten en inwendige organen. Vergelijken we
de hogere dieren in het algemeen met de lagere diersoorten, dan vinden we hetzelfde.
Een zorgvuldig onderzoek vanaf de basis, dwingt ons, het feit te erkennen, dat
lagere soorten overgaan in hogere, iets dat hogere dieren en planten pas na vele
miljoenen jaren bereiken, bij langzame ontwikkeling en wijzigingen vanuit minder
ontwikkelde levensvormen. Deze komen weer van andere in steeds kleinere graad
van ontwikkeling , totdat het gemeenschappelijk uitgangspunt, het lagere of eencellig
lichaam is bereikt. Laat
ons verder gaan en de schakel in deze keten bezien, die het meest dicht bij het
eindresultaat, de mens zit. Laat ons de "Mensapen" beschouwen." Hij
draaide zich om een wees schetsjes aan, die hij op het zwarte bord gemaakt had.
Zij toonden de skeletten aan van een gibbon (aap), een Orang Oetang, een chimpansee,
een gorilla en een mens. De gelijkenis tussen de skeletten, de schijnbare graduele
voortreffelijkheid tussen de een en de ander, totdat de meest welgevormde mens
bereikt was, was werkelijk opvallend. Het was zeer geschikt om de argumenten van
de spreker in de geest van de toehoorders te vestigen. "Laat
ons eens de mensaap bekijken," ging hij verder, "vertegenwoordigd in
de groep voor ons, de skeletten die verrassend die van de mens evenaarden. In
het begin is dit zoogdier een kruipend schepsel. Zij kruipen naar eigen goeddunken.
Tenslotte zien we de rechtop geheven gestalte van een mens. Hij heeft ten leste
een vorm van bewegen ontwikkeld en heeft zijn vier ledematen bevrijd. Deze stellen
hem in staat om werktuigen te gebruiken voor het werpen. Het zo verkregen voordeel
was enorm; dit was de schepping van de mens, - de primitieve mens. De afstand
tussen de laagste wilde stammen en de aap zonder staart is zonder twijfel zeer
groot, maar niet zo wijd als de afstand tussen de wilde en de mens met beschaving.
Ongetwijfeld is de laagste wilde dichter bij aap dan bij de Europeaan. Met datgene,
wat we over hem weten, kunnen we ons een idee vormen van de primitieve mens. "Hij
stond waarschijnlijk een trede lager dan de laagste hedendaagse wilde - een krachtige,
sluwe tweevoeter, met zintuigen, die door oefeningen buitengewoon scherp werden,
met sterke instincten, onstuimige en grillige stemmingen, met weinig ontwikkelde
eigenschappen om wonderen te verrichten. Hij bezat een vrijwel sluimerende redelijkheid,
was zorgeloos voor morgen en vergetend van gisteren. Hij leefde van de hand in
de tand van de ruwe producten dar natuur. Deze mens was gekleed in huid of schors,
en beschutting vond in de bomen. Hij wist niets van kunst en was hulpeloos als
een baby, maar had een sterke levensliefde en een vaag gevoel daar recht op te
hebben. Bij algemene gevaren had hij weinig kracht en vertrouwen. Als communicatie
met zijn stam had hij geluiden, tekens en bewegingen. Dit
kunnen we veilig in grote lijnen aannemen als een portret van de vroegste menselijke
bewoners der aarde en als de voorouders van ons geslacht - de schakel tussen ons
en de aap zonder staart." De spreker vroeg nu de aandacht voor drie zeldzame
voorwerpen, die hij op een ander deel van het bord had getekend. Vanaf mijn plaats
leken zij precies op elkaar. "Ik
zou graag willen dat u notitie nam," zei hij,"van de zelfs grote gelijkenis
van het menselijk embryo met dat van een hond en een vis, zoals hier afgebeeld.
De kiemen, waaruit alle organismen ontstaan, schijnen uiterlijk precies gelijk,
door de vroegere stadia van alle hogere diersoorten en blijft bestaan. Zelfs daarna
is de vorm bespeurbaar in het embryo. Het menselijk embryo heeft bijvoorbeeld
aan de buitenkant van de nek kiemachtige spleten, juist als een vis. Deze maken
later tijdens de ontwikkeling plaats voor een vlies, net als tijdens de ontwikkeling
van vogels en reptielen. Het hart is in het begin een eenvoudige, trillende kamer,
net als in wormen. De ruggegraat is verlengd in een beweeglijke staart. De grote
teen is gestrekt net als onze duimen en als de duimen bij apen. Bij de geboorte
is het hoofd relatief groter en de armen zijn relatief langer dan in de volwassenheid.
Beide gezichten zijn aapachtig. Zo drukt het ei, waaruit de mens is ontstaan,
in een paar weken de resultaten van miljoenen jaren in elkaar. Dit toont ons de
geschiedenis van de ontwikkeling van de vormen van visachtigen en reptielachtigen
en zijn onmiddellijke afstammelingen van een harig en viervoetig dier. "De
echte wilden van het bos zonder paden, bewijzen een instinctieve herkenning van
de grote waarheid, die zo luchthartig wordt verloochend door bepaalde domoren,
die men in de geciviliseerde en gecultiveerde wereld Orthodoxen noemt. In Zuid
Afrika zouden de inboorlingen bijvoorbeeld aan Monteiro zijn ezel vragen wat hij
dacht over de handelingen van dieren, ten opzichte van de mensen. Wat wil het
nu zeggen, wanneer de Arekunas van Nieuw Guinea, volgens Schomburgk, kinderen
en apen tesamen groot brengen en de laatsten door de vrouwen worden gezoogd, die
voor deze grote liefde tonen. Soms wordt een vrouw gezien met een kind en een
aap tegelijk aan de borst, terwijl de twee troetelkinderen ruzie maken. Raffenel
zegt, dat in Senegal in Kordofan en in Brazilië de inboorlingen geloven, dat apen
zouden kunnen praten, maar dit weigeren, uit angst, omdat zij tot werken gedwongen
zouden worden. De Kamtchatdalen geloven dat honden kunnen praten en dat zij dit
in oude tijden deden. Sinds de dag, dat de afstammelingen van de god Kutka langs
zeilden zonder hun vragen te beantwoorden, hebben zij trots geweigerd om ooit
weer te praten. "Wilt
u tenslotte het betekenisvolle feit noteren, dat de Indianen van Californië aanspraak
maken op de afstamming van prairiewolven, die op hun starten zaten, totdat zij
afgesleten waren." Het
applaus, dat op deze toespraak volgde, was oorverdovend. Zelfs nadat de kreten
en het klappen van de handen voorbij was, vulde een gegons van vreugdige stemmen
de grote ruimte. Plotseling verhief zich boven de studenten, hoog in het circus,
een lange gestalte. Zwijgend stond hij daar, alsof hij op een gelegenheid wachtte,
om gehoord te worden. Na en na ging een gefluister van mond tot mond, dat iemand
wenste te spreken. Dan werd na een volkomen stilte een rustige, rijke en warme
stem gehoord. "Ik
vraag het woord en zou graag antwoorden op hetgeen werd gezegd. Wilt u naar me
luisteren?" Deze
vraag was ogenschijnlijk ongewoon en onverwacht. De president aarzelde en keek
onderzoekend in de richting van de spreker. Maar daar boven in het circus was
het licht schemerig en kon een gezicht moeilijk worden onderscheiden. Men zag,
dat die lange figuur niet in het universele zwarte kostuum en die cap gekleed
was, maar in een soort licht gekleurd gewaad. "Ik
weet niet, of u zich tot mij wendde," zei de president, in een pauze, waarin
de onbekende in gebreke bleef en zijn naam niet noemde; "Indien u het beknopt
wilt houden, spreekt u maar." Hoofdstuk
9 - De onbekende spreekt "Er
werd gezegd dat het enkel door dromen kwam, waardoor men in een ander zelf of
ziel en een toekomstig leven geloofde. Laten we vaststellen, dat zijn argumenten
bekwaam gepland zijn, als u wilt, en goed berekend om de onnozele in een val te
lokken, maar dit zal geen stand houden." Een
gemopper van afkeurende stemmen onderbrak hier de spreker en hij werd enkele momenten
verhinderd om verder te gaan. Deze onderbreking zou waarschijnlijk voortgeduurd
hebben, zolang de onbekende was blijven staan, indien hij zich niet met een bevelende
stem tot hen had gewend. "Stilte
! Laat me spreken. Ik heb er recht op. Als ik klaar ben mag u mijn woorden naar
believen gebruiken." Na
een moment stilte vervolgde hij: "Dit is een specifiek maar bedrieglijk argument,
allemaal gebaseerd op een blinde veronderstelling. De ware grond van een geloof
in een ziel berust op het feit dat dit vanaf de geboorte in de harten van alle
mensen geschreven is. Het is de stem van God, die spreekt in zijn binnenste, welke
iedereen horen kan, als hij dit wil. De allereerste van de voorhistorische rassen
der mensheid, die een eenvoudig, kinderlijk, landelijk leven leiden en die hun
bestaan vonden in de ruwe producten der natuur, onwetend van kunst, luisterden
naar die stem. Deze werd hen door de ingeving vanuit de Heer, die in het innerlijk
van hun gedachten vloeide. Het leerde hun, dat er een God is, die vereerd moest
worden, dat de mens voor eeuwig zou leven, dat er goed en kwaad was, en dat hij
, die goed en wijs was, het kwaad vermijden en het goede moest kiezen. Deze innerlijke
stem van God werd na een tijd overheerst door de stem van buiten het gesprek met
de goddelijk geïnspireerde engelen, en tenslotte het geschreven Woord, dat aan
de mens werd gegeven. Het "Goddelijk Ware" heeft dus vanaf de aller-oudste
tijden op de wereld tot nu toe bestaan. Dit geschiedt, omdat er daardoor communicatie
zal zijn tussen de hemel en de aarde, waardoor de mens tot in eeuwigheid in een
gelukzalige staan kan leven. Ik werd onderwezen, dat maar weinig van die oude
mensen niet in de Hemel zijn opgenomen, die bevolkt werd door de primitieve rassen
op aarde. In het begin waren er maar enkelen die geen gehoor gaven aan de universele
invloeiing van boven. Wanneer de uiterlijke stem der openbaring werd gehoord,
weigerden alleen de verdorvenen, naar die stem te luisteren. Maar de mens werd
niet gedwongen. Hij werd steeds in vrijheid gelaten. In de loop de eeuwen sloop
een groeiende corruptie in. Er was een dageraad, de middag, de avond en de nacht
en weer en nieuwe morgen. Uit de overblijfselen van de goeden verrees een nieuw
ras en een nieuwe beschaving. Er werd hun een nieuwe openbaring gegeven, om hen
door de middag te leiden en om voor hen de avond en de nacht terug te dringen,
waartoe hen de groei van het boze zou drijven. Zo is men na vele eeuwen tot het
tegenwoordige "Goddelijke Woord", de Kerk en de beschaving gekomen,
die nu op aarde bestaat. Niet de nutteloze dromen en niet de op zichzelf aangewezen
mens, zoals u zo blind pretendeert, maar heeft de stem van God tot hun innerlijk
gesproken. Daaruit leerde de mens van buiten om, dat hij en ziel heeft en dat
er een toekomstig leven is. "Er
werd gezegd dat de verschijnselen der natuur, die op de maagdelijke geest van
de primitieve mens werkte, verschillende goden en legendes heeft geproduceerd
en dat deze de voorouderlijke stam van gevestigde systemen waren, welke daarop
volgden. Ik heb geleerd dat de waarheid anders is en dat de verbijsterde Assyriërs,
Egyptenaren, Grieken en Romeinen, in feite elke mythologie in en simpele religie
vond,die was voortgekomen uit een prehistorische eeuw. Dit was een religie, die
tot leven kwam door een vroegere openbaring, een religie met de kern als aanbidding
van de enige God. In de loop der volgende eeuwen, toen de vroegere intelligentie,
begrip en onkreukbaarheid van het ras achteruit ging, kregen de verschillende
eigenschappen van de éne God een naam. De
verschillende kenmerken gingen een zelfstandig, individueel leven leiden. Als
begeleidend verschijnsel van een diepere val werden de verschillende eigenschappen
van de éne God vermenigvuldigd in meerdere valse goden. Dan en dan alleen ontstond
het meer godendom in de oude historische koninkrijken, bovendien de verwarde en
verdorven geloofsovertuigingen van de heidenen en de wilden. "U
bespot de gedachte aan een hemel, die allen die ooit hebben geleefd, kan omvatten,
terwijl u niet weet of er zich om bekommerd, dat het natuurlijke heelal eindig
en meetbaar, maar het geestelijke universum oneindig en onmeetbaar is. Daarom
denkt u dat het geen wonder is, wanneer de wilden zeggen dat, dat de materiële
atmosfeer zó dicht bevolkt is met geesten, zodat niemand zich bewegen kan zonder
de ander te duwen. Dit voorbeeld wat u gebruikt dient ter bevestiging van de oude,
zuivere religie als de hoofdbron van latere, verwarrende mythologieën. In de middag
van die vroege, ware religies wist en erkende men, dat de geestelijke wereld of
het universum geen kwestie was van een materiële afstand, maar dat zij als het
ware binnen of boven was, zoals de ziel binnen of boven het lichaam is. De verhouding
tussen ziel en lichaam is één, precies zoals de verhouding tussen gedachte en
spraak. Deze idee, gelijk alle andere erkende waarheden van die vroegste tijd,
was na verloop van eeuwen verdorven, lomp en gematerialiseerd geworden. Daarom
kunt u het nu bij gedegenereerde afstammelingen terug vinden in de vorm van een
geloof in de tegenwoordigheid van geesten in de omgevende materiële atmosfeer. "Er
werd hier gezegd dat de mens geen onsterfelijke ziel bezit en alleen maar een
verbeterd beest is, omdat de structuur van de beenderen op die der dieren lijkt.
Hoe kan hij gelijk zijn aan en dier, vraagt u, zonder dat hij afstamt van een
dier? Ik zal het u vertellen. Hij lijkt op een dier, of beter, het dier lijkt
op hem, omdat ieder ding in de natuur, van het grootste tot het kleinste op zijn
eigen wijze een beeld van de menselijke vorm is, en omgekeerd is het een beeld
van de alles scheppende goddelijke vorm, waaruit ieder mens, elk dier en plant
leeft en het dagelijks leven trekt. Dat wil zeggen dat het scheppende Goddelijke
ingeprent zit in de stof en de structuur van alle geschapen dingen. U
heeft de foetus van een vis, een hond en een mens met elkaar vergeleken, omdat
zij in de vroegere staat van hun ontwikkeling dezelfde zijn. U beweert dat zij
in essentie van een en dezelfde afstamming zijn. Blinde leiders der Blinden. Hebben
uw eigen microscopische onderzoekingen u niet geleerd, dat, hoe dieper u in de
voorwerpen der natuur doordringt, hoe ingewikkelder, wonderbaarlijker en onverklaarbaarder
zij worden? Wanneer u verbijsterd bent door de natuur zelf, die alleen maar de
uiterlijke bedekking of schors is, wat weet u dan van de geest? Wat weet u van
de innerlijke, geestelijke vormen, die deze foetussen bezielen en van hen, ofschoon
uiterlijk dezelfde, drie verschillende dingen scheppen, waarvan allen van hen
de ziel van een dier dragen, maar de derde de onsterfelijke ziel van een mens
ontwikkeld? "U
bent gewend om te zeggen dat u in God zou geloven, als u hem zou kunnen zien.
Hypocrieten! U zou hebben geloofd als u dit gewild zou hebben, want de gedachte
van de éne God is als een goddelijk mens vanaf zijn geboorte in ieder schepsel
ingeschreven. U weigert iets anders te geloven dan aan zulke dingen, die zichtbaar
of toonbaar zijn aan de grovere zintuigen. U minacht de gedachte aan een toekomstig
leven; desondanks leeft u in het volgende leven hetwelk u nu belachelijk maakt.
U heeft uw begrip zó zeer vervalst en vervormd dat u licht ziet als donker en
donker als licht. Mocht het u gegeven zijn om de Hemel te zien, dan zou het voor
u een hel zijn. U bedekt uw ogen met eigen handen. De wijsheid van de edele voorouders,
die zich gradueel van innerlijke naar uiterlijke dingen verwijderde is met u naar
het stof der aarde gezakt, waar het zich als een kruipende worm, die alleen maar
het stof ziet en weigert te geloven dat de sterren schijnen in de Hemel." Toen
deze koene woorden langzaam en helder werden geuit door de lange onbekende daar
boven in het circus, zaten de toehoorders gebiologeerd,-niet uit liefde maar uit
haat, door wat er gezegd was. Een overmeesterende sfeer, die van de spreker uitstraalde,
scheen tot orde en aandacht te dwingen. Afgewende bleke gezichten en gebalde vuisten
van de professoren duidden duidelijk aan, dat zij tegen hun wil bleven zitten,
en bedwongen werden door een invloed, die zij niet konden trotseren. Bij intuïtie
wist ik dat, zodra het laatste woord van de spreker geuit zou zijn, de betovering
zou zijn verbroken en de hel zou losbarsten. Dat was ook zo. Er was een moment
van doodse stilte. Dan stond het hele huis vol als één man op. Zij schreeuwden
kreten van spot en haat. Ik keek in Alaric zijn ogen. Zonder een woord sprongen
we aan de zijde van de spreker. Zo goed als we konden baanden we ons met onze
schouders een weg. "Grijp
hem!" klonk de woedende schreeuw. "Laat hem niet ontsnappen. Hij moet
tot zwijgen worden gebracht!" Wij
wisten dat zij hem zouden doden, als zij dit konden. Na en ademloos, zenuwslopend
gevecht kwamen we tenslotte nader. Dan kwam het als een schok van grote verbijsterde
vreugdevolle verrassing over me heen, dat de onbekende ongedeerd en niet aangeraakt
was. De gewelddadige handen, die hem bedreigden, waren machteloos en niet in staat
om hem letsel toe te brengen. Daar stond hij, gekleed in glimmend witte gewaden
in een sfeer van zacht licht, dat zich tegen het donkere circus in een opzienbarende
verlichting, dat zich tegen het donkere circus en de donkere figuren aftekende,
veilig, alsof hij stond temidden tussen twee stenen wanden. Daar ik wat achteraan
stond, kon ik zijn gezicht niet zien, maar ik zag de witte kleren en dat zachte
licht, en de menigte die terug week, alsof zij door een machtige hand opzij geworpen
werd. Hij wandelde statig met bedaarde, onbevreesde waardigheid door de vijanden
heen ging door het circus aan het andere einde van het circus naar buiten. De
menigte om me heen verspreidde zich. Ik was vrij om achter hem aan door de deur
te rennen. Maar toen ik naar buiten keek was hij verdwenen. Was
het een droom? Ik draaide me om, legde mijn hand boven mijn ogen en keek naar
het circus. Nee, het was geen droom. Er had zeker een vreemde onderbreking plaats
gevonden. Want nu aanschouwde ik een verbazen tafereel. De professoren en twee
derde van de studenten zaten op hun plaatsen. Zij hadden hun hoofd bedekt met
de wijde mouwen van hun toga. De rest van de studenten was naar de circusdeur
gedrongen en zij converseerden met lage, opgewonden stemmen. Een tweede blik zei
me dat zij met zijn tweeën en drieën de hal verlieten en vlug vertrokken. Onmiskenbaar
waren zij verontrust door wat er gebeurd was en hadden zij misschien het geloof
in hun docenten verloren. Toen ik terug keek naar de professoren en studenten,
die hun hoofden hadden bedekt,flitsten gewisse woorden, die de engel - want het
kon alleen maar een engel geweest zijn - door mijn geest: "Jullie bedekken
je ogen met eigen handen, jullie zijn als wormen die in het stof kruipen, terwijl
jullie alleen maar het stof zien en weigeren te geloven dat de sterren in de Hemel
schijnen." Mijn
nieuwsgierigheid was gewekt. Hoewel ik zo spoedig mogelijk wenste te vertrekken
(Alaric was blijkbaar al weg), ging ik zitten, om te zien wat er gebeurde. Ik
behoefte niet lang te wachten. Na enkele minuten ontblootte de president zijn
hoofd. Hij keek dom om zich heen en zo deden eveneens de andere professoren en
studenten. "Wat
is dit! Hebben we geslapen?" hoorde ik de een de ander vragen. "Ah,
ik herinner me," antwoordde een van de professoren vrolijk, dat een gestoorde
hier binnen wandelde en ons met wat kinderlijk geklets onderbrak. Men had hem
er uit moeten gooien." "Ah,
ja, ja, ja! Dat was het !" riepen verschillende anderen, die met vuur op
deze verklaring ingingen. "Laat
ons verder gaan," zei de president hoogdravend. Het is mijn aangename plicht
om te laten zien dat deze kwestie bewezen is. Mijn
mening is, dat de bekwame argumenten waar we naar hebben geluisterd, een solide
basis hebben door redelijkheid en ondervinding. Zonder twijfel bewijzen zij dat
de mens alleen maar een verbeterd beest is. De aanspraak op en onsterfelijke ziel
is niet meer dan een absurde droom. Een
zeer enthousiast applaus begroette deze uitspraak van de voorzitter. Terwijl dit
aanhield, stond ik op, bevangen door een blijkbaar fysieke benauwdheid, en rende
naar de buitenlucht. Ik keek om me heen en was benieuwd wat er van Alaric geworden
was. Enkele minuten stond ik daar zo en wandelde toen langs een weg van 75 à 100
yards lang, naar het zandige plein, ontblootte mijn hoofd en dronk met lange teugen
de frisse lucht in. Plotseling werd ik me bewust van een vreemde, prettige verschijning
aan mijn zijde. Ik draaide me om en zag de figuur van een man. Het was donkere
nacht, maar het gezicht van die man was duidelijk te zien in een kring van zacht
licht, dat hem scheen te omringen. Mijn hart sprong over in mijn borst. Dit gezicht
kende ik met die gouden baard, deze mooie ogen met een nobele uitdrukking. Het
was de engel Ariël. Overweldigd
door verrassing en blijdschap, maakte ik een buiging met iets van vrees, zodat
ik voor zijn voeten gevallen was, indien hij me niet vriendelijk en vast met zijn
hand staande had gehouden. "Je
was me niet vergeten," zei hij. Die
rijke, warme stem! - Had ik die niet gehoord gedurende het laatste uur? "Ah!
- was u het," hijgde ik - "was u het die zo-even sprak in het gymnasium?" "Dat
was ik." Dan
was er een ogenblik stilte - dan: Zij zijn krankzinnig," zei ik. Nadat u
zo-even weg gegaan was zag ik dat zij hun hoofden bedekt hadden. Zo net zeiden
zij dat zij geslapen hadden. Zij weigerden hun eigen ogen te geloven. "Ik
wist dat zij niet zouden luisteren en sprak niet voor hen. Ik sprak alleen voor
diegenen, die hun oren nog niet volslagen gesloten hadden voor hemels onderwijs.
Mijn woorden waren voor jou en die jonge studenten, die nu hun dwaze, vooringenomen
leraren lieten varen en die liepen in de richting van plaatsen waar hun de waarheid
zal worden verteld." "Ik
dank God dat u kwam," zei ik. "Er is mij veel helder geworden wat eerst
duister voor me was. Leer me, o goede, vriendelijke... Niemand
is goed dan die éne God," onderbrak de engel. "Kom mee," vervolgde
hij na een ogenblik, "dan zul je de staat van deze natuuraanbidders zien,
nadat zij hier een korte tijd zijn geweest." Hij
keerde om en ik volgde hem door het zand in noordwestelijke richting. Toen we
de school passeerden, zagen we dichtbij twee van die professoren,die een luchtje
aan het scheppen waren, voorbij wandelen, maar ons waarschijnlijk niet zagen. "Weet
je," zei een van hen, op een heftige, ongeduldige manier, dat ik reeds op
twee halfronden beroemd ben en dat Christopher Columbus alleen maar een manitou
legende was van de Amerikaanse Indianen. Het publiek zal daarom te meer gereed
zijn, om de bewijzen te accepteren, die ik naar voren tracht te brengen, zodra
Koningin Victoria sterft, dat de legendes werkelijk niet meer betekenen dan de
oude Britse Zonnegodlegendes. De
luisteraar gaf en onduidelijk antwoord en die twee verdwenen uit het gehoor. Na
een zeer korte wandeling waren de verlichte vensters van de school uit het gezicht
verdwenen. We stonden voor een lang, laag gebouw van steen. Het was zwart als
pek. Vanuit de smalle, onregelmatige ramen stroomde een zwak licht. Toen we op
de deur klopten, vlogen enige grote vogels op met een paardengeluid, vanuit een
afgeknotte boom in de buurt en fladderden weg. De lange, schorre halen van hun
vleugels deden denken aan de gieren in de natuurlijke wereld. "Tot
zulke plaatsen komen zij, sommigen na een jaar, anderen eerder," zei de engel.
