|
|
|
__ |
|
1 |
- De
mens is geschapen
- om
een engel te worden.
Laatste
Oordeel 20. Wie
over de Goddelijke orde onderricht is, kan ook begrijpen dat de mens geschapen
is om een engel te worden, omdat in hem het laatste der orde is, waarin datgene
kan worden gevormd wat tot de hemelse en engelenwijsheid behoort, en wat kan worden
vernieuwd en vermeerderd. De Goddelijke orde bestaat nooit in het middelste, en
vormt daar nooit iets zonder uiterste, want zij is daar niet in haar volheid en
volmaaktheid, maar gaat verder tot het laatste. En wanneer zij in haar laatste
is, dan vormt zij, verzamelt middelen, vernieuwt zij zich en brengt verder voort,
hetgeen geschiedt door de voortplanting. Om deze reden is dáár de kweekplaats
voor de hemel. Dit is ook bedoeld met hetgeen over de mens en zijn scheppinggezegd
wordt in het eerste hoofdstuk van Genesis: "God zei: laat ons de mens maken in
ons beeld, naar onze gelijkenis.... en God schiep de mens in Zijn beeld, in het
beeld Gods schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen en God zei tot hen: Weest
vruchtbaar en vermenigvuldigt u." (Gen.1:26-28) "Scheppen in het beeld Gods, en
in de gelijkenis Gods" is hen begiftigen met alles van de Goddelijke orde, van
het eerste tot het laatste, en hem zo, wat de innerlijke dingen van zijn geest
betreft, tot een engel maken. |
|
|
2 |
.
- Zoals
slangen het dichtst bij de aarde zijn,
- zo
is ook het zinnelijke het dichtst bij het lichaam.
Hemelse
Verborgenheden 195. De
Oudsten hebben alles wat in de mens was, met dieren en vogels niet vergeleken,
maar zo genoemd. Van dien aard was hun manier van spreken; zo bleef het ook in
de Oude Kerk na de vloed en een dergelijke spreekwijze werd bij de profeten in
stand gehouden. Het zinnelijke van de mens noemden zij slangen, want zoals slangen
het dichtst bij de aarde zijn, zo is ook het zinnelijke het dichtst bij het lichaam.
Daarom noemden zij de uit het zinnelijke voortkomende redeneringen over geloofsmysteriën
slangengiften en de redeneerders zelf slangen. Daar dezen nu vanuit het zinnelijke
of zichtbare, zoals de aardse, lichamelijke, wereldse en natuurlijke dingen, veel
redekavelen, wordt er gezegd; 'de slang was listiger dan al het wild gedierte
van het veld'. Zo ook bij David: 'Zij scherpen hun tong als een slang, addervergift
is onder hun lippen', (Psalm 140:4,5,6). Daar is sprake van hen, die de mens door
redeneringen verleiden. Bij dezelfde: 'De leugensprekers dolen van de moedersbuik
aan, venijn hebben zij naar gelijkheid van het venijn van de slang, zoals een
dove giftige adder haar oor verstopt, opdat zij niet hore naar de stem van de
belezers, van degene die deelneemt aan de vergaderingen van de wijze', (Psalm
58:4,5,6). De redeneringen worden hier slangengif genoemd en deze zijn van dien
aard, dat zij dat wat wijs is of de stem van de wijze niet eens horen; vandaar
de bij de Ouden gebruikelijke spreekwijze dat de slang haar oor verstopt. Bij
Amos: 'Als wanneer iemand kwam in een huis en leunde met zijn hand aan de wand
en hem beet een slang, zal dan niet de dag van Jehovah duisternis zijn en geen
licht? En donkerheid en geen glans aan hem?', (Amos 5:19,20). De hand aan de wand
voor eigen macht en vertrouwen op het zinnelijke, vandaar de verblinding die beschreven
wordt. Bij Jeremia: 'De stem van Egypte zal gaan als van een slang, want zij zullen
met macht daarheen trekken en tot haar met bijlen komen, gelijk houthouwers; zij
zullen haar woud afhouwen, spreekt Jehovah, omdat het niet onderzocht zal worden,
want zij zijn meer vermenigvuldigd dan de sprinkhanen, zodat men hen niet tellen
kan; de dochter van Egypte is beschaamd; zij zal gegeven worden in de hand van
het volk van het Noorden', (Jeremia 46:20,22,23,24). Egypte staat voor het redekavelen
over goddelijke dingen vanuit het zinnelijke en het wetenschappelijke. De redeneringen
heten, stem van de slang, en de verblinding die daaruit volgt, wordt aangeduid
met volk van het noorden. Bij Job: 'Het vergif van de adders zal hij zuigen, de
tong van de slang zal hem doden, de beken, de stromen van rivieren van honing
en boter zal hij niet zien', (Job 20:16,17). Rivieren van honing en boter zijn
de geestelijke en hemelse dingen, die de redeneerders niet zullen zien, de redeneringen
worden vergif van de adders en tong van de slang genoemd, zie ook: (vers 14,15). |
|
|
3 |
- Door
de vogel naar zijn aard
- wordt
al het geestelijk ware aangeduid,
- door
het gevogelte het natuurlijk ware,
- en
door het gevleugelde het zinnelijk ware.
Hemelse
Verborgenheden 776. Dat
door de vogel naar zijn aard al het geestelijk ware wordt aangeduid, door het
gevogelte het natuurlijk ware, en door het gevleugelde het zinnelijk ware, blijkt
uit hetgeen eerder omtrent vogels is gezegd en aangetoond, zoals in, zie: [40].
De Oudsten vergeleken de gedachten van de mens met vogels, omdat deze zich zo
verhouden tot de dingen van de wil. Daar hier de vogel, het gevogelte en het gevleugelde
zijn genoemd, en deze op elkaar volgen als in de mens de dingen van het verstand,
van de rede en van de zinnen, zo mogen, opdat niemand twijfelt dat zij dit betekenen,
nog enige plaatsen uit het Woord ter bevestiging worden aangevoerd, waaruit tevens
blijkt, dat de dieren dergelijke dingen, zoals eerder is gezegd, betekenen. Bij
David: 'Gij liet hem heersen over de werken van Uw handen, Gij hebt alles onder
Zijn voeten gezet, de kudde van het kleine en het grote vee, alle die, en ook
de beesten van de velden, het gevogelte der hemelen en de vissen der zee', (Psalm
8:7,8), waar van de Heer sprake is Wiens heerschappij over de mens en over datgene
wat van de mens is, zo beschreven wordt. Wat zou anders de heerschappij over beesten
en vogels voor zin hebben? Bij dezelfde: 'Vruchtbomen en alle cederbomen, het
wilde dier, en alle beest, kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte zullen de
naam van Jehovah verheerlijken', (Psalm 148: 9,10,13). De vruchtboom is de hemelse
mens, de ceder is de geestelijke mens; het wilde dier, het beest, en het kruipend
gedierte zijn hun goedheden, zoals hier: het gevleugeld gevogelte hun waarheden,
waardoor zij de naam van Jehovah kunnen verheerlijken, wat het wilde dier, het
beest, het kruipend gedierte geenszins vermag. In wereldse geschriften kunnen
dergelijke dingen overdrachtelijk gezegd worden, maar in het Woord van de Heer
komen geen stijlfiguren en voor, maar is alles aanduidend en uitbeeldend. 'Beven
zullen voor Mij de vissen van de zee en de vogel der hemelen, en het wilde dier
van het veld, en al het kruipende gedierte, dat op de aardbodem kruipt, en alle
mens die op de aangezichten van de aardbodem is', (Ezechiël 38:20). Dat beesten
en vogels hier dit betekenen, blijkt duidelijk, want wat voor heerlijkheid zou
het Jehovah bereiden als de vissen, vogels en beesten zouden beven; of kan iemand
geloven dat zulke wijzen van spreken heilig zouden zijn, wanneer deze niet heilige
dingen in zich hielden? 'Ik zag, en ziet, er was geen mens, alle vogelen der hemel
waren weggevlogen', (Jeremia 4:25), voor al het goede en ware; ook hier staat
de mens voor het goede van de liefde. 'Zij zijn verwoest, zodat er geen man doorgaat,
en men niet hoort de stem van het vee, van de vogel der hemelen aan tot het beest
toe, zijn zij weggezworven doorgegaan', (Jeremia 9:10), desgelijks voor: al het
ware en goede is verdwenen. 'Hoe lang zal het land treuren en het kruid van het
ganse veld verdorrren, vanwege de boosheid van diegenen, die daarin wonen, zijn
de beesten en de vogels vergaan, dewijl zij zeiden: Hij zal het laatste van ons
niet zien', (Jeremia 12:4), alwaar de beesten voor de goedheden staan, en de vogel
voor de waarheden die te gronde gingen. 'Ik zal wegrapen de vogel der hemelen,
en de vissen der zee, en de ergernissen met de goddelozen, en Ik zal de mens van
de aangezichten van de aardbodem uitroeien', (Zefanja 1:3), alwaar mens en beest
staan voor datgene wat tot de liefde behoort en vandaar tot het goede; de vogel
der hemelen en de vissen der zee voor de dingen, die tot het verstand behoren
en dus tot het ware, welke ergernissen worden genoemd, want goedheden en waarheden
zijn ergernissen voor de goddelozen, maar niet de beesten en de vogels. Dat het
dingen betreft die tot de mens behoren, wordt ook uitdrukkelijk gezegd, zoals
bij David: 'De bomen van Jehovah worden verzadigd en de cederbomen van Libanon,
die Hij geplant heeft, alwaar het gevogelte nestelt', (Psalm 104:16, 17); bomen
van Jehovah en cederbomen van Libanon voor de geestelijke mens, het gevogelte
voor zijn redelijke of natuurlijke waarheden, die als het ware nesten zijn. Overigens
was het een algemene spreekwijze, dat de vogels op de takken nestelden, waarmee
waarheden werden aangeduid, zoals bij Ezechiël: 'Op de berg der hoogte van Israël
zal Ik hem planten, en hij zal takken voortbrengen en vrucht dragen, en hij zal
tot een heerlijke ceder worden, en onder hem zal wonen alle gevogelte van allerlei
vleugel, in de schaduw van zijn takken zullen zij wonen', (Ezechiël 17:23); voor
de Kerk van de heidenen die geestelijk is; zij is de heerlijke ceder; gevogelte
van allerlei vleugel, voor waarheden van allerlei aard. Bij dezelfde: 'Alle vogel
der hemelen nestelde in zijn takken, en alle wilde dieren des velds teelden onder
zijn takken, en alle grote natiën woonden onder zijn schaduw', (Ezechiël 31:6),
over Aschur, die de geestelijke Kerk is en ceder wordt genoemd; vogel der hemelen
voor de waarheden van die Kerk, en beest voor de goedheden. 'Zijn tak was schoon,
en zijn vruchten vele, en er was spijze aan dezelve voor allen, onder hem vond
het beest des velds schaduw en het gevogelte des hemels woonde in zijn takken',
(Daniël 4:12, 21), alwaar het beest voor de goedheden staat, het gevogelte der
hemelen voor de waarheden, wat eenieder kan inzien, want wat zou het anders voor
zin hebben, dat daar de vogel en het beest woonden? Desgelijks hetgeen de Heer
sprak: 'Het koninkrijk Gods is gelijk aan een mosterdzaad, hetwelk een mens genomen
en in zijn hof geworpen heeft, en het wies op, en werd tot een grote booom, zodat
de vogels des hemels woonden in zijn takken', (Lukas 13:19; Matthéüs 13:31,32;
Markus 4:31,32). |
|
|
4 |
- Het
Woord is innerlijk levend.
Over
het Woord 2. Wanneer
het Woord wordt gelezen door een mens die dat heilig houdt, dan wordt de natuurlijke
zin daarvan geestelijk in de tweede hemel, en hij wordt hemels in de derde. Aldus
wordt achtereenvolgens het natuurlijke uitgetrokken. Dit geschiedt omdat het natuurlijke,
het geestelijke, en het hemelse met elkaar overeenstemmen, en het Woord door louter
overeenstemmingen samen geschreven is. De natuurlijke zin van het Woord is in
de letterlijke zin, die in zijn geheel geestelijk wordt, en daarna hemels in de
hemelen. Wanneer het geestelijk wordt, leeft het vanuit het licht van het ware
aldaar; en wanneer het hemels wordt, leeft het vanuit de vlam van het goede daar.
want de geestelijke voorstellingen bij de engelen van de tweede hemel trekken
vanuit het licht daar, dat in zijn wezen het Goddelijk Ware is. De hemelse voorstellingen
echter bij de engelen van de derde hemel trekken vanuit de vlam van het goede,
die in haar wezen het Goddelijk Goede is. Want in de tweede hemel is blinkend
wit licht, waaruit de engelen daar denken; en in de derde hemel is vlammig licht,
waaruit de engelen daar denken. Het denken van de engelen verschilt geheel en
al van de denkingen der mensen. Engelen denken door lichten, blinkend witte of
vlammige, die zodanig zijn dat zij niet natuurlijk beschreven kunnen worden. Vanuit
deze dingen blijkt dat het Woord innerlijk leeft, zodat het niet dood is, maar
levend bij de mens die over het Woord, wanneer hij dit leest, heilig denkt. Bovendien,
het gehele Woord wordt levend gemaakt uit de Heer, want het wordt bij de Heer
leven, zoals Hij ook zegt bij Johannes: "De woorden die Ik u spreek, zijn geest,
en zijn leven." [Joh.6:63] Het leven dat door het Woord uit de Heer invloeit in
het verstand, is het licht van het ware, en in de wil is het de liefde van het
goede. Deze liefde en dat licht samen verbonden maken het hemels leven, dat het
eeuwige leven wordt geheten, bij de mens. Zoals de Heer leert in Joh. 1 vers 4:
"God is het Woord, waarin het leven is, en het leven is het licht der mensen."
|
|
|
5 |
- Over
leeftijden van de mens;
- waarom
sommigen lang
- en
anderen niet lang leven.
Opmerkenswaardige
Levende Ondervindingen 5002, 5003. Door
de Heer is het leven van ieder mens vooruitgezien, hoe lang hij zal hebben te
leven en op welke wijze; om welke reden de mens vanaf de eerste kindsheid aan
wordt gericht tot het leven tot in het eeuwige, zodat de voorzienigheid van de
Heer inzet van de eerste kindheid aan. Dat mensen sterven als kinderen, in hun
jeugd, als volwassenen of als ouder mens, heeft deze oorzaken:
- 1. Vanwege
het nut in de wereld met de mensen.
- 2.
Vanwege het nut wanneer men in de wereld is, met de geesten en engelen, want de
mens is ten aanzien van zijn innerlijke dingen samen met geesten, en daar is hij
zolang hij in de wereld is, waarin alle dingen van de geestelijke wereld hun grens
vinden.
- 3.
Vanwege het nut voor hemzelf in de wereld, ofwel opdat hij wordt wederverwekt,
ofwel omdat hij in zijn boze dingen wordt gezonden, opdat die boze dingen niet
ingeslapen blijven liggen en naderhand zouden losbarsten, en dit zou geschieden
tot zijn eeuwig verderf.
- 4.
Vanwege het nut in het andere leven daarna, na de dood tot in het eeuwige; want
ieder mens heeft zijn plaats in de Grootste Mens onder degenen die in de hemel
zullen zijn, ofwel zijn plaats in de hel vanuit het tegenovergestelde.
Waar
krachten ontbreken, wordt voor evenwicht gezorgd en worden de mensen daarheen
geleid uit de kracht van de voorzienigheid van de Heer; zo wordt ook zorg gedragen
voor het Koninkrijk van de Heer, waarvan het heil de universele voorzienigheid
is. |
|
|
6 |
- Wat
de innerlijke mens is
- en
wat de uiterlijke
- is
weinigen bekend.
Hemelse
Verborgenheden 3167. …
Ieder mens heeft een innerlijke en een uiterlijke; zijn innerlijke wordt de innerlijke
mens genoemd en zijn uiterlijke de uiterlijke mens, maar wat de innerlijke mens
is en wat de uiterlijke is weinigen bekend. De innerlijke mens is dezelfde als
de geestelijke mens en de uiterlijke is dezelfde als de natuurlijke mens. Het
is de geestelijke mens die verstaat en wijs is door de dingen die tot het licht
van de hemel behoren; maar de natuurlijke mens door de dingen die tot het licht
van de wereld behoren, (3138). Want in de hemel zijn niets dan geestelijke dingen,
maar in de wereld niets dan natuurlijke dingen. De mens werd zo geschapen dat
het geestelijke en natuurlijke in hem, dat wil zeggen, zijn geestelijke en natuurlijke
mens, zouden samenstemmen of één uitmaken. Maar dan moest de geestelijke mens
alle dingen in de natuurlijke rangschikken en de natuurlijke gehoorzamen, zoals
de knecht zijn heer. Maar door de val begon de natuurlijke mens zich boven de
geestelijke te verheffen en keerde hij dus de goddelijke orde zelf om, en dientengevolge
scheidde de natuurlijke mens zich van de geestelijke af. Hij bezat toen ook niet
meer geestelijke dingen dan die, welke konden binnendringen, als het ware door
spleten, en het vermogen tot denken en spreken geven. Maar opdat de geestelijke
dingen opnieuw zouden invloeien in de natuurlijke mens, moest hij door de Heer
wederverwekt worden, dat wil zeggen, het ware uit de natuurlijke mens moest ingewijd
worden in, en verbonden met het goede in de redelijke mens. Wanneer dit geschiedt,
naderen de geestelijke dingen de natuurlijke mens, want dan vloeit het licht van
de hemel in en verlicht de dingen die in de natuurlijke mens zijn, en maakt dat
de dingen die daar zijn, het licht ontvangen, de goedheden daarin de warmte van
het licht, dat wil zeggen, de liefde en de naastenliefde, het ware echter de stralen
van het licht, dat wil zeggen, het geloof. Op deze wijze bezitten het natuurlijk
goede en het natuurlijk ware geestelijke dingen daarvandaan. Dan is het natuurlijk
goede alle bekoring en verlustiging vanwege het einddoel, het geestelijke te dienen,
en zo dus de naaste, in meerdere mate de gemeenschap, nog meer het Rijk van de
Heer en boven alles de Heer. Het natuurlijk ware is al het leerstellige en de
feitenkennis, met als doel wijs te zijn, dat wil zeggen: deze dingen te doen.
|
|
|
7 |
- Onder
de heilige stad Nova Hierosolyma,
- wordt
de leer van de Nieuwe Kerk verstaan.
Coronis
18. Men
leest dat Johannes zag de heilige stad Nova Hierosolyma, nederdalende uit God
vanuit de Hemel, toebereid zoals een bruid versierd voor haar Echtgenoot (Apocalyps
XXI: 2). Onder de heilige stad Nova Hierosolyma, wordt de leer der Nieuwe Kerk
verstaan, dus de Kerk ten aanzien van de leer; en daaronder dat Hierosolyma nederdaalde
uit God vanuit de Hemel, wordt verstaan, dat de ware leer der Kerk nergens anders
vandaan is. Dat de leer nederdaalde, is, omdat de Kerk een Kerk is krachtens de
leer en volgens haar; zonder deze is de Kerk niet méér Kerk dan een mens mens
is zonder ledematen, ingewanden en organen, dus alleen krachtens een bedekking
met huid bestaat, welke slechts diens uiterlijke gedaante aangeeft; en ook niet
meer dan een huis een huis is zonder slaapkamers, eetkamers en voorwerpen van
huiselijk gebruik daarin, dus bestaande uit een wand alleen en een dak daarover.
Iets eenders is het geval met een Kerk zonder leer. |
|
|
8 |
- Er
zijn geesten van beiderlei sekse
-
in het andere leven.
Hemelse
Verborgenheden 4227. Er
zijn geesten van beiderlei sekse in het andere leven, die in het leven van het
lichaam van zo'n aard zijn geweest, dat ze, waar ze maar konden, het gemoed van
anderen door kunstgrepen en bedrog onder hun juk wilden brengen met het doel om
te overheersen. Ze deden dit vooral bij de machtigen en de rijken, opdat zij het
alleen zouden zijn die onder hun naam zouden regeren en die in het geheim te werk
gingen en anderen uit de weg ruimden, voornamelijk degenen die rechtschapen waren.
Dit deden ze op allerlei manieren, weliswaar niet door de fatsoenlijke mensen
te berispen, omdat de rechtschapenheid zichzelf verdedigt, maar op andere manieren,
zoals door hun raadgevingen te verdraaien, hen onnozel en zelfs slecht te noemen,
door aan hen de tegenslagen toe te schrijven die zich mochten voordoen en andere
dergelijke dingen meer. Zij die zodanig zijn geweest in het leven van het lichaam
zijn precies zo in het andere leven, want het leven van eenieder volgt hem na.
Dit heb ik ervaren door levende ondervinding ten aanzien van hen die van dit slag
zijn. Toen ze bij mij waren, gingen ze op dergelijke wijze te werk, maar nog meer
bedreven en nog vernuftiger, want geesten handelen fijnzinniger dan mensen, omdat
ze zijn losgemaakt van de verstrengelingen met het lichaam en van de banden met
de grove geaardheden van de gewaarwordingen. Ze gingen zo subtiel te werk, dat
ik soms niet begreep dat het hun bedoeling of doel was om te overheersen. Als
ze onder elkaar spraken, hoedden ze zich ervoor dat ik het niet hoorde en dat
begreep. Maar door anderen die het hoorden, werd mij gezegd dat hun beraadslagingen
schandelijk waren, en dat ze door magische kunsten, dus met behulp van de duivelse
bende, hun einddoel probeerden te bereiken. In het vermoorden van rechtschapen
mensen zagen zij in het geheel geen bezwaar. De Heer, onder wie zij zeiden te
willen overheersen, kleineerden zij, en beschouwden Hem slechts als een ander
mens, voor wie er, zoals bij de andere volken die mensen tot goden maakten en
vereerden, een eredienst is die van oudsher dateert, en waartegen ze niet hadden
durven opkomen. Ze waren tenslotte in die eredienst geboren en omdat ze daarmee
hun goede naam zouden benadelen. Van hen kan ik zeggen dat ze de gedachten en
de wil van de mensen die aan hen gelijk zijn, bezet houden en zich bij hen indringen
in hun aandoening en bedoeling, dermate dat dezen, zonder de barmhartigheid van
de Heer, geenszins kunnen weten dat zulke geesten aanwezig zijn en dat zij in
het gezelschap van hen zijn. Deze geesten stemmen overeen met de ondeugdelijke
dingen van het zuiverder bloed bij de mens; dit bloed wordt de animale geest genoemd,
waarin de ondeugdelijke dingen ordeloos binnengaan en zich naar alle kanten verspreiden.