Zij treden dan in hun nieuwe, innerlijke staat. In de geestenwereld passeert de
mens drie staten. De eerste is hun uiterste staat, in die hij schijnbaar net als
in de wereld is, waarin hij voorzichtig en beschaafd handelt met een vriendelijk
voorkomen van een veinzer, ofschoon hij innerlijk slecht is. Maar omdat het hier
niet geoorloofd is om een gescheiden geest te hebben, dat men slecht denkt en
goed doet, - komt hij na een tijd in de staat van zijn innerlijk, waar hij, als
hij goed is, vrij uit spreekt en handelt,na wat zijn hart hem ingeeft. Maar wanneer
hij slecht is, laat hij zich niet weerhouden zijn werkelijke gedachten te uiten
en te handelen uit boosheid, zoveel als maar mogelijk is. In deze staat zoekt
hij moedwillig zulke plaatsen aan de grenzen van de hel, die uiterlijk met zijn
karakter overeen komen, zoals hier het geval is. Bij de bozen zijn de tweede en
de derde staat dezelfde, maar voor de goeden is de derde staat die der voorbereiding
voor de Hemel. De natuuraanbidders, die zo pas zag, zijn nog in hun uiterlijke
staat. Nu zullen we hen zien, die beslist in hun innerlijke staat gekomen zijn." Er
verscheen een bewaker met een lantaren. Hij opende de deur met een onaangenaam
geluid als van slangen en de slagbomen. Hij vroeg ons hem te volgen door een donkere,
lange gang naar een grote kamer, die ca. 25 man kon bevatten. Sommigen zaten aan
tafels te schrijven, anderen liepen al pratende heen en weer, terwijl sommigen
in dromen verloren op hun plaatsen zaten. Allen zagen er vroeg oud en gerimpeld
uit. Zij waren afschrikwekkend door hun kwade uitdrukking op hun magere gezichten
en hun glazige ogen, die later in het gedempte licht der kaarsen de plaats verlichtten,
die schenen te branden en krankzinnig glinsterden, verteerd door hartstocht. De
engel voerde me van de ene groep naar de andere en stelde vragen aan verschillende
van hen vragen. "Wat
schrijft u, vriend? informeerde hij hoffelijk aan iemand, die met pennen en papieren
aan een der tafels zat. "Een
werk over alle filosofieën, die ooit bedacht werden, te overtreffen," was
het antwoord. "U
poogt een moeilijke taak te verrichten." "Ja
maar om zo groter is de eer bij succes. Geen angst, ik zal slagen. In de eerste
plaats heb ik het genie van een God; in de tweede plaats zal ik een wondervol
resultaat bereiken door mijn gedachten zó ingekleed en duister uit te drukken,
zodat het onmogelijk is om precies te zeggen wat de bedoeling is en de lezer denkt,
dat de meest diepzinnige dingen worden verklaard. Verschillende hebben dit vóór
mijn tijd geprobeerd, maar niemand zo knap als ik. In de derde plaats verwacht
ik de voorbeeldloze prestatie en stelling te demonstreren en onmiddellijk het
tegendeel te bewijzen." Hij voegde er echter aan toe, dat dit gemakkelijk
genoeg was. Er waren altijd schijnbare redenen, die geciteerd konden worden, om
welke stelling dan ook te bewijzen, hoe absurd die ook mocht zijn. "Je
herinnert me aan een man, waarvan ik eens hoorde," zei de engel, "die
kon bewijzen dat een kraai wit was en ook dat hij zwart was. De kleur zit hoofdzakelijk
in de jas," zei hij. Verwijder de veren en je zult zien dat de werkelijke
kraai wit is. Zichzelf aanvullend, om het tegendeel te bewijzen, beweerde hij
dat de ware kraai zwart is." "Dat
is een uitstekende illustratie van mijn idee," schreeuwde de filosoof, verheugd.
"Ik zal er in mijn boek gebruik van maken." Een
andere bewoner van die kamer informeerde ons, dat hij betrokken was bij een wetenschappelijk
onderzoek, waarvan hij verwachtte, dat die hem in staat zou stellen, om een eigen
planeet te bouwen en daarna misschien een heelal. Wanneer hij dat had volbracht,
zou hij zichzelf tot God verklaren. Gewaarschuwd, om niet al te overmoedig te
zijn op succes in een dergelijke loopbaan, sprong hij woedend op. Zijn
blikken en woorden waren wild, maar toen hij merkte dat een bewaker naderde, aarzelde
hij en kwam direct tot bedaren. De engel legde me dan uit dat er altijd bewakers
waren ( ook in de hel ), om de bozen ervan te weerhouden de ander te kwetsen. Een
andere bewoner deelde ons mee, dat hij bezig was met te bewijzen, dat vrijheid
om misdaden te begaan het zogenaamd onvervreemdbare bezit van een oppermachtig
mens was. "Hoe
dan ook, wat is een misdaad, toch alleen maar een zienswijze?" De Christenen
zeggen dat we dit en dat niet moeten doen, de wilden, dat we niet zo en zo moeten
doen, en ik zeg dat we moeten doen wat we willen. Er bestaat niet zoiets als zonde.
De enige misdaad is alleen de gruwelijke geringschatting der zogenaamde criminelen." Op
de vraag wat zijn roeping was, antwoordde een van hen, die in dromen verloren
was, afwezig: "Atomen, cellen, lichaampjes, nevelvlekken, protoplasma."
Toen de vraag herhaald werd, antwoordde hij: “Protoplasma, nevelvlekken, lichaampjes,
atomen." "Wanneer
hun staat dusdanig wordt, dat zij hier niet langer kunnen blijven," zei de
engel, toen we later in de frisse lucht waren, "worden zij naar een eeuwige
werkplaats gebracht in de hel, waar zij in een soort orde worden gehouden, omdat
zij gedwongen worden voor hun dagelijks brood te werken en waar zij steeds dieper
zinken in hun krankzinnige fantasieën. Zij moeten kwellingen lijden, omdat het
hun niet toegestaan wordt hun slechte wensen te bevredigen. Hoofdstuk
10 - Een afscheid en een ontmoeting Toen
we naar buiten gingen, vlogen nog meer donkere, lelijke vogels met een harde schreeuw
vanuit een halfvolgroeide boom de lucht in. Ik week terug. Bevreesd greep ik de
arm van mijn begeleider, toen een lange, kromme figuur, die alleen een enorme
slang kon zijn, snel over onze weg gleed. "Deze
dingen, die voor ons verschijnen, zijn representatief en corresponderen met de
staat van die mensen, die we zojuist hebben gezien," zei de engel, geruststellend.
"In streken waar zij wonen wier geesten met valsheden bewolkt zijn en die
in krankzinnigheden vervallen van aanmatigende intelligentie, verschijnen als
verschrikkelijke vogels en gevaarlijke reptielen. Maar waar de geest helder,,
echt en redelijk is, door de kennis en de liefde voor onvervalste waarheden, daar
worden mooie vogels en andere welgevallige dieren gezien. Dit komt omdat alle
dieren overeenstemmen met goede of boze neigingen. Vogels stemmen in het algemeen
overeen met eigenschappen van de geest of met intellectuele dingen. Dit was reeds
aan de ouden op aarde bekend. Drom gaven de Grieken vleugels aan het paard Pegasus,
onder welk embleem zij zich het menselijk intellect voorstelden en de gave en
de macht om omhoog te stijgen, of zichzelf boven aardse dingen te verheffen en
over godsdienstige dingen te peinzen. "En
was niet een langzaam gewaarworden dezer vergeten waarheid," vroeg ik, gespannen,
"de oorsprong van de uitdrukking zweven gebruikt bij een vlucht van de verbeelding
of het intellect?" "Ongetwijfeld.
Alle beeldspraken hebben hun oorsprong in deze kennis der overeenstemmingen bij
onze voorgeslachten." De
lichten en de vage omtrek van de school zagen we nu recht voor ons. Wij kwamen
nader en stopten bij die rots waar Alaric en ik ‘s-morgens hadden gerust. De engel
ging zitten en vroeg me om naast hem te zitten. Dan hernam hij zijn onderricht. Tenslotte
vatte ik moed om met hem te praten over mijn wens, om te beginnen aan de plichten
van een permanent beroep. Ik beleed mijn streven om naar een leven van hemels
nut te gaan, gelijk aan het zijne. Na veel aarzeling waagde ik het met een omhaal
van woorden te zeggen, trillend van vrees voor wat zijn houding zou zijn tot mijn
arrogantie. Maar in plaats van een berisping voor mijn verwaandheid en een neiging
tot eerzucht, nam hij mijn hand in een warme greep en zei ernstig, maar blij,
"moge de Heer met u zijn en je vooruit helpen mijn broeder." Ik
kon niet praten, zó groot was mijn geluk. Tranen van ontroering vulden mijn ogen
toen ik eerbiedig de handen van de engel kuste. Hik sprak een lange tijd met me
en verzekerde me ernstig, dat, waar ik naar uitkeek, te zijner tijd zou gebeuren,
indien ik dit serieus wenste, zodra ik er klaar voor was. Ik zou door vele verzoekingen
moeten gaan en ik moest ernaar streven mijn kwade eigenschappen te bestrijden,
mijzelf van deze verlossen, - en intussen leren blij te doen wat de Goddelijke
Voorzienigheid op mijn weg bracht. "Wat
moet ik doen om mijn boze neigingen te verdrijven?" vroeg ik verlangend. "Mogen
je gebeden vooral je ogen open houden om het kwaad speciaal in jezelf te zien
en te erkennen. Bid dat je er steeds toe geleid mag worden om het ware te denken
en in dat licht wijs te handelen." "Het
is maar al te waar dat mijn ogen niet altijd open zijn," zei ik. "Er
zijn tijden waarin ik in het geheel niet kan zien dat er kwaad in me is." "In
zulke tijden raad ik je, om jezelf goed te onderzoeken," was het snelle antwoord,"
niet zorgeloos, maar willens en wetens en met ernstige vastberadenheid. Onderzoek,
hoe diep je gedachten zijn en de bedoeling in je hart. Vraag jezelf af welke dingen
je boven alles lief hebt. Geloof, dat elke dwang wordt verwijderd, dat geen noodlottige
gevolgen de last van enige zonde zullen volgen, onderzoek en zie of je in dat
geval nog steeds de wens hebt om met volledig fatsoen te handelen, en met eergevoel
en gerechtigheid. Stel jezelf deze vragen en houdt dit met open hart voor ogen:
"Heb ik de waarheid lief om de waarheid zelf, of omdat ik dacht wijs en goed
te zijn? Houdt ik van het goede omdat het uit de hemel is en haat ik het kwaad,
omdat het uit de hel is? Wil
ik de plichten doen in een eerbaar beroep, om de Heer te dienen en nuttig zijn
voor mijn naaste, of uit eerzucht om voor mijzelf een naam en een plaats te creëren.
Is mijn naastenliefde gericht op de plichten omdat ik geroepen ben of om goed
en wijs gevonden te worden. Ben ik geneigd hem recht te doen, zoals ik het mezelf
zou hebben gedaan, of heb ik er wel eens plezier in om onrechtvaardig tegen hem
te zijn, al is het maar in geringe mate? Heb ik de neiging plezier te vinden in
kleinering en overdrijving van de werkelijkheid, die hem schijnt te beschuldigen?
Laat me goed nadenken eer ik antwoord. Heb
ik mijn vrienden lief om het goede dat in hen is, of om hun mooi uiterlijk, om
zijn gunsten of zijn spitsvondige strelingen of andere kunstgrepen, teneinde zichzelf
welgevallig te doen lijken?" "Vind
ik genoegen in slechte daden in naam van liefdadigheid? Excuseer ik zekere fouten
in mezelf en veroordeel ik deze in anderen? Veracht ik mijn beledigingen, als
zij in mijn herinneringen opkomen en me beschuldigen, of verontschuldig hen in
mezelf. Erken ik ze in al hun afschuwelijkheid en heb ik er berouw van?" "Neigen
mijn gedachten naar een eerlijke, vaste liefde voor één vrouw, of beschouw ik
met plezier de liefde van verschillende? "Wanneer
ik een goede daad heb gedaan, schrijf ik die toe aan de Heer of aan verdienste
van mezelf?" "Erken
ik de Goddelijke Voorzienigheid in alle dingen van het leven en buig ik nederig
mijn ziel tot de Heer God als de bron van de oorsprong van alle leven, van het
ware en het goede, en erken ik waarlijk dat ikzelf volkomen slecht ben, zonder
de invloed van boven?" Al
luisterend naar deze diepzinnige vragen, verdween de grote gelukzaligheid van
het laatste uur. Ik werd gegrepen door verootmoediging en droefheid. In een bliksemschicht
zag ik, dat ik zeker beschuldigd zou worden. "God
helpe me !" riep ik in angst. "Ik ben schuldig. Ik kan deze vragen niet
naar waarheid beantwoorden. Er is voor mij geen hoop." Ah,
maar er is hoop," verzekerde hij me vriendelijk. "Zou het niet zo zijn,
dan zou u nu niet geduldig luisteren naar onderricht. Je begon reeds in de wereld
tegen het kwaad te vechten en allen die dus een werkelijk begin maken, beëindigen
hier hun werk. Ga alleen maar zo door. Houdt deze en soortgelijke vragen in gedachten.
Streef ernaar om te zoeken naar de eisen, die gevraagd worden en je zult op deze
weg vorderen. Alles welbeschouwd is het niet zo moeilijk, wanneer men dit alleen
maar voortduren probeert, met volharding en vastberadenheid." Kort
nadat hij deze woorden gesproken had stond de engel plotseling op en zei; "Ik
werd geroepen en nu moet ik je verlaten." "Hoe
werd u teruggeroepen ?" vroeg ik, want ik liet hem niet graag gaan."Er
kwam geen boodschapper om u te ontbieden." Niettemin,
ik werd terug geroepen," zei hij. In het zachte licht,dat zijn gelaat omhulde,
zag ik een glimlach op zij lippen. "Ik zal de Heer bidden u weer te mogen
zien," zei ik. Indien
je dit doet en echte behoefte hebt, zul je me zonder twijfel terug zien,"
zei hij met stellige overtuiging. Ten
afscheid drukte hij me warm de hand, keerde zich om en wandelde weg in de duistere
nacht. Alleen gelaten, stond ik enige minuten stil, nadenkend over wat hij tegen
me had gezegd en overzag de gebeurtenissen van deze avond. "Het
moet wel ver na middernacht geweest zijn," dacht ik tenslotte. Ik stond op
en keek om me heen. Wat
moest ik doen? Er scheen bijna geen licht meer, noch vanuit de school, noch van
de kwartieren van de studenten. Daarom was er geen kans voor een nacht logeren.
Daartoe had ik zelfs niet kunnen besluiten om deze aan te nemen. Wat doen? Terug
marcheren naar de Nieuwkomers? Het zou ochtend zijn eer ik daar aan zou komen.
Bovendien wenste ik met Alaric te praten, voordat ik de buurt verliet. Toen ik
aarzelde, was ik benieuwd, hoe ik me zou voelen, als ik de rest van de nacht uitgestrekt
in het zand zou liggen. Dan zag ik hoe zich een figuur tegen het nachtelijk duister
aftekende. Een stem riep zacht; Ben jij dat, Burton ?" Het
was Alaric. Blij greep ik zijn hand. We liepen een par stappen terug en we zetten
ons samen op de vlakke rots, die nu een vertrouwde vriend was. Na een kort gesprek
over de gebeurtenissen van de avond, zei ik, snel," Kom vriend, laten we
deze buurt onmiddellijk verlaten." "Waar
gaan we heen?" "Overal
naartoe, als we maar deze plek verlaten. Eerst terug naar de Nieuwkomers, en dan
misschien naar een of andere stad en tenslotte naar een hemelse stad, als het
geluk, of wel de Goddelijke Voorzienigheid daarheen zal leiden." "Het
zou prettiger zijn dan de reis alleen te maken," viel Alaric peinzend bij.
"Maar hoe komen we dat te weten? Het is misschien niet de bedoeling dat we
beide samen de reis zullen maken, maar dat een ieder van ons zijn eigen individuele
verzoekingen zal moeten doorstaan." "Ongetwijfeld
heb je gelijk, maar toch mogen we wel voor enige tijd met elkaar gaan," zei
ik. "Hier zullen ons zeker gemeenschappelijke gevaren bedreigen." "Dat
is een gevaar," zei Alaric,op een afwezige manier. "Ik zou het liefst
terstond gaan, maar niet, wat mijn twee dierbare vrienden betreft. Ik -werkelijk,
ik kan hen nu niet de rug toedraaien, voordat ik nog iets meer met hen heb gepraat.
Zou je niet op me willen wachten, Burton, tot ik nog iets meer met hen heb gepraat
?" Deze vraag werd haast smekend gesteld. "Nee,
antwoordde ik beslist, hoewel ik door zijn toon geroerd was. "Dat zou verkeerd
zijn." "Hoe kun je, vervolgde ik, na deze redevoeringen nog hoop hebben
? Dit zou je ogen geopend moeten hebben. Ik zeg dit openhartig." "Zij
geloven er niet echt in - dat denk ik," zei hij, met droefheid, die in zekere
mate zijn woorden vertolkte. Zij zijn bevangen door een soort bevlieging voor
lering en bekwaamheid." "We
moeten onze vrienden liefhebben vanwege het goede dat in hen is en voor niets
anders," was mijn repliek, toen ik me de woorden van de engel herinnerde
van de engel Ariël. "Het
lijkt me niet toe,dat ik om iets anders van ze houd," zei hij met een zucht.
Het zijn zulke goedhartige jongens, - werkelijk, zij zijn veel beter dan je denkt." "Dat
is alleen de buitenkant," zei ik. "Beminnelijkheid is een gemakkelijk
te dragen masker. Wanneer dat de test zou zijn, wie zou zich dan niet voor kunnen
doen als een engel des lichts." "Misschien
ben ik niet beter dan zij," zuchtte Alaric. "Als
je voor dit soort zaken je principes laat varen," zei ik, zonder medelijden,"
zul je erger worden dan zij. Wie ben jij om de Voorzienigheid voor hen te spelen?
Indien zij gered kunnen worden zal de Heer ze redden." "De
Heer gebruikt me misschien als instrument," was het ernstige antwoord. Ik
voelde daarin een berisping. Ik dacht echter dat ik gelijk had, maar zag dat zijn
besluit vast stond. Ofschoon de gedachte alleen al me pijn deed,werd het me duidelijk
dat ik hem moest verlaten. "We moeten dan scheiden," zei hij, bijna
ademloos. Toen we opstonden hield hij mijn hand lang vast. Zijn gezicht kon ik
niet zien, maar ik wist dat hij met zichzelf streed, om zich onder controle te
houden. "Dag
goede vriend," zei ik. Ik vertrouw erop dat we elkaar binnenkort weer zullen
zien." "Tot
ziens," herhaalde hij. Hij legde zijn linker arm om mijn schouder, bijna
rond mijn nek - toen hij sprak." we hadden goede broeders kunnen zijn,"
zei hij. Dan verwijderden we ons haastig van elkaar en
gingen ieder in de tegenover gestelde richtingen. "Het
is het waard om te streven naar de liefde van een warm hart zoals het zijne, dacht
ik daarna. "Toch had ik gelijk en hij ongelijk." Later,
tijdens het verder wandelen, begon de duisternis te wijken. Ik had nog niet lang
gelopen, toen de zon op ging. Nu draaide ik me om en keek terug naar het "College
der Wijzen", maar het was nu uit zicht, achter de zandvlakte verdwenen. In
mijn verbeelding schilderde ik me de "Wijzen," die opstonden, zich op
de dag gingen voorbereiden en zich weer klaar maakten om hun wijsheden bij de
blinde leerlingen in te prenten. Ik stelde me voor, hoe zij een voor een in hun
innerlijke staat werden gebracht, waar zij hun maskers afnamen, vertrokken uit
de trotse muren van de school en dan stopten in het tussen liggende huis van voorbereiding,
dat de engel mij liet zien. Daarna zouden zij benedenwaarts gaan naar de diepten,
die ik niet kende en waarvan zij nooit terug zouden keren. En
Alaric - het deed pijn om aan hem te denken. Na
enkele uren rust in de herberg, laat in de morgen, ging ik wandelen in een bevolkte
straat van de stad der Nieuwkomers. Arme Alaric zijn sterke gehechtheid voor zijn
twee dwalende vrienden was steeds in mijn gedachten. Tijdens
het wandelen stelde ik me de vraag: "Zou
er iemand kunnen zijn, die ik vrienden noemde en die mij zouden kunnen beïnvloeden?
Bezit ik wel zulk een vriendschappelijke liefde voor een of ander schepsel? Ik
niet. Stop een moment. Daar is de dierbare, dierbare vriend, mijn neef Paul. "Ah,
ja, mijn neef Paul ! Waarom heb ik niet eerder aan hem gedacht? -hij, die mijn
beste vriend op aarde was, en die, zoals ik weet, gevonden kan worden. Zijn intrede
in de geestelijke wereld vond maar vijf maanden eerder plaats dan de mijne. Werd
ik op enige goede gronden tegen gehouden om hem te ontmoeten? Maar stel eens,
ik houd van hem en mezelf zou veroorloven mij door hem te laten beïnvloeden? Dit
geval loopt niet parallel met Alaric en zijn twee vrienden. De invloed van een
zó nobel mens als mijn neef Paul is niet een zaak om bang voor te zijn en om te
schuwen. Dat zou niet recht zijn. Ah, ja, de vriend waar ik van houd, zou me kunnen
helpen, zou grote dingen voor me kunnen doen. Waar is hij dan? Zou ik hem kunnen
vinden!" Aldus
zat ik te denken, als het ware in een wervelende stroom van enthousiasme. Ik keek
op en zag maar een paar voet van me vandaan een jonge man, wiens ogen voortdurend
op me gericht waren. Het was een man van middelbare lengte met een prettig gezicht,
een waardig gedrag en een serieus voorkomen van ongeveer dertig jaar oud. Hij
glimlachte tegen me toen onze ogen elkaar ontmoetten. Met een gewaarwording van
onvervalste blijdschap, herkende ik mijn neef Paul. Hoofdstuk
11 - De man en zijn vrouw Deze
neef van me was zeker vijf jaar ouder dan ik, maar zelfs voordat ik volwassen
werd, behandelde hij me als zijn gelijke, niet alleen in jaren, maar ook in ieder
ander opzicht. Het mag onverstandig geweest zijn, maar daarmee won hij mijn blijvende
genegenheid. Mijn neef Paul scheen mij de vriendelijkste en aangenaamste mens
te zijn. Ik herinner me heel goed, hoe geduldig hij zijn eigen studies opzij zette,
toen we nog op school waren. Hij spendeerde er een half uur aan om mij te helpen
met enkele regels van Horace of Homer uit te leggen. Hij scheen nooit te moe om
vriendelijke daden te doen en hij was steeds een buitengewoon populaire jonge
man. Vaak verwonderde het mij dat hij zo gewillig zijn tijd kon offeren, die hij
zo goed voor zijn eigen bezigheden had kunnen gebruiken. Mijn zuster was persoonlijk
niet zo erg op hem gesteld als ik, maar wij waren het erover eens dat hij een
zeldzaam onzelfzuchtige natuur had. Soms
vond ik het moeilijk om me met zijn religieuze principes te verenigen, want deze
waren uitgesproken gebaseerd op de mystieke leer van geloof alleen. Alleen maar
geloven in sommige dingen, onafhankelijk van liefde en het leven in de waarheid,
was op zich genoeg ter wille van de zaligheid. Waarom zou hij zich druk maken
om in deugd te leven. Het zou kunnen zijn dat hij hoofdzakelijk zo handelde, opdat
de mensen goed over hem zouden denken, alleen maar om dankbaarheid op te wekken
en zich de vriendschap te verzekeren voor het einddoel dat hij in gedachten had.
Verontwaardigd verwierp ik deze gedachte al voordat zij zich ontwikkelde en geheel
gevestigd was. Niettemin was ik me van een zekere tegenspraak bewust, wanneer
ik over de religie van mijn neef na ging denken. Hij behoorde echter niet tot
de agressieve strijder van een sekte van religieuze mensen. Uiterlijk leefde hij
een onberispelijk leven, volhardend aan de grondstelling van zijn geloof. Niemand
van al diegenen die ik kende zou het meer verdienen om in de Hemel te komen. Mijn
neef trouwde op zeven en twintig jarige leeftijd met Mary Gordon, een mooi jong
meisje, die een groot fortuin erfde. Er was iets in dat huwelijk, dat ik nooit
helemaal had begrepen - iets bezwarends betreffende mijn neef in de ogen van sommige
kritische waarnemers - maar ik was er steeds zeker van dat hij niet werkelijk
kwaad had gedaan. In die tijd, toen hij begon Miss Gordon bijzondere attentie
te geven, was het bekend dat hij zich zou verloven (misschien was het al zo) met
een zekere Edward Ray,een verdienstelijk architect van veel kwaliteiten maar weinig
inkomsten. Hoe het gebeurde weet niemand, maar na eerst Paul zijn pogingen afgewezen
te hebben ontwikkelde het zich anders. Haar houding veranderde en de jonge Ray
werd afgewezen. Ik was toen erg verrast maar ik sprak mijn neef vrij van oneer,
hoewel er toespelingen waren gemaakt op slimme intriges, die hij beraamde tegen
Ray, om hem in een kwaad daglicht te plaatsen tegenover de vrouw die hij lief
had. Er werd door sommigen gezegd, dat Miss Gordon Paul accepteerde vanwege zijn
kwaliteiten op gebied van zaken, maar onze familie geloofde dat zij van hem hield.
Twee jaar na de huwelijksdag werd mijn nieuwe nicht, van wie ik op een broederlijke
manier was gaan houden, ziek werd en stierf. Ongeveer drie maanden later viel
haar echtgenoot van de wagen en overleed onmiddellijk. Gedurende de weinige maanden,
die verstreken voordat ik door mijn laatste ziekte werd gegrepen, dacht ik vaak
aan hem. Ik stelde me hun vereniging voor in de geestelijke wereld. Zonder twijfel
zouden zij beiden wensen om weer samen te zijn. Volgens mij zou geen vrouw gelukkiger
kunnen zijn als de vrouw van mijn neef. Geen man kon zó gezegend kunnen zijn als
de echtgenoot van mijn nicht Mary. Men kon zich mijn vreugde voorstellen, toe
ik deze geliefde verwante en vriend herkende in de straat van de Nieuwkomers.
"Hij is nog niet opgevaren ten Hemel," was mijn ogenblikkelijke gedachte.
Dat zal zeker vlug gebeuren, ik ben er zeker van." Met ongeduldig verlangen
liep ik daadwerkelijk op hem toe en riep zijn naam. Enkele momenten later wandelden
we arm in arm de straat langs. Intussen stelden wij elkaar onnoembaar vele vragen.
"Is
nicht Mary bij je ?" was een van mijn eerste vragen "Ja."
Was het mogelijk dat ik een gewisse gladde ring mistte, Die ik verwachte in dat
"Ja?" Direct daarop berispte ik mezelf voor die reactie. Met welk recht
kon ik verlangen van een man, dat hij zijn liefde zou belijden in de toon van
zijn stem? Ik eiste te veel en had een rijke fantasie. "Ja,"
zei mijn neef en je moet bij ons komen dineren. Zij zal blij zijn je te zien.
Na het eten verwachten we enige vrienden, die je misschien ook graag wilt leren
kennen." Later
stond hij erop dat ik met hem naar zijn huis zou gaan voor de lunch en ik stemde
grif toe. Het huis stond in een van de mooiere straten. In het algemeen leek deze
op hun vroegere huis in de natuurlijke wereld. Een warmer welkom dan nicht Mary
me gaf, had ik niet kunnen krijgen. Zij was in alle opzichten dezelfde, beminnelijke
vrouw, maar weldra merkte ik dat zij stiller was en dat zij een tikje lichte melancholie
uitstraalde in haar terughoudendheid. In Paul was er eveneens een verandering,
hoewel ik een tijdje nodig had om te zien wat dit was. Misschien zou men dit het
beste kunnen aanduiden en zeggen, dat zijn gelaat een iets minder fijne uitdrukking
had. In een gesprek was hij minder genegen om de serieuze kant van de gebeurtenissen
te bekijken en daar een moraal in te zien. "Wat
woon je mooi en geriefelijk!" zei ik tot de echtgenoot en zijn vrouw, terwijl
zij mij door hun luxueuze vertrekken leidden. "Ja,
Ah! ja, maar het is jammer," zei neef Paul, het is jammer dat mijn aanspraak
hierop onbepaald is. Niemand weet wanneer het nodig is om er afstand van te doen." "Ja,
natuurlijk," zei ik; dit is alleen maar een stad voor een tijdelijk verblijf.
We moeten hier niet langer blijven dan nuttig is." "Wel,
voor mijn part, ik zou hier wel altijd willen blijven," zei mijn neef en
keek begerig om zich heen. "Voor mij is dit hemel genoeg." "Je
verbaasd me," zei ik en voelde me teleurgesteld. Ik keerde me om naar nicht
Mary. "Zou je tevreden zijn met hier altijd te blijven?" vroeg ik. "We
zouden allemaal veel gelukkiger kunnen zijn dan we nu zijn," antwoordde zij,
ontwijkend, nauwelijks naar me kijkend. Vanaf
dat moment was het duidelijk voor me dat zij een ongelukkige vrouw was. Ofschoon,
het was evenzeer duidelijk dat zij dag na dag streed, om het niet te tonen. Maar
in de geestelijke wereld is het niet mogelijk om dingen met succes te verbergen,
zoals in de natuurlijke wereld, zelfs niet in de eerste staat. In de tweede staat
kan iemands karakter worden gelezen als een boek. In nicht Mary's mooie bruine
ogen was een deerniswekkend peinzen, als zij de kamer rondkeken, terwijl zij mijn
vragende blik onmiddellijk ontweek. Ongelukkig was zij zeker - maar waarom ? Zou
het kunnen zijn, dat zij alles welbeschouwd niet van haar echtgenoot hield? Hoe
vreemd zou dit zijn! Wat kon zij meer verlangen dan deze man, in combinatie met
een groot karakter, intellectuele bekwaamheid en een markante persoonlijkheid?
Ik hoorde eens beweren, dat iedere goede vrouw elke goede man kon liefhebben.
Ik had steeds geweigerd om zulke gevoelens te onderschrijven, omdat zij niet met
mijn idee over goede liefde overeenkwamen. Het was echter moeilijk te geloven
dat nicht Mary niet van een man, zoals haar echtgenoot zou kunnen houden. "Jullie
beiden zijn zo veel gelukkiger dan ik," zei ik tijdens het eten, misschien
niet met absolute ernst." Jullie hebben elkaar, terwijl ik een eenzame wandelaar
ben." "Dat
zul je niet altijd blijven, hoop ik, neef Oswald," antwoordde de vrouw van
Paul met vaardige sympathie. Zij scheen haar eigen, twijfelachtig geval op zij
te schuiven en alleen aan mij te denken. Zonder
twijfel is het voor het ogenblik goed," zei ik gelaten. Als ik in jullie
plaats was zou ik té veel met mijn tegenwoordig geluk bezig zijn, om al te veel
aan de toekomst te denken." "En
waarom zou je zo veel aan je toekomst denken?" voeg Paul luchtig. "Omdat
de tegenwoordige dingen noch relatie, noch van korter duur en van relatief waardelozer
zijn dan in de wereld. We zijn alleen maar voorbijgangers, die zich door belevenissen
voorbereiden, of voor de Hemel of voor de hel, zoals het geval zal zijn. "Ja,
dat is ongelukkig genoeg ons deel," zei mijn neef met een veranderde stem. "Hoe
ongelukkig?" "Ik
bedoel, dat ik graag hier wil blijven. Dit is voor mij goed genoeg. Een
vogel in de hand, weet je?" "Wat
een vreemde manier om zo te voelen!" zei ik." Het is alsof een jongen
van dertien jaar zijn wens te kennen geeft, om zijn gehele leven een kind te willen
blijven. Wat mij betreft ga ik verlangend verder naar een vollere, rijpere staat,
die ons wacht in de Hemel, waar we naar ik hoop allen met elkaar verbonden zullen
worden." "Ik
hoop het, werkelijk," zei neef Paul, Zijn vrouw gaf echter geen antwoord
en keek op haar bord gelijk iemand, die niet weet wat zij moet zeggen en daarom
niets zegt. "En
ofschoon wij in die richting gaan," ging ik voort," wij hebben allemaal
kwaad dat we in ieder geval moeten overwinnen. Het zal onze zorg moeten zijn,
ons daaraan te onderwerpen. Dat is wat ik zo-even met het denken over de toekomst
bedoelde." Ik
hoorde heel wat van dat soort gepraat toen ik voor het eerst in deze stad kwam,"
zei mijn neef, ingenomen met zichzelf. Ik vraag excuus Oswald, maar ik vond het
niet de moeite waard, om erover na te denken. Natuurlijk is het goed genoeg, indien
we eervol handelen, maar alles goed en wel, onze werkelijke zorg is, of we geloven
of niet.,Nu, sindsdien was ik bekeerd en was overtuigd dat ik geloof had. Daarom
zag ik nooit in, waarom ik me zorgen zou maken zolang ik geen wetsovertreder was." Ik
had mijn neef op deze manier horen spreken met deze verdraaiing van feiten, toen
we nog in de wereld waren. In die tijd was ik nog zó onwetend en gedachteloos,
zodat het weinig indruk op me maakte. Nu echter scheen het mij een gruwelijke
theorie. Daarom sprak ik vurig tegen. Gedurende het diner bleven we disputeren.
Neef Paul zij idee scheen te zijn, dat introductie voor de Hemel alleen maar gerechtvaardigd
werd door pure genade, alleen de opening van de poort op een zeker nummer, waarop
geloofsartikelen de toegangsbewijzen vormden. Ware wedergeboorte had daarmee waarlijk
niets te maken. De meest verachtelijke mens zou de Hemel binnen komen en een engel
des lichts worden, indien hij op zijn sterfbed alleen maar zeggen zou, "ik
geloof"..Met alle kracht, die ik op kon brengen redeneerde ik tegen deze
verderfelijke valsheid. Ik streefde ernaar, om mijn neef duidelijk te laten zien,
welk helder inzicht ik door onderwijzing had gekregen, en dat het voor een mens
onmogelijk was om de Hemel binnen te gaan, zonder eerst gezuiverd te zijn van
de boze dingen, waarmee hij geboren was, een inzicht dat hij verworven had. Het
zou zijn als bij een vis, die buiten het water moest leven, zonder eerst, zoals
andere dieren, met longen voorzien te zijn, net als andere dieren die lucht inademen. Alleen
diegenen, die door lange inspanning de hemel in zichzelf hebben opgebouwd, of
hun eigen ziel in overeenstemming hebben gebracht met de wetten des Hemels, kunnen
zien, binnengaan en het leven des Hemels verdragen. Mijn
neef bleef halsstarrig bij zijn absurde theorie. Hij weigerde het gemakkelijke
stelsel van zaligmaking over te geven, dat hijzelf gekozen had voor zijn geloof.
Zijn geestelijke staat vervulde me met grote droefheid. Gedurende ons dispuut,
dat tenslotte onderbroken werd door de komst van de gasten van die avond, merkte
ik dat nicht Mary ingespannen luisterde en dat zij mijn tegenwerpingen meer deelde
dan die van mijn tegenstander, welke dienden om me in mijn geloof te bevestigen,
dat zij niet van haar echtgenoot hield. De
gasten, die kwamen om de avond door te brengen waren ongeveer vijftien in getal.
De meesten van hen deden en keken, zoals de gemiddelde personen zich in gezelschap
gedroegen. Zij spraken hoofdzakelijk over gewone dingen, bijvoorbeeld wat er pas
nog was gebeurd in maatschappelijk opzicht, en wat er spoedig zou gebeuren. Zij
toonden ook op een andere wijze dat hun geest helemaal in beslag werd genomen
door de onbelangrijke dingen van het moment. Behalve in een geval, was er geen
aanwijzing, dat een van hen niet bekend was met het feit, dat de tegenwoordige
situatie behoorlijk beschreven kon worden als de scheiding bij het beschouwen
van een groot caleidoscoop, waar de zich scheidende delen zouden worden ontbonden
en worden vastgelegd in een onveranderlijke hemel of hel. Alleen
twee van de bezoekers behoeven hier een aparte vermelding. Een van hen was Miss
Isabella Grubb, een niet meer zo jonge dame, die altijd een toegewijde vriendin
van mijn neef was geweest en die twee of drie maanden voor hem was overleden.
De ander was Edward Ray, die jonge man, die door mijn nicht Mary was afgewezen,
en die,zoals ik nu leerde, kort na mij in de geestelijke wereld was gekomen. Conversatie
was in het begin wat moeilijk, door een zekere reserve, sinds de jeugdige twist,
die onze omgang had verbroken. Maar daar het hoofdzakelijk mijn schuld was, had
ik er allang berouw van. Ik was nu meer dan ooit in de stemming om het goed te
maken. Alle belemmeringen waren tussen ons opgehelderd, want Ray was een alleszins
goede kerel, zoals op meer manieren duidelijk werd. Zijn houding betreffende de
vrouw van mijn neef dwong bewondering af. Niemand zou hebben verwacht, dat hij
een vroegere liefhebber was. Hij was noch afstandelijk in zijn manieren tegen
haar, noch toonde hij een overdreven respect. Maar hij was gelijkmatig, eenvoudig,
openhartig, en een heer. In de loop van ons gesprek was ik blij dat hij een redelijke
voorstelling had van de positie van een nieuwe geest en dat hij betrokken was
bij veel, dat buiten de gebeurtenissen van deze avond lag. In
de wereld kende ik Miss Grubb niet zo goed, maar van mijn vrienden had ik reeds
veel over haar gehoord. Zij zag er fraai goed uit en had een beminnelijk, beschaafd
voorkomen. Als zij tien jaar jonger was geweest en de bezitster van een fortuin,
was mijn neef Paul volgens enige kletsende dames, nooit met Miss Gordon getrouwd.
Mijn zuster had een uitgesproken hekel aan haar en vertelde me dat, wanneer Miss
Grubb niet zo buitengewoon schrander was, zij al lang de reputatie had genoten,
een slechte babbelaarster te zijn. Ervaring leerde me, dat de beste vrouw de neiging
bezat, om bij gelegenheid vernietigender over haar seksegenoten te praten, dan
de omstandigheden rechtvaardigen. Daarom luisterde ik, zonder conclusies te trekken,
dat Miss Grubb het tegendeel van en beschaafde vrouw moest zijn. Toen ik haar
in het huis van mijn neef ontmoette, waren mijn gedachten open en onbevooroordeeld. Vijftien
minuten conversatie waren echter genoeg om mij geen goede mening over haar te
vormen. Zij begon mij met een bloemrijke stem te feliciteren met de overgang naar
een "Hoger" leven, de geestelijke wereld. Zelfs in de verte verwees
zij later ooit naar een leven met plichten. Hij
dwaalde onmiddellijk af naar personen en gaf mij enige kijkjes in de geschiedenis
van bijna iedereen in de kamer. Dit geschiedde, ondanks ontmoedigingen van mijn
kant, waarlijk, met het oog op een pogen, haar te bewegen om over andere dingen
te praten. Zij bestede veel tijd met over Ray te praten, die, zijn goede manieren
ten spijt, een doortrapt huichelaar zou zijn, die Pauls vrouw beminde en een overwegende
intrigant was. Deze informatie werd meer met een vrijpostige bewering bevestigd
dan door insinuaties en bedekte toespelingen, begeleid door een suggestief schouderophalen
en bepaalde blikken. In het begin gaf zij ernstig te kennen, dat zij gedreven
werd om met mij vrijer te spreken dan met wie dan ook, om mijn sterke vriendschap
met Paul. Ik wist dat zij daarna haar batterij over nicht Mary, toen, zeer tot
mijn bevrijding, het gesprek onderbroken werd. Later,
toen er in gezelschap van een andere gast even een stilte viel, hoorde ik tussenbeide
Miss Grubb mijn naam noemen tot Ray, die zij nu had uitgekozen voor een conversatie.
Duidelijk hoorde ik die woorden, welke met een lage bedekte stem werden geuit:"De
verwaande kwast had altijd een oog op de vrouw van zijn neef - en nu is hij gekomen
- wie weet ?" Wat
was de bedoeling van deze vrouw? - Willens en wetens twee mannen tegen elkaar
opstoken, alleen voor eigen genoegen ? Toen zij in het begin kwade motieven aan
Ray ten laste legde, voelde ik mij een beetje onbehagelijk; maar niet nu. Niets
van wat deze vrouw zei was een serieuze gedachte waard. Nicht
Mary ging nu naar de piano en zong voor het gezelschap. Zij had altijd een mooie
stem. Deze leek nu rijker en zuiverder dan ooit, en streelde je oor. "Het
is prachtig, zoals je stem zich ontwikkeld heeft," zei ik na het eerste lied. "Ik
dacht," zei Ray, "de conversatie was nu algemeen dat ons gehoor hier
scherper is dan in de wereld. "Ongetwijfeld,
daarom ook is het plezier dat we ondervinden door mooie geluiden intenser,"
zei ik. "Wanneer
we dit hier al constateren, stel je dan eens voor, hoe groot ons genoegen voor
muziek dan in de Hemel moet zijn; het zou onze zielen tot ontroering brengen." "Soms
was ik benieuwd of ik hier wel een piano zou hebben," peinsde nicht Mary
na een pauze, terwijl zij een paar akkoorden aansloeg. "Je
zult iets veel beters dan een piano hebben," zei Ray met een glimlach en
een glans in het oog. "Bedoel
je een viool of een harp?" vroeg een der gasten ernstig. "Oh
nee, iets dat de ziel doet trillen, een hemels instrument, dat wij niet kennen." Hier
werd het gesprek onderbroken door Paul, die wenste dat zijn vrouw een compositie
zou spelen waar hij veel van hield. Miss Grubb viel hem ijverig bij, ogenschijnlijk
verlangend naar het einde van deze algemene conversatie, om haar téte à tète met
Ray te herhalen. Toen
de vrouw van mijn neef tenslotte de piano had verlaten kreeg ik de gelegenheid
om te zeggen:"Wat denk je van Miss Isabella Grubb?" "Wat
denk je van haar?" antwoordde zij, ontwijkend met knipperoogjes. "Om
het bot te zeggen," zei ik, "ik denk dat zij een slechte lasteraarster
is en een leugenaarster." De
vrouw van mijn neef keek een moment diep in mijn ogen eer zij antwoordde: "Ik
ben blij. Ik wist dat je haar karakter zou doorgronden." Dan,
na een ogenblik: "Oh, wat heb ik niet uit moeten staan door die vrouw! Ik
benijd haar niet als zij in haar innerlijke staat komt en niet langer een masker
dragen kan," zei ik. "Ik
ken iemand wiens lot nog zieliger zou zijn als het masker afgerukt is," zei
mijn gezellin, met een koude weloverwogen blik van afkeer in haar ogen; "Ik
weet iemand die, indien mogelijk, een nog groter hypocriet en een leugenaar is!" Onderzoekend
keek ik een moment in haar ogen. Ik riep zacht, "Oh, nicht Mary!" Hoofdstuk
12 - De bevrijding Ze
zei niets meer, en ik vroeg haar niets; maar ik wist zeer goed dat mijn nicht
Mary op haar echtgenoot doelde. Ik was als door de bliksem getroffen. Wat zou
zij bedoelen? Ik twijfelde niet aan haar oprechtheid. Zij was een goede vrouw
en zou niet liegen. Maar wat kon haar hevige gevoelens tegen een man zonder blaam,
als haar echtgenoot, die zo gelijkmatig leek, verklaren. Ik begreep heel snel
dat die onheilbrengende Miss Grubb hiervoor verantwoordelijk was, en dan, na enig
nadenken, besloot ik in het geheel geen oordeel te vellen en de ontwikkelingen
af te wachten. Gedurende
de dagen deed ik bijna niets dan dit huis te bezoeken en deze betreurenswaardige
toestand te overdenken. Al mijn interesses voor eigen zaken losten zich enige
tijd op in de genegenheid en het welzijn van Paul. Ik vergat dat zij in de handen
van de Goddelijke Voorzienigheid waren en dat het boven mijzelf lag om in dit
delicate geval om de breuk tussen man en vrouw te helen. Ik begreep dat het eerste
om te doen was, de waarschijnlijke oorzaak van dit onheil bloot te leggen en daarvoor
moesten al de gangen van Miss Isabella Grubb tot het meest nauwkeurig onderzoek
behoren. Het volgen van die vrouw werd een intrigerende studie. In het licht van
haar tegenwoordige staat was ik geleidelijk in staat, zowel haar tegenwoordig
en haar verleden te lezen. Het werd me duidelijk dat zij zich al vroeg in een
patroon ontwikkeld had tot een intrigerend vleier. Alleen op de wereld, een buitenstaander,
had zij zichzelf geoorloofd haar afgunst voeding te geven. Zij had besloten om
zich ergens op de gemakkelijkste manier een warm nest te bezorgen. Zonder invloed
een eigen positie moest ze uitvinden hoe zij zich het beste kon koesteren in de
zonneschijn, die uitstraalde van de invloed en de positie van anderen. Hypocrisie
was haar gemakkelijkste middel. Moge zij innerlijk volhard zijn, aan de buitenkant
lief, ofschoon haar hart heet van woede moge zijn, maakte zij toch haar zoete
praatjes en glimlachte zij haar zoete glimlach. Het pluimstrijken van Griekenland
of Rome is nog niet gedoofd. Dit soort zetelt nog in een ontzaglijke kring rond
al wat rijk en machtig is. "Maar lach tegen ons," schijnt hun houding
te zeggen, "en wij zullen voor alle mensen wier rook voor u branden."
Bedwelmt door de wierook sluit de Heer zijn binnenste en lacht hen toe, die het
reuk wat zwaait en noemt hen vriend. Miss
Grubb had lang wierook voor mijn neef gebrand en deed dit nog steeds. Zo had zij
zich door gekruip in zijn genegenheid gewurmd, terwijl zij van haar kant van hem
scheen te houden en hem vereerde boven alle mannen op een zogenaamde gepaste meisjesmanier.
Maar of zij een werkelijke genegenheid voor hem voelde, was niet zeker, want het
was in het algemeen onmogelijk om te oordelen over de motieven van haar handelingen.
Laat zijn wat wil, ik bleef bij het idee dat zij verantwoordelijk was voor de
moeilijkheden tussen de echtgenoot en zijn vrouw. Als ik haar maar kon ontmaskeren,
zou voor hen beiden de breuk geheeld kunnen worden. Ik wist niet dat de breuk
een kloof was, een grote onoverbrugbare afgrond. Had ik het geweten, dan zou ik
niet zo verrast geweest zijn. Op het laatst was de zaak mij uit mijn zwakke handen
gelicht. En op een manier geregeld, die ik niet had voorzien. In
de vroege middag stopte ik op een keer bij het huis van mijn neef. Toen de bediende
zei dat zijn meester niet thuis was en dat zijn meesteres lag te rusten, gaf ik
order om de laatste niet te storen. Ik zei dat ik zou wachten. Aan het ene eind
van de salon was een smal alkoof of erker, gedeeltelijk verborgen door zware gordijnen.
Rustende op een lage, zachte bank, viel ik in slaap. Enige tijd later werd ik
wakker door opgewonden boze stemmen in de kamer. "Ik
hield nooit van je," zei mijn neef Paul bitter;"ik trouwde je om je
geld." "Ik
weet het, - wist het allang," was het antwoord. Het was de stem van zijn
vrouw. Ik
stond lawaaierig op, om hun met mijn aanwezigheid bekend te maken; maar zij waren
zo in beslag genomen en hoorden geen geluid, hoewel dat van enige betekenis was.
Tussen de gordijnen door zag ik dat zij tegenover elkaar stonden, middenin de
kamer - de echtgenoot razend, met een gezichtsuitdrukking van diepe haat, de vrouw
in de verdediging, een beeld van verontwaardiging, maar kalm. "Ik
weet het," herhaalde ze op lage bedaarde toon. "Ik keek sinds lang door
je masker heen." "En
ik keek door dat van jou. Je deed voor de wereld alsof je van me hield, maar je
trouwde me alleen uit wrok. Je werd overtuigd dat je beminnelijke, smachtende
Ray je geld begeerde en niet jou: dat was het enige." "Dat
is niet waar." "Waarom
ben je dan met me getrouwd?" "Dat
zal ik je vertellen," antwoordde zij met haar flitsende ogen op hem gericht.
"Nadat je listig en succesvol de man lasterde, die ik liefhad. Je dwong je
tegen mijn wil in te geloven en je te bewijzen van zijn trouweloosheid. Ik was
nog blind genoeg om je als man van fatsoen en eerlijkheid te beschouwen. In mijn
grote eenzaamheid en ellende begon ik me in te beelden dat ik van je hield. Wil
je dit ontkennen?" Mijn
neef leunde plotseling voorover, met opgeheven hand en, eer ik kon bewegen hoorde
ik het geluid van een klap en wist ik dat hij zijn vrouw geslagen had. Met een
harde schreeuw van afgrijzen, meer dan van pijn, zonk zij neer in een stoel en
bleef bewegingloos zitten. Op dat moment hoorde ik de wrede lach van een vrouw.
Ik deed een paar passen voorwaarts en zag Miss Grubb een paar stappen verwijderd
kalm op een bank zitten. Mijn
eerste opwelling was, om in de kamer te springen en mijn neef neer te slaan. Zou
hij het gewaagd hebben om nog eens te slaan, dan had het er slecht voor hem uit
gezien. Hij deed geen poging. Nauwelijks had hij zijn opgeheven hand laten zakken,
toen er een luid klinkende klap op de huisdeur werd gehoord. Na een ogenblik,
komma een paar seconden, kwam de onverwachte bezoeker binnen in de salon, een
grote, goed gebouwde man met een goed uiterlijk, gekleed in een lichtblauw uniform.
Ik herkende hem direct als een stadbewaker, want ik had dergelijken vaker gezien.
Van Alaric hoorde ik, dat niemand wist waar deze bewakers hun hoofdkwartieren
hadden en dat niemand in staat was hun komen en gaan te berekenen. Zij stonden
niet in de straten op wacht, maar hielden zich buiten zicht en verschenen alleen
als er ongeregeldheden waren. Wat toch heel vreemd was, dat zij, zover iemand
wist kwamen, zonder te zijn geroepen, zoals het geval was geweest toen de drie
in het wit geklede mannen de onrust in de kerk hadden bedwongen. Deze laatsten
bleken echter tot een aparte orde te behoren, waarvan de vertegenwoordigers nog
minder vaak werden gezien. "Wat wenst u?" vroeg mijn neef op een toon
van grote verbazing en ergernis, wezenloos starend naar de nieuwkomer. "Ik
kom informeren naar aanleiding van deze ongeregeldheid," was het prompte
antwoord, toen de wachter een paar passen de kamer binnentrad. "Welke
ongeregeldheden?" vroeg Paul boos."Wie heeft u verteld dat er ongeregeldheden
waren?" "Ik
kom in opdracht van de bestuurder van de stad," antwoordde de wachter kalm.
"Gaat
de gouverneur van de stad in mijn huis een spion houden, teneinde informaties
te verstrekken, als ik met mijn kok verschil van mening heb?" was het onbeschaamde
antwoord. "Onze
gouverneur behoeft geen spionnen te houden," antwoordde de wachter met dezelfde
kalmte en waardigheid. "Hij wordt op een betere manier geïnformeerd. Hij
handelt op bevel van de Hemel." Dan keerde hij zich tot nicht Mary, wier
ogen met koortsachtige verwachting op hem schenen te rusten en hij vervolgde:"de
schreeuw van deze vrouw, eens uw echtgenote, werd gehoord en er werd bevolen dat
zij nu bevrijdt word, indien zij dit wil. De tijd van scheiding is rijp. Zeg me,
vrouw, houdt u van de banden die u met deze man binden? Spreek zonder vrees de
waarheid." De
vrouw van mijn neef stond langzaam op, de ogen nog intenser gericht op het gezicht
van de wachter. Zij aarzelde als om haar woorden goed te wegen. "Ik
heb een afkeer van hem," zei ze tenslotte met een lage, heldere stem. "Dan
zijn ze van deze dag af verbroken. Vanaf deze dag bent u vrij." "Bevrijd!"
scheen de glans in haar ogen juichend te zeggen, toch droeg nicht Mary`s gezicht
een ongelovige uitdrukking, gelijk aan iemand, die niet in staat is om aan een
onverwacht groot, goed geluk te geloven. Haar ogen keken bezorgd van de een naar
de ander in het vertrek. En,
mag - mag ik dit huis verlaten?" vroeg zij tenslotte. "Meteen,
als u dit wilt. Het is zo geregeld en u hoeft geen vrees te hebben," was
het antwoord. "Is er een of andere vriend, die u om bescherming zou willen
vragen, of wilt u met mij naar het paleis van de gouverneur gaan en daar wachten,
totdat er een passend huis aangewezen wordt?" "Ik
zou graag" - zij trilde en aarzelde. - "Ik zou graag naar het huis van
mijn oom gaan, naar mijn oom Arthur." Alleen
haar oom Arthur! Deze stralende ogen, deze trillende oogleden, deze stamelende
woorden - niets betrof de gedachte aan Edward Ray, zoals ik maar al te bereid
geconcludeerd had. Dit was goed. Deze oom was haar dierbaar, zoals ik allang wist,
lang voordat een van ons de natuurlijke wereld had verlaten. Hij was een oprecht
mens en zijn huis was voor haar de goede plaats. "U
mag hem nu roepen," had de wachter gezegd. "Hoe,
hem roepen?" stamelde nicht Mary, "hij woont hier niet in de buurt." "Denk
sterk aan hem en verlang heel ernstig naar zijn tegenwoordigheid. Ik beloof u
dat hij zal komen," was het besliste antwoord. Toen
was er een afwachtende stilte. Zij gehoorzaamden rustig. Intussen gingen mijn
ogen van de een naar de ander in deze kamer. De wachter had het kalme, vertrouwenwekkende
uiterlijk van een ambtenaar, die weet dat, moge komen wat wil, een autoriteit
achter hem staat. Behorende tot die vriendelijke uitdrukking van een man die zich
verheugd in het geluk van anderen. Mijn nicht Mary zag blozend van opwinding.