Ze zijn zoals vergiften die in de zenuwen en de vezels een kou en een verstarring
teweegbrengen, waardoor de ergste en de meest fatale ziekten uitbreken. Wanneer
dezen gezamenlijk te werk gaan, worden ze daaraan onderkend dat ze om zo te zeggen
op viervoetige manier optreden en zich nestelen in het achterdeel van het hoofd
onder het cerebellum aan de linkerzijde. Zij die onder het achterhoofd optreden,
gaan heimelijker te werk dan de anderen, en zij die aan de rugzijde optreden,
begeren te overheersen. Ze redeneerden tegen mij over de Heer en zeiden dat het
verwonderlijk was dat Hij hun gebeden niet hoorde als zij baden en dat Hij dus
de smekelingen niet te hulp komt. Maar het werd gegeven te antwoorden dat zij
niet verhoord konden worden, omdat ze zulke dingen ten doel hebben die in strijd
zijn met het heil van het menselijk geslacht, en dat zij voor zichzelf tegen allen
bidden, en dat, als men op deze wijze bidt, de hemel gesloten wordt. Zij immers
die in de hemel zijn, letten alleen op de einddoelen van hen die bidden. Ze wilden
dit weliswaar niet erkennen, maar konden er toch ook niets op antwoorden. Het
waren mannen die van dit slag waren en ze bevonden zich in gezelschap van vrouwen;
en ze zeiden dat ze door de suggesties van de vrouwen tal van plannen konden beramen,
omdat die vlugger en bedrevener waren in het doorzien van zulke dingen; de mannen
scheppen genoegen in de omgang met vrouwen die hoeren zijn geweest. Deze mensen
leggen zich in het andere leven meestal toe op geheime en magische kunsten die
in de wereld volslagen onbekend zijn. Zodra zij die van dit slag zijn, in het
andere leven komen, leggen ze zich daarop toe en leren diegenen te betoveren bij
wie ze zijn, bovenal hen onder wie ze begeren te regeren. Voor misdaden deinzen
ze niet terug. Over hun hel, hoe deze is, en waar ze zijn wanneer ze niet in de
wereld der geesten zijn, zal elders worden gesproken. Hieruit kan vaststaan dat
eenieder zijn leven na de dood bijblijft. |
|
|
9 |
- De
gehele Gewijde Schrift
- handelt
over de Heer
- en
vandaar dat de Heer het Woord is.
De
Leer van Nova Hierosolyma over de Heer 37. De
gehele Gewijde Schrift gaat over de Heer , en dat de Heer het Woord is; dit zal
verder worden aangetoond vanuit plaatsen uit het Woord, waar de Heer wordt genoemd:
Jehovah, God Israëls en Jakobs, de Heilige Israels, Heer en God, alsook Koning,
Gezalfde van Jehovah, David. Vooraf is het geoorloofd te vermelden, dat het mij
is gegeven alle profeten en de psalmen van David te doorlopen, en de afzonderlijke
verzen te monsteren en te zien, waarover daar wordt gehandeld. Het werd gezien
dat over geen andere dingen wordt gehandeld dan over de door de Heer gestichte
en te stichten Kerk, over de komst van de Heer, de gevechten, de verheerlijking,
de wederverwekking en de verlossing, en over de hemel uit Hem en tevens over de
tegengestelde dingen: omdat al die dingen werken van de Heer zijn, zo bleek, dat
de gehele Gewijde Schrift handelt over de Heer en vandaar dat de Heer het Woord
is. Echter dit kan niet worden gezien, dan alleen door hen die in verlichting
zijn uit de Heer en die de geestelijke zin van het Woord ook kennen.
| |
|
10 |
- De
engelen leven in zo'n groot licht
- dat
het licht van de wereld
- daarbij
vergeleken niets is.
Hemelse
Verborgenheden 1053. Dat
de woorden 'en de boog zal in de wolk zijn', de staat van die persoon betekent,
blijkt uit wat eerder over de boog in de wolk is gezegd en aangetoond, namelijk
dat de mens of de ziel in het andere leven aan zijn sfeer bij de engelen wordt
gekend, en dat die sfeer, zo vaak als het de Heer behaagt, wordt uitgebeeld door
kleuren, gelijk aan die van de regenboog, verschillend al naar de staat van eenieder
met betrekking tot het geloof in de Heer, dus met betrekking tot de goedheden
en waarheden van het geloof. In het andere leven doen zich aan het oog kleuren
voor die aan gloed en glans de kleurenschoonheid die zich op aarde aan de blik
vertoond, onmetelijk overtreffen. Elke kleur beeldt iets hemels en iets geestelijks
uit; deze kleuren komen voort uit het licht dat in de hemel is en uit de schakering
van het geestelijk licht, zoals eerder is gezegd. De engelen leven in zo'n groot
licht dat het licht van de wereld daarbij vergeleken niets is. Het licht van de
hemel waarin de engelen leven, verhoudt zich tot het licht van de wereld, als
het licht van de middagzon tot het schijnsel van een kaars, dat verdwijnt en in
het niet zinkt, wanneer de zon opkomt. Er is in de hemel een hemels licht en een
geestelijk licht; het hemelse licht is, om een vergelijking te maken, als het
licht van de zon, en het geestelijk licht als het licht van de maan, maar met
alle onderscheid al naar de staat van de engel die het licht ontvangt. Zo is het
ook met de kleuren gesteld, omdat die uit het licht voortkomen. De Heer Zelf is
voor de hemel van de hemelse engelen de Zon, en voor de hemel van de geestelijke
engelen de Maan. Dit alles klinkt ongelooflijk voor hen die geen begrip hebben
van het leven, dat de zielen na de dood leven, maar het is toch de volste waarheid.
|
|
|
11 |
- De
Heer is de God van de hemel.
Hemel
en Hel 2. We
moeten eerst weten wie de God van de hemel is, omdat al het overige daarvan afhangt.
Overal in de gehele hemel wordt geen ander erkend als God van de hemel dan de
Heer alleen. Daar zeggen ze, net als Hij zelf leerde: Hij is een met de Vader;
dat de Vader in Hem is, en Hij in de Vader is; en dat die Hem zien, de Vader zien;
en dat al het Heilige uit Hem voortgaat Johannes 10:30,38; 14:9-11; 16:13-15).
Ik heb hier heel vaak met engelen over gesproken en steeds zeiden ze dat men
in de hemel het Goddelijke onmogelijk in drieën kan verdelen, aangezien men weet
en aanvoelt dat het Goddelijke Één is, en dat het één is in de Heer. Zij zeiden
ook dat diegenen die uit de wereld komen van een kerk met het idee van drie Godheden,
niet in de hemel kunnen worden toegelaten, want hun gedachten dwalen van de een
naar de ander en het is niet toegestaan drie te denken en één te zeggen. Dit is
omdat iedereen in de hemel vanuit de gedachten spreekt; want daar bestaat gedachten-spraak
of een sprekend denken. Zodoende kunnen zij die in de wereld het Goddelijke in
drieën hebben verdeeld en van ieder een afzonderlijk idee hebben aangenomen en
dit niet in de Heer hebben verenigd en centraal gesteld, niet opgenomen worden.
Want in de hemel vindt communicatie plaats van alle gedachten en daarom zou iemand
die daar kwam en drie zou denken maar één zeggen, onmiddellijk ontdekt en verwijderd
worden. Het is echter belangrijk dat men weet dat iedereen die niet het ware van
het goede (of het geloof van de liefde) heeft gescheiden, in het andere leven
het hemelse idee aanneemt dat hem over de Heer onderwezen wordt, dat Hij de God
van het heelal is. Heel anders echter is het met hen die geloof en leven hebben
gescheiden, dat is, die niet volgens de principes van een waar geloof geleefd
hebben. |
|
|
12 |
- Waarom
de Heer op onze aardbol werd geboren
- en
niet op een andere.
Opmerkenswaardige
Levende Ondervindingen 4781 Gesproken
werd - in de geestelijke wereld - over de Heer; waarom Hij geboren werd op deze
aardbol en niet op een andere; en dat de oorzaak deze was: dat op deze aarde de
leer, door de hemel bekend gemaakt, zou kunnen worden verspreid over de gehele
wereld, en aanblijven tot in duizenden van jaren, want op deze aarde zijn van
de oude tijden af zulke dingen overgeleverd op papieren en daarna door drukletters
en die kunnen over de gehele wereld heen verspreid worden en ook behouden blijven,
want zulke wederzijdse uitwisselingen bestaan op deze aardbol en de verspreiding
ervan door rond te reizen, en niet elders. Elders
zijn de aardbewoners onderscheiden in natiën, families en gezinnen, en zij kennen
niet het aan papier toevertrouwen de dingen die zij weten, noch die met allen
te delen. Bovendien ook, wanneer op de ene aardbol de hemelse leer over de Heer
bekend is, kunnen zo de overigen het weten wanneer zij geesten en engelen worden.
| |
|
13 |
- Over
de natiën en de volken buiten de kerk
- bij
wie het Woord niet is,
- en
die vandaar niet iets weten
- over
de Heer en de Verlossing.
Over
het Woord 39. Het
zijn er, in verhouding tot hen bij wie het Woord niet is, maar weinigen bij wie
het Woord wel is. Het Woord is voornamelijk bekend in Europa, bij de Christenen
die de Gereformeerden worden geheten, en bij de Rooms- katholieken in de landen
die deze religie toegedaan zijn, zoals Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië, en
grote delen van Duitsland, en ook van Hongarije, voorts Polen. Bij hen is weliswaar
het Woord, maar het wordt niet gelezen; het Woord wordt ook weinig gelezen in
Rusland, maar nochtans wordt er geloofd dat het heilig is. De vergemeenschapping
door het Woord is alleen in Engeland, Holland, in sommige vorstendommen in Duitsland,
en in Zweden en Denemarken, want daar wordt het Woord geleerd en gepredikt. Maar
in Azië, Afrika en de Indiën, natiën die veel talrijker zijn dan de gereformeerde
Christenen, is het Woord nagenoeg onbekend. Maar opdat het Woord niet verloren
zou gaan, is vanuit de Heer daarin voorzien dat de Joodse natie, bij wie het Woord
van het Oude Testament in zijn oorspronkelijke taal is, het nog zou blijven voortbestaan
en verspreid over veel van de aardbol zou wonen. En hoewel deze natie loochent
dat de Heer de Messias of Christus is, uit de profeten voorzegd, en hoewel zij
boos van harte is, geeft nochtans de lezing door hen van het Woord gemeenschap
met sommige hemelen. Want de overeenstemmingen vergemeenschappen, van welke aard
de persoon die het leest ook is, mits hij het als Goddelijk erkent. Want zowel
in het heden als oudtijds, wanneer zij Mozes, Abraham, Izaak en Jakob, David,
Elia, en anderen die in het Woord genoemd worden, aanbidden als godheden, dan
doorvatten de hemelen in plaats daarvan de Heer, niets wetende over de persoon
in de wereld vanuit wie dat heilige van de eredienst voortgaat. Zodanig is de
verbinding van de hemel met de mens door het Woord. |
|
|
14 |
- De
Oneindigheid,
- Onmetelijkheid
- en
de Eeuwigheid van God.
Een
gedenkwaardigheid uit: Ware Christelijke Religie 35.
35. Eens was ik in
een staat van verbazing over de geweldige menigte van mensen die de schepping,
en vandaar alle dingen die onder de zon zijn, aan de natuur toeschrijven en die,
als ze iets zien, vanuit die erkenning met hun hart zeggen: ’Is dit niet van de
natuur?’ En wanneer men hun vraagt, waarom ze zeggen dat het van de natuur is,
en waarom niet van God, terwijl ze toch van tijd tot tijd, naar algemeen gebruik
zeggen, dat God de natuur geschapen heeft, en ze vandaar evengoed kunnen zeggen
dat de dingen die ze zien van God in plaats van de natuur zijn, dan antwoorden
ze op een inwendige, bijna stilzwijgende toon: ‘Wat is God anders dan de natuur?’
Al deze mensen vertonen zich trots vanuit de overreding ten aanzien van de schepping
van het heelal vanuit de natuur. Ze voelen deze waanzin die ze als wijsheid beschouwen
en wel zodanig, dat ze al diegenen, die de schepping van het heelal uit God erkennen,
als mieren beschouwen die een afgesleten weg gaan, of zoals vlinders die maar
een beetje in de lucht fladderen. Ze noemen de ideeën van deze mensen dromen,
omdat die zien wat zij niet zien. Ze zeggen dan: ‘Wie heeft God gezien, en wie
ziet niet de natuur?’ Toen ik over de menigte van dergelijke mensen zo verbaasd
was, stond een engel aan mijn zijde die tot mij sprak: ‘Wat overdenkt u?’ Ik antwoordde:
‘Ik denk over de menigte van mensen die geloven dat de natuur vanuit zichzelf
is en dat de natuur op die wijze de schepster van het heelal is.’ De engel zei:
‘De hele hel bestaat uit dergelijke mensen, ze worden daar satans en duivels genoemd;
satans degenen die zich ten gunste van de natuur bevestigd hebben en vandaar God
hebben geloochend, duivels diegenen die misdadig geleefd hebben en zo alle erkenning
van God uit hun hart hebben geworpen. Ik zal u leiden naar de scholen in de zuidwestelijke
streek, waar diegenen zich bevinden die nog niet in de hel zijn.’ Hij nam mij
bij de hand en leidde mij daarheen. Ik zag kleine huisjes waarin scholen waren
gevestigd en temidden daarvan een gebouw, dat zoveel als het hoofdkwartier was.
Dit was gebouwd uit pikzwarte stenen die overdekt waren met glasachtige plaatjes
die glinsterden als goud en zilver, zoals de stenen die seleniet of mica worden
genoemd. Hier en daar lagen er glanzende schelpen tussen gestrooid. We naderden
het gebouw en klopten aan. Meteen opende iemand de deur en zei: ‘Welkom’. Hij
snelde naar een tafel en bracht vier boeken en zei: ‘Deze boeken zijn de wijsheid
waaraan een groot aantal koninkrijken heden ten dage bijval schenkt. Dit boek
of deze wijsheid juichen velen in Frankrijk toe, dit velen in Duitsland; dit enkelen
in Holland; en dit sommigen in Engeland.’ Hij vervolgde: ‘Als u het wilt zien
zal ik deze boeken voor uw ogen doen oplichten.’ Toen stortte hij de glorie van
zijn roem uit en goot die rondom zich heen, en weldra straalden de boeken als
een licht. Plotseling verdween dit licht echter voor onze ogen. We vroegen hem
toen waar hij nu mee bezig was te schrijven en hij antwoordde dat hij nu die dingen
die tot de binnenste wijsheid behoorden, vanuit zijn schatkamer ophaalde en te
voorschijn bracht.’ Kort samengevat zijn het deze: - 1.
Behoort de natuur tot het leven, dan wel het leven tot de natuur?
- 2.
Behoort het middelpunt tot de expansie of omtrek dan wel de expansie tot het middelpunt?
- 3. Over
het middelpunt van de expansie of de omtrek van het leven.
Toen
hij dit had gezegd ging hij op een stoel aan tafel zitten. Wij echter gingen rondwandelen
in de heel ruime school. Er stond een kaars op zijn tafel, want er was geen zonlicht
maar alleen het nachtelijk licht van de maan. Tot mijn verwondering scheen de
kaars daar rondgedragen te worden en licht te geven, maar omdat ze niet was gesnoten
gaf ze maar weinig licht. Terwijl hij schreef zagen we beelden in verschillende
vormen vanaf de tafel naar de wanden vliegen. In dit nachtelijk maanlicht verschenen
ze als mooie Indische vogels. Toen we echter de deur openden, ziet, toen verschenen
ze in het daglicht van de zon als die nachtvogels met netvormige vleugels, want
het waren schijnbare waarheden. Deze waren door de bevestigingen misleidingen
geworden die door hem scherpzinnig tot reeksen aaneengeschakeld waren. Nadat we
dat gezien hadden, naderden we de tafel en vroegen hem waarmee hij nu bezig was
te schrijven. Hij zei: ‘Over dit eerste punt: behoort de natuur tot het leven
dan wel het leven tot de natuur.’ Hij zei hierover dat hij allebei kon bevestigen
en waar maken. Maar aangezien er van binnen iets in verborgen lag, dat hij vreesde,
durfde hij alleen dit ene te bevestigen, dat de natuur tot het leven behoort.
Eigenlijk vanuit het leven is, maar niet dat het leven tot de natuur behoort,
dat wil zeggen, vanuit de natuur is. We vroegen beleefd, wat het is, dat van binnen
verborgen ligt en dat hij vreest. Hij antwoordde dat hij door de geestelijkheid
een aanbidder van de natuur en dus een atheïst genoemd zou kunnen worden. Door
leken zou hij een man met een ongezonde rede genoemd kunnen worden, aangezien
dezen en de vorigen óf uit blind geloof geloven, óf zien door de ogen van hen,
die dat geloof bevestigen. Maar toen, vanuit een zekere verontwaardiging van ijver
voor de waarheid, zeiden we tegen hem: ‘Vriend, u dwaalt schromelijk, uw wijsheid
is eigenlijk een bepaald talent voor het schrijven, dit heeft u verleid en de
glorie van de roem heeft u er toe gevoerd, dingen te bevestigen die u niet gelooft.
Weet u niet dat het menselijk gemoed zich kan verheffen boven de zinlijke dingen,
wat de dingen zijn die in de gedachten zijn vanuit de gevoelens van het lichaam?
Als het gemoed wordt verheven ziet het de dingen die bij het leven behoren boven
en de dingen die van de natuur zijn beneden. Wat is het leven anders dan liefde
en wijsheid en wat is de natuur anders dan het ontvangende daarvan, waardoor ze
haar werkingen en nutten kunnen doen. Kunnen leven en natuur op andere wijze één
zijn dan zoals het principale en het instrumentale; of kan het licht één zijn
met het oog of het geluid één met het oor? Waarvandaan zijn de zinnen van het
oog en het oor anders dan vanuit het leven, en waarvandaan hun vormen anders dan
vanuit de natuur? Wat is het menselijk lichaam anders dan een orgaan van het leven?
Zijn niet alle dingen tot in bijzonderheden daarin organisch gevormd, om datgene
voort te brengen wat de liefde wil en het verstand denkt? Zijn niet de organen
van het lichaam vanuit de natuur, en de liefde en de gedachte vanuit het leven?
Zijn ze niet volledig van elkaar onderscheiden? Verhef de blik van uw scherpzinnigheid
nog iets hoger en u zult zien dat aangedaan worden en denken tot het leven behoort,
en dat aangedaan worden tot de liefde behoort, en denken tot de wijsheid en beide
behoren tot het leven, want zoals gezegd, de liefde en de wijsheid zijn het leven.
Als u uw begripsvermogen nog iets hoger verheft, zult u zien dat de liefde en
de wijsheid niet bestaan, als ze niet ergens een oorsprong hebben. Deze oorsprong
is de Liefde en de Wijsheid zelf en vandaar het Leven zelf en deze zijn God, uit
wie de natuur is.’ Daarna spraken we met hem over het tweede punt: behoort het
middelpunt tot de expansie dan wel de expansie tot het middelpunt. We vroegen
hem waarom hij dit vraagstuk opwierp en hij antwoordde dat hij dit deed met het
doel om tot een conclusie te komen betreffende het middelpunt en de expansie of
de omtrek van de natuur en van het leven, dus over de oorsprong van elk van beide.
Toen we hem vroegen wat zijn mening was gaf hij hetzelfde antwoord als eerder,
namelijk dat hij beide bevestigen kon, maar dat hij uit vrees voor verlies van
zijn goede naam, bevestigde dat de expansie tot het middelpunt behoort, dat wil
zeggen; uit het middelpunt is. ‘Hoewel ik weet’, zei hij, ‘dat, voor de zon er
was, iets geweest is, en wel overal in het uitspansel, en dat dit uit zichzelf
in de orde samenvloeide, dus tot een middelpunt.’ We spraken hem opnieuw toe met
verontwaardigde ijver en zeiden: ‘Vriend, u bent uitzinnig.’ Toen hij dit hoorde,
schoof hij zijn stoel van de tafel terug, keek ons schuchter aan en luisterde
toen naar ons, maar lachend. Wij gingen echter door met spreken: ‘Wat is onzinniger,
dan te zeggen, dat het middelpunt uit het uitspansel is - onder uw middelpunt
verstaan wij de zon, en onder uw uitspansel verstaan wij het heelal - en dus dat
het heelal zonder zon ontstaan zou zijn. Maakt niet de zon de natuur en al haar
eigenschappen? Deze hangen immers alleen af van het licht en de warmte, die voortgaan
uit de zon door de atmosferen. Waar waren deze eerder? Maar we zullen zeggen waar
deze vandaan zijn door het volgende te overwegen. Zijn niet de atmosferen en alle
dingen die op aarde zijn, gelijkend op oppervlakken en is de zon niet hun middelpunt?
Wat zijn al deze dingen zonder de zon; kunnen ze één ogenblik blijven bestaan?