En ik zag een licht trillen van handen en lippen. Maar door de uitdrukking van
haar lieve ogen was het duidelijk, dat zij innerlijk buitengewoon kalm was. Wat
deerde alles nu - nu dat zij vrij was? Minder gelukkig, op haar manier misschien,
was Miss Grubb. Met moeite bleef zij zitten. Zij was nauwelijks in staat een hevig
vertoon van gejuich te onderdrukken. Op een gegeven moment trok een listige, zelfgenoegzame
glimlach over haar gezicht. Op een ander moment weerspiegelde zich hoon, boosaardigheid
in haar ogen, als zij naar nicht Mary keek. Paul bleek eveneens blij te zijn;
maar zijn vreugde werd getemperd door boosheid. Hij stond nog en keek dreigend
naar de wachter. Amper had ik dit gadegeslagen, toen er een klop op de buitendeur
werd gehoord. Even later werd een stem gehoord in de hal met een diepe, blijde
roep rende mijn nicht Mary de kamer uit en trof daar buiten haar oom. "Ik
wandelde op straat," hoorde ik hem zeggen, "en voelde opeens dat je
me nodig had." "Ik
ga met u naar huis," zei ze, en in de stilte hoorde ik dat ze hem een kus
gaf. Zij
keerde niet terug in de salon. De wachter voegde zich bij hen in de hal. Tezamen
verlieten zij het huis. Een dag of twee later zag ik mijn nicht Mary in het huis
van haar oom. Haar metgezel was niet haar oom maar het wordt Ray. En zij waren
tussen de goeden. "Ik
dank u!" schreeuwde Paul, eer de wachter gegaan was. "Ik sta in uw schuld"
- met een spottende houding van dankbaarheid. "U heeft me verlost van een
last en me bevrijd." Hij legde zijn arm om Miss Grubb, die met een rood gezicht
opgestaan was. "Zij zou nu mijn vrouw zijn" - innig naar haar kijkend.
"Zij zou nu in mijn huis heersen, zoals zij altijd geheerst heeft in mijn
hart." "Je
bent vrij om haar te nemen, als zij wil," was het weerwoord van de wachter.
"Maar u kunt hier niet met haar blijven. U bent nu beiden in een nieuwe staat
gekomen, en u moet verder gaan in de richting van uw uiteindelijk tehuis."
Hij
draaide zich om en verliet met een hoffelijke groet de kamer. Ik was door verbazing
zo onder de indruk en betrokkenheid, dat ik daar bewegingloos stond, hoewel ik
in een opwelling naast mijn neef had willen staan en om uitleg vragen over al
die vreemde dingen die ik gehoord en gezien had. Terwijl ik aarzelde, verliet
hij in gezelschap van de vrouw de kamer. Hij was zich niet van mijn aanwezigheid
bewust. Zij hadden de laatste woorden van de wachter blijkbaar niet opgemerkt.
Ze waren nu geheel opgegaan in de gedachten van hun onbeteugelde aandoeningen.
Als in een droom liep ik de kamer door en sloop stilletjes het huis uit. In een
staat van grote, mentale verbijstering wandelde ik door de straten. Ik voelde
een ondraaglijke pijn aan mijn hart toen ik de handeling van mijn neef overzag.
Paul, mijn geliefde neef, had niet alleen oneerbaar, maar ook brutaal gehandeld.
Wat een verandering! - Hoe anders was hij dan vroeger. Kon het zijn dat ik tot
nu toe alleen maar de buitenkant zag, alleen maar het fraaie masker van een innerlijk
slecht hart? Oh, nee, nee! Dat
kon niet waar zijn. Zijn hartstochten waren ontbrandt, beïnvloedt door een slechte
vrouw, maar hij was beslist innerlijk niet slecht. Tenslotte
keerde ik op mijn schreden terug en ging het huis weer binnen. De bediende liet
me in de salon. Na een paar minuten verscheen mijn neef. Toen hij me de hand gaf
en het oude, vertrouwde lachje over zijn gezicht speelde, voelde ik, dat ik hoop
mocht koesteren. Maar zijn eerste woorden brachten de pijn terug in mijn hart
en wierpen me in de put. "Wat
denk jij?" begon hij. "Mijn vrouw is weggelopen met die schurk Ray.
Zij wendde voor om naar haar oom toe te gaan, maar ik begrijp alles. Heb geen
medelijden met me," voegde hij er snel aan toe. "Ik wil graag van haar
afkomen. Ik kan een andere vrouw vinden, zoals je zult zien, die veel meer bij
me past." "Wat
heb ik je gezegd?" vroeg Miss Grubb triomfantelijk, want zij was eveneens
binnen gekomen. Ik
wendde snel mijn blik van haar gezicht af en richtte me tot Paul gedurende het
volgende half uur. Ik poogde de conversatie in ernstige banen te leiden. Ik sprak
over eer, waarheid, rechtvaardigheid en Hemel. Maar hij was niet geïnteresseerd.
Hij liet openlijk zien, dat hij zich verveelde en geeuwde in mijn gezicht. Zo
stond ik op het laatst op en vertrok. Het
was klaar dat mijn neef veranderd was. - Hij was alles bij elkaar anders dan ik
van hem dacht. Zijn vrouw, die eens zijn echtgenote was had de waarheid gesproken.
Moest ik dan mijn genegenheid voor hem onderdrukken en niet meer naar hem toegaan?
Had ik die ongelukkige Alaric niet deze raad gegeven? In het begin was deze gedachte
onduldbaar. Nee, nog niet! Ik kon hem nu niet in de steek laten. Het zou kunnen
zijn, dat alles welbeschouwd, hij niet innerlijk slecht was. Wie zou dat kunnen
zeggen? Hij zou alleen maar door die slechte vrouw, die nu bij hem was in het
boze geleid kunnen zijn. Ik zou daarom nog eens naar hem toegaan en hem tot rede
brengen. Tenslotte zou ik de bemiddeling kunnen zijn voor zijn redding uit zó
een ongelukkige verwikkeling. Maar
toen ik hem de volgende dag bij hem thuis opzocht, vond ik alle deuren en vensters
gesloten. Er kwam geen antwoord op mijn kloppen. Het gehele huis scheen verandert.
Naderhand, toen ik er over nadacht, wist ik niet absoluut zeker of het wel dezelfde
plaats was. Toen ik verdrietig wegging, herhaalden zich in mij de laatste woorden,
die de wachter had gesproken: "U
bent vrij om haar te nemen, indien zij dit wil, maar u kunt hier niet met haar
blijven. U bent beiden nu in een nieuwe staat gekomen, en u moet nu verder gaan
in de richting van uw uiteindelijk tehuis." Hoofdstuk
13 - Het volgen van de neerwaartse stroom Mijn
neef was dus weggezonden, daar het huis niet meer met zijn staat overeenstemde.
Ah, het was echt waar - Het moest wel waar zijn. Hij was nu in de staat van zijn
innerlijk gekomen en de werkelijke mens was erkend. Was hij nog steeds bij de
Nieuwkomers, of was hij verder gegaan naar een ander gezelschap? Gedurende verschillende
dagen zocht ik naar een antwoord op deze vraag. Ik wandelde door de stad in de
hoop dat hij daar in een ander huis was gaan wonen. Het was allemaal tevergeefs. Indien
ik hem uit mijn geest had gebannen en mijn eigen zaken nagegaan was, zou ik mezelf
misschien veel leed hebben bespaard, bovendien ook droefheid en schaamte. Ik had
echter nog steeds de dwaze gedachte dat ik hem nog zou kunnen redden en verlangde
ernaar, hem weer te zien. Aan mijn wens werd voldaan Toen ik tien dagen later
uit wandelen ging, terwijl ik sterk aan mijn neef dacht, voerde me een sterke
aantrekkingskracht buiten de stad, langs een helling naar beneden in het dal.
Hier, in een buitengewoon onvruchtbare streek, temidden tussen een kale, zanderige
bodem en lagere gedeeltes vol moerassen en stilstaande plassen, ontdekte ik loodsen
en hutten, gebouwd van stokken en leem. Zij lagen in onregelmatige rijen in kronkelige
straten ertussen. Waarom
werd ik naar deze plaats gedreven, - die erger was dan een woestijn? Kon mijn
neef hier zijn nieuwe tehuis hebben gevonden. Op het laatst bleef ik staan bij
een der grotere huizen. Boven de ingang was een inscriptie, n.l. “Zondag School”.
Mijn neef had zich altijd aan de “Zondag School” gewijd. Daarom zou dit wel eens
de plaats kunnen zijn, waar men hem moest zoeken. Toen ik dit huis binnen trad
ontdekte ik hem meteen, want hij sprak op het spreekgestoelte, juist zoals ik
hem vaak had zien doen in onze natuurlijke levens. Maar de manier en het onderwerp
was zeer verschillend. Op een bank, aan zijn rechter hand zat Miss Grubb en voor
hem ongeveer dertig á veertig mensen, die bijna het gehele smalle, lelijke binnenste
vulden. Op de punten van mijn tenen ging ik naar binnen en ging stilletjes naast
de deur zitten. “In
de meeste zondagscholen of kerken,” zei mijn neef, “wordt voornamelijk beweerd,
dat Christus uit de dood is verrezen. Maar buiten een paar eenvoudige en fantasierijke
personen gelooft niemand er echt in. Het is vooral de mode om deze mystieke, oude
legende te gebruiken, omdat onze voorouders er in geloofden. Er wordt verondersteld
dat het als een dwingende kracht zal werken voor het gewone volk. Heden ten dage,
wanneer we zeggen, dat Christus uit de dood is opgestaan, bedoelen we niets anders
dan te zeggen, dat Pallas Athene als een volgroeide godin voortkwam uit het hoofd
van Zeus, die tegelijkertijd haar vader en moeder was. “Maar
in deze kleine kring zijn we meer of minder van één mening en we zeggen niet wat
we niet menen. Het is een feit dat Christus niet uit de dood verrees. Zulk een
gebeuren spreekt tegen elke menselijke ervaring en moet ondersteund worden door
een geduchte hoeveelheid bewijs, of het kan niet worden geloofd. Het bewijs moet
nog worden aangetoond. Dit feit kunnen we beter onder ogen zien. Het is volkomen
veilig, om te zeggen dat er geen toekomstig leven kan zijn. Is
er een reden om te zeggen, dat een mens zonder hersens niet denken kan? Wel, een
dood persoon heeft geen hersens, want zijn gehele lichaam is tot stof vergaan.
Kunnen we begrijpen dat een levende persoon de functies in het leven kan vervullen
zonder ogen, neus, mond, oren en andere zintuigen? Wel, een dood persoon heeft
geen zintuigen. Hoe kan er denken en leven zijn als de hersenen en het lichaam
vernietigd zijn? Het is uiterst onmogelijk. Welk belang heeft het of Christus
wél uit de dood is opgestaan of niet? Het is evenzo moeilijk, om iemand tot leven
te brengen als het gemakkelijk is gelukkig te zijn, of Christus wel of niet is
opgestaan. Alles
gaat gewoon zijn gang. Mensen werken, vrouwen wenen en kinderen sterven. Overal
worden de mooiste bloemen geplukt tijdens hun eerste bloei. De meedogenloze en
onverklaarbare besluiten van het noodlot gaan meedogenloos voort en vervullen
ons met verdriet en woede. Het kwade en onbarmhartige monster, de dood, blijft
overal doorgaan, zwerft rond en veranderd dagelijks vrolijkheid in wanhoop. Zonder
waarschuwing worden we gearresteerd, gevangen genomen en in een nameloze duisternis
onder de graftombe geworpen, binnen het ogenblik van een paar uur. Een God, die
niets kan doen, kan doodgewoon niet bestaan. In
dezelfde geest was er nog veel meer, eer de spreker ging zitten. Toen hij klaar
was, stonden de luisteraars op en liepen met mij achter elkaar het huis uit. Ik
hield niet van hun gezichten en trilde als ik naar hen keek. Zij waren allen slecht
- slecht. “Wat
een prachtig adres!” hoorde ik sommigen van hen zeggen. “Vreselijk,
verschrikkelijk,” mompelde ik toen ik naar mijn neef keek, die nu met die vrouw
op de preekstoel stond. Helaas!
Welk nut zouden mijn woorden hebben indien ik nu tot hen zou spreken. Alle overredingen
was hij gepasseerd. “Laat ik me dan niet tevergeefs overgeven aan een dwaze hoop,”
dacht ik. “Laat ik me geen moment meer met deze duivelse invloeden van dit gezelschap
bemoeien.” Ik was van plan om op te staan en dit huis stilletjes te verlaten,
om hard weg te rennen, toen mijn neef me zag, me herkende en tegen me glimlachte.
Dit kon ik niet weerstaan. Ik werd door oude betovering gegrepen en ging naar
voren om hem te ontmoeten. Ofschoon ik ongelukkig was, en nadat hij me de hand
geschud had, kon ik mezelf alleen maar afzijdig houden van die vrouw en alleen
met mijn hoofd te knikken. “Wat
doe je in dit vreselijk oord, Paul?” vroeg ik droevig. “Wie had kunnen geloven
dat je daar zou staan en zulke afgrijselijke gevoelens uit zou spreken!” In
mijn stem en mijn manier van doen lag een verdriet, dat hem nerveus maakte en
dat hem heel even in zijn vroegere staat terug scheen te brengen. Hij keek verschrikt,
net als iemand die bij een schandelijke handeling wordt betrapt. “Wel,
je ziet,” stotterde hij, “zij willen het liever op de oude, orthodoxe manier houden.
Ik moet trachten ze te interesseren. Dit is de enige manier om invloed op hen
te krijgen.” “Slechter
en slechter,” gromde ik. Dan
veranderde hij zijn houding. “Alles welbeschouwd,” zei hij met overtuiging, “sprak
ik alleen maar de waarheid.” Dit waren altijd al mijn innerlijke gedachten.” “O
Paul, Paul,” viel ik in, met angst en pijn. “Ben je vergeten, dat we in de geestelijke
wereld zijn en dat je op de rand van de hel staat?” Hij
lachte luid en zei luchthartig: “Je bent beledigend, mijn beste neef. Ik denk,
dat ik je spoedig zal bekeren van zulke dwaasheden.” Het
was nutteloos en ik zei niets meer. Zie lieten me uit en langs de armzalige straat
namen ze me mee naar hun huis - een miserabele keet van twee schaars gemeubileerde
kamers. “Om te bedenken, dat je deze plaats hebt gekozen!” riep ik uit en keek
om me heen. “Het is verschrikkelijk.” “Wel,
het zou beter kunnen zijn,” zei Paul met een zorgeloos ophalen van zijn schouder.
“Maar echt, het is niet zo slecht. Je verbaast me.” Klaarblijkelijk
zag mijn arme, verloren Paul uiterlijke voorwerpen niet, zoals ik die zag. Zijn
vrouw riep hem naar die andere kamer. Daar hoorde ik haar op een bittere toon
praten. Ik kon geen woord verstaan, maar ik voelde dat zij kwaad over me sprak.
Ik voelde, dat ik buiten beter zou kunnen ademen en verliet daarom dit huis. Toen
ik een paar stappen weg slenterde, hoorde ik Paul zijn stem en zag ik hem in de
deuropening staan. “Dat
is goed,” riep hij. “Maak een wandeling naar het meer. Ik zal je vergezellen.” Het
meer! Die stinkende moeras en stilstaand water een meer. Helaas, hij was krankzinnig
- met die ongeneeslijke gekheid, die uit het kwaad wordt geboren. Die woorden
van de engel Ariël kwamen bij me op - woorden die hoofdzakelijk door diegenen
worden gebruikt, dat alleen zij, die naar beneden naar de hel gaan, krankzinnig
zijn en alleen de goeden werkelijk recht bij zinnen zijn. Ik richtte mijn schreden
niet naar het “meer”, maar wandelde langzaam naar de buitenwijken van de stad.
Daarbij keek ik nieuwsgierig naar de gewoon weerzinwekkende mensen, die hun huizen
in en uit liepen. Ontegenzeggelijk bleek dit de plaats aan de grens van de hel
te zijn. Hoe zouden deze mensen een nog slechtere uitdrukking kunnen ontwikkelen,
dan zij reeds hadden? Het gezicht van mijn neef was in mijn ogen nog iets aangenamer
dan die ik gezien had. Maar zelfs het zijne droeg een harde trek dat me aan een
misdadiger deed denken, terwijl het voorkomen van zijn vrouw in ieder opzicht
stuitend was. Aan de rand van het dorp zette ik me op een vermolmde houtstronk,
onzeker wat ik zou gaan doen. Het was al laat. Toen ik opstond en terug ging,
begon het donker te worden. Ik keek in de richting van de stinkende moerassen.
Daar zag ik boven deze eerst een, dan een ander en tenslotte een dozijn of meer
flakkerende, fosforescerende lichtjes. Zij brandden niet gestadig, maar kwamen
en gingen bij vlagen. Hoe goed corresponderen deze verraderlijke sterren met de
valse geloven, de onzinnige verbeeldingen van dit miserabele volk van deze streek,
dacht ik, me naar het dorp wendend. Diepe duisternis was op aarde gevallen. Zonder
het zwakke licht, dat door de spleten van muren van de keten scheen, zouden de
contouren nauwelijks te zien zijn in het duister. Toen
ik naar ik dacht in de hoofdstraat kwam, doemde de donkere figuur van een man
voor me op. “Wie
bent u?” vroeg hij ruw. “Wie
bent u?” antwoordde ik mild. “Ik
ben een koning” was het antwoord. “Goeden
avond, majesteit,” zei ik in het voorbijgaan. “Stop
een minuut,” schreeuwde hij, mij volgend. “Welke ideeën heeft u betreffende de
regering? Welk soort regering heeft uw voorkeur?” “In
de natuurlijke wereld leefde ik onder een monarchie,” zei ik na een aarzeling.
“Die vond ik goed genoeg.” “Hier
hebben we een monarchie. Iets anders dulden we niet,” antwoordde hij met een bepaald
strijdlustig enthousiasme. “Maar
ik dacht dat u een koning was.” “Dat
ben ik. We zijn allemaal koningen hier - allemaal vrije en onafhankelijke heersers.” :Het
komt mij voor alsof dit een goedkoop soort koningschap is.” “Maar
u ziet” legde hij driftig uit, “terwijl we allen koningen zijn, is een van hen
koning der koningen. Zelf ben ik een keizer.” Ah,
dat zie ik, maar wat wordt er van uw glorieuze democratie?” Bij dit vloog hij
in een onbeschrijfelijke drift en begon me uit te schelden. Daarom keerde ik om
en liep snel weg. Een eindje verder dook een ander donker figuur op en vroeg wie
ik was. “Ik
ben gewoon een mens,” zei ik. “Ik vermoed dat u een koning bent.” “In
zeker opzicht, ja” was het antwoord. “Er
schijnen hier veel koningen te zijn,” merkte ik oneerbiedig op. “Wat een prettige
democratie is dit.” “Maar
zij zijn alleen maar gewone koningen,” was het minachtende antwoord. “Ik ben een
geestelijke koning. Ik ben de Paus.” Met
een groet ten afscheid ging ik verder, maar deze Paus rende achter me aan met
minder waardigheid dan haast. “Stop
even. Ik zal u een geheim vertellen,” fluisterde hij geheimzinnig. Ik ben meer
dan een gewone Paus, ik ben de Paus der Pausen, die ooit hebben geleefd, nadat
St. Pieter eerst de sleutel heeft gegeven.” “Goeden
avond, machtige hoogheid,” zei ik en sloop weg. Enige
minuten later realiseerde ik me dat ik verlost was. Ik kon niet zeggen waar nu
het huis van mijn neef was. Toen ik stil stond en van de ene kant naar de andere
keek, naderde een derde donkere figuur. Dit keer was het een vrouw. Zodra zij
begon te praten herkende ik Mevrouw Grubb. Zonder te wachten en zonder mijn naam
of naar mijn dwalen te vragen, barstte zij uit in een tirade over mijn neef. Zij
zei dat hij haar zonder oorzaak had geslagen. Mevrouw Grubb beledigde hem op de
meest grove manier. Het scheen haar niets uit te maken tegen wie zij zich zo liet
gaan, als zij maar haar boosheid kon ventileren. Ik zei niets terug, draaide me
na een ogenblik om en liep weg. Toen ik bemerkte dat zij mij bleef volgen, rende
ik weg, en ontsnapte aan haar. Ik
naderde nu een huis om informatie te vragen, maar het geluid van een ruzie en
vechten binnenshuis liet me stoppen en ging ik naar een ander toe. Hier, zowel
als daar was geen antwoord op mijn kloppen. Daar er op zij van de hut licht scheen
door een kier, voelde ik me gerechtigd om in een van die huizen naar binnen te
kijken. Al wat ik kon zien was een man, oud en grijs, die op een bank zat. Zijn
ellebogen rustten op een kale tafel voor hem, waarop een kaars stond. In
het zwakke licht kon ik zien dat op zijn gezicht een sluwe, verwarde uitdrukking
lag. Zijn starre, glazige ogen rustten in extase boven een voorwerp, dat tussen
hem en de kaars lag. Wat dit voorwerp was, kon ik niet goed zien, omdat de man
het zorgvuldig met zijn handen omvatte, waarbij ik de klank van zilver of goud
hoorde. Dan werd het me duidelijk, dat dit voorwerp een stapel geld was, of wat
er voor door moest gaan. Degene, die er zo liefdevol naar keek, was de geest van
een aardse gierigaard. Ik klopte luid op de deur en riep hem tegelijkertijd naar
buiten. Maar in zijn krankzinnige extase scheen de man doof voor alles. “Hier
is nog een voorbeeld,” reageerde ik en draaide me om, “hoe de heersende liefde
ieder schepsel volgt in zijn eeuwige leven.” Later
naderde ik en klopte aan bij het huis ernaast. Direct daarop werd de deur gedeeltelijk
geopend en kwamen de hoofden van twee mannen en een vrouw te voorschijn. Hun gezichten,
die ik in het schemerige licht daar binnen kon zien, waren zó slecht en boosaardig,
zodat ik zonder te spreken weg was gegaan, als ze me niet gezien hadden. Nu kon
ik niets anders doen, dan de weg naar het huis van mijn neef te vragen. “Wat
zegt u?” vroeg een van hen, sullig. Hij had niet de manier van een doof iemand
en ik wist dat hij me zeer goed had verstaan. “Hij
is een vreemde,” zei de vrouw met een sluwe glimlach. “Laten
we hem neerslaan en hem beroven,” fluisterde de andere man. Ik
draaide me vlug om en ging er vlug vandoor, terwijl ik voorzichtig over mijn schouder
keek. Toen ik ze achter me aan zag hollen, begon ik te rennen en ik ontsnapte
hen. Ik liep hard, totdat ik voor de deur van de Zondag School stond, die ik met
een soort van opluchting herkende. Nu zou het niet moeilijk zijn om het huis van
mijn neef te vinden. Ik vond de deur open. Ik keek naar binnen en was verbaasd,
dat ik in plaats van een spreker, een mengelmoes van stemmen hoorde. Gedurende
een minuut stond ik daar te staren en liep dan van schrik weg. Het is niet goed
om buiten de uiterste grens te gaan. Hetgeen ik daar in deze nacht in die “Zondag
School” zag, zal ik hier liever niet vermelden. Kort
daarna arriveerde ik bij wat men noemt, het huis van mijn neef. Ik was net van
plan om te kloppen, toen een plotseling gevoel van voorzichtigheid mijn hand tegen
hield. Stel, dat het niet de goede plaats was? Mijn laatste ervaring had me angstig
gemaakt. Na een moment besloot ik om door een spleet te kijken, voordat ik ging
aankloppen. Het was goed, dat ik dit deed. Met mijn oog dicht tegen het gat, waar
licht doorscheen, zag ik eerst de figuren van een man en een vrouw, die op een
bank voor een open vuurplaats zaten, dat schemerig door een paar brandende kolen
verlicht werd. Het gezicht van de vrouw was naar me toe gekeerd. Langzamerhand
zag ik een paar brutale, schrikachtige ogen, die mij bekend voorkwamen. Een ogenblik
later herkende ik de vrouw van mijn neef. Direct daarop kreeg ik in de gaten,
dat zij en die man dicht naast elkaar zaten en elkaar aan het liefkozen waren.
Hij was niet mijn neef. Vol
afschuw keerde ik me om en had nauwelijks tien stappen gedaan, toen ik onverwacht
tegen een man opbotste. De
schok van die botsing was voor hem even onplezierig als voor mij, te oordelen
naar die luide vloek, die hij uitte. Onmiddellijk herkende ik Paul. “Ik
vraag excuus.” zei ik mild. “Herken je me niet?” “O,
ben jij het,” antwoordde hij, met moeite zijn kwaadheid in toom houdend. “Waar
ben je geweest? Ik kon je niet vinden toen ik vertrok.” Ik
vertelde hem dat ik de weg kwijt was en zelfs nu niet zeker wist waar ik zijn
huis kon vinden. Ik begon toen smekend tegen hem te praten. “Paul,
mijn beste neef, kom met me mee, weg van deze vreselijke plaats. Ik kan niet geloven,
dat je werkelijk bent wat je schijnt te zijn. Je bent het slachtoffer van een
slechte invloed - je bent naar beneden gehaald door die slechte vrouw, maar er
is misschien nog tijd. Waarom zou je blijven? Die vrouw waarop je verzot bent
- zij is ontrouw. Luister naar me, zij is niet eerlijk tegen je.” Hij
vroeg me om meer te horen en ik vertelde hem wat ik had gezien in het huis hiernaast.
Vreselijk vloekende draaide hij zich om en rende naar die plaats. In plaats van
hem te volgen, verwijderde ik me en stond even stil, toen het geluid van een ingeslagen
deur hoorbaar werd. Dit geluid werd gevolgd door een lawaaierig en vertwijfeld
gevecht, nu de val van een omvergeworpen tafel, dan weer een toornige vloek van
een man, dan weer het angstaanjagend gegil van een vrouw. Hoe lang dit duurde
weet ik niet. Ziek van schrik stond ik stil, totdat de ellendige vrouw wenend
en grommend langs me heen hinkte. Terwijl ik de boze stem van Paul een paar passen
achter me hoorde en bang was, om hem juist nu te ontmoeten, liep ik achterwaarts
uit het zicht en kon hem zo ontlopen. Een
korte tijd nadien, toen ik in dezelfde buurt stond, twijfelend, wat ik zou doen,
snelden twee donkere figuren voorbij en hoorde ik hen een derde aanspreken. “Waar
is die man, die het waagde onze vorm van regeren te bekritiseren?” riepen ze kwaad.
Ik herkende de twee stemmen van die twee “koningen”, of wel de “keizer” en de
“heer der Pausen”. Verre van hun instructies te verschaffen, stapte ik vlug bij
hen vandaan en ging weg uit die buurt. De nacht was vol gevaar. Zelfs in het huis
van mijn neef vertrouwde ik mezelf niet. Daarom besloot ik om buiten te blijven,
omgeven door de mantel der duisternis met de mogelijkheid om mijn positie naar
wens te veranderen. Ah,
die nacht der verschrikkingen! van voortdurend alarm! Ineens zag ik een open deur
en herkende ik in het schemerlicht een gezicht, dat mijn hart stil deed staan.
Het gezicht van Downing, die boze geest, die me enkele weken geleden in het pseudo-paradijs
had gelokt. Hij was hier. Was dit zijn kampeerterrein en was ik dan in de hel?
Gedurende een uur liep ik rusteloos rond en bad om bevrijding uit mijn positie.
Maar er kwam geen verandering. Alleen iets, de nacht en het duister werden dieper.
De straten waren nog bevolkt door ongeziene gevaren - een vloek hier, een klap
daar, benadrukt door een kreet van pijn was schel te horen overeenstemmend, al
naar het geslacht van het slachtoffer. Zo nu en dan trilde een hut door de kracht
van een hevige strijd daarbinnen. Was dit een diepe, zwarte verzoeking, die voorbij
ging, of was ik verloren? O Hemel, was ik verloren? Zelfs
bij het stellen van deze vraag waren half geziene figuren om me heen. Met gebogen
hoofd schenen zij te luisteren naar elke gedachte, die ronddoolde in mijn hersens.
Soms omsingelden zij me, alsof ze mijn ontsnapping wilden verhinderen. Dan weer
groepeerden zij zich weer om me heen, wezen naar me en lachten spottend. Worstelend,
bad ik, totdat ik niet meer kon bidden om bevrijding van deze duivelse menigte,
die me bedreigde. Maar ik werd niet bevrijd en dacht dat ik zou sterven - mijn
onsterfelijke ziel kon zó niet voortleven met deze zielsbevriezende angsten. “We
kennen je,” schenen deze schaduwgroepen vrolijk te zeggen. We hebben gehoord,
dat je jezelf wijs maakt dat je goed bent en we hebben gelachen. Je teert op de
herinnering van de goede daden die je hebt gedaan, maar die goede daden berusten,
net als die van ons op eigenliefde. We kunnen je vertellen, dat het tevergeefs
is, jezelf te misleiden, want diep in je hart zien we de vorm van een gespleten
hoef. We herkennen je als een van ons. Je kunt vechten, je kunt je dwingen, maar
het is te laat. Dis is de hel, en je kunt niet ontsnappen.” Ik
sloot mijn oren met mijn handen, boog mezelf tot de grond en streed om mijn gedachten
tot de Hemel te richten. Ik kon niet bidden. Een koude, resolute, onbarmhartige
hand scheen mijn hersenen te grijpen. De schaduw van een helse nacht rustte op
me. Het dichte, stollende duister was een monster met duizend slangachtige armen,
die me neerduwden. Te laat - te laat, alles was voorbij. “O,
laat me niet opgeven!” rees tenslotte een zwakke kreet in me op. Mijn hart is
dood, bidden helpt niet, maar laat me mijn ziel een weinig opheffen, door de duisternis
heen. Laat me in deze beproeving mijn gedachten op de Zon des Hemels richten,
want ik weet dat zij voortdurend schijnt boven de wolken. Mogen lage geesten komen
uit de diepten der hel met vergiftigende woorden, moge de aarde verdrinken in
dodelijk duister, mogen al deze dingen mijn ziel overschaduwen, maar moge misschien
een straal van die stralende zon op mij doorfilteren … Opgeven? Eens en vooral,
nee! De troep duivels mogen hun schaduwen opstapelen tot de Hemel, maar kunnen
me niet afsluiten van die enige straal!’ Ik
merkte dat de morgen aanbrak, dat de duisternis zich terug trok. De voorwerpen
in de buurt waren zwak te zien en mijn ogen zagen niet meer hetgeen me kwelde.
De zwarte huivering was uit mijn ziel verdwenen. Hoofdstuk
14 - De Gedaanteverwisseling Maar,
alles welbeschouwd brak de dag niet echt aan. In plaats van diepe duisternis was
er alleen maar grijs schemerlicht, dat lijkt op de schaduw, die over de aarde
trekt, wanneer de zon verduisterd. Het was echter een welkome verlichting. Toen
ik me hoopvoller voelde, begreep ik dat ik niet zo moe was als ik geloofde. De
lichamelijke ellende was hoofdzakelijk het resultaat van een mentale kwelling.
Na enig nadenken keerde ik terug naar het huis van mijn neef, vast besloten om
nog een keer met hem te redeneren en hem dan te verlaten. Ik vond hem, zittende
in de deuropening bij het roken van een pijp, terwijl hij zat te kijken naar de
smerige poelen en moerassen. Daar zijn trekken nu meer en meer naar voren kwamen
was het onmogelijk, om op zijn gezicht met die nare blik in zijn ogen, niet de
tegenstelling te zien met de verfijnde en beminnelijke uitdrukking, die hij in
de wereld gedragen had. "Hij
is verloren, verloren," zei ik tegen mezelf, toen ik hem naderde en hem gadesloeg.
Maar ik wilde hem nog één keer spreken. Wat een sombere morgen!" zei ik tegen
hem. Hij
keek afwezig uit de hoeken van zijn ogen - zo ongeveer alsof hij mij niet kende.
"Ik zag nog nooit een fijnere morgen," antwoordde hij na een moment. "Hoe
gaat het met - ik kon mezelf er niet toe brengen om je "vrouw" te zeggen.
"Hoe is - zij - deze morgen" vroeg ik, benieuwd of zij toegankelijk
was en haar handelingen besefte. Ik vreesde dat enige zinspeling hem boos zou
maken. "Zij
is binnen," zei hij, zonder zichtbare aarzeling. Een
ogenblik later zag ik haar. Zij scheen niet beschadigd te zijn door dat pak slaag,
dat zij had ontvangen. Zij liep naar de deur, stak haar hoofd naar buiten en keek
naar weerszijden. Mij een kwaadwillige blik toewerpend, verdween zij. Ik
richtte me nu tot Paul, toen ik me bewust werd van een menselijke verschijning
achter me - een tegenwoordigheid, die mij direct teisterde met een dodelijke,
smorende pijn. Met een snelle blik over mijn schouder zag ik dat er een man heel
dicht bij me, was stil blijven staan. Hij stond daar zwijgend en raakte bijna
mijn kleren aan. Terwijl ik me met een uitroep van pijn en angst omdraaide, zag
ik hem. Tot mijn schrik zag ik dan dat het Downing was, met een minachtende glimlach
op zijn gezicht. Hij bleek zich te vermeien over mijn foltering. Met een gemene
lach, die ik me herinnerde, liep hij door en verdween door de deur van het huis
van mijn neef. "Paul
! - Paul ! ken je die man?" riep ik zeer opgewonden en nu bevrijd van die
ondragelijke pijn. "Natuurlijk
doe ik dat," was zijn antwoord. Hij is een erg goede vriend van me!"
zei hij. "Hij
is een kwade geest - een duivel," riep ik. Mijn
neef lachte luid. "Je amuseert me !" zei hij. Het
zou verstandig geweest zijn, als ik onmiddellijk omgekeerd was en mijn veiligheid
had gezocht. In plaats daarvan wachtte ik nogmaals om Paul te smeken zichzelf
te redden en om zich terug te trekken van dit slechte gezelschap aan de grens
van de hel. "Het
wordt tijd dat je met die onzin stopt, riep de man en sprong plotseling op. "Je
bent onverbeterlijk, je bent krankzinnig. In jouw ogen is alles verdraaid - je
spreekt als een nar. "O
Paul, Paul !" riep ik wanhopig. "Die
naam ken ik niet riep hij met grote toorn en wilde ogen terug. "Ik ken deze
naam niet. Ik ben onnoembaar. Weet je waarom?" "Dat
weet ik zeker niet." "Dat
zal ik je vertellen. Ik ben een God." Met
een uitroep van schrik trad ik terug. "Ja,
ik ben een God en je weet het. Val op je knieën en bid me aan, jij miserabele
ellendeling !" Grote
huivering maakte me kalm. "Een God, waarachtig !" zei ik verachtelijk.
"Jij een God !" "Wat
!" vroeg hij razend van krankzinnigheid. "Zie je niet mijn kroon van
vuur? Zie je niet de lichtende vlam in mijn hand ?" "Ik
zie een theatrale krankzinnige," zei ik. "Ik
zal je wat laten zien !" schreeuwde hij. Hij
liep naar de deur van de hut en riep luid, "kom naar buiten, kom buiten !"
Toen Downing en die vrouw verschenen riep hij, "grijpen jullie hem ! Hij
zegt dat ik geen God ben, hij durft te zeggen dat ik geen God ben ! "Spaar
hem niet." Ik
draaide me om en wilde gaan, maar zij waren me té vlug af. Mijn neef en zijn vrouw
gingen voor me staan. Downing kwam van achteren. Wat de laatste deed kon ik niet
zeggen, maar mijn neef en zijn vrouw schenen alleen hun ogen op me te vestigen
en hun gedachten op me te concentreren. Onmiddellijk werd ik innerlijk onbeschrijfelijk
gekweld. Vastberaden vocht ik hier tegen, maar mijn strijd maakte mijn angst nog
groter. Ik dacht dat ik zou stikken, dat ik dood zou gaan. Dan zag ik ineens,
wat mijn neef me wenste te zien - een kroon van vuur op zijn hoofd en een vlammend
licht in zijn hand. Beneden hem, in het laagland, waar zich de stinkende moerassen
en de poelen bevonden zag ik blijkbaar net als hij een meer met helder water. "Aha!
Nu zie je het," hoorde ik hem juichend roepen. "Ja
ik zie het. Maar het is alleen maar leugenachtige fantasie,"antwoordde ik,
want ik bleef volhouden. "Het is niets anders dan duivelse magie." Al
strijdende wierp ik me op de grond en bad luid, om uit deze helse slavernij bevrijd
te mogen worden. Dan dansten zij letterlijk om me heen, om mij met intense krachten
door hun magische kunst te binden. Maar ik werd verlost en in staat om na een
moment met mijn eigen ogen te zien. "Hoor
hem bidden!" schreeuwden zij spottend. Toen ik ging staan realiseerden zij
zich dat een sterkere kracht mij bevrijd had. Hun woede was vreselijk. Met luide,
gekke vloeken verdubbelden zij hun pogingen. Zij liepen om me heen en onderzochten
al mijn ledematen en mijn gelaatstrekken, alsof zij een zwakke plek zochten, waar
zij me konden raken. De innerlijke kwelling, die tijdens het bidden verminderde,
was heviger dan ooit. "Dood
de heilige," schreeuwde Paul, met wild gelach. "Folter
hem eerst !" riep Downing schor. Dan,
als door magie, waren die drie voorzien van dolken en bedreigden me. Vol
angst brak ik door hen heen en rende - rende blindelings, totdat ik voor de oevers
van de moerassen en de stinkende poelen stond. Zij waren dicht achter me en schreeuwden
als demonen. Ik keek naar rechts en naar links. Er was geen ontsnapping mogelijk.
Ik keek achter me naar mijn vervolgers en stortte me dan in het moeras. Daar zonk
ik tot aan mijn knieën - tot mijn lest, maar vocht nog met mijn laatste kracht
der wanhoop. Nu sprong ik opwaarts en voorwaarts en probeerde vaart te maken.
Maar ik kwam niet vooruit. Zij sprongen achter me in de modder en haalden me in.
Het leek alsof zij zich in de modder lagen te wentelen en als vissen te zwemmen,
als slangen over het oppervlak te glijden. Verbeeldden zij zich soms dat zij in
het meer gingen zwemmen? Hoe ik ook worstelde, ik kon ze niet achter me laten.
Zij waren er altijd : rechts, links, achter en voor, mij met hun dolken bedreigend.
Was dit werkelijkheid of een verwrongen droom? Ik mocht me draaien of keren, met
welke snelheid ook, een van hen was steeds voor me en gleed gelijk een slang voor
me over de weg en uitte een spottend geschreeuw. Waarom
gaf ik niet op? Het was nutteloos om deze martelende worsteling voort te zetten.
Tenslotte was ik uit het moeras en werkte me door de modder van een ondiepe, stilstaande
poel. Daarna kwam er een ander moeras en een andere modderige poel .....Waarom
niet zinken en sterven in het slik. Om te leven was een ondragelijke kwelling. Met
mijn laatste kracht worstelde ik een zanderige helling op en vluchtte over een
kale vlakte, die verschroeid werd door een brandende maar onzichtbare zon en bezaaid
was met gruwelijke stenen en doornstruiken. Hoe ik ook vluchtte en een weg koos,
het baatte me niet. Vanachter een doornbos of steen langs het pad zou een figuur
tevoorschijn komen - de figuur van een donker, hels ding dat me bespotte in mijn
angst. Zo zou ik van mijn weg worden afgeleid. Alle
hoop op redding was verdwenen en ik zei tegen mezelf dat ik regelrecht naar de
hel werd gedreven. Stil ging ik verder, totdat de hemel zwart en de grond voor
mijn ogen rood werd - totdat de lucht heet leek en geladen met vergif - totdat
mijn longen het begaven en ik niet meer kon ademen. Zo liep ik blindelings toe
op een rechte rotswand, die mijn terugweg versperde. Achter me hoorde ik het schreeuwen
van mijn achtervolgers en wist dat het einde was gekomen. Terwijl ik me ter aarde
wierp, stootte ik mijn tanden aan een steen. Laat ze komen, laat ze komen! Zo
kwamen zij. Met spottend gegil en zwaaiende dolken ijlden ze op me toe. Ik sloot
mijn ogen. Dan - op hetzelfde ogenblik voelde ik me safe. Ik wist dat ik door
de hand van een hemelse vertegenwoordiging gered was. Toen ik mijn ogen opende
zag ik dat er een engel achter me stond. Want van hem straalde een zacht, intens
licht uit, dat me overstroomde tegen mijn vijanden. Daardoor weken zij met angst
en haat terug. Vast omklemde ik de voeten van de engel en voelde me als iemand,
die aan een zware storm ontrukt was - gelijk iemand die gered was uit de klauwen
des doods, die in een ondoordringbare stenen vesting werd getrokken. Met mijn
onwrikbare kracht keek ik uit op mijn vreselijke vijanden, met het gevoel dat
zij machteloos waren, om me geen letsel te bezorgen. Een vreesachtige verandering
was over hen gekomen. Terwijl ik naar de door licht omgeven engelbewaarder keek,
waren zij gelijk onmenselijke dingen met gekloven voeten en klauwen van beesten.
Het gezicht van mijn neef was donker, wanstaltig en harig. Dat gezicht van de
vrouw was afzichtelijk, met wratten en zweren. Het gezicht van Downing was lijkkleurig
en lijkachtig. Zijn ogen waren stompzinnig en rood, net als klodders bloed. Hun
lichamen waren allemaal monsterachtig. Terwijl
ik keek en deze vreselijke dingen zag, werd de steile rots als door een aardbeving
gescheurd, die een zwarte, roetachtige spelonk ontsloot, welke klaarblijkelijk
leidde naar onbekende diepten, waaruit dichte rook kwam als van een onderaards
vuur. Er was een hete, lawaaierige stroom lucht, die me met walging vervulde.
Maar toen zij de bozen bereikte, schenen zij verrukt te zijn. Met veel vreugde
liepen zij voorwaarts, waarbij ze me geheel vergaten. Met harde, onaardse kreten,
maar met kennelijke blijdschap renden zij achter elkaar door de opening van de
spelonk en sprongen met het hoofd vooruit naar beneden, waar zij uit het gezicht
verdwenen. Dan
sloot ik mijn ogen, zodat ik niets meer zou zien. Een dikke duisternis scheen
mij in te sluiten en mijn gedachten uit te wissen, totdat de laatste vonk van
bewustzijn uitgeblust was. Hoofdstuk
15 - Aan de voeten van Ariel Toen
ik weer tot mijn positieven kwam en mijn ogen opende, zag ik het eerst van alles
het kalme gelaat van Ariël. Ik werd me bewust dat ik op een andere plaats was
en in een huis op een bank lag. Mijn kleren vertoonden niet meer de resten van
modder en slijk van de moerassen. Het moge vreemd klinken, maar ik voelde me prettig
naar lichaam en geest en zat rechtop. Met mijn ogen vast op de engel gericht vergat
ik hem te groeten. "Was
het allemaal een droom ?" vroeg ik. "Nee,
het was geen droom, ofschoon je onlangs lag te slapen," was het kalme antwoord. "Dan
renden zij echt in die verschrikkelijke diepte en werden zij gedood?" "In
het geheel niet. Zij kwamen er zelfs uit zonder een schok en liepen uit eigen
vrije wil door een van de poorten van de hel." "Maar
de rook - het vuur?" "Er
was geen echt vuur. Vanuit de verte schijnen de hellen een vuur te zijn. Het lijkt
alleen maar zo door overeenstemming. Wat men hels vuur noemt is alleen maar het
vuur van zelfliefde, lusten of haat. De liefde om kwaad te doen is een vuur dat
nooit dooft en is zogenaamd de voeding voor de bozen.." Ik
hing aan zijn lippen. Zijn gelaat, zijn ogen, vooral de woorden uit zijn mond
(Die ik zelfs niet volledig kan herhalen) schenen mijn geest te verlichten. "Wat
een vreselijke monsters waren zij!" zei ik nog met enige droefheid. "Dit
zijn zij in het licht des hemels," antwoordde hij," Maar in hun eigen
ogen lijken zij anders. Door de barmhartigheid van de Heer zien zij hun eigen
mismaaktheid niet. Voor zichzelf en voor anderen zien zij zichzelf als perfecte
mensen. De hel is voor hen niet duister en somber, want door hun verdraaide staat
is alles wat lelijk is in hun eigen ogen mooi. Dit komt omdat zij boze en niet
het goede liefhebben. Zij leven in gezelschappen zoals u ze aan de grens van de
hel heeft gezien. Daar zijn zij gelukkiger dan zij ergens anders zouden kunnen
zijn, want daar hebben zij de gelegenheid om hun boze lusten tenslotte uit te
vieren. "Maar
lijden zij daar geen kwellingen ?" "bittere
folteringen - hetgeen het gezelschap in de hel onvermijdelijk met zich meebrengt.
Ware dit niet zo, dan zouden de bozen niet aan banden worden gehouden. Het is
door de barmhartigheid van de Heer, dat zelfs in de hel een zekere orde heerst.
Daarom zijn de slechten gedwongen tot werken voor hun dagelijks brood en wordt
het hun niet toegestaan om al die boze dingen te doen, die zij graag willen. Vandaar
dat zij gekweld worden. Maar omdat onze liefden de levensliefden zijn wordt een
beperkte toegevendheid toegestaan in hun helse lusten. Anders zouden zij van hun
eigen bestaan beroofd worden." "Arme
Paul, arme verloren Paul," peinsde ik later, met tranen in mijn ogen. "Wees
om hem niet bedroefd," zei de engel. Hij is daar heen gegaan waar hij meer
genot in zijn leven kan vinden dan ergens anders." "Het
is zo moeilijk om aan hem te denken - daar beneden," hield ik vol, huiverend.
"Hij was altijd zo vriendelijk, zo goed. "en
toch waren al zijn handelingen, in later jaren, ingegeven door egoïstische motieven.
Hij was alleen maar vriendelijk om invloed te krijgen en hij wilde anderen overheersen
voor eigen doeleinden., Een goede daad, gedaan voor zichzelf, zonder hoop op beloning,
was in zijn geest volkomen dwaasheid. Zulk een mens houdt noch van zijn Kerk,
zijn land, het publieke welzijn, noch van iets anders, behalve van zichzelf. Daarom
wordt hij geen engel, maar een duivel." "Hij
leek me steeds zo eerlijk," voegde ik er vasthouden aan toe. "Ik
herinner me, wanneer hij een publieke functie bekleedde, benijd omdat hij gunsten
kon bewijzen aan vrienden in hogere kringen, hij dan zelfs weigerde de aanspraken
te overwegen van diegenen, die aan hem verwant waren, waarvoor hij openlijk werd
geprezen." "Maar
dit was geen eerlijkheid," was het overtuigende antwoord. Wij moeten naastenliefde
betonen naar het goede dat in hem is. Maar bloedverwanten zijn, niet meer of minder,
gelijk aan alle anderen. In dit geval was het een geschiktheid voor de posities.
Deze man zag onder zijn relaties sommigen die zeer geschikt waren voor een betreffende
functie, alleen maar in die zin om alleen maar eer te behalen. Maar om die eer
te behalen was hij tegen ongerecht." "U
spreekt positief " "Dat
doe ik. Ik was tegenwoordig toen hij op zijn inwendige eigenschappen onderzocht
werd en ik jen hem," legde de engel uit. "Hij is in de staat van zijn
innerlijk gelaten. Daarbij werd hij getest en onderzocht op zijn werkelijke eigenschappen.
Zijn boek des levens werd gelezen. Dat wil zeggen, er werd een zekere invloed
gegeven, waaronder zijn natuurlijke herinneringen werden geactiveerd. De slechte
dingen, die hij in zijn natuurlijk lichaam deed, werden terug gebracht. Hij werd
dan veroordeeld, niet voor de slechte dingen in zijn verleden, maar voor de tegenwoordige
houding daar tegenover. Degenen, die tijdens het onderzoek reddeloos verloren
blijken, tonen hun blijdschap voor hun slechte daden, maar zij die gered kunnen
worden laten in nederigheid hun berouw zien. Deze man, met wie je verwant was
als bloedverwant, toonde zeer zeker geen wroeging maar een onmiskenbare blijdschap,
toen de band van sluwe handigheid, huichelarij en heimelijke goddeloosheid van
zijn leven voor hem passeerde. Ondanks
alles wat ik nu had gehoord en al wat ik gezien en wat me geleerd was, stelde
ik toch nog een dwaze vraag. Ik vroeg, of de Heer in zijn grenzeloze barmhartigheid
een slechte man niet redden kon, ondanks zichzelf. "De
Heer verbreekt niet de eeuwige wetten der orde en verandert niet een havik in
een duif, of een wolf in een lam, " was het snelle antwoord. "Het is
Zijn wil en barmhartigheid dat de mens in de natuurlijke wereld werd geplaatst
in evenwicht tussen goed en kwaad, vrij in zijn keuze om te kiezen tussen het
een of het ander. Zou de mens gedwongen worden om het goede te kiezen, dan zou
de goddelijke gift van vrijheid van hem afgenomen worden en hij zou niet langer
een mens zijn, maar een robot. De gehele bedoeling van de schepping, dat de hemel
voor het menselijk ras is, zou mislukken. Het is beter dat een aantal duivels
worden, dan dat zij een levenloze automaat zouden worden. Het is inderdaad beter
dat iemand een duivel wordt dan in het geheel niet te leven. Zelfs de duivels,
gekweld als zij worden, vinden vreugde in hun bestaan en hebben hun eigen boze
genoegens en genot. "Om
te begrijpen hoe moeilijk het is voor een mens om alleen maar uit barmhartigheid
de Hemel binnen te gaan, moet u weten dat het houden en het doen van kwaad de
substantie en de structuur van onze ziel bepaald. Dit komt omdat het innerlijke
kwaad vreugdevol wordt aangewakkerd, wanneer zij de onaangename uitwasemingen
gewaar worden en zichzelf neerbuigen door de voor hen openstaande mogelijkheden.