Dus, wat waren al deze dingen vóór de zon? Konden ze ontstaan en is blijven bestaan
niet een voortdurend ontstaan? Als dus het blijven bestaan van alle dingen van
de natuur uit de zon is, volgt daaruit dat ook het ontstaan van alle dingen daaruit
is. Dit ziet en erkent eenieder vanuit eigen ervaring. Blijft het latere niet
uit het eerdere bestaan, evenals het ontstaat uit het eerdere? Wanneer de oppervlakte
het vroegere was en het middelpunt het latere, zou dan niet het vroegere vanuit
het latere blijven bestaan, wat toch tegen de wetten van de orde is. Hoe kunnen
latere dingen vroegere dingen voortbrengen, of uiterlijke dingen innerlijke, of
grovere fijnere dingen. Dus, hoe kunnen de oppervlakken, die het uitspansel maken,
het middelpunt voortbrengen? Wie ziet niet dat dit tegen de wetten van de natuur
is? We hebben deze argumenten vanuit de onderzoeking van de rede aangevoerd om
te bevestigen, dat het uitspansel uit het middelpunt ontstaat en niet omgekeerd,
hoewel eenieder, die juist denkt, dit ziet zonder deze argumenten. U heeft gezegd
dat het uitspansel uit zichzelf tot een middelpunt is samengevloeid; deed het
dat dan bij toeval in zulk een bewonderenswaardige en verbazingwekkende orde,
dat het ene ding er is ten behoeve van het andere en alle dingen in het algemeen
en in het bijzonder ten behoeve van de mens en van zijn eeuwig leven? Kan de natuur
vanuit de een of andere liefde, door de een of andere wijsheid doeleinden nastreven,
oorzaken beschouwen, en dan in werkingen voorzien, opdat dergelijke dingen in
hun volgorde ontstaan? Kan ze uit mensen engelen maken en vanuit die de hemel,
en maken dat zij die daar zijn, tot in het eeuwige leven? Stel u deze vragen en
denk na, en uw voorstelling over het ontstaan van de natuur uit de natuur zal
in elkaar storten.’ Daarna vroegen we hem wat hij gedacht had en hoe hij nu dacht
over het derde punt: over het middelpunt en het uitspansel, van de natuur en van
het leven. Of hij geloofde dat het middelpunt en het uitspansel van het leven
dezelfde waren als het middelpunt en het uitspansel van de natuur. Hij zei dat
hij hierover in onzekerheid verkeerde, en dat hij eerst had gedacht, dat de innerlijke
werkzaamheid van de natuur het leven is, en dat de liefde en de wijsheid, die
wezenlijk het leven van de mens maken, daaruit zijn. Het vuur van de zon, door
de warmte en het licht, door middel van de atmosferen, brengen deze werkzaamheden
voort. Nu echter verkeerde hij in twijfel door de dingen die hij had gehoord over
het leven van de mens na de dood. Deze onzekerheid droeg zijn gemoed soms omhoog,
dan weer omlaag. Als het omhoog ging, erkende hij een middelpunt waarover hij
vroeger niets geweten had, en als zijn gemoed omlaag viel, zag hij het middelpunt,
dat hij voor het enige had gehouden. Hij geloofde nu dat het leven vanuit het
middelpunt is, waarover hij vroeger niets geweten had en de natuur vanuit het
middelpunt waarvan hij tevoren had gedacht dat dit het enige was, en dat het ene
en het andere middelpunt een uitspansel om zich heen heeft. Hierop zeiden wij:
‘Goed! , mits u nu ook maar alleen vanuit het middelpunt en het uitspansel van
het leven het middelpunt en het uitspansel van de natuur wilt beschouwen en niet
omgekeerd.’ We onderrichtten hem toen dat er boven de engelenhemel een Zon is
die louter Liefde is, schijnbaar vurig zoals de zon van de wereld, en dat de engelen
en de mensen vanuit de warmte die vanuit die Zon voortgaat, de wil en de liefde
hebben en dat ze vanuit het daaruit voortvloeiende licht verstand en wijsheid
hebben. Verder, dat de dingen die daaruit voortkomen, geestelijke dingen worden
genoemd, en dat de dingen die van de zon van de wereld uitgaan, de houders of
de ontvangende vaten van het leven zijn, en natuurlijke dingen worden genoemd.
Vervolgens dat het uitspansel van het middelpunt van het leven de geestelijke
wereld wordt genoemd, die door haar Zon bestaat, en dat het uitspansel van het
middelpunt van de natuur de natuurlijke wereld wordt genoemd, die door haar zon
bestaat. En aangezien nu bij de Liefde en de Wijsheid niet van ruimte en tijd
gesproken kan worden, maar in plaats daarvan van staten, zo volgt hieruit dat
het uitspansel rondom de zon van de engelenhemel, geen expansie is, maar wel rondom
de uitgebreidheid van de natuurlijke zon is, en bij de levende wezens daar overeenkomstig
hun opnemingen en de opnemingen overeenkomstig hun vormen en staten. Hij vroeg
toen vanwaar het vuur van de zon van de wereld of van de natuur kwam. We antwoordden
dat het is vanuit de zon van de engelenhemel, die niet een vuur is, maar de Goddelijke
Liefde die het dichtst voorgaat uit God, die in het midden van die Zon is. Daar
hij zich hierover verwonderde, toonden we hem dit op de volgende wijze aan: ’De
liefde is in haar wezen een geestelijk vuur, vandaar komt het, dat het vuur in
het Woord in de geestelijke zin de liefde betekent. Vandaar bidden priesters in
de tempels, dat het hemelse vuur de harten moge vervullen, waaronder ze de liefde
verstaan. Het vuur van het altaar, en het vuur van de kandelaar bij de Israëlieten
beeldden niets anders uit dan de Goddelijke Liefde. De bloed- of levenswarmte
van de mensen en ook algemener van de dieren, heeft geen andere oorsprong dan
de liefde, die hun leven uitmaakt. Dit is de reden waarom een mens warm wordt,
verhit en ontvlamt, als zijn liefde tot ijver wordt opgedreven of dat hij geprikkeld
wordt tot woede en passie. Vandaar kan het uit het feit, dat de geestelijke warmte,
die liefde is, bij de mens natuurlijke warmte voortbrengt en wel dermate dat ze
hun aangezichten en hun leden aansteekt en doet ontvlammen, duidelijk zijn, dat
het vuur van de natuurlijke zon nergens anders uit ontstaan is, dan uit het vuur
van de geestelijke zon, die de Goddelijke Liefde is. Het uitspansel komt dus voort
uit het middelpunt niet omgekeerd, zoals we net hebben gezegd, en het middelpunt
van het leven dat de zon van de engelenhemel is, is de Goddelijke Liefde. Deze
gaat het dichtst vanuit God voort; Hij is in het centrum van die Zon en aangezien
daaruit het uitspansel van dat middelpunt dat de geestelijke wereld wordt genoemd,
is, en vanuit deze Zon de zon van de wereld is ontstaan, en hieruit haar uitspansel,
dat de natuurlijke wereld wordt genoemd, zo blijkt duidelijk dat het heelal uit
God geschapen is.’ Na deze woorden gingen we heen en hij begeleidde ons tot buiten
het voorplein van zijn school. Hij sprak met ons over hemel en hel en over het
goddelijke toezicht, vanuit een nieuw verstandig inzicht. |
|
|
15 |
- In
de kerk heden ten dage
- is
geloof zo zeldzaam,
- dat
nauwelijks gezegd kan worden
- dat
het bestaat.
Laatste Oordeel 37. 37.
In de kerk heden ten dage is geloof zo zeldzaam, dat nauwelijks gezegd kan worden
dat het bestaat. Dit bleek bij velen, zowel geleerden als eenvoudigen, van wie
de geesten na hun dood werden onderzocht aangaande het geloof dat zij in de wereld
hadden. Het werd bevonden, dat ieder van hen meende, dat alleen al het geloven
en zich overtuigd houden, al geloof was. Bij de meer geleerden, dat het alleen
daarin bestond, dat men uit gerustheid of vertrouwen gelooft, dat men behouden
wordt door het lijden van de Heer en door Zijn Voorspraak; en nauwelijks iemand
wist, dat er geen geloof is als er geen liefdadigheid of liefde is. Zelfs wisten
zij ook niet wat de liefde jegens de naaste is, en ook niet wat het onderscheid
tussen denken en willen; velen van hen keerden de liefde de rug toe, zeggende
dat de liefde niets uitwerkt, maar alleen het geloof. Wanneer hun gezegd werd,
dat liefde en geloof één zijn, zoals de wil en het verstand, en dat het ene van
het ander scheiden, zou zijn alsof de wil van het verstand gescheiden werd, dan
begrepen zij dat niet. Daaruit blijkt dat er tegenwoordig nauwelijks enig geloof
is. Dit werd ook op levendige wijze aangetoond. Zij die zich overtuigd hielden
dat zij geloof hadden, werden weggeleid naar gezelschappen van engelen, waar het
echte geloof was. Wanneer hun dan gemeenschap met die gezelschappen gegeven werd,
bemerkten zij duidelijk dat zij geen geloof hadden; wat zij ook later voor velen
bekenden. Hetzelfde werd ook duidelijk gemaakt voor hen, die betuigd hadden dat
zij geloofden en zich geloof hadden toegeschreven, maar niet geleefd hadden volgens
een leven van geloof, dat liefde is, en ieder van hen beleed dat hij geen geloof
had, omdat niets daarvan in het leven van hun geest was, maar alleen daarbuiten
in iets van hun gedachte, toen zij in de natuurlijke wereld leefden. 38.
Zodanig is de staat der kerk tegenwoordig, namelijk dat er geen geloof is omdat
er geen liefde is; en waar geen liefde is, daar is ook niets van het geestelijk
goede, want dit goede is uitsluitend uit liefde. Er werd uit de hemel gezegd,
dat er bij enigen wel goeds was, maar dat het niet gezegd kon worden geestelijk
goed te zijn, maar natuurlijk goed, om reden dat de Goddelijke waarheden zelf
in duisternis verkeren, en Goddelijke waarheden zijn het, die naar de liefde heenleiden;
want die onderwijzen haar, en beschouwen haar als het doel waarheen gestreefd
wordt. Vandaar dat er geen andere liefde kan bestaan, dan die welke overeenstemt
met de waarheden waaruit zij voortkomt. De Goddelijke waarheden, waaruit de leerstellingen
van de kerken worden afgeleid, zien alleen op het geloof, waarom zij ook leerstellingen
van het geloof genoemd worden en zien niet op naar het leven. En waarheden die
alleen op het geloof zien en niet op het leven, kunnen de mens niet geestelijk
maken. Zolang die buiten het leven blijven, zijn zij alleen natuurlijk, want men
weet en denkt ze alleen zoals andere dingen. Vandaar is het, dat tegenwoordig
het geestelijk goede niet bestaat, maar bij sommigen alleen het natuurlijk goede.
Bovendien is iedere kerk in haar begin geestelijk, want zij begint in liefde;
maar in de loop der tijden wijkt zij van de liefde naar het geloof af, en dan
wordt zij van een innerlijke kerk een uiterlijke; en wanneer zij uiterlijk wordt
dan komt haar einde, omdat zij dan alle waarde hecht aan het weten en weinig of
niets aan het leven. Naarmate de mens van innerlijk uiterlijk wordt, naar die
mate wordt bij hem het geestelijk licht verduisterd, zodat hij niet langer het
Goddelijk Ware uit het ware zelf, dat is uit het licht des hemels ziet, maar alleen
uit het natuurlijk licht. Dat licht is van dien aard, dat het Goddelijke Waarheid
ziet als in de nacht; en ook door niets anders weet of het waar is, dan doordat
de voorgangers het zeggen en de gewone leken het aannemen. Vandaar dat het verstand
van zulke mensen niet door de Heer kan worden geïllustreerd, want naarmate het
natuurlijke licht in het verstand schijnt, naar die mate wordt het geestelijk
licht verduisterd. Natuurlijk licht schijnt in het verstand wanneer wereldse,
lichamelijke en aardse zaken boven geestelijke, hemelse en Goddelijke dingen worden
bemind, en in zover is de mens ook uiterlijk. 39.
Maar omdat men in de Christelijke wereld niet weet, dat er geen geloof is, wanneer
er geen liefde is; en ook niet wat liefde jegens de naaste is; en niet eens dat
de wil de mens zelf uitmaakt, en dan nog slechts die gedachten die uit de wil
voortkomen; daarom zal ik, opdat die onderwerpen duidelijk in het licht van het
verstand uitkomen, hier een verzameling bijvoegen van uittreksels daarover uit
de "Hemelse Verborgenheden", die als toelichting kunnen dienen.
| |
|
16 |
- De
wil en het verstand
- zijn
het menselijke gemoed,
-
en geheel het leven van de mensen
- is
daarin.
Hemelse
Leer 28-33. 28.
De mens heeft twee vermogens die het leven van hem maken, het ene wordt genoemd
de wil en het andere het verstand. Deze zijn onderling onderscheiden, maar zijn
zo geschapen dat zij één mogen zijn, en wanneer zij één zijn, worden zij het gemoed
genoemd. De wil en het verstand zijn het menselijke gemoed, en geheel het leven
van de mensen is daarin. 29.
Zoals alle dingen in het heelal die volgens de goddelijke orde zijn, betrekking
hebben op het goede en het ware, evenzo hebben alle dingen bij de mens betrekking
op de wil en het verstand, want het goede bij de mens is van zijn wil, en het
ware bij hem is van zijn verstand. Deze beide vermogens immers, of deze beide
levens van de mens, zijn de ontvangers en de subjecten ervan; de wil is de ontvanger
en het subject van alle dingen van het goede, en het verstand is de ontvanger
en het subject van alle dingen van het ware. De goede en de ware dingen bij de
mens zijn nergens anders, en omdat de goede en de ware dingen bij de mens niet
ergens anders zijn, zijn dus ook de liefde en het geloof niet ergens anders, aangezien
de liefde is van het goede en het goede is van de liefde, en het geloof is van
het ware en het ware is van het geloof. 30.
Omdat nu alle dingen in het heelal betrekking hebben op het goede en het ware,
en alle dingen van de kerk op het goede van de liefde en het ware van het geloof,
en omdat de mens een mens is krachtens die beide vermogens, wordt daarom over
die eveneens in deze leer gehandeld; anders kan de mens ook niet een helder onderscheiden
idee hierover hebben, en zijn denken grondvesten. 31.
De wil en het verstand maken ook de geest van de mens, want zijn wijsheid en inzicht
zetelen daarin, en in het algemeen ook zijn leven; het lichaam is slechts in gehoorzaamheid.
32. Niets
is van méér belang te weten, dan hoe de wil en het verstand één gemoed maken.
Zij maken één gemoed zoals het goede en het ware één Ene maken. Er is een eender
huwelijk tussen de wil en het verstand, als tussen het goede en het ware. Hoe
dat huwelijk is, kan ten volle vaststaan uit de dingen die over het goede en het
ware boven zijn aangevoerd. Namelijk dat zoals het goede het zijn der zaak zelf
is, en het ware het bestaan der zaak daaruit, evenzo is de wil bij de mens het
zijn van het leven zelf van hem, en is het verstand het bestaan van het leven
daaruit, want het goede dat van de wil is, formeert zich in het verstand, en vertoont
zich zichtbaar. 33.
Zij die in het goede en het ware zijn, hebben wil en verstand, maar zij die in
het boze en het valse zijn, hebben geen wil en verstand, maar in plaats van wil
hebben zij begeerte, en in plaats van verstand wetenschap. De waarlijk menselijke
wil immers is de ontvanger van het goede, en het verstand de ontvanger van het
ware; en daarom kan niet worden gesproken van wil met betrekking tot het boze,
noch van verstand met betrekking tot het valse, omdat zij tegengestelden zijn,
en het tegengestelde vernietigt. Vandaar is het, dat de mens die in het boze en
daaruit in het valse is, niet redelijk, wijs en inzichtsvol kan worden geheten.
Ook zijn bij de bozen de innerlijke dingen gesloten die van het gemoed zijn, waar
voornamelijk de wil en het verstand zetelen. Men gelooft alsof de bozen ook wil
en verstand hebben, omdat zij zeggen dat zij willen en dat zij verstaan, maar
hun willen is slechts begeren, en hun verstaan is slechts weten. |
|
|
17 |
- Een
ieder erkent,
- wanneer
hij het heelal beschouwt
- een
opperwezen,
-
en nog meer hij
- die
de orde van het heelal beschouwt.
Hemelse
Verborgenheden 1308. Dat
de woorden 'en laat ons een naam voor ons maken', (Genesis 11:4) betekenen, om
daardoor een reputatie van macht te krijgen, kan blijken uit de betekenis van
zich een naam maken. Want zulke mensen weten dat eenieder in de een of andere
godsdienst wil zijn, daar dit een algemene neiging is, ook bij de heidenen. Want
eenieder erkent, wanneer hij het heelal beschouwt en nog meer hij die de orde
van het heelal beschouwt, een opperwezen, en daar hij zijn eigen voorspoed begeert,
aanbidt hij het. Bovendien is er iets binnenin hem dat daarvoor spreekt, want
iets dergelijks vloeit van de Heer in door de engelen die bij ieder mens zijn.
Een mens die niet van zo'n aard is, staat onder de heerschappij van de helse geesten
en erkent God niet. Daar nu zij, die de Babylonische torens opbouwen, dit weten,
maken zij zich door leerstellingen en heilige dingen een naam, anders zouden zij
niet vereerd kunnen worden, wat in de direct daarop volgende woorden wordt aangeduid.
Dat zij anders verstrooid zouden worden over de aangezichten van de gehele aarde,
wil zeggen, dat ze niet erkend zouden worden. Hieruit volgt tevens, dat hoe hoger
zulke figuren hun hoofd in de hemel kunnen verheffen, hoe meer naam zij zichzelf
maken. Hun heerschappij is het grootst over hen die enig geweten hebben, want
ze leiden hen waarheen zij willen, daarentegen regeren zij hen die geen geweten
hebben, door verschillende uiterlijke banden. |
|
|
18 |
- Al
wat de mens uit zichzelf voortbrengt
-
kan het goede niet zijn,
- want
het komt uit hemzelf,
- en
dit zelf is een onreine
- en
hoogst onzuivere bron.
Hemelse
Verborgenheden 874. 'En
de duif vond geen rust voor het hol van haar voet, en zij keerde weder tot hem
in de ark, want de wateren waren op de aangezichten van de ganse aarde; en hij
stak zijn hand uit en hij nam haar, en bracht haar tot zich in de ark', (Genesis
8:9); hier wordt de eerste staat beschreven van de wedergeboorte van de mens van
die Kerk na de verzoeking, die allen die wedergeboren worden, gemeen hebben, namelijk
dat zij geloven uit zichzelf het goede te doen en het ware te denken, en daar
zij nog in de grootste duisternis verkeren, laat de Heer hen dan ook in deze waan,
niettemin is al het goede dat zij doen en al het ware dat zij denken, wanneer
zij in die mening verkeren, die vals is, niet het goede en ware van het geloof.
Al wat de mens uit zichzelf voortbrengt kan het goede niet zijn, want het komt
uit hemzelf, en dit zelf is een onreine en hoogst onzuivere bron. Uit een onreine
en onzuivere bron kan nooit iets goeds voortkomen, want hij denkt steeds aan eigen
verdienste en aan eigen rechtvaardigheid. Sommigen gaan zelfs nog verder en verachten
anderen bij zichzelf vergeleken, zoals de Heer leert in: (Lukas 18:9 tot 14);
anderen doen weer anders. De eigen begeerten voegen zich er aan toe, zodat het
van buiten een schijn van het goede heeft, maar toch is het vuil van binnen. Daarom
is het goede dat de mens in deze staat doet, niet het goede van het geloof. Dit
is ook zo gesteld met het ware dat hij denkt; zelfs wanneer datgene wat hij denkt
ook de volste waarheid was, dan is het toch, zolang het uit zijn eigen ik komt,
op zichzelf weliswaar het ware van het geloof, maar het goede van het geloof is
er niet in. Al het ware moet, om het ware van het geloof te zijn, het goede van
het geloof van de Heer in zich hebben; eerst dan wordt het goed en waar. |
|
|
19 |
-
Zodra
het gemoed zich terugtrekt uit de lichamelijke dingen, -
verschijnen
de dingen die tot de ziel en tot het leven behoren.
Hemelse
Verborgenheden 1408.
Deze
dingen en de volgende die zich historisch zo hebben toegedragen zoals ze beschreven
zijn [in het Woord], zijn geschiedenissen van uitbeeldende aard en alle woorden
aanduidingen. Dit
is evenzeer het geval met alle historische gedeelten van het Woord, niet alleen
met de boeken van Mozes, maar ook met Jozua, Richteren, Samuël en Koningen. In
al deze boeken verschijnt niets anders dan geschiedenis; maar hoewel in de letterlijke
zin geschiedenis, bevat de innerlijke zin niettemin verborgenheden van de hemel,
die daarin verscholen liggen.Deze
verborgenheden kunnen nooit worden gezien wanneer het gemoed met het oog aan de
historische dingen vasthoudt. Deze worden ook niet geopenbaard vooraleer het gemoed
zich van de letterlijke zin verwijdert. Het is met het Woord van de Heer gesteld
als met het lichaam waarin een levende ziel is; de dingen die tot de ziel behoren,
verschijnen niet zolang het gemoed dermate aan lichamelijke dingen kleeft, dat
het nauwelijks gelooft een ziel te hebben, nog minder te zullen leven na de dood.
' Zodra echter het gemoed zich uit de lichamelijke dingen terugtrekt, verschijnen
de dingen die tot de ziel en tot het leven behoren. Dit is ook de reden dat niet
alleen de lichamelijke dingen moeten sterven vooraleer de mens opnieuw geboren
of wederverwekt kan worden, maar dat ook het lichaam sterven moet, opdat de mens
in de hemel kan komen en de hemelse dingen zien. Evenzo is het gesteld met het
Woord van de Heer: de lichamelijke dingen zijn de dingen die tot de letterlijke
zin behoren; wanneer het gemoed daarin gehouden wordt, worden de innerlijke dingen
nooit gezien, maar eesrt wanneer deze lichamelijke dingen als het ware dood zijn,
vertonen de innerlijke dingen zich aan het oog. Niettemin vertonen de dingen die
tot de letterlijke zin behoren, overeenkomst met de dingen die bij de mens in
het lichaam zijn, namelijk met de feiten en kennis van het geheugen die uit de
zinnelijke dingen voortkomen en uit algemene vaten bestaan, waarin de inwendige
of de innerlijke dingen zijn. Hieruit kan men weten dat de vaten iets geheel anders
zijn dan de wezenlijke dingen die in de vaten zijn. De vaten zijn de natuurlijke
dingen; de wezenlijke dingen, die de vaten bevatten, zijn geestelijke en hemelse
dingen. Evenzo zijn de geschiedenissen van het Woord, evenals elk woord in het
Woord, algemene, natuurlijke, ja zelfs stoffelijke vaten, waarin geestelijke en
hemelse dingen zijn. Deze dingen komen nooit tot aanschouwing dan alleen door
de innerlijke zin. Eenieder kan dit alleen al hieruit opmaken, dat vele dingen
in het Woord zijn gezegd naar schijnbaarheden, ja zelfs naar zinsbegoochelingen,
zo bijvoorbeeld dat de Heer toornt, straft, vervloekt, doodt en dergelijke dingen
meer, terwijl toch in de innerlijke zin het tegendeel gelegen is, namelijk dat
de Heer nooit toornt en straft, nog minder vervloekt en doodt. Intussen schaadt
het hen die uit de eenvoud van hun harten het Woord geloven, zoals zij het in
de letter opnemen, geenszins, wanneer zij in de naastenliefde leven. Dit komt
omdat het Woord niets anders leert, dan dat eenieder met de naaste in naastenliefde
zal leven en dat men de Heer boven alles lief zal hebben. Zij die dat doen hebben
innerlijke dingen bij zich en zo worden bij hen de uit de letterlijke zin opgenomen
drogbeelden gemakkelijk verstrooid. |
|
|
20 |
…
Al het boze en valse ontstaat uit de eigenliefde en de liefde tot de wereld, er
is geen andere oorsprong, want deze zijn tegenovergesteld aan de hemelse en de
geestelijke liefde. En omdat zij tegenovergesteld zijn, zijn die het juist die
voortdurend de hemelse en geestelijke dingen in het Rijk van God trachten te vernietigen.