Indien deze man, waarvan we spraken, opgeheven werd naar de Hemel, zou hij niet
tot ademhalen in staat zijn, net als een vis, die buiten het water komt. Hij zou
niet in staat zijn de atmosfeer te verdragen, waarin de engelen leven en hij zou
onduldbare kwellingen moeten lijden. Ik zag sommigen, die dachten, dat zij goed
genoeg waren om naar de Hemel te gaan. Het werd hun gegeven om zich naar een hemels
gezelschap te begeven. Zij werden door verschrikkelijke pijnen gegrepen en vielen
als dood neer. Zodra de hemelse atmosfeer van hen werd afgenomen en zij herleefden,
renden zij gillend van schrik weg en gingen naar beneden op hun eigen plaats. Voordat
de engel mij verliet, stelde ik een vraag betreffende de Heer. "Leeft de
Heer God van Hemel en aarde als een koning tussen de engelen, of is hij nog in
een plaats of een plan boven hen?" was een vraag die vaak bij me op was gekomen.
Nu zocht ik een antwoord. "De
hoogste engelen zijn oneindig ver onder de Heer," zei Ariël. Hij woont oneindig
ver boven hen en wordt door de hoogste engelen als een stralende zon waargenomen
en bij diegenen die lager zijn als de maan. Zou Hij in al zijn glorie naar beneden
komen, om bij hen te wonen, dan zouden zij blind worden, ja, vernietigd. Daarom
is de Heer zelfs in de hemelen boven en zij aanbidden Hem niet van aangezicht
tot aangezicht, maar in tempels, net als op aarde. Maar soms behaagt het Hem om
neer te dalen, gescheiden en omhuld door een sluier en aan de engelen te verschijnen
als de glorieuze, Goddelijke Mens. Hij is dan zó aangepast aan hun staten, zodat
zij niet verblind of op een andere wijze gekwetst worden. Bij zulke gelegenheden
worden alle hemelen van begin tot einde verheerlijkt. Een transcendent licht,
wonderbaarlijk mooi met een variatie van kleuren rust dan op alles. De engelen
worden dan vervuld van een onbeschrijfelijk geluk." "En
heeft u hem zó gezien, vroeg ik, met ontzag. "Zo
heb ik Hem gezien en mijn gehele hart ging naar Hem uit in liefde en aanbidding.
Ik weende tranen van vreugde. Trillend van verrukking, zongen we de zang van dankzegging.
Toen Hij nader kwam wierpen we ons met ons gezicht ter aarde. Hij keek naar allen.
Hij verwaardigde zich om naar een ieder van ons te kijken, toen Hij ons passeerde,
- zelfs naar mij. Terwijl ik, door het mij gegeven vertrouwen Zijn vriendelijke,
lieve blik ontmoette, voelde ik dat het licht van Zijn Goddelijke Wijsheid mij
doordrong en mijn geest verlichtte. De warmte van Zijn Goddelijke Ziel vloeide
in mijn ziel. Ik voelde dat ik voor altijd gezegend was, want ik had in de oorsprong
van het leven gekeken en ik wist dat ik nu leefde." De
stem van de engel was diep, zacht, aangenaam en vol van diepe verering. "Zeg
me, hoe Hij er uit zag, O mijn vriend,"fluisterde ik. "Het beeld voor
mijn geest is onduidelijk, verward. Beschrijf Hem -vertel me alles wat ik onwaardige
mag weten." "Hij
droeg een golven gewaad van keizerlijk purper, dat vlamde met licht als van een
vlam. Op Zijn hoofd droeg hij een kroon met, naar het scheen, levende sterren.
En Zijn gezicht - hoe kan ik spreken over dat gelaat, gekleed met Goddelijke Majesteit
en Glorie ? Ik kon het zien en ook weer niet. Het was alsof al de glorie, het
licht en de schoonheid van de universele Hemel op zijn gelaat was geconcentreerd
als in een hoofdreservoir. Toch lag er een onbeschrijfelijke zachtheid over alles
en niemand was verblind. Zeker, hij was God, maar tegelijk Mens, de grote Schepper
in Zijn verheerlijkt Menselijke, of de Heer onze Redder. Ik heb van engelen, die
als mens op aarde leefden in die tijd toen zij Hem in menselijke gedaante hadden
gezien, Hem als dezelfde herkenden. Toen
ik dit hoorde herinnerde ik me woorden uit de "Heilige Schrift", woorden
met betrekking tot de verheerlijking van de Heer op de berg. "En
Zijn hoofd scheen als de Zon en zijn kleed was wit als het licht." Deze
woorden uit de Apocalyps, waar Johannes verteld over de openbaring van de Heer
tot hem op het eiland Patmos. "En
ik zag iemand gelijk de Zon of de Maan, gekleed in een wit kleed tot aan Zijn
voeten, om Zijn middel gegord met een gouden koord. En Zijn hoofd en haren wit
als wol. gelijk sneeuw, - en Zijn ogen gelijk een vlammend vuur. En zijn voeten
gelijk fijn koper alsof zij brandden in een oven, en Zijn stem als de stem van
vele wateren..... En Zijn gezicht, schijnende als de zon in haar kracht. En toen
ik Hem zag viel ik als dood aan zijn voeten en Hij legde Zijn rechter hand op
me. "Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste, en Die leeft en werd ter
dood gebracht en nu leef in de eeuwen der eeuwen, amen. En ik heb de sleutels
van de hel en van de dood. Hoofdstuk
16 - Oostwaarts De
engel stond op om aanstonds te vertrekken. Met een warme handdruk keerde hij zich
van me af en was in een ogenblik uit het gezicht verdwenen. "O, mocht ik,
ook, de prachtige Heer zien, wanneer Hij op een dag afdaalt naar de engelen!"
was mijn verrukkelijke gedachte, toen ik daar zo stil zat en wezenloos voor me
uit staarde. Ik berispte mezelf voor deze arrogantie, maar die gedachte kwam steeds
terug. " O, mochten deze ogen Hem aanschouwen ! Mezelf op die manier berispend
en zó denkend, stond ik op en verliet het huis, waarin wij gerust hadden. Ik draaide
die plaats mijn rug toe en richtte mijn gezicht naar het oosten. Lange,
lange tijd leefde ik het leven van een wandelaar en begaf me van oord tot oord,
van het ene gezelschap naar het andere. Ik zocht naar dingen waar ik naar verlangde
en van hield en streed - helaas niet altijd, met het vaste besluit om de boze
neigingen uit mijn hart te verdrijven. Gedachtig aan die lessen van welgezinde
geesten, dat ik niet ledig zou zijn, zocht ik bezigheid waar ik ook kwam en vond
geluk in mijn streven om getrouw mijn plichten te vervullen. Daar ik deze bezigheden
als tijdelijk beschouwde, keek ik intussen uit naar een tijd waarin ik in een
leven van gelukkig nut zou komen en naar verlangde. Meestal
was mijn staat nu vredig door de wil om in de Goddelijke Voorzienigheid te blijven,
waarheen het ook zou mogen leiden. Er waren echter momenten waarin ik aan hevige
droefheid ten prooi was. De hoop, dat ik diegenen zou vinden, waar ik bij paste
en waarbij ik uiteindelijk zou mogen blijven, maar die ik tot nu toe vergeefs
zocht. Ik zocht naar een plaats van instructie, waar het licht der engelen wijsheid
de geest zou verlichten van degenen die op zoek waren. Mijn geval was erger dan
ik gevreesd had. Misschien was ik niet geschikt om aan de voeten van hemelse onderwijzers
te zitten, omdat mijn slechte dingen nog te actief waren. Innerlijk waren zij
roetzwart. Alleen komende verzoekingen zouden deze tot rust brengen en schadeloos
maken. Hoe lang - hoe lang? Tenslotte
kwam dan de verandering die ik zó lang verwacht had - de overgang van de eerste
staat, de uiterlijke, naar de tweede, die van het innerlijke. De verandering was
zó gradueel zodat ik het niet tijdig in de gaten had. Nu kan ik terug zien op
mijn vorige staat als een man die ontwaakt en terugziet op een droom. In zeker
opzicht was het een verschil als van dag en nacht, maar eerder als een bevrijding
uit een gevangenschap. Alle dwang was nu verdwenen en er was niet meer de wens,
of de macht, om iets te verbergen. De mens - engel of de mens - duivel was bekend.
Er was niet langer een gescheiden geest. Ik sprak van nu af vanuit mijn innerlijke,
niet vanuit mijn uiterlijke gedachten. Mijn hoedanigheid lag op mijn gezicht te
lezen. Al zou ik het willen, ik zou niet kunnen veinzen. Met diegenen om me heen
was het eender. Menig boos mens werd ontmaskerd door zijn welgezinde en argeloze
metgezellen. De innerlijke verschillen met hen, waarmee ik me na en na vereenzelvigde,
stonden daarom snel vast. Het gehele beeld was er een van ontbinding en verandering,
want iedereen bewoog zich in die richting van hen waarmee hij in echte vriendschap
verbonden kon worden, vrienden met dezelfde gevoelens, smaak, gewoontes, neigingen
en liefde. De
geschiedenis van die tijd is vol nuttige herinneringen, maar ik moet verder gaan
naar die dingen, welke in dit verband van groter interesse zijn. Op een dag, toen
ik het gezelschap verliet, waar ik maar een korte tijd was geweest,ontving ik
bericht, dat mijn gehele levensloop veranderde en een einde maakte aan mijn wandelingen. Ik
had de stad ver achter me gelaten en kwam in prachtig, open, glooiend heuvelland
met helder stromend water, toen ik ineens opkeek en op de weg voor me een man
zag, een man met een stralend gezicht en trouwe ogen, die onmiddellijk mijn vertrouwen
won. Met zijn wit blinkend gewaad was hij een boodschapper van boven. "Het
werd opgemerkt," zei hij, nadat hij me hoffelijk gegroet had," dat u
een plaats zoekt, waar geesten door instructie voor de Hemel worden opgeleid.
Het is nu toegestaan om u te benaderen. Ga verder tussen deze twee heuvels door,
naar het noordoosten en u zult vinden wat u zoekt. Ik ben er zeker van dat men
u daar zal ontvangen." "Moge
de Hemel de brenger van deze goede boodschap zegenen!" zei ik met vreugde. De
boodschapper glimlachte met beminnelijke vriendelijkheid bij mijn worden, maar
verzocht me om het menselijke instrument te vergeten en mijn ziel op te heffen
naar de enige Bron van alle zegeningen. Terwijl ik naar de krachtige, mooie expressie
van een edel voelend iemand luisterde, wilde ik maar al te graag teruggehouden
worden, totdat hij me tot ziens wenste en gegaan was. Dan keerde ik me verlangend
om en haastte me voort in de aangegeven richting. De bomen, planten en bloemen
werden bewogen door een zachte bries en glinsterden in de zon. Hun lieftalligheid
was ongewoon. Het was alsof zij wisten hoe blij ik was en daarom glansden in de
zon. Ik keek links en rechts naar het glimlachende landschap en al wandelend glimlachte
ik terug. Mijn hart was vol dankbaarheid. Eindelijk
stond ik tussen die twee heuvels en daar zag ik de school. Het was een hoog, breed
en imposant gebouw, in hoofdzaak het architectonische type, zoals van de oude
Grieken. Het stond op een heuvel, omgeven door groene gazons, tuinen en struiken.
Toen ik naderbij kwam zag ik, dat de fundering en het gebouw van ruwe steen waren
gemaakt van een eigenaardige kleur. De torens waren eveneens van steen, maar van
een mooi blauwwit en doorschijnend. Zij schitterden uit de verte. Het uitzicht
toonde de naburige bossen van laurier, dennen, ceders en mirten, met hier en daar
een statige palm. "Het
is niet de Hemel zelf, maar, zo God wil, zal het een stap daarheen zijn, was mijn
blijde gedachte, toen ik door de brede zuilengang liep en voor de dubbele deuren
van een grote hal stond. Aan weerszijden was een adelaar gegrift met uitslaande
vlerken. Een
bediende deed open, nadat ik geklopt had. Hij vroeg me hoffelijk om binnen te
komen. "Ik ben blij dat u bent gekomen,"zei hij met groot respect en
met een beminnelijke, vriendelijke glimlach. "Ik ben altijd blij met iemand
die nieuw is." "Hoe
ongemeen," dacht ik. Het is een bediende, die zijn vreugde vindt in dienen."
Hij interesseerde me en ik voelde me tot hem aangetrokken. Misschien was hij uit
een der lagere klassen van de wereld, maar hij was een bevallige knaap met een
goed voorkomen. "U
bent erg goed," gaf ik als antwoord. "Een
van onze jonge mannen verliet ons gisteren," voer hij voort, "en ik
was er zeker van, dat vandaag een ander zou komen." "Verliet
u? - waar ging hij heen ? "Naar
de Hemel." "Hemel,
ik had kunnen juichen toen ik mijn gids door de grote hal volgde. Hij bracht me
in een ontvangkamer, rechts, en hij trok zich terug met de woorden, ik gauw komst
melden aan de hoofdmeester. Met
een vredig en zeker gevoel, zoals ik niet eerder had gekend, zette ik me neer.
Dit gevoel verdiepte zich, toen ik aan de muur tegenover de volgende woorden in
gouden letters geschreven zag. "Bedenk,
hoe goed en heerlijk het is als broeders gemeenschappelijk samen wonen." Terwijl
ik keek en over dit hemels gevoel nadacht, kwam de hoofdmeester, een lange edele
verschijning, gekleed in een onderkleed van fijn, helder linnen. Om zijn middel
droeg hij een koord van gevlochten goud. Zijn
bovengewaad glansde heel mooi, als het licht daarop viel. Bij zijn binnen komen
stond ik respectvol op en wachtte op zijn begroeting. Hij keek me streng aan,
terwijl hij op me toe kwam, maar er was vriendschap in zijn ogen. "De
school heet u welkom, vriend", zei hij, zijn hand uitstekend. "Ik
ben dankbaar voor dit welkom." Hij
nam plaats in een rijk bewerkte stoel van rood hout. Op zijn uitnodiging nam ik
eveneens plaats in een kleinere stoel, voor hem. Hij keek me een ogenblik stil
aan. Met een onbehagelijk gevoel voelde ik, dat hij tot op de bodem toe, mijn
karakter las. Tenslotte sprak hij: "Ten
eerste moet ik u vragen tot wie u bidt." "Ik
aanbid de Heer." "Wie
is de Heer?" "De
God van Hemel en aarde," antwoordde ik verbaasd - de Schepper van alle dingen." "En
wie is Hij, die in de letterlijke zin van de Heilige Schrift Jezus Christus wordt
genoemd?" "Hij
is dezelfde." "En
wat wordt bedoeld met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest ?" "Dat
weet ik niet," zei ik met enige aarzeling, maar zonder vrees. Dit gezegde
is duister en onduidelijk. Vele dingen in de Heilige Schrift komen me onduidelijk
voor. Maar ik weet één ding - de Heer Jezus Christus is de enige, echte God. Dit
heb ik altijd beslist geweten. Zei Hij niet zelf,"Ik en de Vader zijn Een?
Later leerde ik, dat engelen, die in die tijd van Zijn verblijf op aarde hebben
geleefd, Hem herkennen als de enige God des Hemels. Er
viel een ogenblik een intense stilte, voordat de hoofdmeester antwoordde: u heeft
goed gesproken. Voordat u antwoord gaf wist ik dat u zo zou spreken, maar het
was beter dat u dit zelf ging zeggen. Alleen aanbidders van de Heer Jezus Christus
kunnen hier ontvangen worden, want degenen die niet Hem en Hem alleen vereren,
kunnen hier ontvangen worden. Degenen, die niet Hem en Hem alleen vereren, denken
aan meer dan één God, wat tegenstrijdig is met de atmosfeer van de Hemel en vernietigend
voor de hemelse vreugden, die hier de onze zijn. U bent aangenomen," voegde
hij er na een kleine pauze aan toe. "Ik
dank de Heer, dat dit zo is," antwoordde ik. "U
heeft gelijk," sprak hij verder, "dat menige dingen in de letterlijke
tekst van de Heilige Schrift duister en onduidelijk zijn. De natuurlijke of letterlijke
vorm van het Woord, die op aarde bestaat, werd geschreven volgens overeenstemmingen
(gelijkenissen) en aangepast aan de staat van de eenvoudige mens. Maar in de letterlijke
zin ligt de innerlijke zin van de Heilige Schrift verborgen, die correspondeert
door overeenstemmingen, zoals de ziel in het lichaam, waarin niets duister en
onduidelijk is. Dit geestelijk Woord, hier en in de Hemelen, leert ons, dat de
Heer God afdaalden naar het natuurlijk plan en zich uiterlijk beklede met de uiterlijke
substantie van de natuurlijke wereld, ten einde de kwade machten te onderwerpen,
die de mens in die staat aanvielen. Zij gaven hem zo de mogelijkheid om wederverwekt
en gered te worden. Het leert os dat de Vader het innerlijke of de ziel van de
geïncarneerde Heer is, doordat de Zoon het verheerlijkt Menselijke aannam en door
de Heilige Geest het heilige voortschrijden in Zijn handelingen mogelijk maakte.
Later zult u verder in deze dingen worden onderwezen." Een
groot licht brak plotseling door de belemmerende wolken. Ik zag helder de grote,
eeuwige waarheid, die tot nu toe achter een sluier voor me verborgen was. Gedurende
een lange tijd zat ik genotvol, door vreugde gebonden en zei geen woord. "Het
geestelijk Woord," ging de hoofdmeester verder, "werd, zoals u misschien
vermoed, geschreven in de universele taal der geestelijke wereld, die we nu spreken.
Het is het Boek der Boeken. Elke kopie of deel ervan is onderscheiden met een
zachte glans, die afstraalt van de open pagina's. U zult zien dat de kopie, die
hier voor ons is neergelegd in het koor van onze hal, altijd open ligt voor de
eredienst straalt als een grote ster om zó de luister en heerlijkheid van des
Heren Goddelijke waarheid die daarin verborgen is, weer te geven." Wat
zou redelijker, geschikter en liefelijker kunnen zijn ? Zo ik had kunnen twijfelen,
dan had ik nog kunnen denken dat dit een fantastische droom was, maar het was
erg mooi en moest wel waar zijn. "Deze
Heilige Schrift," ging de meester voort na een pauze, "is de gids van
onze levens en de bron van engellijke wijsheid. Hier putten we de kennis uit voor
de studenten, die onder onze hoede zijn. Van hen zul je voortaan onderricht krijgen.
Je zult van hen leren, dat de Heer God afdaalde naar de natuurlijke wereld, om
de mens uit de hel te verlossen en hem de verzekering van zijn redding te geven.
Dit was alleen maar mogelijk door middel van verzoekingen, die Hem deden lijden
tot het meest extreme toe, het kruis waaraan Hij werd genageld. Omdat Hij dit
moest verdragen werden de verdoemenissen, die Hemel en aarde bedreigden, voorkomen
en uit de wereld verdreven. Na dit Goddelijke werk voltooid te hebben Keerde onze
Heer terug in Zijn essentiële Goddelijkheid en in Zijn verheerlijkt Menselijke.
De Heer schiep het universum niet uit het niets, maar uit Hemzelf - vanuit Zijn
Goddelijke Liefde en Wijsheid - zodat de gelijkenis van de Schepper op alle geschapen
dingen werd ingeplant. De mens moet, om met de genade van God verbonden te worden
en om het kwaad te verwijderen, zowel het erfboze alsook het verworvene kwaad
bedwingen. Hij moet in liefde en barmhartigheid met zijn naaste leven. In de Heilige
Schriften van de natuurlijke wereld ligt een ziel of geest verborgen, die één
is met de Heilige Schrift in de Hemel. Zó is er verbinding met het Woord tussen
Hemel en aarde. Deze algemene waarheden zullen u door het Woord worden geleerd,
bovendien myriaden van bijzondere algemene waarheden, die betrekking hebben op
alle dingen van het universum en die alle mysteries van aarde en Hemel zullen
ontsluiten. "Ik
dank de barmhartige God voor Zijn Goddelijk Woord en voor Zijn goede afgezanten,
die mij daarover zullen onderwijzen," zei ik diep bewogen, terwijl ik het
heerlijke vooruitzicht overpeinsde. De
hoofdmeester stond nu op en gaf aan dat het interview voorbij was. "Ga met
hem mee," zei hij, toen de dienende jonge man in de deuropening verscheen.
"Hij zal je nu laten zien wat je moet doen." De
jonge man leidde me naar de grote hal en dan naar een kleinere hal, haaks op de
laatste en tenslotte naar een grote, eigen slaapkamer, die smaakvol gemeubileerd
was. "Dit
is de plaats om te slapen," zei hij vriendelijk. "Ik hoop dat hij u
bevalt." "Hij
bevalt me." Dan
opende hij de kleerkast en liet me verschillende witte gewaden zien van zijde. "U
mag een van deze uitzoeken en aantrekken, na een bad," zei hij. "U zult
hier de nodige onderkleren vinden," voegde hij daaraan toe, bukte zich en
opende een lade, waaruit hij enkele, allemaal witte artikelen haalde. Terwijl
hij hiermee klaar was en ik een van die kleren uitgezocht had, kwam hij naar buiten
en sloot de deur. Hij opende een tweede kast en wees me verschillende zijden kleren,
maar gedistingeerder, met een mooi gouden koord, die om de leest hoorde. "Deze
zijn voor de gastmalen op feestdagen," zei hij. "U moet weten,"
voer deze intelligente bediende voort, mij steeds aankijkend, men mij zei dat,
ofschoon men mag aantrekken wat men wil, de kleren in alle soorten en kleuren
verschijnen en zichzelf veranderen, al naar de staat, waarin de engel zich bevindt.
Is dit niet mooi?" "Mooi,
inderdaad." "Onze
studenten werken in de morgen - dat wil zeggen, zij studeren en worden onderwezen,"
ging de jonge man voort. "In
de middag dineren zij en doen daarna, binnenshuis of buiten, aan recreatie, spelen,
wandelen of paardrijden, zoals zij graag willen. Op feestdagen dineren zij met
de meesters in de grote eetzaal, gekleed in dit gewaad met de gouden gordel. Het
feestmaal dat werd bereid, is uitgebreid en gevarieerd, maar zelfs op dat uur
is de voeding secondair aan de voeding voor de ziel. Er is altijd conversatie,
geleid door de meesters -soms gericht -en zijn deze vol lering. Vaak brengen mijn
plichten me daar, waar ik kan luisteren. Ik ben altijd dankbaar wanneer ik daar
veel van kan begrijpen." Er
werd nu een deur geopend en men liet mij mijn bad zien, een klein gemarmerd vertrek,
waar men in het midden een bassin met water kon zien. Mijn opwachter liet me peinzen
over het gezegende geluk dat me naar deze plaats had gebracht. Hoe vol geluk zou
mijn leven hier zijn en hoe weinig had ik het verdiend! Ik
kwam zeer verfrist en versterkt uit het bad. Toen ik mijn nieuwe kleren aantrok,
kwam bij mij de gedachte op: zeker, dit bad van zuiver water is typerend voor
de zuivering van het kwaad. Met mijn vorige kleren had ik mijn vorige staat achter
gelaten en trad nu een nieuwe binnen. "Moge de Heer geven dat, in bepaald
opzicht, de onvolkomenheid en het kwaad eveneens achter me worden gelaten." Toen
ik naar mijn slaapkamer terugkeerde werd ik door mijn vriendelijke bediende geholpen.
Hij gaf me mijn zijden gewaad, dat, grappig genoeg, alleen maar bestond uit het
onderkleed en het bovengewaad er niet bij was. "Het
bovenkleed, zal u later worden gegeven," was het antwoord op mijn vragende
blik. Verbaasd
volgde ik de begeleider terug naar de ontvangkamer. Na enige ogenblikken kwam
de hoofdmeester naar me toe. "Kom
nu met me mee," zei hij. Toen me bewoog, om te gehoorzamen, hoorde ik de
diepe, muzikale tonen van een bel galmen door het hele gebouw. Ik
volgde hem uit de grote hal naar een lange, hoge en mooie kamer, die tegelijk
de hal was voor de eredienst, want aan het verste eind, op een podium in het midden
van het koor, lag een open boek met glanzend wit licht - alsof er werkelijk een
ster uit de Hemel was gevallen en daar bleef liggen. Toen mijn ogen daarop vielen
werd ik bewogen door diepe nederigheid en eerbied. Ik voelde dat ik in de tegenwoordigheid
van God stond. Terzelfder
tijd bemerkte ik dat elf mannen, wier verschijning op die van de hoofdmeester
leek, ons daar voorgegaan en aan weerszijden waren opgesteld, toen ik daar binnen
werd geleid. Zodra we gepasseerd waren, knielden allen, met hun gezichten naar
het podium, dat in het oosten stond. We herhaalden gemeenschappelijk de volgende
woorden. "O, meest verheven Heer, wij bidden dat onze geesten altijd verlicht
mogen worden door het licht van uw Goddelijke Waarheid!" Dan,
nadat we opgestaan waren, kwam een van de elf mensen met de toga, die tot mijn
kleed behoorde. De hoofdmeester nam het van hem in ontvangst en legde het over
me heen, deze woorden herhalend: "In
tegenwoordigheid van de Heer leg ik het kleed, dat passend is bij uw staat en
verwelkom ik u in ons midden." Vol
van diep geluk en nog dieper ontzag knielde ik voor hem en luisterde ik met onbeschrijfelijke
emoties toen de hoofdmeester de zegen over me uitsprak en bad, dat ik te zijner
tijd voorbereid zou zijn voor een leven van gelukkige nutvervulling in des Heren
Hemels Koninkrijk. Hoofdstuk
17 - Vriendschap Het
gebed was gedaan. De hoofdmeester en de elf verlieten achter elkaar de hal van
de eredienst. Als laatste van allen volgde ik. Daarna werd ik in een ander vertrek
voorgesteld aan de elf, welke, zoals me nu bleek, tezamen met de hoofdmeester
de twaalf leraren van het instituut waren. Allen verwelkomden me met een glimlach
en wijze woorden. "U
zult nu bij de studenten geïntroduceerd worden. Nu moet ik u een moment met hen
alleen laten," zei de hoofddocent. "Velen van hen zijn op dit ogenblik
aan het wandelen of rijden, maar we zullen zonder twijfel enkelen op het zuidelijk
terras vinden." Hij
bracht me nu naar buiten door een grote zuilengang, die op het zuiden lag. Daar
beneden was een breed terra vanwaar men op een wijd, mooi dal uitkeek. Door deze
vallei en langs de heuvel slingerden zich wegen. In de verte zag ik veel jonge
mannen te paard. Anderen genoten te voet van de frisse lucht. Weer anderen zaten
in tuinstoelen onder de laurier en mirten van de naburige bosjes. Op de geplaveide
en met bloemen omzoomde terrassen slenterden ongeveer een dozijn studenten, in
dezelfde kleding als ik, in paren of groepen van drie of vier heen en weer en
converseerden met elkaar. Zodra zij, die het dichtste erbij waren de directeur
zagen, kwamen zij naar hem toe en begroetten hem. "Ik
breng jullie een nieuwe kameraad. Heten jullie hem welkom," zei hij tot hen,
kijkend van de een naar de ander met alle blijken van vriendschap. "U
maakt ons blij en we danken u vriendelijke vader," antwoordden de meesten.
Allen gaven hun blijken van genegenheid terug. "Zij
zijn blij," dacht ik met verwondering en opgelucht, want ik had ze niet zonder
een zekere bange twijfel benaderd."-Zij beschouwen me in ieder geval niet
als een mogelijke mededinger, of bezien zij me niet met en koude, onaardige kritiek,
de oorzaak van jaloezie, die de gehele wereld vervult." Zij
waren blij. Zij verzamelden zich om me heen. Toen de hoofdmeester ons verliet,
groetten zij me met het meest prettige vertoon van "welwillendheid".Zo
bewogen was ik door hen, zodat ik daar stond met stamelende tong en opkomende
tranen in mijn ogen. "Zij schenen inderdaad evenveel om mijn welzijn te geven
dan om dat van henzelf.," dacht ik. "God helpe mij om deze liefde terug
te geven." Niet
al hun gezichten kon men knap van uiterlijk noemen, tenminste naar mijn eigen
maatstaven, maar er was zeer zeker iets van tederheid en schoonheid in hun voorkomen. "wij
waren zojuist aan het praten over vriendschap," zei een van hen tegen me,
nadat allen me warm de hand hadden gedrukt. "We kwamen allen overeen, met
enige geringe verschillen, dat de werkelijk eerlijke mens alleen maar met de goeden
in eerlijke vriendschap kan leven. Want om bevriend te worden met een slecht mens
zal zijn macht om kwaad te doen alleen maar versterken. Een goed mens kan nooit
instemmen en vrede vinden met het vergroten van de macht om kwaad te doen van
de slechte mens." "Dat
is voor mij een nieuwe gedachte," zei ik, "maar ik aanvaard deze als
waar." "En
we nemen de stelling in,"zei een ander," dat trouwe vriendschap of liefdadigheid
van ons vraagt om meer zorg te dragen voor het welzijn van onze vrienden dan dat
van onszelf. Boven alles is de Heer onze vriend. Daarom moeten we ons meer bekommeren
om die dingen, die Hem plezier bezorgen, dan aan onze eigen zelfstandige ijdelheden." "Dit
is wat we bedoelen met vriendschap onder de engelen," ging een derde verder,"
en is het ons ernstig streven om aan die bedoeling te voldoen. Maar in de natuurlijke
wereld wordt vaak een zelfzuchtig doel beoogd, want het verlangen naar eigen belangen
laat ons diegenen bevoordelen die ons van nut zijn geweest, of door vleierij en
andere kunsten welgevallig hebben gemaakt. De doorsnee mens op aarde zegt in zijn
hart dat het gebod om anderen lief hebben zoals onszelf, meer een poëtisch gevoel
is en dat het gebod om anderen lief meer dan onszelf lief te hebben gunstiger
is. Indien het mogelijk is om aan deze liefde toe te geven, worden zij, die deze
liefde aankweken slaven, beroofd van alle vrijheid, en hebben zij geen plezier
in hun leven. Verdiept in zulke lompe gedachten kan de mens op aarde geen vreugde
vinden in zulk een liefde. Hij droomt weinig over het onuitsprekelijke geluk,
dat in een hemels gezelschap heerst, waar iedereen zijn naaste meer liefheeft
dan zichzelf en waar beslist niemand in gedachten of in daden letsel wordt toegebracht." "En
houdt u hier meer van elkaar dan van uw zelf?" vroeg ik. "Nee,
alleen de engelen zijn in die gezegende toestand. Maar wanneer we een goede staat
zijn, hebben we elkaar lief gelijk onszelf." "En
is uw staat niet altijd goed?" "Ah,
nee - nog niet. Onze boze neigingen zijn nog niet volkomen op zij gezet. Er zijn
tijden waarin wij naar beneden worden gelaten, als het ware in ons vroegere zelf,
ter zake van verzoekingen en vernederingen." "En
we zijn overeen gekomen, dat,na de Heer en de Kerk de Prins in eerste instantie
onze vriend en naaste is," sprak een ander die tot nu toe gezwegen had. "De
prins ?" herhaalde ik verbaasd. "De
prins van het Hemelse gezelschap waarmee onze school verbonden is." "Zijn
er prinsen in de hemel?' vroeg ik onstuimig. "Men
leerde ons dat er hier in ieder gezelschap of provincie een is "En
leven zij in staten - in paleizen - zoals prinsen op aarde?" "Waarom
niet ? Waardigheid en eer behoren aan hen die in opperste goedheid en wijsheid
zijn. Onze leraren hebben ons geleerd dat er regeringen zijn in de hemelen en
daarbij verschillende rangen en standen met hoge posities, macht en gezag. Die
van de hoogste rangen hebben hofhoudingen en leven in paleizen. Zij krijgen hun
posities alleen maar indien zij er geschikt voor zijn. Zij zijn prinsen omdat
zij de meest wijzen en de besten zijn. Hun grootste vreugde bestaat in goede belangen
voor het volk. Zij verheugen zich alleen maar uiterlijk over hun met hun onderscheiding
in de waardigheid voor hun zaak van orde en ondergeschiktheid. De huizen van de
engelen zijn mooi, maar die van de prinsen zijn het mooist. In de verte schitteren
zij van het goud en de edelstenen. Deze zijn zó buitengewoon prachtig, zoals men
zich van geen enkele plaats op aarde kan voorstellen." Dit
was werkelijk, zoals het zou moeten zijn. Het lieflijke portret van hemels koningsschap
verwekte in mij niets dan louter prettige gevoelens. Ik was nooit een echte democraat
en wanneer de prins of koning ook een engel van de hemel kan zijn, dan met mijn
gehele hart, "Lang leve de koning!" Toen
zij op die manier met me spraken, werd ik gewaar, dat een andere student onze
groep naderde vanaf een verder gedeelte van het terras. Toen hij bij ons kwam
keek ik op en herkende ik Alaric Mortimer "Jij
hier!" riep ik, bewogen door een nieuw en groot geluk. Hij
was veranderd. Wel was hij dezelfde knappe man met dezelfde innemende manieren,
maar ik dacht dat op zijn gezicht en in de uitdrukking van zijn ogen minder van
de aarde en meer van de Hemel te zien was. "Ik
wist dat je zou komen, mijn vriend - mijn dierbare vriend, toen ik me haastte
om hem te begroeten en we elkaar de hand gaven. Er was een blijde blik in zijn
ogen. Hij legde zijn linker arm over mijn nek - op dezelfde manier. "Dan
was jij hier vóór mij? Ben je hier al lang?" vroeg ik nieuwsgierig. "Ja,
soms lijkt het me alsof ik hier altijd geweest ben." Toen
zij zagen hoe het tussen ons was, gingen de anderen weg en vervolgden hun gesprek
over trouwe vriendschap. "En
je twee vrienden op de school der wijzen?" vroeg ik en ik zag een pijnlijke
uitdrukking op het gezicht van Alaric, dat ook snel weer verdween. "Dat
was mijn laatste en ernstigste verzoeking daar beneden," antwoordde hij ."
Al vlug nadien werd ik naar deze plaats geleid." Zijn
woorden troffen me pijnlijk, want ik herinnerde me levendig ons afscheid in de
opmerkenswaardige nacht, ons gesprek, zijn schijnbare zwakte en het feit, dat
ik toen dacht dat mijn staat verder was gevorderd dan de zijne. We
begaven ons naar een plaats dicht in de buurt. Lange tijd conserveerden we met
elkaar en we keken zo nu en dan naar die jonge mannen welke in het dal en op de
heuvels te paard reden, maar meestal keken we elkaar in de ogen. Alaric vertelde
alle verhalen van zijn worstelingen na ons afscheid, zijn pogingen om zijn twee
vrienden te redden, hun vastbesloten gang naar beneden en de uiteindelijke scheiding
met hen, zijn voortgaan naar zijn tegenwoordige plaats en naar zijn gelukkig leven
daar. "Ik
moet berispt worden voor mijn aanmatiging," zei ik nederig. "Ik vind
je hier vóór mij, reeds lang gevestigd, - jij die, naar ik dacht zwakker en minder
wijs te zijn dan ik." Hij
nam hier geen notitie van en antwoordde; ik wist altijd dat je zou komen en voelde
dat we te veel sympathie voor elkaar voelden, om lang gescheiden te blijven." Zo
praatten we heen en weer, tot de schemer begon in te vallen. Alaric ging met me
mee naar mijn kamer, waar we lang bij elkaar zaten en alsmaar praatten, want we
waren waarlijk vrienden en elkaar sympathiek. Toen hij opstond en me goede wenste,
gooide ik het raam openen riep naar hem, dat de nacht helemaal geen nacht was,
maar alleen een grijs schemerlicht. "Werkelijk nacht bestaat hier niet aan
de grenzen van de Hemel," was zijn commentaar. Nauwelijks
was ik de volgende morgen opgestaan en gekleed, toen ik een klop op de deur hoorde
en open deed. Daar stond Alaric. "Ik
wil je zo veel mogelijk zien, als ik mag," zei hij als uitleg op zijn vroege
bezoek. Tot laat in de nacht had ik het gevoel dat ik hier spoedig vandaan zal
gaan." "Bedoel
je dat we weer van elkaar gescheiden worden?" gaf ik als antwoord. "Jij
zult na mij komen," zei hij. Mijn
geest werd plotseling verlicht."jij wordt opgeheven naar de hemel!"
zei ik plechtig met een zekere eerbied. Dat
zal wel zo zijn. Dagenlang was ik me bewust van een nieuw gevoel, dat me dit vertelde." "hoe
zou ik dit kunnen betreuren ? Het vult me met geluk als ik daaraan denk,"
zei ik. Niettemin waren mijn gevoelens een weinig gemengd toen we daar zo zaten
en dit heugelijke vooruitzicht bespraken. Alaric
stond op om te vertrekken en zei dat hij nog verschillende plichten te vervullen
had, eer de studenten die morgen bij elkaar kwamen voor de instructies. Toen hij
bij de deur stilhield vielen mijn ogen op de inscriptie in gouden letters op de
zuidelijke muur van mijn kamer. "Hij
die niet punctueel is beroofd zijn naaste van de tijd." "Kijk
daar," zei ik verbaasd." Dan op een wat lagere toon, "gisteren
was het daar nog niet." "Nee,
en het zal er morgen ook niet zijn. Elke dag zal er een nieuwe komen, aangepast
aan hetgeen we nodig hebben. Vandaag is het goed voor je om je werk te beginnen
met de gedachte dat het je plicht is om steeds punctueel te zijn." "Wie
schrijft deze inscripties? de directeur?" "Nee,
zelfs de directeur weet niet welke inscripties er elke dag zullen verschijnen.
Als bij magie komen en gaan deze inscripties in de kamer van elke student. Moeten
wij vragen welke invloed deze regeert?" "Ah,
dit is hemel," fluisterde ik héél eerbiedig, maar wel gelukkig. "Geen
hemel, maar een hemelse leerschool, waar het alziend oog altijd op ons rust, teneinde
om ons ten goede te leiden." Hoofdstuk
18 - Het Bruiloftskleed. Een
half uur later, bij het luiden van de eerste bel, opende ik mijn deur en sloot
me aan in de stoet die naar de kerk ging. Hier verzamelden zich leraren en studenten.
Zij knielden eerbiedig met hun gezicht naar het geopende Woord in het oosten,
dat met een wonderbaarlijke sterachtige stralenkrans omgeven was. De directeur
bad tot de Heer, dat het licht van Zijn Heilige Waarheid alle geesten moge verlichten,
dat de leraren steeds geleid mogen worden om rechtvaardig vanuit het Ware te denken
en te oordelen en te besluiten volgens de rede en dat de geest van de studenten
meer en meer geopend moge worden voor de hemelse instructies. De directeur naderde
het podium in het midden van de kerk, waar het geopende Woord lag. Daar stond
hij in een stralend licht en las een mooi gekozen gedeelte voor. Daarna kwam hij
naar beneden en begaf zich naar een kansel aan de linker zijde, waar hij een korte
toespraak hield. Hier stonden allen en wachtten tezamen, totdat hij de gang tussen
de banken door was gegaan en de Kerk had verlaten. Dan gingen de andere leraren
in een rei naar buiten. Als laatsten volgden de studenten, ongeveer twee honderd
in getal. Ik
zal geen poging doen om alle soorten onderwijs van deze en de volgende morgens
op te noemen. Indien ik dit zou doen, zouden er duizenden kolommen nodig zijn,
in plaats van één. Moge het voldoende zijn als ik zeg dat ik naast de wetten der
hemelse orde, over de liefde tot "God", waar denken en rechtvaardig
handelen spreek, dan alle mysteries des Hemels omsloten zouden worden. Het heelal
zou, als het ware, en open boek worden, wanneer alle verschijnselen, zowel geestelijk
alsook natuurlijk, verklaard en duidelijk werden gemaakt in het licht van de geestelijke
zin van het Woord, de echte Zon van Waarheid. In dat licht zou de mens gezien
worden als een schepsel, dat naar het uiterlijk dood is en dat hij het licht krijgt
uit de scheppende Goddelijkheid en dit ieder uur en moment, altijd door. In dat
licht zou het universum worden gezien als een omhulsel, of wel, als een bedekking
voor het geestelijke, waaruit alle leven vloeit. In dat licht zou het vast komen
te staan, dat in ieder zaadje van de natuurlijke wereld, dier of plant, een geestelijke
kern is, die zich bekledend met materiële dingen, voortduren zijn leven ontvangt
vanuit de Hemel, van zijn Schepper en Behoeder. Zo treedt de Heer binnen in het
innerlijk van ieder ding in de natuur en geeft het zijn bestaan en eeuwige substantie.
Indien Hij voor een ogenblik deze levengevende innerlijke kracht, welke vanuit
Hem naar beneden vloeit, zou terug trekken, dan zou het gehele universum ontbonden
worden en in een ondenkbare chaos worden veranderd. Laat
hieraan worden toegevoegd, dat onderricht hier verschilt van dat van de aarde,
zodanig, dat waarheden dan niet met herinneringen werden verbonden, maar met het
leven zelf. Zij zouden dan alleen maar geleerd worden om ze te doen. De aandoening
van het goede zou voortdurend ingegeven worden, alleen maar voor levensgebruik. In
de middag van deze dag, de eerste waar ik aan de voeten van de leraren zat - mochten
de studenten zich zoals gewoonlijk, terugtrekken om zich te verkleden. Een uur
later kwamen allen in de eetzaal bij elkaar, want het was een feestdag. De tafel
was zó gearrangeerd, dat zij drie lange zijden vormde, met in het midden een lege
rechthoek. Er was geplaatst op een wijze, zodat men elkaar van alle kanten kon
zien, die parallel waren. De hoofdmeester had een ereplaats met aan weerszijden
zijn assistenten. Langs de lange kanten zaten de reien studenten. De leraren keken
uit op de oostkant van de hal, waarin een spreekgestoelte en een tafel stonden,
in het volle zicht vanuit ieder deel van de eetzaal. D
e studenten droegen de witte feestgewaden, zoals eerder beschreven. De leraren
droegen een goud - of zilverkleurig onderkleed met daarover een blauwe toga. De
hoofdmeester droeg daarbij een dieprode cap van een rijke rode kleur. Deze glom
aan de voorkant van verscheidene, prachtige stenen, in de vorm van een adelaar
met gestrekte wieken. In deze herkende ik het wapenteken, dat bij iedere wending
te zien was en ook in de deuren gegrift en ook als blazoen op de muren aangebracht
waren. In het laatste geval bevond zich daaronder deze inscriptie: "Uw
jeugd is vernieuwd als die van een adelaar." Mooi
en sterk leken deze woorden in het licht van de waarheid, dat de jeugd van de
inwoners van de Hemel voor altijd vernieuwd zou worden. Ik dacht:"het is
heel toepasselijk dat voor het hoofd van het wapen een adelaar werd gekozen, geboren
uit dit college, waar jonge mensen onderwezen werden in de waarheid. Ik herinnerde
me, hoe Ariël me had geleerd, dat vogels, die door de lucht vlogen, een overeenstemming
van intellectuele dingen zijn. De
feesttafel was prachtig met echte bloemen en schalen van zilver en goud. Er waren
veel vruchten, zoals grapefruit, olijven, vijgen, granaatappels enzovoort, bovendien
heerlijk brood en wijnen. Maar voordat iedereen ging zitten en allen om de tafel
stonden sprak de hoofdmeester een ernstig gebed en zei: Mogen jullie met dit eten
en drinken in wederzijdse liefde verbonden en nader tot de Heer gebracht worden,
als representatie van het goede en het ware uit Hem. Gedurende het feest waren
de studenten aandachtig voor de gesprekken van de leraren voor een onderwerp,
speciaal voor deze gelegenheid gekozen, hetwelk was: "De Kerk des Heren in
de Hemel en op aarde." Nooit eerder was het zó tot me doorgedrongen, hoe
relatief gering en verachtelijk een enkel mens was. Toch was de enkele mens een
wondervolle wereld op zich, die de glorie van de Schepper mocht verklaren. In
alle aardbollen, verbonden met de miljoenen zonnen en sterren van het natuurlijk
heelal, zijn alle hemelen uit deze aardbollen gedurende ontelbare eeuwen gevormd.
Het werd getoond, hoe klein, relatief gezien, in verhouding die buiten de kerk
zijn met diegenen binnen de kerk - dat wil zeggen, de bozen in verhouding tot
de goeden. Een derde deel van de mensheid stierf in de kinderjaren of als kind.
Zij zijn gered en verbonden met hen die wedergeboren zijn op volwassen leeftijd
door de leer van de Heilige Schrift of in de Hemel, door een leven van onschuld
en naastenliefde. Zij vormen de Kerk van de Heer in een zó groot aantal, dat de
duivels in de hellen en het kwaad op aarde, alles bij elkaar maar een onbelangrijke
minderheid zijn. Over
deze onderwerpen werd nog veel gepraat en we zaten een lange tijd bij elkaar -
een tijd, die voor ons zeer genotvol was - toen de directeur aankondigde, dat
we nu gingen luisteren naar een van de studenten, die wenste te spreken. Met aangename
verrassing zag ik Alaric opstaan, naar voren komen en het spreekgestoelte bestijgen
in het oostelijk gedeelte van de hal. Terwijl hij naar ons keek, maakte hij een
hoffelijke buiging naar de leraren, groette de studenten en begon te spreken.
Nooit eerder had hij zo knap geleken. Zijn houding was een uitdrukking van geluk
en vrede, die kalmerend werkte. Ik zou willen dat ik deze mooie toespraak zou
kunnen weergeven. Nu geef ik alleen de hoofdzaken, zoals zij in mijn herinnering
leven. Geliefde
vader, geachte leraren en mijn dierbare broeders," begon hij en hij richtte
zich aan de president, zijn assistenten en de studenten. "U weet allen, dat,
toen onze genadige Heer beneden op aarde wandelde, Hij op een keer voor eenvoudige
mensen een eenvoudig verhaal vertelde. Er was een zekere koning, die een bruiloft
organiseerde voor zijn zoon. Terwijl de koning zich naar zijn gasten in de feestzaal
begaf, zag hij daar en man die niet in een bruiloftsgewaad was gekleed en hij
sprak tot hem,"Vriend, hoe kom je hierheen? Je hebt geen bruiloftskleed aan?"
De man was sprakeloos. De koning zei tot zijn vrienden,"bindt zijn handen
en voeten, breng hem weg en werp hem in de uiterste duisternis." Dit
verhaal werd gesproken door de Heer, eenvoudig in de letterlijke vorm, maar er
lag daarin een verborgen wijsheid. Van de Heilige Schrift leren we dat in de geestelijke
zin met het huwelijksfeest de hemel wordt bedoeld, waar het huwelijk is tussen
het goede en het ware in iedere engel en door de man zonder bruiloftskleren, diegenen,
die de geestelijke wereld binnen gaan, verstoken van het geestelijk kleed, dat
nodig is om hem geschikt te maken voor de Hemel. Laat ons zien, wat het werkelijk
betekent om zonder bruiloftskleed te zijn. "In
deze tijd wordt de mens geboren met alle boze neigingen, die hij van al zijn voorvaderen
geërfd heeft en die hij ook zelf heeft verworven en daardoor corrupt is geworden.
Zijn verstand en zijn wil zijn beiden verdraaid. Hij begrijpt niets van de echte
waarheid en wil niet het echte goede. Hetgeen hijzelf goed noemt is in werkelijkheid
boos en vals. Bij voorbeeld, in zijn hart zegt hij dat iets goed en waar is, om
zichzelf meer lief te hebben dan anderen. Hij is bezorgd voor zichzelf maar niet
voor de ander en begaat elke zonde zie hem op de een of andere manier begunstigd
en hem plezier doet. Wanneer iemand hem tracht te benadelen of te kort te doen
in deze boze liefden, die hij heimelijk goed noemt, dan haat hij die persoon en
brandt van verlangen om in gedachten wraak te nemen, terwijl hij er genot in vindt
om deze persoon te vernietigen. Dit is de staat van de mens, eer hij hervormd
is en doof is, als de Heer aan de deur van zijn geest en zijn hart klopt gaat
hij verder en bevestigd zich in deze boze neigingen. Hij verontschuldigd deze
en noemt ze goed. Daarbij verderft hij zijn verdorven natuur meer en meer en hij
zinkt steeds dieper in de liefde voor wat hels is. Het maakt niet uit, hoe goed
hij uiterlijk ook schijnt te zijn in zijn moraal en zijn burgerlijk leven. Als
hij in de geestelijke wereld komt, dan bezit hij nog dezelfde slechte neigingen.
De essentiële natuur, die hij zich in de wereld verworven heeft blijft bij hem.
Een mens heeft zijn eigen levensliefde. De boze neigingen domineren altijd bij
hem, ja, zij beïnvloeden de structuur of zijn ziel. Dan wordt hij herkend als
een helse geest. Er zijn inderdaad sommigen, die door lange gewoonte in het leven
van het lichaam zulke vormen van bedrog zijn geworden. Zij verbergen hun eigen
innerlijk en voeden hun uiterlijke dingen, zodat zij zichzelf kunnen voordoen
als engelen des lichts en dringen zelfs de lagere hemelse gezelschappen binnen.
Maar zulke geesten kunnen het daar niet lang volhouden, want niet alleen worden
zij spoedig herkend, maar zij worden innerlijk gekweld en gefolterd. Door de tegenstelling
met de hemelse aura, die bij hen invloeit en werkt, lijden zij. In een hemels
gezelschap wenst iedereen de ander meer goed dan zichzelf. De boze mens is onder
de engelen als een wolf onder in een schapenvacht. Hij draagt niet zijn bruiloftskleed.
Tegenover het goede en het ware is hij naakt. Dit kleed had zijn gezegende voorkeur
verworven die hij als bruiloftskleren ging aantrekken. "Hij wordt in de uiterste
duisternis geworpen," of in de hel bij zijns gelijken. Onze
Hemelse Vader heeft er barmhartig in voorzien dat dit geërfde kwaad wordt nagelaten,
indien de mens alleen maar met Hem wil samenwerken. Dit wonderbare werk wordt
voltooid door wederverwekking door de Heer en het betekent het ontvangen van de
nieuwe wil en een nieuw begrip betekent. Het kan niet in één moment gebeuren maar
het is een strijd voor het leven. Door Goddelijke openbaring moet een mens eerst
leren wat het boze en valse is en wat goed is en waar. Door
Goddelijke barmhartigheid is het zó geregeld dat hij bij voorbeeld eerst leert
de schijnbare waarheden te herkennen en dat de liefde bij hemzelf begint. Dit
zelf moet eerst worden bekeken en dan pas van de ander. Men moet goed zijn voor
de armen, de weduwen en wezen, hoe ook zijn kwaliteiten of karakter moge zijn.
Hierdoor kan de Heer aan een geregenereerde wil werken. Dit is het beginstadium
in de kindsheid van een nieuw leven. De staat van de jeugd, het begin van de volwassenheid
groeit gradueel als men niet meer kijkt naar de persoon in zijn uiterlijke dingen,
maar alleen naar zijn neigingen tot het goede, eerst in het burgerlijke, zijn
moraal en tenslotte zijn geestelijk leven. In deze staat van wederverwekking van
zijn verstand en zijn wil geeft de mens de voorkeur aan het goede. Van daaruit
leert hij van het goede te houden dat in hem is. Dan ziet hij wat het in werkelijkheid
betekent om de Heer en zijn naaste lief te hebben en daar vreugde in te vinden.
Hij begrijpt, dat de Heer werkelijk liefhebben wil zeggen, om te doen wat de Heer
wil en zó Zijn wetten te eerbiedigen. In die staat ziet hij dat men vriendelijk
en goed moet zijn voor iedereen, maar dat hij een studie moet maken, ten einde
alleen maar aan hen het goede te doen, namelijk aan die mensen in wie het goede
woont, omdat niemand anders de ware naaste is. "Zo
gaat hij dus verder met het boze te mijden en het goede te doen, altijd kijkend
naar de Heer, totdat hij zijn natuurlijk lichaam aflegt en de geestelijke wereld
binnen gaat. Hij is dan naar lichaam en geest een nieuw schepsel. Dan is hij geestelijk
gekleed en heeft het bruiloftskleed aangetrokken. Nu komt hij tot het huwelijksfeest
dat voor hem bereid en door de Heer volkomen is voorbereid. Het goede en het ware
hebben zich nu in een eeuwig durend huwelijk verbonden." Dit
was op deze opmerkenswaardige dag in grote trekken de toespraak van Alaric Mortimer.