Uit eigenliefde en de liefde tot de wereld ontstaan alle soorten van haat, uit
de haat alle wraaknemingen en wreedheden, en uit beide weer alle arglisten, kortom
alle hellen … …
Bergen betekenen, zoals gewoonlijk, de hemelse liefde en de geestelijke liefde,
(759, 796), in de tegenovergestelde zin echter wordt in het Woord door bergen
de eigenliefde en de liefde tot de wereld aangeduid. Bij Jesaja: 'De ogen van
de hoogmoed des mensen zullen vernederd worden, en de hoogmoed der mensen zal
neergebogen worden; de dag van Jehovah Zebaoth over alle hoovaardige en hoge;
over alle hoge bergen en over alle verhevene heuvelen en over alle hoge toren',
(Jesaja 2:11,12,14,15). Hier staan de hoge bergen klaarblijkelijk voor de eigenliefde
en de verheven heuvelen voor de liefde tot de wereld. Bij Mozes: 'Een vuur is
aangestoken in Mijn toorn en zal branden tot in de onderste hel, en zal het land
en zijn inkomst verteren en de gronden van de bergen in vlam zetten', (Deuteronomium
32:22), 'gronden van de bergen', voor de hellen worden zij genoemd omdat de eigenliefde
en de liefde tot de wereld daar heersen en uit voortkomen … …
Wie in verzoekingen is, is in de hellen; het is de staat en geenszins de plaats,
die maakt dat men in de hellen is. Daar bergen en torens de eigenliefde en de
liefde tot de wereld betekenen, kan aan de hand daarvan blijken, wat wordt aangeduid
met de woorden, dat de Heer door de duivel op een hoge berg werd geleid en op
de tinne van de tempel, namelijk in alle uiterste worstelingen van de verzoekingen
tegen de liefde van zichzelf en tot de wereld, dat wil zeggen, tegen de hellen
… |
|
|
21 |
- Alle
Goddelijk werk
- beoogt
het oneindige
- en
eeuwige.
Laatste
Oordeel 13. Uit
vele dingen die zowel in de hemel als in de wereld bestaan blijkt dit. In geen
van beide is er één ding, dat geheel en al gelijkt op een ander, of daaraan gelijk
is.
Ook is er geen gelaat, dat geheel en al op een ander lijkt of het zelfde is, en
dat zal in de eeuwigheid niet plaats vinden. Op dezelfde wijze is er geen enkel
karakter geheel gelijk aan een ander. Daarom zijn er zoveel aangezichten en karakters
als er mensen zijn en ook als er engelen zijn. Nooit bestaat er in een mens, wiens
lichaam uit zo vele ontelbare delen bestaat, en wiens karakter uit ontelbare genegenheden
bestaat, ook maar iets dat geheel en al gelijkt of hetzelfde is als iets in een
ander mens. Vandaar is het, dat iedereen een leven leidt, verschillend van dat
van iemand anders. Evenzo is het in alles en in ieder ding der natuur. Dat er
zo'n oneindige verscheidenheid is in alles en in ieder ding, heeft zijn oorzaak
daarin, dat alles zijn oorsprong heeft uit het Goddelijke, dat oneindig is. Er
is overal een zeker beeld van oneindigheid, met het doel, dat alles door de Godheid
zal worden beschouwd als Zijn eigen werk en tegelijkertijd, opdat alles naar het
Goddelijke ziet als Zijn werk. Op welke wijze elk ding in de natuur betrekking
heeft op oneindigheid en eeuwigheid, mag door het volgende enigszins duidelijk
worden. Elk zaad, de vrucht van een boom, een graankorrel of een bloem, is zo
geschapen, dat het tot in het oneindige kan worden vermenigvuldigd en tot in eeuwigheid
kan duren; want uit één zaad worden meerdere geboren, vijf, tien, twintig, honderd;
en uit elk daarvan opnieuw zovele. Wanneer die vruchtbaarheid uit een zaad slechts
voor honderd jaren aanhoudend voortduurde, dan zou het niet alleen het oppervlak
van een aardbol kunnen bedekken, maar ook het oppervlak van tienduizenden andere
aardbollen. Diezelfde zaden zijn ook zó geschapen, dat hun duur voor eeuwig is;
waaruit blijkt, hoe hierin het denkbeeld ligt van oneindigheid en eeuwigheid,
en zo is het ook met de overige dingen. De engelenhemel is het einddoel, waartoe
alle dingen in het heelal geschapen zijn, want de engelenhemel is het doel waartoe
de mensheid bestaat; en het menselijk geslacht is het doel, waartoe de zichtbare
hemel, met inbegrip van de wereldbollen, geschapen zijn. Het Goddelijk werk van
de engelenhemel heeft allereerst oneindigheid en eeuwigheid op het oog, en bij
gevolg is zijn vermeerdering zonder einde, want daar woont het Goddelijke Zelf.
Vandaar is het ook duidelijk dat het menselijk geslacht nooit zal ophouden, want
indien het ophield zou een Goddelijk werk tot een zeker getal begrensd worden,
en zou de betrekking tot het oneindige verloren gaan. |
|
|
22 |
- Het
Paard betekent het verstand
- en
de Ruiter de verstandige mens.
Over
het Witte Paard. 2.
In de profetische boeken van het Woord wordt dikwijls van het Paard gesproken,
maar tot nu heeft men niet geweten, dat het Paard het verstand betekent en de
Ruiter de verstandige mens. Misschien komt dit omdat het vreemd schijnt, dat door
het Paard zo iets zou worden aangeduid. Maar dat het toch zo is, kan uit vele
plaatsen in het Woord worden bevestigd, waarvan ik er hier enkele zal aanhalen.
I n de profetie van Israël over Dan leest men: "Dan zal een slang zijn aan de
weg, een adderslang neven het pad, bijtende en de hielen van het paard, zodat
zijn rijder achterover valt." (Gen.49:17) Wat deze profetie over een stam van
Israël betekent, zal niemand begrijpen indien hij niet weet wat de slang betekent,
en verder wat het paard en de ruiter betekenen. Ieder wordt gewaar, dat het iets
geestelijks is dat hierin ligt opgesloten. (Wat nu de afzonderlijke dingen betekenen,
zie men in de Hemelse Verborgenheden n. 6398, 6399, 6400, 6401) In het boek Habakuk:
"God, Gij rijdt op Uw paarden. Uw wagens zijn heil, Gij doet Uw paarden in de
zee treden." (Hab.3:8,15) Dat de paarden hier iets geestelijks betekenen is duidelijk,
omdat het van God gezegd wordt. Wat zou het anders zijn, dat God op Zijn paarden
rijdt en dat Hij Zijn paarden in de zee doet lopen. In het boek Zacharia: "Te
dien dage, spreekt Jehova, zal Ik ieder paard met stompzinnigheid slaan, en de
ruiter met zinneloosheid. En over het huis van Juda zal Ik Mijn ogen openen, en
ieder paard der volkeren zal Ik met blindheid slaan." (Zach.12:4) Hier wordt gehandeld
over de verwoesting van de kerk, die plaats heeft wanneer er geheel geen verstand
van het ware meer is. Dit wordt aldus beschreven door een paard en de ruiter.
Wat zou het anders kunnen betekenen, dan dat iedereen met stompzinnigheid geslagen
wordt, en dat het paard der volkeren met blindheid zou worden geslagen ? Wat heeft
dit te doen met de kerk ? In het boek Job: "God heeft hem de wijsheid doen vergeten,
en heeft hem geen verstand toebedeeld. Als het tijd is, verheft Hij zich in de
hoogte, Hij belacht het paard en zijn ruiter." (Job 39:20,21) Dat hier door het
paard het verstand van het Woord wordt aangeduid, is duidelijk. Evenzo in David
waar gesproken wordt van: "Te paard rijden op het Woord der waarheid." (Psalm
45:5) Verder nog op vele andere plaatsen. Wie zou verder kunnen weten hoe het
komt, dat Elia en Elisa de wagen van Israël en zijn ruiters werden genoemd. En
waarom door de jongen van Elisa de berg werd gezien vol van vurige paarden en
wagens, wanneer hij niet weet wat de wagens en de paarden betekenen, en wat Elia
en Elisa hebben voorgesteld ? Want Elisa zei tot Elia: "Mijn vader,mijn vader,
wagen Israëls en zijn ruiteren !" (2 Kon.2:11,12) En Joas de koning van Israël
zei tot Elisa: "Mijn vader, mijn vader ! wagen IsraÙls en zijn ruiteren." (2 Kon.13:14)
En over de jongen van Elisa: "En Jehova opende de ogen van de jongen, dat hij
zag, en zie de \Mberg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa." (2 Kon.6:17)
Dat Elia en Elisa "wagen van IsraÙl en zijn ruiteren" genoemd worden, is omdat
zij beiden de Heer voorstelden, wat het Woord betreft, en omdat door wagen de
leer uit het Woord wordt aangeduid, en door de paarden het verstand daarvan. 3.
Dat het paard het verstand betekend, komt door niets anders dan door de voorstellende
dingen in de geestelijke wereld. Dikwijls verschijnen daar paarden en ruiters
en ook wagens, en allen daar weten dat die dingen iets van het verstand en van
de leer betekenen. Ik heb dikwijls gezien, wanneer enigen daar uit hun verstand
nadachten, dat zij verschenen als rijdende op paarden; zo vertoonden zich die
overdenkingen voor anderen, zonder dat zij dat zelf wisten. Er is daar ook een
plaats waar velen samen komen die uit het verstand denken, en over de waarheden
der leer spreken. Wanneer anderen daar komen zien zij de gehele vlakte vol met
paarden en wagens. Nieuwelingen die verwonderd vragen hoe dat komt, worden onderricht,
dat die verschijning voort komt uit het verstandelijk denken van degenen die daar
zijn. Die plaats wordt de Vergadering der Verstandigen en der Wijzen genoemd.
Ik heb er ook blinkende paarden en vurige wagens gezien wanneer sommigen in de
hemel werden opgenomen, wat een aanwijzing was dat zij dan in de waarheden der
hemelse leer werden onderwezen, en verstandigen geworden waren, en daarom zo verheven
werden. Uit dit gezicht kwam het mij in de geest, wat de vurige wagens en vurige
paarden betekenen waarmee Elia naar de hemel gevoerd werd, en wat de paarden en
vurige wagens die door de jongen van Elisa gezien werden, toen zijn ogen geopend
werden. 4.
Dat wagens en paarden zulk een betekenis hebben, wist men zeer wel in de oude
kerken, omdat die kerken voorstellende kerken waren. Bij hen die daartoe behoorden
was de wetenschap der overeenstemmingen en der voorstellingen de voornaamste wetenschap.
Uit die kerken werd de betekenis van het paard, als van het verstand, overgenomen
door de wijzen in de omliggende landen en ook in Griekenland. Vandaar komt het,
wanneer zij de zon beschreven, waarin zij de god van hun wijsheid en verstand
plaatsten, dat zij hem een wagen met vier vurige paarden toeschreven. En wanneer
zij de god der zee beschreven, omdat door de zee de wetenschappen, die uit het
verstand komen, worden aangeduid, gaven zij die ook paarden. En wanneer zij de
oorsprong der wetenschappen uit het verstand beschreven, stelden zij een gevleugeld
paard voor, dat met zijn hoef een fontein deed ontspringen, waarbij negen maagden
verbleven, die de wetenschappen zijn; want uit de oude kerken was het hun bekend,
dat door het paard het verstand werd aangeduid; door de vleugels het geestelijk
ware; door de hoef, het wetenschappelijke uit het verstand; en door de fontein
de leer waaruit de wetenschappen voortvloeien. Door het "Paard van Troje" hebben
zij ook niet anders willen aanduiden dan een kunstmiddel, uit hun verstand voortgekomen,
om de muren te verwoesten. Zelfs tegenwoordig nog, wanneer men het verstand beschrijft,
volgens de wijze bij de ouden in gebruik, beschrijft men het algemeen door een
vliegend paard of Pegasus; de leer door een fontein, de wetenschappen door maagden
of Muzen. Toch is er nauwelijks iemand die weet, dat paarden in mystieke zin het
verstand aanduiden, en nog minder weet men, dat die betekenissen van de uitbeeldende
kerken der oudheid naar de heidenen werden overgebracht. 5.
Aangezien door het Witte Paard wordt aangeduid, het verstand van het Woord, wat
zijn geestelijke of inwendige zin betreft, daarom zullen hier nu volgen de dingen
die over het Woord en over die zin ervan in Hemelse Verborgenheden werden aangetoond.
In dat werk is alles wat in Genesis en Exodus is bevat, volgens de geestelijke
of inwendige zin van het Woord verklaard. |
|
|
23 |
- De
hemel is daar waar men de Heer erkent,
- in
Hem gelooft en Hem liefheeft.
Hemel
en Hel 56. De
hemel is daar waar men de Heer erkent, in Hem gelooft en Hem liefheeft. De
variatie in de verering van de Heer, vanwege het goede dat varieert van de ene
gezelschap met de andere, vormt geen nadeel maar is nuttig, want daaruit ontstaat
de volmaaktheid van de hemel. Het is bijna onmogelijk om zonder gebruikmaking
van wetenschappelijke uitdrukkingen duidelijk te maken dat de volmaaktheid van
de hemel ontstaat door variatie en door middel van deze te laten zien hoe éénheid
die perfect is, gevormd wordt door verschillende onderdelen. Iedere éénheid bestaat
door verscheidenheid, want een éénheid die niet het resultaat is van verscheidenheid,
is niets, het heeft geen vorm en daarom geen eigenschap. Wanneer echter een éénheid
ontstaat uit verschillende onderdelen en deze verschillende onderdelen zijn in
een perfecte vorm, waarin elk zich op de juiste volgorde rangschikt, alsof het
ene goede bevriend is met het andere, dan is de kwaliteit perfect. Zo is de hemel
een éénheid die ontstaan is uit verschillende bestanddelen die in de meest perfecte
vorm gerangschikt zijn, want de hemelse vorm is de meest volmaakte van alle vormen.
Dat dit de oorsprong van alle perfectie is, blijkt uit alle schoonheid, genoeglijkheid
en vreugde die de zintuigen en het verstand beïnvloeden. Want deze ontstaan en
komen uit niets anders voort dan uit het samenspel en de harmonie van vele overeenstemmende
en harmoniserende delen die óf gelijktijdig in orde bestaan, óf elkaar in orde
opvolgen en niet uit een éénheid zonder meervoudigheid. Hier komt het gezegde
vandaan: variatie schept vreugde en het is bekend dat de aard van de verscheidenheid
de vreugde bepaalt. Uit dit alles kan men zien, als in een spiegel, hoe zelfs
in de hemel perfectie ontstaat door verscheidenheid. Want de dingen die in de
geestelijke wereld bestaan, kunnen als in een spiegel gezien worden in die welke
in de natuurlijke wereld ontstaan. |
|
|
24 |
- In
de hemel wordt overal
- het
Goddelijk Menselijke erkend.
Opmerkenswaardige
Levende Ondervindingen 5032 In
de hemel wordt het Goddelijk Menselijke overal erkend, behalve in de hemel die
vanuit het christendom op deze aardbol is opgekomen, maar dit is alleen in de
laatste hemelen. Maar in de derde hemel erkennen alle engelen, hoevelen het er
ook mogen zijn, God onder de Menselijke vorm, en dus de Heer. Diegenen die vanuit
deze aardbol zodanig zijn, dat zij kunnen worden verheven in de derde hemel, komen
dan terstond in de doorvatting, dat Hij God is onder de Menselijke vorm; want
een zodanig inzicht wordt daar aan hen gegeven en verschijnt zoals ingeënt, omdat
zij daar in het goede van de liefde zijn, dus tot de Heer. Ook weten zij in die
hemel dit niet vanuit wetenschap, maar vanuit doorvatting, wat vanuit het goede
van de liefde tot God is. De engelen in de laatste hemel; geloven ook in de Heer,
maar volgens de leer van de Kerk in de wereld. Zij hebben het leven daaruit met
zich en zij worden daarvan niet verwijderd dan alleen bij graden. Ook de binnensten,
in de geeestelijke hemel, door wie er verbinding is van het geestelijk rijk met
het hemels rijk, zijn eveneens in dit inzicht, wanneer zij zich tot het hemels
rijk keren. |
|
|
25 |
- De
doelen bepalen het leven van de mens
- en
maken het hoedanige ervan uit.
Hemelse
Verborgenheden 4464.
… Het kan eenieder die nadenkt bekend zijn dat de mens door de inwendige dingen
vergemeenschapping heeft met de hemel; de gehele hemel is immers in de inwendige
dingen. Indien de mens ten aanzien van zijn denken en aandoeningen, dat wil zeggen,
ten aanzien van de dingen die van het verstand en die van de wil zijn, niet in
de hemel is, zo kan hij daar na de dood niet komen, want er is niets van vergemeenschapping.
De mens verschaft zich in het leven van het lichaam die vergemeenschapping door
de ware dingen die van het verstand zijn en door de goede dingen die van de wil
zijn. Indien hij zich deze dan niet verschaft, vindt dit daarna niet plaats, want
na de dood kan zijn gemoed niet naar de innerlijke dingen toe geopend worden,
als het niet in het leven van het lichaam geopend was. De mens weet niet dat een
bepaalde geestelijke sfeer hem omstroomt volgens het leven van zijn aandoeningen.
In deze sfeer hebben de engelen beter inzicht dan de sfeer van de geur voor het
allerscherpste zintuig in de wereld. Als zijn leven alleen in de uitwendige dingen
is geweest, namelijk in de wellust uit haatgevoelens tegen de naaste, uit het
nemen van wraak en uit de wreedheid daaruit, uit echtbreuk, uit de zelfverheffing
en uit de verachting daardoor van anderen, uit heimelijke diefstallen, uit gierigheid,
geslepenheid, weelderigheid en eendere dingen, dan is de geestelijke sfeer die
hem omstroomt even afgrijselijk als in de wereld de sfeer van de lucht uit lijken,
uit drek, uit stinkend vuilnis en eendere dingen. Deze sfeer draagt de mens die
zo'n leven heeft geleid met zich mee na de dood en omdat hij geheel en al in die
sfeer is, kan hij nergens anders zijn dan in de hel waar zulke sferen zijn. Over
de sferen in het andere leven en vanwaar die zijn, zie: (1048, 1053, 1316, 1504
tot 1519, 1695, 2401, 2489). Zij die echter in de inwendige dingen zijn, namelijk
zij die hun verkwikking hadden in de welwillendheid en in de naastenliefde jegens
de naaste, en het meest zij die hun gezegende hadden in de liefde tot de Heer,
zijn omstroomd van een aangename en liefelijke sfeer, die de hemelse sfeer zelf
is, waardoor zij ook in de hemel zijn. De sferen die in het andere leven worden
doorvat, komen alle op vanuit de liefden en de aandoeningen daaruit waarin zij
waren geweest, dus vanuit het leven, want de liefden en de aandoeningen daaruit
maken het leven zelf. Omdat die opkomen vanuit de liefden en de aandoeningen daaruit,
komen ze op vanuit de bedoelingen en de doelen waarom de mens zo wil en zo handelt,
want eenieder heeft dat ten doel wat hij liefheeft. Daarom bepalen de doelen het
leven van de mens en maken zij het hoedanige ervan uit. Daaruit is voornamelijk
de sfeer van hem; deze wordt op de allerfijnste wijze doorvat in de hemel; de
oorzaak hiervan is dat de algehele hemel in de sfeer van de doelen is. Uit deze
dingen blijkt hoedanig de mens is die in de inwendige dingen is, en hoedanig hij
die in de uitwendige dingen is, en waarom hij niet in de uitwendige dingen alleen,
maar in de inwendige dingen moet zijn. Maar om deze dingen bekommert de mens die
in de uitwendige dingen alleen is, zich niet, over hoeveel scherpzinnigheid hij
ten aanzien van de dingen in het burgerlijk leven ook beschikt, en hoezeer hij
zich ook de faam van de geleerdheid door de wetenschappelijke dingen had verworven.
Omdat hij zodanig is dat hij gelooft dat er niets bestaat, dat hij niet met de
ogen kan zien en met de tast kan voelen, bijgevolg noch de hemel, noch de hel.
Als hem gezegd zou worden dat hij terstond na de dood in het andere leven zal
komen, en daar volmaakter dan in het lichaam zal zien, horen en spreken, en zich
in het bezit van een volmaakter tastzin zal verheugen, dan zou hij dit als iets
tegenstrijdigs of als fantasie verwerpen, terwijl het toch daadwerkelijk daarmee
zo gesteld is. Eender indien iemand hem zou zeggen dat de ziel of de geest die
na de dood leeft, de mens zelf is, dus niet het lichaam dat hij in de wereld ronddraagt.
Daaruit volgt dat zij die in de uitwendige dingen alleen zijn, zich niet in het
minst daarom bekommeren wat er over de inwendige dingen wordt gezegd, terwijl
toch deze dingen hen gezegend en gelukzalig maken in het rijk waarin zij zullen
komen en waarin zij tot in het eeuwige zullen leven. Het grootste deel van de
Christenen is in zo'n ongeloof; dat zij in zo'n ongeloof zijn, werd mij te weten
gegeven door hen die uit de christelijke wereld in het andere leven zijn gekomen,
met wie ik heb gesproken. In het andere leven immers kunnen ze niet verbergen
wat ze hebben gedacht, omdat gedachten daar duidelijk open liggen. Evenmin kunnen
zij verbergen wat ze tot einddoelen hebben gehad, dat wil zeggen, wat ze hebben
liefgehad, omdat dit zich door de sfeer openbaart. |
|
|
26 |
- De
verlichting en de waarneming
- kunnen
niet bestaan,
- wanneer
er geen aandoening
- of
liefde is.
Hemelse
Verborgenheden 313 …Hierna
wordt gehandeld over de voorbereiding en verlichting van de natuurlijke mens,
opdat daaruit het ware, wat met het goede in het redelijke verbonden moet worden,
opgeroepen zou worden. Het is met die voorbereiding en verlichting als volgt gesteld:
er zijn twee lichten, die de verstandelijke dingen van de mens vormen; het licht
van de hemel en het licht van de wereld. Het licht van de hemel komt van de Heer,
die voor de engelen in het andere leven Zon en Maan is, zie (1053, 1521, 1529,
1530). Het licht van de wereld is uit de zon en de maan, die voor het lichamelijk
gezicht verschijnen. De innerlijke mens heeft zijn gezicht en verstand van het
hemelse licht; de uiterlijke mens heeft echter zijn gezicht en verstand van het
wereldse licht. De invloeiing van het hemelse licht in de dingen die tot het licht
van de wereld behoren, bewerkt de verlichting en tevens de waarneming. Dit is
een waarneming van het ware, wanneer er overeenstemming is, en een waarneming
van het valse in plaats van het ware, als er geen overeenstemming is. Maar de
verlichting en de waarneming kunnen niet bestaan, wanneer er geen aandoening of
liefde is, die de geestelijke warmte is, en leven geeft aan de dingen, die door
het licht verlicht worden. Vergelijkenderwijs is het niet het licht van de zon
dat leven geeft aan de dingen van het plantenrijk, maar de warmte die in het licht
is, zoals duidelijk uitkomt in de jaargetijden. In de verzen die nu volgen, wordt
de voorbereiding beschreven van de natuurlijke mens van de Heer; namelijk dat
het licht van de hemel, wat het goddelijk licht van de Heer is, invloeide in de
dingen die tot het licht van de wereld behoorden in Zijn natuurlijke mens, opdat
Hij daaruit het ware, dat met het goede in het redelijke verbonden moest worden,
zou uitleiden, dus langs de gewone weg. Hij wilde dus zoals een ander mens geboren
worden, en zoals ieder ander onderricht worden, en zoals een ander wederverwekt
worden. Echter met dit verschil; de mens wordt wederverwekt door de Heer, terwijl
de Heer niet alleen Zichzelf wederverwekte, maar ook verheerlijkte, dat wil zeggen,
Zich Goddelijk maakte. Verder ook, dat de mens door de invloed van de naastenliefde
en van het geloof een nieuw mens wordt, de Heer daarentegen door de Goddelijke
Liefde, die in Hem is, en die van Hem is. Hieruit kan men zien dat de wederverwekking
van de mens een beeld is van de verheerlijking van de Heer, of, wat hetzelfde
is, dat men in het proces van wederverwekking van de mens als in een beeld, ofschoon
verwijderd, de voortgang kan zien van de verheerlijking van de Heer.
|
|
|
27 |
- Er
bestaat een overeenstemming
- tussen
alles in de hemel
- en
alles in de mens.
Hemel
en Hel 87-102. 87.
Heden ten dage weet men niet wat overeenstemming (correspondentia) is. Er bestaan
vele redenen voor deze onwetendheid. De voornaamste is dat de mens zich van de
hemel verwijderd heeft door eigenliefde en liefde tot de wereld. Want hij die
zichzelf en de wereld boven alles liefheeft, heeft alleen oog voor wereldlijke
dingen, omdat die de uiterlijke zinnen strelen en zijn neigingen bevredigen en
hij vindt geestelijke dingen niet belangrijk, omdat deze de innerlijke zinnen
bevredigen en de geest verheugen. Daarom stoot hij deze af en zegt dat ze te hoog
zijn voor zijn gedachten. De mensen in de oudheid handelden anders. De kennis
van overeenstemmingen was voor hen de voornaamste van alle wetenschappen. Daaruit
ontleenden zij intelligentie en wijsheid en zij die in de kerk waren, hadden door
middel daarvan communicatie met de hemel, want de wetenschap van overeenstemmingen
is een engelenwetenschap. De oudste mensen (antiquissimi), die hemelse mensen
waren, dachten vanuit overeenstemming zelf, net als de engelen. Daarom spraken
zij ook met engelen en daarom verscheen de Heer hen vaak en onderwees hen. Maar
tegenwoordig is deze wetenschap zo geheel verloren gegaan, dat men niet meer weet
wat overeenstemming is. 88.
Aangezien het onmogelijk is zonder inzicht in wat overeenstemmingen zijn iets
over de geestelijke wereld duidelijk te begrijpen, of over haar influx in de natuurlijke
wereld, of zelfs wat het geestelijke in verhouding tot het natuurlijke is, of
met duidelijkheid iets over de geest van de mens, wat ziel genoemd wordt en zijn
inwerking op het lichaam, en evenmin over de omstandigheid van de mens na de dood,
daarom is het noodzakelijk de aard en karakteristieken van overeenstemming uit
te leggen. Hiermee is een weg gebaand voor hetgeen gaat volgen. 89.
Eerst zal dus gezegd worden wat overeenstemming is. De gehele natuurlijke wereld
stemt overeen met de geestelijke wereld, niet alleen de natuurlijke wereld in
het algemeen, maar ook ieder detail. Daarom zegt men dat alles wat in de natuurlijke
wereld uit de geestelijke wereld ontstaat (existit), daarmee in overeenstemming
is. Men moet weten dat de natuurlijke wereld uit de geestelijke wereld ontstaat
en blijft voortbestaan, precies zoals een gevolg van een teweegbrengende oorzaak.
Met de natuurlijke wereld wordt de gehele uitgestrektheid onder de zon bedoeld
en wat daarvan warmte en licht ontvangt; en alles wat door haar blijft voortbestaan
behoort tot deze wereld. Maar de geestelijke wereld is de hemel, en alles wat
in de hemelen is, behoort tot die wereld. 90.
Aangezien de mens een hemel en een aarde in het klein is, naar het evenbeeld van
de grootste (nr. 57), is bij hem zowel een geestelijke als een natuurlijke wereld.
Zijn geestelijke wereld bestaat uit zijn innerlijke dingen die tot zijn geest
behoren en met verstand en wil te maken hebben, terwijl zijn natuurlijke wereld
uit het uitwendige bestaat en dit behoort tot zijn lichaam en heeft te maken met
zintuigen en gedrag. Dus alles wat in zijn natuurlijke wereld ontstaat (in zijn
lichaam met haar zintuigen en gedrag) vanuit zijn geestelijke wereld (uit zijn
geest met haar verstand en wil), is daar een overeenstemming van. 91.
Wat overeenstemming is, kan gezien worden in het menselijk gezicht. Op een gezicht
dat niet geleerd heeft om te huichelen, worden alle affecties van de geest in
natuurlijke vorm zichtbaar, als in hun beeltenis. Vandaar dat het gezicht de spiegel
van de ziel genoemd wordt; dat wil zeggen het is de mens zijn geestelijke wereld,
weerspiegeld in zijn natuurlijke wereld. Op vrijwel dezelfde wijze vertonen de
dingen die met het verstand te maken hebben, zich in het spreken en de dingen
van de wil in de bewegingen van het lichaam. Alles wat dus in het lichaam gebeurt,
hetzij gezicht, gesprek, of lichamelijke bewegingen, worden overeenstemmingen
genoemd. 92.
Hieruit kan men ook zien, wat de innerlijke en wat de uiterlijke mens is. De innerlijke
mens wordt namelijk de geestelijke mens genoemd en de uiterlijke de natuurlijke
mens. Ook dat de een van de ander verschilt als hemel en aarde. Verder, dat alles
wat in de uiterlijke of natuurlijke mens gebeurt en ontstaat, vanuit de innerlijke
of geestelijke mens gebeurt en ontstaat. 93.
Wat hieraan voorafging, sprak over de overeenstemming van de innerlijke of geestelijke
mens met zijn uiterlijke of natuurlijke mens. Maar op de volgende bladzijden gaat
de overeenstemming van de totale hemel met ieder deel van de mens behandeld worden.
94. Men
heeft kunnen zien dat de gehele hemel op een mens lijkt en de vorm van een mens
heeft en daarom de Grootste Mens genoemd wordt. Ook is getoond dat de engelgemeenschappen,
waaruit de hemel bestaat, gerangschikt zijn als de ledematen, organen en ingewanden
bij de mens. Dat wil zeggen, sommige bevinden zich in het hoofd, andere in de
borst of in de armen en sommige in de innerlijke delen daarvan (zie nr. 59-72).
Dientengevolge stemmen de gemeenschappen, in welk ledemaat zij ook verblijven,
overeen met hetzelfde ledemaat bij de mens; zij die zich bijv. daar in het hoofd
bevinden, stemmen overeen met het hoofd van de mens; zij die zich daar in de borst
bevinden, met de borst van de mens; die zich in de armen bevinden, met de armen
van de mens, etc. Het is ten gevolge van deze overeenstemming dat de mens voortbestaat;
want de mens heeft zijn bestaan uit geen andere bron dan uit de hemel. 95.
De scheiding van de hemel in twee koninkrijken, waarvan het ene het hemelse en
het andere het geestelijke koninkrijk genoemd wordt, kan men hierboven in het
betreffende hoofdstuk zien. Het hemelse koninkrijk stemt in het algemeen overeen
met het hart en met alles wat in het hele lichaam tot het hart behoort; het geestelijke
koninkrijk stemt overeen met de longen en met alles wat in het hele lichaam tot
de longen behoort. Het hart en de longen vormen bij de mens ook twee koninkrijken.
In hem regeert het hart door de slagaderen en aderen en de longen door de zenuwen
en het spierenweefsel, beide tezamen zijn betrokken bij iedere inspanning en beweging.
Zo heeft ook ieder mens in zijn geestelijke wereld, hetgeen zijn geestelijke mens
genoemd wordt, twee koninkrijken, het ene is van de wil en het andere van het
verstand. De wil regeert door de affecties voor het goede, het verstand door de
affecties voor het ware. Deze koninkrijken stemmen inderdaad overeen met de koninkrijken
van het hart en de longen in het lichaam. Dit is eveneens zo in de hemel. Het
hemelse koninkrijk is het willende deel van de hemel en het goede van de liefde
heerst daar. Het geestelijke koninkrijk is het verstandelijke van de hemel en
het ware heerst daar. Dit alles stemt overeen met de functies van het hart en
de longen in de mens. Het is ten gevolge van deze overeenstemming dat in het Woord
het hart de wil betekent en ook het goede van de liefde, en dat het ademhalen
van de longen het verstand betekent en het ware van het geloof. Hier komt het
door dat affecties aan het hart worden toegeschreven, terwijl ze zich daar niet
in bevinden en daar ook niet uitkomen. 96.
De overeenstemming van de twee koninkrijken van de hemel met het hart en de longen
is de algemene overeenstemming van de hemel met de mens; maar er bestaat een meer
specifieke overeenstemming met zijn individuele ledematen, organen en ingewanden;
en hoe die is, zal nu worden verteld. Zij die zich in het hoofd bevinden van de
Grootste Mens, dat is in de hemel, zijn meer dan anderen in al het goede; want
zij zijn in liefde, vrede, onschuld, wijsheid, intelligentie en de daaruit volgende
vreugde en gelukzaligheid. Deze vloeien het hoofd binnen en in alle dingen die
bij de mens met het hoofd te maken hebben en stemmen daarmee overeen. Zij die
zich in de borst bevinden van de Grootste Mens, dus de hemel, zijn in het goede
van naastenliefde en geloof, en vloeien op gelijke wijze in de borst van de mens
in en stemmen daarmee overeen. Zij die zich in de lendenen en de geslachtsorganen
bevinden van de Grootste Mens, in de hemel, zijn in de huwelijksliefde. Zij die
zich in de voeten bevinden zijn in het laagste goede van de hemel, wat het natuurlijk
- geestelijke goede wordt genoemd. Zij die in de armen en handen zijn, zijn in
de macht van het ware vanuit het goede, die in de ogen verkeren zijn in verstand,
die in de oren zijn, zijn in opmerkzaamheid en gehoorzaamheid, zij in de neusgaten
zijn in gewaarwording. Die in de mond en in de tong zijn, hebben het vermogen
te spreken vanuit het verstand en gewaarwording. Die in de nieren zijn, zijn in
het ware, onderzoekend, onderscheidend en zuiverend. Die in de lever, darmklieren
en milt zijn, zijn in verscheidene reinigingsprocessen van het goede en het ware,
en evenzo met de overige delen. Zij vloeien in de gelijke delen van de mensen
in en stemmen daarmee overeen. De influx van de hemel is in de functies (functiones)
en het nut (usus) van de lichaamsdelen en aangezien het nut vanuit de geestelijke
wereld komt, neemt dit een vorm aan door middel van zulke materialen als in de
natuurlijke wereld voorkomen. Zo presenteren zij zich in hun uitwerking, hetgeen
de oorsprong van overeenstemming IS. 97.
Om dezelfde reden worden deze ledematen, organen en ingewanden in het Woord gebruikt
voor dingen met een gelijke betekenis; want daarin heeft alles een betekenis volgens
overeenstemmingen. Dus het hoofd betekent intelligentie en wijsheid, de borst
naastenliefde, de lendenen de echtelijke liefde, de armen en handen de macht
van het ware, de voeten wat natuurlijk is; de ogen het verstand, de neusgaten
gewaarwording (perceptis), de oren gehoorzaamheid, de nieren het onderzoeken
(lustratis) van het ware, ete. Daardoor komt het ook dat men gewoonlijk van iemand
die intelligentie en wijsheid heeft, zegt dat hij een goed hoofd heeft; van iemand
die aan naastenliefde doet, dat hij een boezemvriend is; van iemand die een waarnemingsvermogen
heeft, dat hij een scherpe neus heeft; van iemand die in intelligent is, dat hij
een helder inzicht heeft; van iemand die veel macht heeft, dat hij verstrekkende
armen heeft; van iemand die uit liefde iets wil, dat hij het van harte wil. Deze
en vele andere uitdrukkingen van de mens komen uit overeenstemmingen voort, want
zij hebben hun oorsprong in de geestelijke wereld, alhoewel de mens zich dit
niet realiseert. 98.
Dat er een dergelijke overeenstemming bestaat van alle dingen van de hemel met
alle dingen van de mens, is mij door veelvuldige ervaringen duidelijk gemaakt
en wel zó veelvuldig, dat ik er volledig van overtuigd ben, als van een vanzelfsprekend
feit dat geen twijfel toelaat. Maar het is niet nodig al die ervaringen hier naar
voren te brengen en de hoeveelheid verhindert dit bovendien. Men kan ze uiteengezet
zien in de Hemelse Verborgenheden, waar de overeenstemmingen, de representaties,
de influx van de geestelijke wereld in de natuurlijke en de gemeenschap tussen
de ziel en het lichaam behandeld worden. 99.
Niettegenstaande het feit dat alle lichaamsdelen van de mens overeenstemmen met
alle dingen van de hemel, is de mens wat zijn uiterlijke vorm betreft geen evenbeeld
van de hemel, maar naar zijn innerlijke vorm. Want het innerlijk van de mens ontvangt
de hemel en zijn uitwendige ontvangt de wereld. Dus voor zover zijn innerlijke
de hemel ontvangt, is de mens ten opzichte daarvan een hemel in het klein naar
de beeltenis van de Grootste. Maar voor zover zijn innerlijke de hemel niet ontvangt,
is hij geen hemel of een beeltenis van de Grootste. Desalniettemin kan zijn uitwendige
dat de wereld ontvangt, in een gedaante volgens de orde van de wereld zijn en
dientengevolge alle mogelijke schoonheid bezitten. Want uiterlijke schoonheid,
wat met het lichaam te maken heeft, is afkomstig van de ouders en van de vorming
in de baarmoeder en wordt daarna door de algemene invloed vanuit de wereld behouden.
Vandaar dat de natuurlijke vorm van de mens zeer verschillend is van de vorm van
zijn geestelijke mens. Meerdere malen liet men mij zien wat de geestelijke vorm
van een mens was en het bleek dat bij sommige mensen die er uiterlijk mooi en
lieflijk uitzagen, de geest dermate misvormd was, zwart en monsterlijk, dat men
het een beeld van de hel zou noemen en niet van de hemel; terwijl bij anderen,
die geen uiterlijke schoonheid bezaten, de geest welgevormd was, zuiver en engelachtig.
Na de dood ziet de geest van een mens er net zo uit als toen deze in zijn lichaam
was, terwijl hij op aarde daarin leefde. 100.
Maar overeenstemming strekt verder dan alleen maar tot de mens, want er bestaat
ook een overeenstemming van de hemelen onderling. De tweede of middelste hemel
stemt overeen met de derde of binnenste hemel, en de eerste of laagste hemel stemt
overeen met de tweede of middelste hemel. Deze eerste of laagste hemel stemt overeen
met de lichaamsvormen in de mens, die zijn ledematen, organen en ingewanden genoemd
worden en dus het lichamelijke van de mens is, waarin de hemel uiteindelijk eindigt
en waarop zij rust als op haar fundament. Maar dit mysterie zal ergens anders
vollediger uitgelegd worden. 101.
Een feit dat men echter vooral moet weten, is dat alle overeenstemming die met
de hemel bestaat, met de Goddelijke Mens van de Heer is, aangezien de hemel van
Hem afkomstig is en Hij de hemel is, zoals in voorgaande hoofdstukken werd aangetoond.
Want indien de Goddelijke Mens van de Heer niet in alle dingen van de hemel invloeide
en vervolgens door overeenstemmingen in alle dingen van de aarde invloeide, zou
geen engel of mens bestaan. Hieruit is wederom duidelijk waarom de Heer Mens geworden
is en zijn Godheid met een Mens bekleedde van het eerste tot het laatste. Dit
was omdat de Goddelijke Mens, hetgeen de bron was van de hemel vóór de komst van
de Heer, niet meer voldoende was om alles in stand te houden, omdat de mens, die
de basis van de hemel is, de orde had verzwakt en vernietigd. 102.
Engelen zijn verbaasd als zij horen dat er mensen zijn die alles aan de natuur
toeschrijven en niets aan God en geloven dat hun lichaam, waarin zoveel wonderen
van de hemel bijeengebracht zijn, door de natuur gevormd is. Ze zijn er nog meer
verbaasd over dat men gelooft dat het rationele van de mens uit de natuur voortkomt,
terwijl, als zij het verstand op een iets hoger niveau zouden kunnen brengen,
ze zouden zien dat dergelijke dingen uit het Goddelijke en niet uit de natuur
ontstaan en dat de natuur slechts geschapen is om het geestelijke te bekleden
en daarvan de overeenstemming te zijn op het laatste niveau van orde. De engelen
vergelijken zulke mensen met nachtuilen die in duisternis kunnen zien, maar niet
in het licht. |
|
|
28 |
- Het
Woord heeft een inwendige zin
- die
in de letter niet kan worden gezien.
Hemelse
Verborgenheden 2495.
Het is al eerder beschreven en aangetoond op vele plaatsen dat het Woord een inwendige
zin heeft die in de letter niet kan worden gezien.Ook
is de aard van die inwendige zin duidelijk uit de verklaringen die tot zover zijn
gegeven vanuit het 1ste hoofdstuk van Genesis. Maar dan nog, de weinigen die heden
ten dage wel in het Woord geloven, weten, ondanks hun geloof, niets van het bestaan
van zulk een inwendige zin; daarom wordt hier verdere bevestiging gegeven. De
Heer beschrijft de voleinding der eeuw, dat wil zeggen: de laatste tijd van de
Kerk als volgt: 'Terstond na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd
worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de
hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden', (Matthéüs 24:29;
Markus 13:24); dat de zon hier niet de zon betekent, de maan niet de maan en ook
niet de sterren de sterren, maar de zon de liefde tot de Heer en de liefde tot
de naaste, de maan het geloof van de liefde en naastenliefde en de sterren de
erkentenissen van het goede en ware, werd aangetoond in: (31, 32, 1053, 1521,
1529, 1530, 1531, 2120, 2441). Zo wordt er door deze woorden van de Heer aangeduid,
dat er in de voleinding der eeuw, of in de laatste tijd, geen liefde meer zal
zijn en geen naastenliefde en dientengevolge geen geloof. Dat dit de zin is, blijkt
duidelijk uit soortgelijke woorden van de Heer bij de profeten, zoals bij Jesaja:
'Ziet, de dag van Jehovah komt, om het land te stellen tot verlating, en Hij zal
deszelfs zondaars daaruit verdelgen; want de sterren der hemelen en haar gesternten
zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden in haar opgang,
en de maan zal haar licht niet laten schijnen', (Jesaja 13:9,10). Hier wordt ook
gehandeld over de laatste tijd van de Kerk, of, wat hetzelfde is, over de voleinding
der eeuw. Bij Joël: 'Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolk en
dikke donkerheid; de aarde is beroerd voor Hem, de hemelen beefden; de zon en
maan werden zwart en de sterren trokken haar glans in', (Joël 2:2,10). Elders
bij dezelfde: 'De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed,
eer dat de grote en vreselijke dag van Jehovah komt', (Joël 2:31); verder nog
bij dezelfde: 'De dag van Jehovah is nabij, de zon en maan zijn zwart geworden,
en de sterren hebben haar glans ingetrokken', (Joël 3:14,15). Bij Ezechiël: 'Wanneer
Ik u zal uitblussen, zal ik de hemelen bedekken en hun sterren zwart maken; Ik
zal de zon met een wolk bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten,
alle lichtende lichten in de hemelen zal Ik zwart maken en Ik zal een duisternis
over uw land brengen', (Ezechiël 32:7,8). Ook bij Johannes: 'Ik zag, toen hij
het zesde zegel geopend had, en ziet, er werd een grote aardbeving, en de zon
werd zwart als een haren zak, en de ganse maan werd als bloed, en de sterren vielen
op de aarde', (Apocalyps 6:12,13). Bij dezelfde: 'De vierde engel heeft gebazuind,
zodat het derde deel van de zon werd geslagen, en het derde deel van de maan,
en het derde deel van de sterren, en het derde deel derzelve werd verduisterd',
(Apocalyps 8:12). Uit deze plaatsen kan blijken dat de woorden van de Heer bij
de evangelisten iets dergelijks bevatten als de woorden van de Heer bij de profeten,
namelijk, dat er in de laatste tijden geen naastenliefde of geloof zal zijn; en
dat dit de innerlijke zin is, zoals ook nog blijkt bij Jesaja: 'De maan zal schaamrood
worden, en de zon zal beschaamd worden, want Jehovah Zebaoth zal regeren op de
berg Zion, en in Jeruzalem', (Jesaja 24:23), dit wil zeggen dat het geloof, wat
de maan is, schaamrood zal worden, en de naastenliefde, wat de zon is, beschaamd,
omdat ze van dien aard zijn; want van de maan en de zon kan niet gezegd worden
dat ze schaamrood en beschaamd zullen worden; en bij Daniël: 'De hoorn van de
geitenbok groeide tegen het zuiden, en tegen en oosten, en groeide tot aan het
heir der hemelen, en hij wierp van het heir en van de sterren ter aarde neer,
en hij vertrad ze', (Daniël 8:9,10), alwaar het eenieder duidelijk kan zijn, dat
het heir der hemelen niet een leger betekent, noch 'sterren' sterren.
|
|
|
29 |
- Er
zijn in het andere leven
- wonderlijke
sferen
- in
een ontelbare verscheidenheid.
Hemelse
Verborgenheden 1116. Er
werden mij woningen getoond van hen die tot het tweede en derde nageslacht van
de Oudste Kerk behoorden.Deze
woningen zijn prachtig, over een grote lengte uitgestrekt en met mooie purperrode
en blauwe kleurschakeringen; want de engelen hebben de meest prachtige woningen,
zodat die nooit beschreven kunnen worden. Ik heb die vaak gezien; ze verschijnen
zo tastbaar voor hun ogen, dat er niets is dat tastbaarder verschijnen kan. Maar
waar zulke tastbare verschijningen vandaan komen, daarover zal, door de goddelijke
barmhartigheid van de Heer, in hetgeen volgt gesproken worden. Zij leven in een
lichtsfeer, die om zo te zeggen, de glans van parels heeft en soms de schittering
van diamanten. Want er zijn in het andere leven wonderlijke sferen in een ontelbare
verscheidenheid. Zij die menen dat dergelijke dingen daar niet kunnen bestaan,
en nog onbegrensd veel dingen meer, meer dan ooit in iemands voorstelling zou
kunnen opkomen, dwalen zeer. Weliswaar zijn het uitbeeldingen, zoals de profeten
soms zagen, niettemin zijn ze zo werkelijk, dat zij die in het andere leven zijn,
deze dingen voor werkelijk houden, en dat, wat in de wereld is, in vergelijking
voor niet-werkelijk houden. |
|
|
30 |
- Dat
de hemel
- niet
rein is voor de Heer,
- is
bekend.