Na de beëindiging van deze toespraak stopte hij even voor een moment in stilte,
die bekroont werd door de bijval van de leraren, die allen naar hem keken met
een glimlach en door het aanhouden applaus der studenten voor hij van het spreekgestoelte
stapte en zijn plaats innam. Een stralend licht spreidde zich uit over de plaats
waar hij stond. Naast hem werd een engel in een glanzend gewaad gezien met een
bladerenkrans van laurier voor hem. Ik
had kunnen gillen van blijdschap. Maar toen de engel de krans op zijn hoofd had
gelegd, nam hij hem bij de hand en leidde hem vanaf het speekgestoelte door een
deur aan de oostelijk gedeelte naar buiten. Ik werd me ervan bewust dat mijn hart
bijna in mijn schoenen zakte. In stomme verbazing stond ik te kijken en realiseerde
me dat ik aan mijn eigen geluk dacht en niet aan dat van mijn vriend. Toen
ik naar hem keek stond de directeur intussen op. Naar mijn uitdrukking te oordelen,
begreep ik, dat hij de engel niet verwacht had. "Het
was alsof hij wilde zeggen, "Het kwam eerder dan ik verwachtte. De
andere leraren stonden allen op en volgden hem met gebogen hoofd door de eetzaal
in dat mysterieuze appartement aan de oostkant van het vertrek, dat ik niet kende,
waarin mijn vriend en broeder verdwenen was. Wat gebeurde daar? De studenten keken
betekenisvol naar elkaar, maar niemand vroeg iets. Het was duidelijk dat Alaric
nu werd opgeheven naar de Hemel. Intussen had ik alle zelfzuchtige gevoelens onderzocht
en was ik blij voor hem. Mijn vreugde werd getemperd door een vage onbehagelijkheid
met betrekking
tot mezelf. Zou ik hem zeker volgen? De
studenten namen weer plaats in eerbied en in zwijgen. Het was vreemd stil in de
eetzaal. Maar plotseling ging in de oostelijke muur de deur open. Alaric trad
erdoor, begeleid door verschillende meesters. Zijn ogen straalden als sterren
en zijn gezicht droeg een onbeschrijfelijke uitdrukking van vreugde. Wij, die
onze ogen op hem gericht hadden en hoewel we deze tekenen gade sloegen, konden
slechts dromen over wat dit voor een geluk was. Hij stond op het podium en sprak
een paar afscheidswoorden, die ik nauwelijks in me opnam. Zó groot was mijn opwinding. Toen
hij uitgesproken was, stonden de studenten op en gingen stil naast hem staan.
Zij zeiden hem vaarwel. Ik stond achteraan en naderde hem als laatste. Glimlachend
trok hij me op het podium en hield mijn hand vast in een lange greep. Mijn gehele
hart ging in liefde en vriendschap naar hem uit. "Jij
zult na mij komen in hetzelfde gezelschap in de Hemel," zei hij. "Ik
voel het." "God
geve het," antwoordde ik. Dan
legde hij zijn arm rond mijn nek - deze jonge engel - en kuste me stil op het
voorhoofd. Het volgend ogenblik was hij verdwenen. De
andere studenten mochten gaan en verlieten de eetzaal. Zij begaven zich op het
terras in verschillende groepen en bespraken deze grote gebeurtenis. Lange, lange
tijd verbleef ik op deze verlaten plaats, zelfs toen de leraren terugkeerden door
die mysterieuze deur. Dan liep ik snel op hen toe en vroeg: "Is
hij met de engel naar de Hemel gegaan?" "Hij
is gegaan." Hoofdstuk
19 - Het meisje en de duif De
volgende dag hielden mijn gedachten zich meer met Alaric bezig, mijn engelvriend,
dan met mijn leermeesters en wat zij mij leerden. Maar de dag daarop zette ik
mijn gedachten terzijde en verkeerde ik in een kalme en vredige toestand. Waarom
zou ik er zoveel aan denken, daar het maar een tijdige scheiding was. De Heer
regeerde in alle dingen. Elke gebeurtenis in mijn leven werd beslist geregeld
in het uitzicht op een eeuwig welvaren. Laat me dan een evenwichtige geest bewaren,
waren mijn innerlijke gedachten, en ernaar streven en me met bereidwilligheid
in de stroom van de goddelijke voorzienigheid begeven, terwijl ik intussen het
nodige werk ga verrichten, eer de tijd rijp is voor het openen van de hemelse
poort. Gedurende
enkele dagen vervolgde ik mijn studies, kalm en gelukkig met deze gedachten; maar
buiten de muren van de Hemel bestaat geen echte vrede. Moge de tijd onverwachts
komen voor deze onwaardige als ik, wiens hoop en vertrouwen nu nog wel eens wankelde.
Op een dag gebeurde het, na een gelukkig feest, waarop de leringen van de volgende
dagen als het ware bekroond werden, toen ik alleen een wandeling maakte. Later
zocht ik zelden de eenzaamheid, want het gezelschap van mijn medestudenten was
in ieder opzicht zó aangenaam, dat ik niets liever wenste, tenzij het met de leraren
zou zijn. In het eerste geval was het gezelschap als een bos met verschillende
bomen, in het andere geval als een mooie en goed aangelegde tuin, wat de studenten
waren intelligent en de leermeesters wijs. Maar op deze dag, toen de anderen te
paard of te voet in groepen de frisse lucht zochten, werd ik sterk gedreven om
alleen te wandelen. Ik koos een pad dat zuidwaarts naar een dal leidde en ging
tenslotte een heuvel op naar het oosten. De statige bossen die in blijvende verscheidenheid
het slingerende pad flankeerden, hieven mijn geest omhoog met blijde gedachten.
Ik werd overstroomd door een atmosfeer van rustig geluk. Op
de top van een heuvel zag ik met welgevallen beneden me een mooi dal met in het
midden van een helling een gebouw dat leek op onze school, maar met een eigen
kenmerkend karakter. De glimmende torens waren slanker en sierlijker, in contrast
met onze meer massieve torens. Sterk daartoe aangetrokken, ging ik naar beneden
via de met woud begroeide heuvelkant, naar het dal. Gelukkigerwijs raakte ik de
richting kwijt en kwam ik niet in de nabijheid. Ik zag niet het mooie gebouw.
De dennen, zilversparren en ceders liet ik achter me en kwam ergens uit waar mirtenstruiken
stonden, in fluisterende groepen - want een zachte wind bewoog hun groene, eivormige
bladeren. Gracieuze palmen zagen neer op bloeiende amandelbomen, waar een scharlaken
bloem als een vlammend laken op de grond gedrapeerd lag. Op dit eigenaardige plekje
zag ik iets, dat mijn voetstappen vertraagde. Een
mooi jong meisje - mirten rechts van haar, amandelbomen links, slanke palmen achter
haar en de dieprode bloemen aan haar voeten. Zij zat op en tuinbank, gebogen over
een handwerk, waarin het artistiek karmozijnrood met sneeuwwitte zijden draden
een onbewust echo vormden met het rood en wit van haar wangen. Aan haar zijde
zat op de armleuning van de bank een spierwitte duif met een rode ring om de nek.
Noch het meisje, noch de duif had de naderende indringer opgemerkt, die ineens
stopte en in bewondering en
vrees zijn adem inhield. Dit
tableau was te mooi. Ik vroeg me af of ik droomde. Een tak kraakte onder mijn
voeten en dit werd beantwoord. De vogel vloog met een alarmeren geluid op en het
jonge meisje stond op. Zij keek me een ogenblik angstig aan en dan weer met terugkerende
ernst. De eeuwen zullen komen en gaan, maar nooit zal ik deze ogen vergeten, die
me doordringend aanzagen. Het waren grote lieflijke ogen van een diep donkerblauwe
kleur. En dat gezicht! Mijn hart sprong bij het zien daarvan op. Met een trillende
golf van vreugde was ik overtuigd, dat alle schoonheid, alle zachtheid, alle adeldom
en alle goedheid tezamen woonden. "Vrees
niet," herhaalde ik met ontroerde stem. Voor niets in de wereld zou ik u
willen kwetsen." "U
zou me niet mogen kwetsen," antwoordde zij. De muziek van haar stem was een
wonder en een waar genot. Er was geen reden tot angst. Ik zou haar niets kunnen
doen, al zou ik willen. Toen zij mij dit feit mededeelde, lag het volle vertrouwen
in een onzichtbare bescherming op haar gezicht te lezen, maar haar glimlach was
niet onvriendelijk. "Ik
maak me zorgen," zei ze openhartig, "omdat ik betwijfel, of ik er goed
aandoe om hier met u te praten." Zij
keek, terwijl zij sprak, naar haar duif, die na een opwaartse vlucht naar beneden
kwam en op zich zette op de rug van de bank. Toen zij zich weer naar mij toekeerde
vroeg ze me: "Hoe
kon u de wachters passeren?" "Wachters
? ik zag niemand." "Zij
moeten u hebben gezien." "Misschien,"
sprak ik nu een weinig heftig, "Misschien was er dit keer geen kwaad te verwachten
en was het de indringer toegestaan zonder meer te passeren." Weer
zochten haar ogen de vogel, als om aan hem te vragen. enigszins peinzend richtte
zij zich tot mij." Ik heb gehoord dat dit soms zo geregeld wordt. Door en
innerlijk sein of opdracht wordt dit aan de wachters te kennen gegeven, als zij
de indringer niet aan de grens behoeven tegen te houden." De
duif vloog nu terug naar haar vroegere zit. Na een moment van zichtbare aarzeling
ging het jonge meisje weer zitten. "U
bent een student van de naburige school, niet waar?" "Ja,"
zei ik, terwijl ik stoutmoedig dichterbij kwam. Dan vroeg zij me vriendelijk om
naast haar te komen zitten. "En
jij, wil je me niet vertellen wie je bent?" Mijn manier van doen was ernstig,
zelf warm, maar volkomen respectvol. "Ik
behoor tot onze school voor jonge vrouwen," antwoordde zij eenvoudig. Terwijl
zij haar mooie ogen even van haar borduurwerk tilde en me met open blik aankeek. "En
je bereidt jezelf voor, voor de Hemel," zei ik, niet op een vragende toon,
zó zeker was ik ervan en zó blij te weten, dat er eenzelfde school als die van
ons, ook voor jonge meisjes was. "Ja,"
zei ze, "ons wordt steeds geleerd om vooruit te zien naar de Hemel, die ons
steeds meer nabij schijnt te komen, wanneer de tijd voor onze medescholieren gekomen
is, om daarheen verheven te worden." En
was je reeds lang in deze school?" vroeg ik verder, benieuwd naar meer bijzonderheden. "Al
drie jaar," was haar overtuigde antwoord. "Voordien leefde ik gedurende
vijf jaar in een andere school." "Jij
hebt langer dan ik in de geestelijke wereld geleefd." "Ik
kan me de natuurlijke wereld nauwelijks herinneren," zei ze. "Ik was
nog een klein meisje van tien jaar toen ik daar weg ging. Bij mijn komst hier
nam een engelmoeder me onder haar hoede en plaatste me op een school met andere
meisjes van mijn eigen leeftijd. Zij was daar een van de leraren en zij was zó
mooi en goed, zodat ik vanaf het begin erg veel van haar hield, hoewel ik vak
een ondeugend klein meisje was." "Vertel
me meer," smeekte ik, toen zij zweeg. "Je
bent nieuwsgierig of ik gestraft werd, "met een diepe, vriendelijke lach.
"Ik werd vaak gestraft en terecht. Ik droeg alleen maar eenvoudige witte
kleren, behalve op feestdagen. Als ik stout was kwamen er donkere, lelijke vlekken
op. De engelmoeder berispte me dan met een zorgvolle blik in haar mooie ogen.
Dan rende ik weg en huilde. Wanneer ik dan echt berouw had gingen de vlekken weg.
Dan lachte mijn lieve moeder weer. "Soms," voegde zij toe, bestond mijn
straf in het verlies van mijn mooiste feestkleren, die verdwenen of weggenomen
werden. Dat weet ik niet. Een andere keer werd ik verblijdt als ik een nieuw kleed
in mijn kamer vond. Dit was een teken dat ik me goed gedragen had. Zij
was iets afstandelijk en aarzelend,als zij over zichzelf praatte. Zij zweeg vaak,
keek naar haar duif om te weten of zij verder mocht gaan. De ene vraag echter
volgde de andere, waardoor zij gedwongen was om te praten. Zo
vertelde zij, dat zij na een paar jaar niet veel verkeerd deed, uiterlijk dan,
maar dat zij soms jaloers was op haar kameraadjes en hen in haar hart beschuldigde
van kwaad doen. Dan kwamen de bewuste straffen terug of de rozen in haar tuin
lieten hun kop hangen en maakten een verwelkte indruk. Het was namelijk een van
haar plichten om in een kleine tuin de bloemen te verzorgen, waarop haar kamer
uitkwam. Geleid door dit teken, om haar slechte aard te erkennen, werd zij dan
door verdriet getroffen. Als haar berouw dan echt was, gingen de rozen weer hun
kop oprichten en werd hun frisheid en jeugd vernieuwd. "Hoe
schattig!" Zij
zei, dat zij soms, als zij even uitging, de gehele aanblik van haar tuin veranderd
was, niet alleen verdord, maar ook het onkruid kwam op. Dan wist zij dat zij kwaad
gedaan had. Niet voordat zij zichzelf beproefd had en het werk van berouw voltooid
had kwam alles weer in orde, als tevoren. "De
tekens, die de Heer je in je school zendt, zijn gericht aan je aandoeningen, maar
degenen die Hij ons geeft zijn redelijk."Ik vertelde haar, wat op de muur
van mijn kamer geschreven was op de eerste dag en iets dat ik later zag. "De
Heer leidt ons op onnoembare wegen," zei ze. "Ik had reeds eerder gehoord
van de wonderbare geschriften op de muren." Zij
vertelde nu, dat zij, toen zij vijftien jaar was en een groot meisje werd, zij
naar de tegenwoordige school was gegaan, waar zo veel dingen anders waren. Haar
bloemen had zij nog, maar er was nu een nieuw teken. Zij had en duif gekregen
en werd door haar gewaarschuwd als zij onvriendelijke gedachten had of ongehoorzaam
was in haar doen. Zij had gehoord dat de meisjes in sommige scholen zwanen kregen,
in andere paradijsvogels en in weer anderen lammeren. We
hadden elkaar tot op dit uur nooit gezien. Hoe vreemd was deze vrijmoedigheid
en het vertrouwen ! Vreemd, dat ik het gevoel had, alsof ik haar vanaf mijn jongenstijd
had gekend! "Ik
zegen de dag, die me hierheen bracht," zei ik tegen haar met een lange, lange
blik, toen zij zweeg. Het
was een moment stil, nadat ik had gepraat. Dan hoorde ik het klapwieken van vleugels.
Het jonge meisje stond op. "Mijn
vogel vloog weg!" Ik ben te lang gebleven, voegde zij eraan toe en ging weg. Ik
sprong op om haar te volgen, maar een blik uit haar ogen hield me tegen. Dan stak
ik mijn hand op en volgde haar, maar mijn voeten zaten vast. "Elke
dag zal ik bidden om je weer te mogen zien," zei ik met een gevoel van pijn. Zij
hield niet stil, maar weer keek zij om en glimlachte. Die glimlach was hemels. "Denk
eraan," riep ik haar zacht na en dan tot mezelf, "Herinner wat mijn
dagelijks gebed zal zijn." Zij
stond niet stil, maar keek weer om. Steeds was er de hemel in haar glimlach. Zo
ging zij verder, totdat de mirten haar opeisten en de amandelbomen haar aan mijn
gezicht onttrokken. Ik, die daar alleen stond, keek om me heen met en onbepaalde
spijt en pijn als iemand, die ontwaakt uit en mooie droom. Toen
keerde ik me om en ging mijns weegs, blindelings verder lopend, vervuld met onrustige
gedachten van een jonge man, die voor het eerst gelooft dat hij van een meisje
houdt. Nu liep ik de met woud begroeide heuvelkant op en vergat dat de wachters
vermoedelijk de grens bewaakten. Ik ging naar ons eigen dal en wandelde daar,
totdat de schemer inviel. Dan zocht ik mijn eigen kamer op in de school en vermeed
iedereen. Mijn
ziel was treurig. Nieuwe en onverwachte gevoelens werden in me wakker. Hier was
ik dan, een geest, die naar ik hoopte, zich ging voorbereiden tot de Hemel. Mijn
gehele ziel trilde door gedachten van liefde en een huwelijk met, een meisje!
Was dit de laatste kroon op de verzoekingen uit de hel? Had de Heer niet, toen
Hij op aarde was, gezegd, "Want in de opstanding uit de dood worden zij niet
gehuwd of tot een huwelijk gegeven?" Hoe vol kwaad was ik wel, omdat ik zulke
gedachten had en zulke emoties voelde! Maar als dit zonde is, hoe zoet is dan
de zonde! En als de Hemel zonder liefde is, hoe onvolkomen is dan de Hemel! Hoofdstuk
20 - Licht na schaduw De
gehele nacht door vocht ik met mijn gedachten van liefde -al de volgende dagen
en de dagen daarna - terwijl ik naar mijn meesters luisterde. Maar de liefde overwon,
niet ik zelf. In wanhoop zocht ik tenslotte een gesprek met de hoofdmeester. Hij
bepaalde dat ik hem in de ontvangkamer zou mogen spreken. "Wat
is er aan de hand, mijn zoon ?" vroeg hij vriendelijk, toen ik aarzelend
voor hem stond." De laatste drie dagen heb ik gezien dat het niet goed was
met je., maar ik heb gewacht om met je te praten." "Ik
kom uw hulp vragen, mijn vader, want ik ben diep bedroefd. Ik ben geschokt door
vreemde wensen en gedachten, vreemde gedachten en vrees dat ik nooit naar de Hemel
kan gaan. Soms, zelfs vaak heb ik gewenst om er niet heen te gaan. Ik voel me
hulpeloos. Ik weet niet wat ik ervan moet denken of wat ik moet doen." "Niet
wensen om naar de Hemel te gaan?" echode de hoofdmeester met een doordringende
blik. "Ja,
dat is zo, mijn vader," zei ik en keerde mijn ogen af. "Realiseer
jij je, wat je zegt? Het is zeker dat je in een staat van verzoeking bent, maar
dat is niet voldoende om deze, - waanzin te verklaren." Ik
liet mijn hoofd hangen. Na een ogenblik ging hij voort met een zó grote ernst,
zoals hij nooit eerder had getoond. "Is het mogelijk dat je nu terug kunt,
nadat je zó ver bent gegaan ?" "Luister,
mijn vader, zou ik niet voor altijd in deze middelste wereld kunnen blijven en
diegenen die uit de wereld komen mogen onderrichten en daarmee de Heer zo goed
mogelijk dienen ?" vroeg ik heftig. Al mijn gedachten die in mijn geest rondwentelden
gooide ik eruit. "En
waarom ? Wil je stilstaan op de drempel en tevreden zijn, alleen al met de toon
van de muziek en daarin rond blijven dansen? Wil je in de poort blijven staan,
nadat de bruidegom met zijn vrienden naar binnen, naar het feest is gegaan? Waarom
?" "Omdat
ik gemerkt heb, dat mannen en vrouwen hier in een huwelijk leven." "Spreek
en verklaar dit mysterie." "Ik
heb gezien, o mijn vader, een vrouw, een jong meisje en ik heb haar lief. Deze
drie dagen heb ik hard gevochten en nog houdt ik van haar." "En
waarom mag je niet van haar houden ?" Verbaasd,
ongelovig sloeg ik langzaam mijn ogen op en keek de hoofdmeester aan. Ik zag geen
droefheid, geen berisping, maar een blik van opluchting. Dan antwoordde ik als
in een droom: "De Heer heeft gezegd: "Want in de opstanding der doden
zijn zij niet getrouwd noch worden ten huwelijk gegeven." "Heb
je nog niet geleerd," vroeg de directeur met een verbaasde stem, "dat
de engelen in huwelijkse staat leven en dat tedere liefde van gehuwde paren het
echte leven des Hemels is, de innerlijke vreugde van hen, die daar wonen ?" Mijn
hart sprong over bij deze woorden. In grote verwondering en pijnlijke verwarring
voelde ik de zon weer schijnen. Toch - toch was er nog een wolk. "Maar
die woorden van de Heer,mijn vader ?" "Ik zal het je uitleggen,"
was het geruststellende antwoord. " Je hebt uit het Goddelijk Woord geleerd,
dat de Heer,toen Hij op aarde was,vaak in gelijkenissen sprak tegen de eenvoudige
mens, die niet begreep en ontheiligd zou hebben. Hij sprak niet de werkelijke
waarheid, die versluierd werd. In de innerlijke, onvervalste zin betekenen deze
woorden: "Bij de opstanding der doden zijn zij noch gehuwd, noch worden zij
ten huwelijk gegeven, dat het huwelijk tussen goed en kwaad in de mens niet kan
plaatsvinden, nadat hij in de geestelijke wereld is gekomen, voordat dit huwelijk
reeds in de natuurlijke wereld begon. Met
andere woorden,hij kan niet de Hemel binnen gaan, zonder dat hij echt aan zijn
wederverwekking op aarde is begonnen. Het is onmogelijk dat een huwelijk tussen
goed en kwaad plaats vindt in een geest, die zich tijdens zijn leven in het boze
bevestigd heeft." "En
leven de engelen als man en vrouw ?" vroeg ik, half bang dat ik wakker zou
worden en gewaar werd dat deze woorden, die ik hoorde, uit het land der dromen
kwamen. "En
is daar "- vroeg ik verder - zijn daar nakomelingen uit deze liefde?" "Geen
natuurlijke nakomen. Het is volgens de orde en Goddelijke wetten dat alle mensen
of alle engelen in de natuurlijke wereld worden geboren. Daarom worden er in de
Hemel geen kinderen geboren. De vruchten van het huwelijk zijn een voortdurend
groeiende liefde voor de Heer en de naaste. Deze liefde van een man voor een vrouw
en van een vrouw voor een man is in een ieder met de schepping ingeplant en het
is de sterkste neiging van het menselijk ras. Na de dood wordt deze niet weggenomen.
Dit is niet de wil van Hem, die de Bruidegom en Echtgenoot van de Kerk is, zoals
een bruid en vrouw. Maar dit duurt in alle eeuwigheid, onzuiver en echtbrekend
bij de duivels die dit zelf veroorzaakten, maar zuiver , rein en hemels bij de
engelen." Een
gezang van blijdschap klonk in mijn hart. Mijn onrustige ziel was al in vrede.
"En mag ik dan hopen ?" vroeg ik vertrouwelijk, dat ik op een dag dit
meisje mag trouwen en dat ik met haar in de Hemel mag leven ?" "Dat
mag je, maar bedenk, dat er condities aan verbonden zijn." "Zeg
me, welke dat zijn." "Een
echt en gelukkig huwelijk is op aarde voorzien voor diegenen, die vanaf hun jeugd
dit gewenst en ervan gehouden hebben. Zij hebben aan de Heer gevraagd om een wettelijke
en goede verbinding met één en een afkeer van ijle lusten hebben. Hier zijn dezelfde
condities. Als u die trouw in acht neemt zal de grootste van alle zegeningen de
uwe zijn. Om U voor het hemels huwelijk voor te bereiden moet u overspel mijden
als helse boosheden. Je moet steeds bedenken dat men dit niet kan zonder alle
andere boosheden te schuwen, omdat echtbreuken een complex van alles zijn. Denk
erom, als schoonheid alleen verbindt, dan is het overspel. Een echt huwelijk is
een verbintenis van geest en ziel. Zulk een huwelijk komt overeen met goed en
waar. Om dit te bereiken moet je zó leven dat in je geest en in je hart het ware
met het goede verbonden wordt. Dit werk ben je reeds begonnen en je mag het hier
voltooien, als je dit wilt. Studeer dan ijverig het Goddelijk Woord. Laat al je
gedachten en tevens je aandoeningen bij deze studie betrokken zijn. Zo zul je
geschikt zijn om met een lief engelmeisje verbonden te worden. Haar gedachten
wensen zullen dan dezelfde zijn als die van jezelf, omdat zij in overeenstemming
zijn met de wetten des Hemels." "Zulk
een verbintenis," besloot de directeur ernstig, is de gelukkigste van alle
geluk, de zegen van alle zegeningen. Mijn zoon, moge het elke dag je zorg zijn
om eerbiedig tot de Heer te bidden dat Hij je voorwaarts moge leiden en je voorbereiden
en je bekronen met Zijn liefde." Toen
mijn geliefde meester deze slotwoorden uitte, herinnerde ik me mijn gelofte, die
ik in tegenwoordigheid van dit lieve meisje had gesproken. "Elke
dag zal ik bidden om je weer te mogen zien." - Toen ik mocht gaan herhaalde
ik daar buiten vurig telkens weer deze woorden. De
gehele wereld was veranderd. In mijn ogen waren ons dal en de het omgevende heuvels
verheerlijkt, ogen die zwierven van heuvel tot heuvel en die door tranen verduisterd
waren. "Elke dag, ja, elk uur," fluisterde ik, met versnelde ademhaling, totdat ik geschikt ben om haar weer te mogen zien, telkens weer en dan voor altijd! tot op de grote dag waarop zij de mijne is, alleen voor mij, totdat we samen on uiteindelijke tehuis hebben gevonden, om daar begiftigd met de bloei dar eeuwige jeugd te leven, waar stralende blijdschap ons zal ons zal vervullen met niet te dovende fak |