Hemelse Verborgenheden 2249. Dat
de woorden 'Abraham trad toe en zei', (Genesis 18:23); het denken van de Heer
betekenen uit het Menselijke, welk denken zich nauwer verbond met het Goddelijke,
volgt uit hetgeen voorafgaat, waar gehandeld wordt over het denken van de Heer
over het menselijk geslacht, aldus zonder verklaring.Dat
in dit hoofdstuk in de innerlijke zin de staat van het denken van de Heer en Zijn
innerlijk gewaarworden zo uitvoerig beschreven wordt, en in het begin zo uitvoerig
de staat van de verbinding van het Menselijke van de Heer met het Goddelijke,
zal de mens wel mogelijk als van niet zo'n groot belang toeschijnen, maar toch
is het van het grootste gewicht. Voor de engelen immers, voor wie de innerlijke
zin het Woord is, vertonen deze dingen zich levend met hun uitbeeldingen in de
allerschoonste vorm, en ook de ontelbare dingen die daaruit voortvloeien en hun
gelijkenis dragen en betrekking hebben op de verbinding van de Heer met de hemel,
en op de ontvangst van Zijn Goddelijke in hun menselijke, want de engelenvoorstellingen
zijn van dien aard, dat deze dingen hen boven alle andere bekoren en zij deze
als allerbekoorlijkst gewaarworden. Vandaar worden zij ook meer en meer verlicht
en bevestigd ten aanzien van de vereniging van het Menselijk Wezen van de Heer
met het Goddelijk Wezen. Want engelen zijn zij die mensen zijn geweest en toen
zij mensen waren, konden zij niet anders dan over de Heer denken als mens, en
over de Heer als God, verder over de Goddelijke Drievuldigheid, en zichzelf verschillende
voorstellingen vormen, hoewel zij toen niet wisten van welke aard zij waren. Want
de hemelse verborgenheden brengen dit met zich mee, dat hoewel ze alle bevatting
te boven gaan, eenieder zich daarvan de een of andere voorstelling maakt, want
nooit kan er niets in het geheugen worden vastgehouden, nog minder iets van de
gedachte binnentreden, tenzij door middel van enige voorstelling, op de een of
andere wijze gevormd. Daar voorstellingen niet anders gevormd konden worden dan
naar de dingen die in de wereld zijn, of naar dingen overeenkomstig die welke
in de wereld zijn, en destijds uit de onbegrepen dingen vanzelf begoochelingen
invloeiden, welke in het andere leven de voorstellingen van de gedachte - die
dan innerlijk zijn - van het ware en het goede van het geloof vervreemden, wordt,
opdat dergelijke dingen verstrooid mogen worden, in dit hoofdstuk, in de innerlijke
zin daarvan, zoveel gehandeld over de verbinding van het Mensleijke van de Heer
met het Goddelijke, en over Zijn innerlijk gewaarworden en denken. Wanneer dan
het Woord gelezen wordt, vertonen deze dingen zich zo aan de innerlijke gewaarwording
van de engelen, dat de vorige voorstellingen, gevormd uit andere bronnen en uit
overwegingen die daaruit gemakkelijk voortkomen, geleidelijk verstrooid worden.
Nieuwe voorstellingen worden dan ingegeven die gelijkvormig zijn aan het licht
van de waarheid waarin de engelen zijn. Dit vindt meer plaats bij de geestelijke
engelen dan bij de hemelse, want zij worden overeenkomstig de reiniging van de
voorstellingen vervolmaakt tot de ontvangst van de hemelse dingen. Dat de hemel
niet rein is voor de Heer, is bekend; en dat zij voortdurend vervolmaakt worden,
is waar. |
|
|
31 |
- De
staat van engelen is van dien aard
- dat
eenieder zijn welbehagen
- en
zijn gelukzaligheid
- aan
de ander meedeelt.
Hemelse
Verborgenheden 549.
De staat van engelen is van dien aard dat eenieder zijn welbehagen en zijn gelukzaligheid
aan de ander meedeelt, want er bestaat in het andere leven een aller-nauwkeurigste
mededeling en waarneming van alle gevoelens en gedachten. Vandaar dat eenieder
zijn vreugde aan allen meedeelt, en allen aan eenieder, zodat zo als het ware
eenieder het middelpunt van allen is; dit is de hemelse vorm. As gevolg hiervan:
hoe meer het er zijn die het Rijk van de Heer uitmaken, des te groter is de gelukzaligheid,
want deze neemt toe naar verhouding van de veelheid; dit is de reden waarom de
hemelse gelukzaligheid onuitsprekelijk is. Zo'n mededeling van allen aan eenieder
en van eenieder aan allen, vindt plaats, wanneer de een de ander meer liefheeft
dan zichzelf. Als daarentegen iemand zichzelf meer bemint dan een ander, heerst
eigenliefde, die uit zichzelf niets aan de ander meedeelt dan de voorstelling
van zichzelf, wat een aller-vuilst idee is. Als men die waarneemt, wordt die persoon
afgezonderd en verworpen. |
|
|
32 |
- De
Heer is de Zon
-
in de engellijke hemel.
Over
de Goddelijke Wijsheid 12. 12.1.
.Dat de Heer de Zon in de engellijke hemel is, daarvan was men tot dusver onkundig,
omdat het onbekend was, dat de geestelijke wereld is onderscheiden van de natuurlijke
wereld, en dat gene boven deze is, en zij onderling niets gemeen hebben dan zoals
het eerdere en het latere, en zoals de oorzaak en de uitwerking. Vandaar was het
onbekend wat het geestelijke is, en bovendien dat in gene wereld engelen en geesten
zijn, en dat dezen en genen mensen zijn in alle gelijkenis met de mensen in de
wereld, met het enige verschil dat genen geestelijk zijn, en de mensen natuurlijk.
Voorts dat alle dingen die daar zijn, alleen vanuit geestelijken oorsprong zijn,
en dat alle dingen die hier zijn, vanuit zowel geestelijken als natuurlijken oorsprong
zijn. En omdat deze dingen onbekend waren, was het ook onbekend dat de engelen
en de geesten een ander licht en een andere warmte hebben dan de mensen. Het licht
en de warmte daar trekken hun wezen uit hun Zon, zoals het licht en de warmte
in de natuurlijke wereld hun wezen uit onze zon, bij gevolg dat het wezen van
het licht en de warmte vanuit hun Zon geestelijk is, en dat het wezen van het
licht en de warmte van uit onze zon natuurlijk is, waaraan echter het geestelijke
vanuit hun Zon is toegevoegd, dat bij de mens zijn verstand verlicht, terwijl
het natuurlijke zijn oog verlicht. Uit deze en gene dingen blijkt, dat de Zon
van de geestelijke wereld in haar wezen datgene is waaruit al het geestelijke
zijn opkomst trekt; en dat de zon van de natuurlijke wereld in haar wezen datgene
is waaruit al het natuurlijke zijn opkomst trekt. Het geestelijke kan nergens
anders vandaan het wezen trekken dan vanuit de Goddelijke Liefde en vanuit de
Goddelijke Wijsheid, want liefhebben en wijs zijn is geestelijk. Het natuurlijke
echter kan nergens anders vandaan zijn wezen trekken, dan vanuit louter vuur en
vanuit louter licht. Daaruit nu volgt, dat de Zon van de geestelijke wereld in
haar Zijn is God, zijnde de Heer uit het eeuwige, en dat de warmte vanuit die
Zon is de liefde, en het licht vanuit die Zon is de wijsheid. Dat tot nu toe niet
wat ook is onthuld over die Zon, hoewel zij in veel plaatsen in het Woord wordt
verstaan waar de Zon wordt genoemd, is omdat het niet onthuld mocht worden, voordat
het Laatste Gericht was voltrokken, en uit de Heer de Nieuwe Kerk, zijnde Nova
Hierosolyma, moest worden ingesteld. Dat het niet eerder is onthuld, heeft verscheidene
oorzaken, maar het is hier niet ter plaatse deze aan te voeren. Wanneer eenmaal
bekend is geworden, dat engelen en geesten mensen zijn, en zij onder elkaar leven
zoals de mensen in de wereld, en zij geheel en al boven de natuur zijn, en de
mensen binnen de natuur, zo kan dan vanuit de rede worden geconcludeerd, dat genen
een andere Zon hebben, en dat zij het is waar vanuit het al van de liefde en het
al van de wijsheid de oorsprong afleidt, en vandaar het al van het waarlijk menselijke
leven. Dat die Zon mij is verschenen, en eveneens daarin de Heer, zie men in het
werk over de Hemel en de Hel n. 116-140; en in het werkje over de Planeten en
de Aardbollen in het Heelal n. 40-42. |
|
|
33 |
Er
zijn drie hemelen. Hemel
en Hel 29-31.
29.
Er bestaan drie geheel afzonderlijke hemelen: de binnenste of derde, de middelste
of tweede en de buitenste of eerste. Ze hebben dezelfde volgorde en verhouding
als het hoogste deel van de mens of zijn hoofd, het middelste gedeelte of lichaam,
en het laagste deel of voeten. Of zoals de bovenste, middelste en laagste verdieping
van een huis. Het Goddelijke dat uit de Heer voortgaat en neerdaalt is precies
zo ingedeeld. Vandaar, voor de nodige orde, is de hemel ook driedelig. 30.
Het innerlijk (interiora) van een mens, wat tot zijn gemoed (mentis) en zijn karakter
(animus) behoort, zijn eveneens zo ingedeeld. Hij heeft een binnenste, een middelste,
en een buitenste deel. Want toen de mens geschapen werd, werden alle dingen van
Goddelijke orde in hem bijeengebracht, zodat hij een vorm van Goddelijke orde
werd en zodoende een hemel in kleinste vorm. Hierdoor heeft de mens, voor wat
betreft zijn binnenste, communicatie met de hemel. Ook komt hij na de dood bij
engelen, bij hen van de binnenste, middelste of buitenste hemel, afhankelijk van
zijn opname van het goede en ware van de Heer toen hij op aarde leefde. 31.
Het Goddelijke dat vanuit de Heer invloeit en wordt opgenomen in de derde of binnenste
hemel, wordt hemels genoemd, en daarom worden de engelen daar hemelse engelen
genoemd. Het Goddelijke dat vanuit de Heer invloeit en wordt opgenomen in de tweede
of middelste hemel, wordt geestelijk genoemd en daarom worden de engelen daar
geestelijke engelen genoemd, terwijl het Goddelijke dat vanuit de Heer invloeit
en wordt opgenomen in de buitenste of eerste hemel, natuurlijk wordt genoemd;
omdat het natuurlijke van die hemel echter niet hetzelfde is als het natuurlijke
van de wereld, maar het geestelijke en hemelse in zich heeft, wordt daarom die
hemel geestelijk-natuurlijk en hemels-natuurlijk genoemd en vandaar worden de
engelen die daar zijn, geestelijk-natuurlijk en hemels-natuurlijk genoemd. Zij
die influx uit de middelste of tweede hemel ontvangen, dat is de geestelijke hemel,
worden geestelijk-natuurlijk genoemd, zij die influx uit de derde of binnenste
hemel ontvangen, dat is de hemelse hemel, worden hemels-natuurlijk genoemd. De
geestelijk-natuurlijke en de hemels-natuurlijke engelen verschillen onderling,
maar vormen één hemel, omdat zij op hetzelfde niveau zijn. |
|
|
34 |
- Engelen
weten niets van de toekomst,
- omdat
de toekomst
- alleen
aan de Heer bekend is.
Laatste
Oordeel 74. Ik
heb met de engelen verscheidene dingen besproken over de toekomstige staat van
de kerk. Zij zeiden van de toekomst niets te weten, omdat de toekomst alleen aan
de Heer bekend is. Maar wel wisten zij dat de slavernij en gevangenschap waarin
de mens der kerk zich vroeger bevond, is opgeheven; en dat hij nu door de vrijheid
die hem is teruggegeven, de innerlijke waarheden beter kan opmerken indien hij
dat wil opmerken, en zo meer innerlijk kan worden indien hij dat wil. Zij hebben
echter weinig hoop voor de mensen van de Christelijke kerk, maar daarentegen veel
hoop voor een zeker volk op grote afstand van de Christelijke wereld en daardoor
zonder aanvechtingen is. Dat volk is van zulk een aard, dat zij geestelijk licht
kunnen opnemen en hemelse geestelijke mensen kunnen worden. Zij zeiden dat heden
ten dage aan dat volk innerlijke Goddelijke waarheden worden geopenbaard, en dat
die ook in geestelijk geloof worden opgenomen, dat is, in hun leven en in hun
hart, en dat zij de Heer aanbidden. |
|
|
35 |
- De
liefde en de wijsheid zijn twee onderscheiden dingen,
- geheel
zoals de warmte en het licht;
- de
warmte wordt gevoeld, eender de liefde;
- en
het licht wordt gezien, eender de wijsheid.
Over de Goddelijke
Wijsheid 3
C. De liefde en de wijsheid zijn twee onderscheiden dingen, geheel zoals de warmte
en het licht; de warmte wordt gevoeld, eender de liefde; en het licht wordt gezien,
eender de wijsheid: de wijsheid wordt gezien als de mens denkt, en de liefde wordt
gevoeld als de mens wordt aangedaan; maar nochtans niet als twee, maar als één
werken zij in de formeringen; ook is dit eender als de warmte en het licht van
de zon van de wereld; de warmte in lente- en zomertijd werkt samen met het licht,
en het licht met de warmte, en het gedijt en spruit uit. Evenzo werkt de liefde
in de staat van vrede en kalmte samen met de wijsheid, en de wijsheid met de liefde,
en brengt voort en formeert; dit in het embryo en in de mens. Dat de samenwerking
van de liefde en de wijsheid is zoals de samenwerking van de warmte en het licht,
blijkt duidelijk uit de verschijningen in de geestelijke wereld; daar is de liefde
de warmte en is de wijsheid het licht, en daar leven alle dingen in de engelen,
en bloeien rondom hen, geheel en al volgens het één zijn van de liefde en de wijsheid
bij hen. Het één zijn van de liefde en de wijsheid is wederkerig; de liefde verenigt
zich met de wijsheid, en de wijsheid herenigt zich met de liefde; vandaar ageert
de liefde en reageert de wijsheid; door dit wederkerige ontstaat alle uitwerking.
Dit één zijn is wederkerig, en vandaar is het wederkerig zijn van de wil en het
verstand, en is het van het goede en van het ware,voorts van de naastenliefde
en van het geloof bij de mens in wie de Heer is; ja zelfs zodanig is dat van de
Heer Zelf met de kerk. Dit wordt verstaan onder de woorden van de Heer tot de
discipelen, bij Johannes, opdat zij zouden zijn in Hem, en Hij in hen, 14:20;
en elders. Hetzelfde één zijn wordt ook verstaan onder het één zijn van de man
en de echtgenote, zoals bij Markus: “Zij twee zullen tot één vlees zijn; en daarom
zijn zij niet langer twee, maar één vlees”, 10:8. De man immers is geboren om
verstand te zijn en vandaar wijsheid, de vrouw echter om wil te zijn en vandaar
de aandoening die van de liefde is; over welke zaak men zie in het werk over de
Hemel en de hel n. 366 tot 386. Aangezien het twee dingen zijn, de liefde en de
wijsheid, die het embryo in de baarmoeder formeren, zijn er daarom twee receptakels,
het ene voor de liefde en het andere voor de wijsheid. Derhalve zijn er ook twee
dingen in het lichaam overal, welke eender onderscheiden zijn, en verenigd zijn;
er zijn twee halfronden van het cerebrum, twee ogen, twee oren, twee neusvleugels,
twee kamers van het hart, twee handen, twee voeten, twee nieren, twee teelballen;
de overige ingewanden zijn ook gepaard; en overal heeft dat wat aan de rechterzijde
is betrekking op het goede van de liefde, en dat wat aan de linkerzijde is, op
het ware van de wijsheid. Dat die beide aldus verbonden zijn om één te handelen
wederzijds en wederkerig, kan een ijverig speurder zien indien hij zich genoeg
moeite geeft. Het één zijn zelf komt voor het gezicht uit in de vezels, die over
en weer uitsteken en in het midden zijn samengevlochten; daarom is het eveneens,
dat zoiets in het Woord met rechts en links wordt aangeduid. Uit deze dingen blijkt
de waarheid, dat de liefde en de wijsheid tegelijk en unaniem in het embryo alle
en de afzonderlijke dingen formeren, maar nochtans van elkander zijn onderscheiden
in deze. |
|
|
36 |
- De
engelen die bij de mens zijn
- richten
de aandacht op niets anders
- dan
op einddoelen en nuttige werkingen.
Hemelse
Verborgenheden 1645. De
spraak van de engelen is niet te beschrijven en ver boven de spraak van geesten,
omdat deze gaat boven de spraak van de engelgeesten. Die spraak is voor de mens,
zolang deze in het lichaam leeft, op geen enkele wijze begrijpelijk; ook de geesten
in de geestenwereld kunnen zich hiervan geen voorstelling maken, want het gaat
het bevattingsvermogen van hun gedachten te boven. Hun spraak is niet een spraak
van dingen die uitgebeeld worden door bepaalde voorstellingen, zoals van geesten
en engelgeesten, maar het is een spraak van einddoelen en van nuttige werkingen
die daaruit voortkomen, die het beginsel en het wezenlijke van de dingen zijn.
Daarin worden de gedachten van de engelen neergelegd en daarin wisselen die met
onbegrensde verscheidenheid. In alles en in elke bijzonderheid van deze spraak
is een innerlijke vreugde en gelukzaligheid uit het goede van de wederkerige liefde
van de Heer en het schone en het verrukkelijke uit het ware van het geloof dat
uit de liefde voortkomt. De einddoelen en de nuttige werkingen die daaruit voortkomen,
zijn als het ware de tederste kelken en de liefelijkste dragers van ontelbaar
vele verscheidenheden en dit door middel van niet te begrijpen hemelse en geestelijke
vormen. Hierin worden zij door de Heer gehouden, want het Rijk van de Heer is
alleen een rijk van einddoelen en nuttige werkingen. Daarom richten ook de engelen
die bij de mens zijn de aandacht op niets anders dan op einddoelen en nuttige
werkingen en halen zij uit de gedachte van de mens niets anders dan dat tevoorschijn;
om het overige, dat denkbeeldig en stoffelijk is, bekommeren ze zich niet in het
minst daar dit ver beneden hun sfeer is. |
|
|
37 |
- De
orde,
- waarin
ieder mens uit God geschapen is,
- is
deze,
- dat
hij na de kindsheid
- een
mens zal worden.
Coronis
7-8. 7.
De orde, waarin ieder mens uit God geschapen is, is deze, dat hij na de kindsheid
een mens zal worden; want wanneer hij geboren wordt, is hij slechts een uitwendig
beeld of de uitwendige vorm van een mens, en hij is dan minder mens dan het pasgeboren
beest een beest is; doch voor zoveel als hij van binnen in deze vorm naar zijn
gemoed of naar zijn geest wordt vervolmaakt in wijsheid en liefde, voor evenzoveel
wordt hij mens. De mens is zoals een boom, welke eerst vanuit het zaad uitgroeit
tot een loot, en terwijl hij naar de hoogte streeft, zendt hij takken uit en hieruit
loof, en bekleed zich gestadig met bladeren; en wanneer hij tot wasdom komt, hetgeen
gebeurt in het midden van zijn leeftijd, doet hij bloesems ontluiken, en brengt
hij vruchten voort, en legt in elk daarvan zaden, welke in de aarde als in een
baarmoeder gebracht tot eendere bomen uitgroeien, en zo tot een tuin. En, als
gij het geloven wilt, deze zelfde tuin blijft bij de mens na de dood voortduren;
hij woont daarin, en wordt dagelijks verlustigd door de aanblik ervan, en vanwege
het nut van zijn vruchten; die mens is het, die bij David wordt beschreven met
deze woorden: "Hij zal zijn zoals een boom, geplant aan de beken der wateren,
welke zijn vrucht zal geven op zijn tijd, en welks blad niet afvalt" (Psalm I:
3; en eveneens Apocalyps XXII: 1, 2). Anders is het echter gesteld met de mens
die geboren is in de Kerk, en die, wanneer hij zijn MORGEN is doorgegaan en voortgeschreden
is tot het eerste licht van de DAG, waardoor hij redelijk is geworden, dan stil
blijft staan, en niet vrucht maakt; deze is, of kan zijn, als een boom weelderig
van bladeren, maar niet dragende vrucht, en die uit de tuin wordt uitgeroeid,
en welks takken worden afgehakt, en welks stam met bijl of zaag wordt klein gemaakt,
en dan wordt het geheel bij gedeelten in het vuur geworpen. Het licht van zijn
redelijke wordt als het licht der dagen van de midwinter, waarin de bladeren der
bomen eerst geel worden, en daarna afvallen, en tenslotte verrotten. Zijn redelijke
kan ook worden vergeleken met een boom welks bladeren in het begin der lente worden
verteerd door de wormen; en eveneens met het graangewas dat wordt verstikt door
doornen; voorts ook met gras dat wordt verwoest door sprinkhanen. De oorzaak hiervan
is deze, dat zijn redelijke louter natuurlijk is, en zijn ideeën enig en alleen
door de zinnen aan de wereld ontleent, en niet door de aandoeningen en de doorvattingen
daaruit aan de hemel; en omdat er zo in zijn redelijke van binnen niet iets geestelijks
is, zo wordt zijn stem, wanneer hij dan over iets geestelijks van de Kerk spreekt,
door de engelen niet anders gehoord dan als de stem van een papagaai en van een
gans; zijn stem immers is louter dierlijk, omdat zij louter natuurlijk is, en
niet menselijk, omdat zij van binnen niet geestelijk is; zij vloeit immers voort
uit de ademhaling van het lichaam alleen, en niet uit enige ademhaling van de
geest. Zodanig is de mens die van natuurlijk niet geestelijk wordt; en niemand
wordt geestelijk, tenzij hij, nadat hij redelijk is geworden, vrucht maakt, dat
is, zich doordrenkt van naastenliefde door het leven. Coronis
8. Dat
in het Woord in verband met de Kerk wordt gesproken van vier veranderingen van
staat, welke MORGEN, DAG, AVOND en NACHT wordt genoemd, is, omdat de Kerk uit
mensen bestaat, en de mens een Kerk in het bijzonder is, en een gemeente vanuit
dezen datgene is wat Kerk wordt genoemd; in deze gemeente of Kerk zijn zij die
volgens de boven (n.7) beschreven orde leven, de bomen des levens, die ook de
bomen van het goede nut zijn; en zij, die niet volgens deze orde leven, zijn de
bomen der wetenschap van het goede en het boze, welke ook bomen van het boze nut
zijn. Dezen zijn het, in verband waarmede wordt gesproken van avond en nacht,
of, wat hetzelfde is, van verwoesting en voleinding; niet echter genen. Doch deze
dingen zullen in hetgeen volgt klaarblijkend voor de rede uitkomen; het is wenselijk,
om als inleiding tot dit boekdeel enige wetenswaardigheden [adscititii] te geven,
aangezien erkentenissen dienen vooraf te gaan, vooraleer iemand kan weten dat
onder de MORGEN het verrijzen [ortus] van de Kerk wordt verstaan, en dat de verlossing
daaraan voorafgaat; dat onder de DAG de voortschrijding der nieuwe Kerk tot het
licht, en in haar inzicht wordt verstaan; en onder de AVOND de afwijking dier
Kerk van het goede en het ware, welke de verwoesting wordt genoemd; en onder de
NACHT haar einde en ondergang, welke de voleinding wordt genoemd: en zo voort.
|
|
|
38 |
- De
mens kan de geesten niet zien
- dan
alleen met de ogen van zijn geest.
Hemelse
Verborgenheden 4527. Ik
heb met enigen gesproken weinige dagen nadat ze overleden waren. Omdat ze toen
pas waren aangekomen, bevonden ze zich daar in een licht dat voor hen maar weinig
verschilde van het licht van de wereld. Omdat dit licht voor hen zodanig verscheen,
twijfelden ze of ze het licht ergens anders vandaan hadden. Vanwege dit, werden
ze tot aan de eerste hemel geheven, waar het licht nog blinkender was. Van daar
spraken ze met mij en zeiden dat ze nog nooit zo'n licht hadden gezien; dit vond
plaats toen de zon al een poos was ondergegaan. Ze verwonderden zich toen daarover
dat geesten ogen hadden waarmee ze zagen, terwijl ze toch in het leven van het
lichaam hadden geloofd dat het leven van geesten slechts een gedachte was, en
wel abstract, zonder subject. De oorzaak was dat ze niet over enig onderwerp van
het denken hadden kunnen denken, omdat ze dat niet hadden gezien. Omdat dit zo
was, hadden ze het toen niet anders begrepen dan dat dit leven, omdat het alleen
van het denken is, met het lichaam waarin het was, zou worden verstrooid, niet
anders dan als de een of andere windvlaag, of als een of ander vuur, indien het
niet op wonderbaarlijke wijze door de Heer werd samengehouden en bleef bestaan.
Ze zagen toen hoe gemakkelijk de ontwikkelden in een dwaling vallen ten aanzien
van het leven na de dood. Zij geloven meer dan de anderen alleen die dingen die
ze zien. Ze verwonderden zich dus toen dat ze niet slechts het denken hadden,
maar ook het gezicht en eveneens de overige zinnen. Bovendien dat ze aan zichzelf
verschijnen geheel en al als mensen, elkaar wederzijds zien en horen, met elkaar
spreken, hun ledematen bij aanraking voelen, en dit op fijnere wijze dan in het
leven van het lichaam. Vandaar stonden ze verbaasd dat de mens als hij in de wereld
leeft, hierover volslagen onwetend is. Ze hadden medelijden met het menselijk
geslacht, dat het niets hierover weet, omdat ze niets geloven, en meer dan de
overigen diegenen die meer dan de anderen in het licht zijn, namelijk zij die
binnen de Kerk zijn en het Woord hebben. Sommigen van hen hadden niet anders geloofd
dan dat de mens na de dood zoals een geest zou zijn, ze hadden zich in die mening
bevestigd door de geestverschijningen waarover ze hadden horen spreken. Maar daaruit
hadden ze niets anders opgemaakt dan dat het een of ander grof iets van het leven
was, dat eerst door het leven van het lichaam wordt uitgewasemd, maar dan weer
tot het lijk terugvalt, en zo wordt uitgeblust. Sommigen echter hadden geloofd
dat ze pas zouden wederopstaan ten tijde van het laatste gericht, wanneer de wereld
zal vergaan, en dan met het lichaam, wat dan tot stof vervallen zou zijn, dan
bijeen verzameld zou worden en zo zouden ze met been en vlees wederopstaan. Omdat
men dat gericht of die ondergang van de wereld verscheidene eeuwen tevergeefs
had verwacht, waren ze in de dwaling gevallen dat ze nooit zouden wederopstaan.
Hierbij dachten ze dus niets over datgene wat ze uit het Woord hadden geleerd
en van waaruit ze ook soms hadden gesproken; namelijk dat wanneer de mens sterft,
zijn ziel in de hand van God is, onder de gelukzaligen of onder de rampzaligen,
volgens het leven waarmee ze zich vertrouwd hebben gemaakt, noch over de dingen
die de Heer heeft gezegd over de rijke en Lazarus. Maar ze werden onderricht dat
het Laatste Gericht voor eenieder daar is als hij sterft, en dat hij dan aan zichzelf
met een lichaam toegerust verschijnt zoals in de wereld. Eveneens dat ze dan zouden
beschikken over elke zin evenals daar, maar zuiverder en fijner, omdat de lichamelijke
dingen niet in de weg staan, en de dingen die van het licht van de wereld zijn
niet de dingen overschaduwen die van het licht van de hemel zijn. Ze zijn dan
dus als het ware in een gezuiverd lichaam, en dat men daar nooit in een lichaam
van vlees en botten als in de wereld kan zijn, omdat dit gelijk zou staan met
opnieuw omgeven te zijn door aardse stof. Ik heb hierover met sommigen gesproken
op de dag zelf dat hun lichaam ter aarde werd besteld en deze zagen door mijn
ogen hun lijk, de lijkbaar, en dat ze begraven werden. Ze zeiden dat ze dat afwerpen
en dat het hun van dienst was geweest voor de nutten in de wereld waarin ze geweest
waren, en dat ze nu leven in een lichaam dat hun van dienst is voor de nutten
in de wereld waarin ze nu zijn. Ze wilden ook dat ik die dingen zou zeggen aan
de nabestaanden die in rouw waren, maar het werd gegeven te antwoorden dat zij,
indien ik het zou zeggen, zouden spotten, omdat ze van de dingen die ze niet zelf
met hun eigen ogen kunnen zien, geloven dat ze niets zijn, en deze mededelingen
zouden afdoen als bedrieglijke illusies. Zij kunnen er immers niet toe worden
gebracht om te geloven dat zoals de mensen elkaar wederzijds met hun ogen zien,
de geesten elkaar wederzijds met die van hun zien; en dat de mens de geesten niet
kan zien dan alleen met de ogen van zijn geest. Hij kan hen dan zien als de Heer
het inwendig gezicht opent, zoals dat gebeurde bij de profeten, die de geesten
en de engelen en ook verschillende dingen die van de hemel zijn, hebben gezien.
Of zij, die heden ten dage leven, die dingen zouden hebben geloofd, als ze in
die tijd hadden geleefd, is twijfelachtig. |
|
|
39 |
- De
geestelijke mens is als een duif wat zachtmoedigheid betreft,
- en
als een adelaar wat het gezicht van het gemoed betreft ...
Laatste
Oordeel 30. De
geestelijke mens is een opgericht mens, die met het hoofd boven zich en rondom
zich naar de hemel schouwt, en met de voetzolen de aarde betreedt. Maar de natuurlijke
mens, afgescheiden van de geestelijke, is òf als een voorover gekromde mens, die
met het hoofd schommelt, en aanhoudend naar de aarde kijkt, en dan naar de stappen
van zijn voeten; òf hij is als een omgekeerd mens, die op de handpalmen loopt,
en zijn voeten naar de hemel heft, en zijn eredienst houdt door de voeten heen
en weer te schudden en tegen elkaar te klappen. De geestelijke mens is gelijk
een rijk mens, die een paleis heeft, waarin opperzalen, slaapkamers, eetzalen
zijn, waarvan de wanden aaneengesloten vensters zij met ruiten van kristal, waardoorheen
hij tuinen, velden, kudden van klein- en grootvee ziet, die ook tot zijn bezittingen
behoren, aan de aanblik en aan het nut waarvan hij zich al dagelijks verlustigt;
de natuurlijke mens echter, afgescheiden van de geestelijke mens, is eveneens
gelijk een rijk mens, die een paleis heeft, waarin kamers zijn, waar wanden een
doorlopende reeks van planken zijn uit rottend hout, rondom met een dwaallicht
beschenen, waarin beelden verschijnen van eigenwaan uit zelfliefde en wereld liefde,
als uit goud gegoten beelden in het midden en uit zilver gegoten beelden aan de
zijden, waarvoor hij de knieën buigt als een afgodendienaar. Verder is de geestelijke
mens in zich daadwerkelijk als een duif wat zachtmoedigheid betreft, als een adelaar
wat het gezicht van het gemoed betreft, als een vliegende paradijsvogel wat de
voortschrijding in de geestelijke dingen betreft, en als een pauw wat de uitdossing
daarvan betreft door de geestelijke dingen: daarentegen is de natuurlijke mens,
afgescheiden van de geestelijke mens, als een valk die een duif vervolgt, als
een draak die de ogen van een adelaar verslindt, als een vliegende vurige slang
aan de zijde van een paradijsvogel, en als een oehoe naast een pauw. Deze vergelijkingen
zijn aangevoerd, om als oogglazen [perspicilla] te dienen, waardoorheen de lezer
van naderbij kan beschouwen van welke aard de geestelijke mens in zich is, en
van welke aard de natuurlijke mens in zich is. Gans anders is het echter hiermee
gesteld, wanneer de geestelijke mens door middel van zijn geestelijk licht en
zijn geestelijke warmte binnen in de natuurlijke mens is; dan maken die een en
die ander één uit, evenals het streven in de beweging, en de wil (die een levend
streven is) in de handeling, en zoals de eetlust in de smaak, en het gezicht van
het gemoed in het gezicht van het oog; en nog duidelijker: zoals de doorvatting
van een ding in de erkentenis, en het denken ervan in de spraak. |
|
|
40 |
- Niemand
kan de geestelijke zin zien
-
tenzij vanuit de leer van het echte ware.
Over
het Woord 58. Niemand
kan de geestelijke zin zien tenzij vanuit de leer van het echte ware. Vanuit deze
kan de geestelijke zin worden gezien, wanneer er enige wetenschap van de overeenstemmingen
is. Hij die in een valse leer is, kan niet iets van de geestelijke zin zien; hij
trekt en leidt de overeenstemmingen die hij ziet, tot de valse dingen van zijn
leer, en daarom kan hij het Woord nog meer vervalsen. Daarom is de waarlijk geestelijke
zin van het Woord uit de Heer alleen. Daarom is het niet geoorloofd aan iemand
in de natuurlijke wereld, noch in de geestelijke wereld, om de geestelijke zin
van het Woord vanuit de letterlijke zin daarvan na te vorsen, tenzij hij geheel
en al in de leer van het Goddelijk Ware is, en in verlichting uit de Heer. Daarom
kan vanuit de leer van het Goddelijk Ware, bevestigd vanuit de letterlijke zin
van het Woord, de geestelijke zin worden gezien, maar nooit kan de leer het eerst
gezien worden vanuit de geestelijke zin. Valse dingen denkt hij die bij zichzelf
zegt: "Ik weet verscheidene overeenstemmingen, ik kan de ware leer van het Goddelijke
Woord weten, want de geestelijke zin zal mij die leren". Dit kan niet geschieden;
maar laat hij, als gezegd, bij zichzelf zeggen: "Ik weet de leer van het Goddelijk
ware; nu kan ik de geestelijke zin zien, als ik slechts de overeenstemmingen weet";
niettemin moet dit zijn in verlichting uit de Heer, omdat de geestelijke zin het
Goddelijk Ware zelf in zijn licht is, en verstaan wordt onder de heerlijkheid,
en de zin van de letter onder de wolken in die plaatsen in het Woord waar daarover
wordt gehandeld. Dat er een geestelijke zin in het Woord is, kan worden bevestigd
door tien plaatsen in het profetische Woord, voorts in de Evangelisten, en ook
in de Apocalyps, welke plaatsen moeten worden aangevoerd, en getoond worden dat
zij niet iets zouden zijn zonder de geestelijke zin. |
|
|
41 |
- Laat
daarom de mens niet langer denken
- dat
zijn gedachten verborgen zijn
- en
dat hij geen rekenschap zou moeten geven
- van
zijn gedachten.
Hemelse
Verborgenheden 2488 Voordat
ik door levende ervaringen onderricht was, was ik zoals anderen van mening, dat
een geest nooit de dingen zou kunnen weten die in mijn geheugen en in mijn gedachten
waren, maar dat die van mij alleen en verborgen waren. Maar ik kan oprecht verzekeren
dat de geesten die bij de mens zijn de allerkleinste dingen van zijn geheugen
en gedachten weten en opmerken en dit veel helderder dan de mens zelf. De engelen
weten de einddoelen zelf en merken op hoe deze zich van het goede naar het boze
ombuigen en van het boze naar het goede en veel meer dingen dan de mens weet,
zoals de dingen die hij heeft ondergedompeld in zijn verlustigingen en dus als
het ware in zijn natuur en gemoedsaard. Wanneer dit geschiedt verschijnen die
dingen niet langer, daar hij er niet meer over nadenkt. Laat daarom de mens niet
langer denken dat zijn gedachten verborgen zijn en dat hij geen rekenschap zou
moeten geven van zijn gedachten en van zijn daden, overeenkomstig de graad en
de hoedanigheid van de gedachten die daarin waren. Want de daden ontlenen hun
hoedanigheid aan de gedachten en de gedachten aan de einddoelen. |
|
|
42 |
- Het
is volslagen onmogelijk om in het andere leven
- een
leven van naastenliefde
- of
van de wederkerige liefde te ontvangen,
- wanneer
men dat niet gehad heeft
- in
het leven van het lichaam.
Hemelse
Verborgenheden 2049 Dat
'van allen zoon in den vreemde geboren, die niet van uw zaad is', (Genesis 17:12)
hen betekent die buiten de Kerk zijn, blijkt uit de betekenis van de in de vreemde
geboren zoon, dit zijn diegenen die niet binnen de Kerk geboren zijn en dus niet
in de goedheden en waarheden van het geloof zijn, omdat ze niet in de erkentenissen
ervan zijn. In de vreemde geboren zonen betekenen ook hen die in de uiterlijke
godsdienst zijn, (1097), maar dan wordt gehandeld over hen die binnen de Kerk
zijn; hier echter, daar van de Kerk van de Heer in het algemeen sprake is, zijn
de in de vreemde geboren zonen zij die niet binnen de Kerk geboren zijn, zoals
de heidenen. De heidenen, die buiten de Kerk zijn, kunnen in waarheden zijn, maar
niet in waarheden van het geloof. Hun waarheden zijn zoals de voorschriften van
de tien geboden, dat men zijn ouders moet eren, dat men niet mag doden, stelen,
echtbreken, begeren wat anderen toebehoort, verder ook dat men de Godheid vereren
moet. De waarheden van het geloof zijn echter alle leerstellingen ten aanzien
van het eeuwige leven, het Rijk van de Heer en de Heer; deze kunnen hun niet bekend
zijn, daar zij het Woord niet hebben. Dezen zijn het die worden aangeduid door
de in de vreemde geboren zonen, die niet van het zaad zijn en die met genen besneden
moeten worden, dat wil zeggen, gereinigd. Hieruit blijkt duidelijk, dat dezen
evenzeer gereinigd kunnen worden als zij die binnen de Kerk zijn, wat door het
besnijden werd uitgebeeld. Zij worden gereinigd wanneer zij de vuile liefden van
zich werpen en onder elkaar in naastenliefde leven, want dan leven zij in waarheden
- want alle waarheden behoren tot de naastenliefde. Maar in de waarheden, waarvan
eerder sprake was, en wanneer zij in deze waarheden leven, nemen zij de waarheden
van het geloof geredelijk aan, zo niet in het leven van het lichaam, dan toch
in het andere leven, daar de waarheden van het geloof de inwendige waarheden van
de naastenliefde zijn. Zij beminnen dan niets meer dan in de inwendige waarheden
van de naastenliefde te worden toegelaten. Het zijn de inwendige dingen van de
naastenliefde, waarin het Rijk van de Heer bestaat, zie: (932, 1032, 1059, 1327,
1328, 1366). In het andere leven maakt de wetenschap van de erkentenissen van
het geloof niets uit, want de allerergsten, ja zelfs de helse geesten kunnen in
de wetenschap daarvan zijn, soms meer dan de anderen, maar het is het leven overeenkomstig
de erkentenissen, want alle erkentenissen hebben het leven tot einddoel, Wanneer
die niet ter wille van het leven geleerd werden, zouden ze van geen nut zijn,
dan alleen om er over te kunnen spreken, en vandaar in de wereld voor geleerd
door te gaan, tot ereposten verheven te worden en roem en rijkdommen te verwerven.
Hieruit blijkt dat het leven van de erkentenissen geen ander is dan het leven
van de naastenliefde, want de wet en de profeten, dat wil zeggen, de gehele leer
van het geloof met al haar erkentenissen bestaat in de liefde tot de Heer en in
de liefde jegens de naaste, zoals eenieder duidelijk is uit de woorden van de
Heer bij: (Matthéüs 22:34 tot 39) en bij: ( Markus 12:28 tot 35). Maar de leerstellingen
of erkentenissen van het geloof zijn niettemin hoogst noodzakelijk voor de vorming
van het leven van de naastenliefde, dat zonder deze niet gevormd kan worden. Het
is dit leven dat na de dood zalig maakt en geenszins enig leven van het geloof
zonder deze, want zonder de naastenliefde is er geen leven van het geloof bestaanbaar.
Zij die in het leven van de liefde en van de naastenliefde zijn, zijn in het leven
van de Heer, niemand kan met Hem door een ander leven verbonden worden; hieruit
blijkt ook, dat de waarheden van het geloof nooit erkend kunnen worden, dat wil
zeggen, dat de erkenning van die waarheden, waarover men spreekt, alleen uitwendig
en met de mond mogelijk is, wanneer die niet in de naastenliefde zijn ingeplant,
want inwendig of met het hart worden ze geloochend. Alle waarheden immers hebben,
zoals gezegd, de naastenliefde tot einddoel en wanneer deze daarin niet woont,
worden deze innerlijk verworpen. De inwendige dingen vertonen zich zoals deze
zijn, wanneer de uitwendige dingen worden weggenomen, zoals in het andere leven
gebeurt, dat wil zeggen dat ze zich geheel en al tegenovergesteld aan alle waarheden
van het geloof vertonen. Het is volslagen onmogelijk om in het andere leven een
leven van naastenliefde of van de wederkerige liefde te ontvangen, wanneer men
dat niet in het leven van het lichaam gehad heeft, maar het leven van het lichaam
in de wereld blijft de mens na de dood bij; want zij verafschuwen en haten deze
liefde. Wanneer zij alleen maar een gezelschap naderen waar het leven van de wederkerige
liefde heerst, beven en schrikken zij en worden met kwellingen aangedaan. Zulke
mensen worden, hoewel ze binnen de Kerk geboren zijn, 'in de vreemde geboren zonen
met de voorhuid des harten en met de voorhuid des vlezes' genoemd, die niet in
het heiligdom mogen worden toegelaten, dat wil zeggen, in het Rijk van de Heer;
zij zijn het ook die worden bedoeld bij Ezechiël: 'Geen in de vreemde geboren
zoon, behept met de voorhuid des harten en met de voorhuid des vlezes zal in het
heiligdom ingaan', (Ezechiël 44:7,9); en bij dezelfde: 'Wien zijt gij alzo gelijk
geworden in heerlijkheid en in grootheid, onder de bomen van Eden, en gij zult
neergevoerd worden, met de bomen van Eden in de lagere aarde, in het midden der
met de voorhuid behepten zult gij liggen met de door het zwaard doorboorden, (Ezechiël
31:18), alwaar sprake is van Farao, door wie de wetenschappen in het algemeen
worden aangeduid, (1164, 1165, 1186, 1462). De bomen van Eden, waarmee zij zullen
neervaren in de lagere aarde, betekenen eveneens de wetenschappen, maar de wetenschappen
van de erkentenissen van het geloof. Hieruit blijkt nu duidelijk, wat de met de
voorhuid behepte in de innerlijke zin is, namelijk hij die in vuile liefden en
in het leven daarvan is. |
|
|
43 |
- Dat
de brieven van Paulus
- geen
inwendige zin hebben
- is
bekend in het andere leven.
Opmerkenswaardige
Levende Ondervindingen 4824. Dat
de brieven van Paulus niet een inwendige zin hebben is bekend in het andere leven:
maar het is toegelaten dat zij in de Kerk zijn, opdat niet zij die van de Kerk
zijn, het boze zouden doen aan het Woord van de Heer, waarin de inwendige zin
is. Want als de mens boos leeft, maar wel het heilige Woord gelooft, dan doet
hij de hemel het boze aan; daarom zijn de brieven van Paulus toegestaan; en daarom
was het Paulus niet toegestaan om ook maar één gelijkenis te nemen, zelfs niet
één leer vanuit de Heer en die uiteen te zetten en te verklaren, maar hij nam
alle dingen uit zichzelf. De Kerk ontvouwd weliswaar het Woord van de Heer, maar
door middel van de brieven van Paulus, uit hoofde waarvan zij - de Kerk - ook
overal terugtreedt van het goede van de naastenliefde en het ware van het geloof
aanneemt, hetgeen de Heer weliswaar heeft geleerd, maar zo dat het goede van de
naastenliefde het 'al' zou zijn.
|
|
|
44 |
- Opdat
het Woord er ook voor de engelen is,
- zijn
alle historische vermeldingen daarin
- van
uitbeeldende aard
- en
is elk woord een aanduiding van dergelijke dingen.
-
Deze bijzonderheid heeft het Woord vóór
- op
elk ander geschrift.
Hemelse
Verborgenheden 2333. Dat
de woorden: 'en in de morgen zult Gij opstaan, en gaan Uws weegs', (Genesis 19:2)
de bevestiging in het goede en ware betekenen, kan blijken uit de betekenis van
'in de morgen opstaan', verder uit de betekenis van, 'des weegs gaan'. De morgen
betekent in het Woord het Rijk van de Heer, en al wat tot het Rijk van de Heer
behoort, dus voornamelijk het goede van de liefde en van de naastenliefde, wat
uit het Woord bevestigd zal worden bij vers 15. De weg betekent echter het ware,
zie: (627); vandaar wordt er gezegd, dat zij, nadat ze in zijn huis waren geweest
en daar de nacht hadden doorgebracht - waarmee werd aangeduid, dat zij woning
hadden in het goede van de naastenliefde bij hem - in de morgen zouden opstaan
en huns weegs gaan, waarmee wordt aangeduid, het zo bevestigd zijn in het goede
en ware. Hieruit zowel als uit het overige, blijkt duidelijk, hoe ver de innerlijke
zin verwijderd is van de zin van de letter, en vandaar hoe onzichtbaar, voornamelijk
in de historische gedeelten van het Woord; en dat dit niet tevoorschijn komt,
wanneer niet elk woord naar zijn bestendige betekenis in het Woord wordt uitgelegd.
Wanneer daarom de voorstellingen in de zin van de letter worden gehouden, verschijnt
de innerlijke zin niet anders dan als iets duisters en donkers; maar wanneer omgekeerd
de voorstellingen in de innerlijke zin worden gehouden, verschijnt desgelijks
de zin van de letter duister, ja zelfs voor de engelen als niets, want de engelen
zijn niet langer in wereldse en lichamelijke dingen, zoals die van de mens zijn,
maar in geestelijke en hemelse dingen, waarin de woorden van de zin van de letter
op wonderbaarlijke wijze veranderd worden, wanneer deze opstijgt van de mens die
leest, tot de sfeer waarin de engelen zijn, dat wil zeggen, tot de hemel. Dit
geschiedt door de overeenstemming van de geestelijke dingen met de wereldse, en
van de hemelse met de lichamelijke. Deze overeenstemming is een hoogst bestendige,
maar van welke aard, is nog niet onthuld dan thans in de uitlegging van de woorden,
namen en getallen naar de innerlijke zin in het Woord. Opdat men weet van welke
aard deze overeenstemming is, of wat hetzelfde is, op welke wijze de wereldse
en lichamelijke voorstellingen in overeenstemmende geestelijke en hemelse voorstellingen
overgaan, wanneer die tot de hemel worden opgeheven, dient als voorbeeld ; 'morgen'
en 'weg'. Wanneer het woord 'morgen' wordt gelezen, zoals hier 'in de morgen opstaan',
vatten de engelen niet een voorstelling van de morgen van een dag, maar de voorstelling
van de morgen in de geestelijke zin. Iets dergelijks als bij Samuël: 'De Rotssteen
Israëls, Hij is gelijk het licht van de morgen wanneer de zon opgaat, een morgen
zonder wolken', (2 Samuël 23:4); en bij Daniël: 'De heilige zei tot mij: Tot de
avond wanneer het morgen wordt, twee duizend drie honderd', (Daniël 8:14,26).
Zo worden zij in plaats van 'morgen' de Heer gewaar, of Zijn Rijk, of de hemelse
dingen van de liefde en van de naastenliefde, en wel deze met een verscheidenheid
overeenkomstig het verband van de dingen in het Woord, dat gelezen wordt. Zo kunnen
zij, waar het woord 'weg' wordt gelezen, zoals hier 'uws weegs gaan', niet enige
voorstelling van een weg hebben, maar een andere voorstelling die geestelijk of
hemels is, namelijk een dergelijke als bij Johannes, waar de Heer zegt: 'Ik ben
de weg en de waarheid', (Johannes 14:6), en die bij David: 'Jehovah, maak mij
Uwe wegen bekend, leid mijn weg in waarheid', (Psalm 25:4,5), en bij Jesaja: 'Hij
maakte Hem bekend de weg der inzichten', (Jesaja 40:14). Zo worden zij in plaats
van de weg het ware gewaar, en dit zowel in de historische als in de profetische
gedeelten van het Woord. De engelen immers bekommeren zich niet meer om historische
dingen, daar deze in het geheel niet met hun voorstellingen stroken, vandaar dat
zij in plaats daarvan dergelijke dingen gewaarworden, die tot de Heer en Zijn
Rijk behoren, en die ook goed geordend en wel aaneengeschakeld verband in de innerlijke
zin op elkaar volgen. Daarom, opdat het Woord er ook voor de engelen is, zijn
alle historische vermeldingen daarin van uitbeeldende aard en is elk woord een
aanduiding van dergelijke dingen. Deze bijzonderheid heeft het Woord op elk ander
geschrift voor. |
|
|
45 |
- De
mens is in kleinste afbeelding
- een
kleine geestelijke wereld;
- vandaar
ook is de geestelijke mens
-
het beeld van de Heer.
Hemelse
Verborgenheden 4524. Omdat
nu alle en de afzonderlijke dingen die in de wereld en in de natuur ervan zijn,
ontstaan en voortdurend ontstaan, dat wil zeggen blijven bestaan, uit dingen die
eerder zijn dan zijzelf, zo volgt daaruit dat ze ontstaan en blijven bestaan uit
een wereld die boven de natuur is en de geestelijke wereld wordt genoemd. Omdat
hiermee een onafgebroken verband moet zijn opdat ze blijven bestaan of voortdurend
ontstaan, volgt hieruit dat de meer zuivere en innerlijke dingen die in de natuur
zijn, dus die in de mens zijn, uit die geestelijke wereld zijn. Verder
dat de zuiverder en innerlijker dingen zulke vormen zijn die de invloeiing kunnen
opnemen, en omdat er niet dan één enige bron van het leven kan zijn, zoals er
in de natuur niet dan één enige bron van licht en warmte is, zo staat het vast
dat het al van het leven uit de Heer is. Hij
is het Eerste van het leven, en omdat dit zo is, stemmen alle en de afzonderlijke
dingen die in de geestelijke wereld zijn, met Hem overeen, dus alle en de afzonderlijke
dingen die in de mens zijn. De
mens immers is in kleinste afbeelding een kleine geestelijke wereld; vandaar ook
is de geestelijke mens het beeld van de Heer. |
|
|
46 |
- De
geest van de mens heeft evenzeer een hart
- en
vandaar een pols,
- en
een long en vandaar een ademhaling.
Over
de Goddelijke Wijsheid 7 7
B. Dit moet eerst worden bevestigd uit ondervinding, en daarna vanuit de rede.
Uit ondervinding: De engelenhemel is onderscheiden in twee Rijken, het ene dat
het hemelse wordt genoemd, en het andere dat het geestelijke wordt genoemd. Het
hemelse Rijk is in de liefde tot de Heer, en het geestelijke Rijk is in de wijsheid
vanuit die liefde. Aldus is de hemel onderscheiden, omdat de liefde en de wijsheid
in de Heer en uit de Heer onderscheiden twee zijn, maar toch verenigd, zij zijn
immers onderscheiden zoals de warmte en het licht uit de Zon, zoals eerder gezegd
is. De engelen van het hemelse Rijk geven, omdat zij in de liefde tot de Heer
zijn, het hart van de hemel weer, en de geestelijke engelen geven, omdat zij in
de wijsheid vanuit die liefde zijn, de long van de hemel weer; want, zoals boven
ook gezegd is, de gehele hemel is in de aanblik van de Heer zoals één mens. Eender
is ook de invloed van het hemelse Rijk in het geestelijke Rijk zoals de invloed
is van het hart in de long bij de mens; daarvandaan is de universele overeenstemming
van de hemel met die twee bewegingen, de hart- en longbeweging, bij een ieder.
Het werd ook gegeven van hen te horen, dat voor hen evenzeer de slagaderen vanuit
het hart kloppen, en dat zij evenzeer adem halen, zoals de mensen in de wereld;
voorts dat de polsslagen bij hen worden gevarieerd volgens de staten van de liefde,
en de ademhaling wordt gevarieerd volgens de staten van de wijsheid. Zij raakten
zelf hun polsgewricht aan, en zeiden het mij; en ik zelf ontwaarde meermalen de
ademhaling van hun mond. Omdat de gehele hemel in gezelschappen is onderscheiden
volgens de aandoeningen van de liefde, en alle wijsheid en liefde is volgens deze,
heeft daarom ieder gezelschap een bijzondere ademhaling, onderscheiden van de
ademhaling van een ander gezelschap, en eveneens een bijzondere en onderscheiden
pols van het hart. Daarom kan niet iemand uit het ene gezelschap in een ander
afgelegen gezelschap binnentreden, noch iemand vanuit een hogere hemel in een
lagere neerdalen, of vanuit een lagere in een hogere opklimmen, want het hart
zwoegt en de long wordt beklemd, en allerminst kan iemand dat vanuit de hel in
de hemel. Wie durft opklimmen, zieltoogt zoals een stervende in doodsstrijd, of
zoals een vis uit het water opgetrokken in de lucht. Het universele onderscheid
van de ademhalingen en de polsen is volgens de idee over God; vanuit die immers
spruiten de verschillen van de liefde en daaruit van de wijsheid voort; waardoor
een natie van de ene godsdienst niet kan binnenschrijden tot een natie van een
anderen godsdienst. Dat de Christenen niet konden binnenschrijden tot de Mohammedanen
vanwege de ademhaling, werd door mij gezien. Een gemakkelijke en milde ademhaling
hebben zij die de idee van de mens over God hebben; en vanuit de Christelijke
wereld zij die de idee van de Heer hebben dat Hij de God van de Hemel is, maar
een moeilijke en onmilde ademhaling hebben zij die Zijn Goddelijkheid ontkennen,
zoals de Socinianen en de Arianen doen. Aangezien de pols (hartslag) één maakt
met de liefde van de wil, en de ademhaling één met de wijsheid van het verstand,
worden daarom zij die in de hemel zullen komen, eerst ingewijd in het leven van
de engelen door eendrachtige ademhalingen, wat op verschillende wijzen plaatsvindt;
vandaar komen zij in innerlijke doorvatting en in het hemels vrije. Vanuit de
rede: De geest van de mens is niet een substantie gescheiden van de ingewanden,
organen en leden van de mens, maar hij kleeft die verbonden aan; het geestelijke
immers vergezelt elke draad ervan van de buitenste tot de binnenste; en vandaar
eveneens elke draad en elke vezel van het hart en van de longen. Daarom is de
geest, wanneer het verband tussen het lichaam en geest wordt geslaakt, in een
eendere vorm als waarin de mens tevoren is geweest; het is slechts een scheiding
van de geestelijke substantie van de stoffelijke. Vandaar is het, dat een geest
evenzeer een hart heeft en een long heeft als de mens heeft gehad in de wereld;
en daarom heeft hij ook eendere zinnen en eendere bewegingen, en heeft hij eveneens
een spraak; en zinnen en bewegingen en spraak bestaan niet zonder hart en long;
zij hebben ook atmosferen, maar geestelijke. Hoe zeer ijlen zij die aan de ziel
een bijzondere plaats ergens toeschrijven, hetzij in het cerebrum, hetzij in het
hart; de ziel van de mens immers die na de dood zal leven, is diens geest. |
|
|
47 |
- Het
is de geest die in het lichaam leeft,
- en
hij is het ook die denkt,
- vandaar
zijn tal van dingen die innerlijk zijn
- op
deze wijze in de taal terecht gekomen.
Hemelse
Verborgenheden 4406. Omdat
het gezicht van het oog overeenstemt met het verstand, wordt daarom ook aan het
verstand een gezicht toegeschreven en dit wordt het verstandelijk gezicht genoemd.
Ook worden die dingen die de mens ontwaart, de objecten van dat gezicht genoemd.
Eveneens wordt in de gewone spreektaal gezegd dat men de dingen ziet als men ze
verstaat of begrijpt. En ook wordt met betrekking tot het verstand gesproken van
licht en verlichting, en vandaar van helderheid, en omgekeerd van schaduw en verduistering,
en ook van donkerheid. Deze en dergelijke uitdrukkingen zijn zo omdat ze overeenstemmen
en zo bij de mens in het spraakgebruik gekomen, want zijn geest is in het licht
van de hemel, en zijn lichaam in het licht van de wereld. Het is de geest die
in het lichaam leeft, en hij is het ook die denkt, vandaar zijn tal van dingen
die innerlijk zijn op deze wijze in de taal terecht gekomen. |
|
|
48 |
- Er
is gelijkenis en analogie
- tussen
de formering van de mens in de baarmoeder
-
en tussen de hervorming en de wederverwekking van hem.
Over
de Goddelijke Wijsheid. GW
4. De hervorming van de mens is volstrekt eender aan de formering van hem in de
baarmoeder, met het enige verschil, dat de te hervormen mens wil en verstand heeft,
en dat hij in de baarmoeder niet wil en verstand heeft. Maar nochtans doet dit
verschil er niets toe of het is iets eenders en analoog, want de Heer leidt immers,
wanneer Hij de mens hervormt en wederverwekt, de wil en het verstand van hem op
eendere wijze; maar door de hem gegeven wil en door het hem gegeven verstand schijnt
het, alsof de mens zichzelf leidt, dat wil zeggen, uit zichzelf wil en doet, en
uit zichzelf denkt en spreekt. Maar toch kan het hem bekend zijn, vanuit het Woord
en vanuit de leer vanuit het Woord, dat het niet hijzelf is maar de Heer, en dus
dat dit slechts een schijn is. En hij kan ook weten dat die schijn is ter wille
van de opneming en de toe-eigening, want zonder die is er geen wederkerige, op
dat hij de Heer liefheeft zoals de Heer hem liefheeft, noch opdat hij de naaste
liefheeft zoals uit zich, noch opdat hij gelooft in de Heer zoals uit zich. Zonder
dat wederkerige zou de mens zoals een automaat zijn, waarin de Heer niet kan zijn,
want de Heer immers wil geliefd worden, en daarom geeft Hij de mens dat willen.
Hieruit blijkt, dat de wil niet van de mens is, noch het verstand, en dat deze
beide zijn in zich zoals zij in hem waren geweest in de baarmoeder, namelijk dat
zij niet de mens waren, maar dat die beide vermogens aan de mens zijn gegeven,
opdat hij wil en denkt, en doet en spreekt zoals uit zich, maar nochtans weet,
verstaat en gelooft dat zij niet uit hem zelf zijn. Door dit wordt de mens hervormd
en wederverwekt, en in de wil ontvangt hij de liefde, en in het verstand de wijsheid,
vanuit welke hij ook in de baarmoeder is geformeerd. Door dit worden eveneens
voor de mens de beide hogere graden van zijn leven geopend, die, zoals boven gezegd
is, de habitakels van de Heer waren in de formering van hem; en eveneens wordt
de laagste graad, die omgekeerd en afgebogen was, zoals eveneens boven gezegd
is, hervormd. Uit deze analogie en gelijkenis blijkt, dat de mens die wordt wederverwekt,
als het ware opnieuw wordt ontvangen, geformeerd, geboren en opgevoed; en dit
te dien einde opdat hij de gelijkenis van de Heer zal worden ten aanzien van de
liefde, en het beeld van Hem ten aanzien van de wijsheid. En, indien u het geloven
wilt, de mens wordt ook daardoor nieuw; niet slechts dat hem een nieuwe wil wordt
gegeven, en een nieuw verstand, maar ook een nieuw lichaam voor zijn geest. De
vorige dingen worden weliswaar niet afgeschaft, maar zij worden verwijderd zodat
zij niet verschijnen, en de nieuwe dingen worden door de liefde en de wijsheid,
die de Heer zijn, in de wederverwekking zoals in een baarmoeder geformeerd; want
hoedanig de wil en het verstand van de mens is, zodanig is ook de mens in alle
en de afzonderlijke dingen; want alle en de afzonderlijke dingen van de mens,
van hoofd tot hiel, zijn voortbrengselen, zoals eveneens boven is bevestigd. |
|
|
49 |
- Er
is een Woord bij de Ouden geweest,
-
dat was geschreven door louter overeenstemmingen
- zoals
ons Woord,
- maar
dit is verloren gegaan.
Over
het Woord 36-38. - 36.
Dat er een Woord bij de Ouden is geweest, dat was geschreven door louter overeenstemmingen
zoals ons Woord, maar dat dit verloren is gegaan, werd mij verteld door engelen
van de derde hemel.
- Er
werd gezegd dat dit Woord nog bij hen bewaard wordt, en in gebruik is bij de Ouden
in die hemel, bij wie, toen zij in de wereld waren, dit Woord was.
-
Die Ouden, bij wie dat Woord nog in gebruik is in de hemelen, waren voor een deel
vanuit het land Kanaän, en vanuit de grensgebieden daarvan, voorts ook vanuit
enkele koninkrijken in Azië, zoals vanuit Syrië, Mesopotamië, Arabië, Chaldea,
en Assyrië en Egypte, vanuit Zidon en Tyrus.
- De
inwoners van al deze koninkrijken waren in een uitbeeldende eredienst, en daaruit
in de wetenschap van de overeenstemmingen.
- Alle
wijsheid van die tijd hadden zij vanuit die wetenschap, aangezien zij daardoor
gemeenschap met de hemelen hadden, en innerlijke doorvatting, en bij verscheidenen
ook met geesten konden communiceren.
- Maar
omdat dit Woord vol van zulke overeenstemmingen was, die in verwijderd verband
hemelse dingen betekenden, en vandaar in de loop der tijden door velen vervalst
begon te worden, verdween het geleidelijk vanwege de Goddelijke Voorzienigheid.
- Er
werd een ander Woord gegeven, dat uit niet zozeer verwijderde overeenstemmingen
was samengesteld, door de Profeten bij de zonen Israëls.
-
In dit Woord werden evenwel de namen behouden van de plaatsen die in het land
Kanaän en rondom in Azië zijn, en zij betekenden eendere dingen.
- Vanwege
deze oorzaak werden de nakomelingen van Abraham vanuit Jakob binnengeleid in het
land Kanaän, en werd daar het Woord geschreven, waarin die plaatsen genoemd moesten
worden.
- 37.
Dat er zo'n Woord bij de Ouden is geweest, blijkt ook bij Mozes, door wie het
wordt genoemd, en waaruit ook iets overgenomen is in het Boek Numeri, hoofdstuk
21, de verzen 14 en 27.
- De
historische dingen van dat Woord worden daar de 'Oorlogen van Jehovah' genoemd,
en de profetische dingen de 'Uitspraken'.
- Vanuit
de historische dingen van dat Woord nam Mozes deze dingen: "Daarom wordt gezegd
in het Boek van de Oorlogen van Jehovah: Tegen Waheb in Sufa, en de dalen, de
Arnon, en de helling van de dalen die zich uitstrekt tot waar Ar wordt bewoond,
en leunt tegen de grens van Moab" [Num. 21:14, 15].
- Onder
de Oorlogen van Jehovah worden daar verstaan en beschreven de worstelingen van
de Heer met de hellen en de overwinningen op haar wanneer hij in de wereld zal
komen.
- Dezelfde
worstelingen worden ook op vele plaatsen in de historische dingen van ons Woord
verstaan en beschreven, zoals in de oorlogen van Jozua met de natiën van het land
Kanaän, in de oorlogen van de Richteren, en in de oorlogen van David en van de
overige Koningen.
- Uit
de profetische dingen van dat Woord werd ook genomen door Mozes: "Daarom zeggen
de profetische Uitspraken: Komt tot Hesbon, de stad van Sichon wordt gebouwd en
bevestigd, want een vuur is uitgegaan vanuit Hesbon, een vlam vanuit de stad van
Sichon, die verteerd heeft Ar van Moab, de bezitters van de hoogten van Arnon;
wee u, Moab; gij zijt vergaan, volk van Kemosch; hij heeft zijn zonen gegeven
als vluchtelingen, en zijn dochters in gevangenschap aan Sihon, de koning van
de Emorieten.
- Met
pijlen hebben wij hen neergeveld; Hesbon is vergaan tot aan Dibon, en wij hebben
hen verwoest tot aan Nofach, dat reikt tot aan Medeba" [Num. 21:27-30].
- Dat
die profetische dingen uitspraken werden genoemd, en niet spreekwoorden of samenstellers
van spreekwoorden, zoals sommige vertalers het overzetten, kan vast staan uit
de betekenis van het woord Meschalim in de Hebreeuwse taal, wat niet slechts spreekwoorden
betekent maar ook profetische uitspraken, zoals kan vaststaan vanuit Numeri 23:18;
24:3 en 24:15, waar gezegd wordt dat Bileam zijn uitspraak uitte, die profetisch
was, ook over de Heer; zijn uitspraak wordt daar Maschal geheten, in het enkelvoud.
- De
dingen die door Mozes daar beschreven zijn, zijn ook profetisch, maar geen spreekwoorden.
Dat dat Woord evenzo Goddelijk, of Goddelijk geïnspireerd was, blijkt ook bij
Jeremia, waar bijna eendere woorden zijn, namelijk: 'Een vuur is uitgegaan vanuit
Hesbon, en een vlam vanuit het midden van Sichon, die verteerd heeft de hoek van
Moab, en, de kruin van de zonen van het tumult. Wee u, Moab, het volk van Kemosch
is vergaan, want uw zonen zijn voortgesleurd in gevangenschap en uw dochters in
gevangenschap' [Jeremia 48:45,46].
- Behalve
op deze plaatsen, wordt ook een profetisch Boek van dat oude Woord geciteerd in
het Boek Jaschar, dat ook wel het Boek van de Oprechte genoemd wordt; en wel door
David in 2 Sam.1:18, en door Jozua in Joz. 10:13.
- Daaruit
blijkt dat het historische daar, over de zon en de maan, een profetie was vanuit
dat Boek.
- Bovendien
werd mij gezegd dat de zeven eerste hoofdstukken van Genesis in datzelfde oude
Woord zo helder aanwezig zijn dat niet één woordje ontbreekt.
- 38.
De religieuze dingen van meerdere natiën zijn van het Oude Woord afgeleid en overgebracht.
Vanuit het land Kanaän en verschillende plaatsen van Azië naar Griekenland, en
van daaruit naar Italië; en door Ethiopië en door Egypte, in enige koninkrijken
van Afrika.
-
Maar in Griekenland maakten zij vanuit de overeenstemmingen fabels, en van de
Goddelijke attributen even zovele goden.
- De
grootste van hen noemden zij Jupiter, uit Jehovah.
| |
|
50 |
- De
voortplanting
- van
het menselijk geslacht op aarde
- zal
nooit ophouden.
Laatste
Oordeel 6/7. LO
6. Zij, die ten aanzien van het Laatste Oordeel als hun geloof hebben aangenomen,
dat dan alles, wat in de hemel en op aarde is, zal vergaan en dat in de plaats
daarvan een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal ontstaan, geloven ook, omdat
dit uit de samenhang volgt, dat de geboorten en de voortplanting van het menselijk
geslacht daarna zullen ophouden. Zij denken, dat dan alle dingen voltooid zullen
zijn, en dat de mensen in hun toekomstige staat anders zullen zijn dan in hun
huidige staat. Maar omdat het vergaan van de wereld niet betekent de dag van het
laatste oordeel, zoals in het vorige hoofdstuk werd aangetoond, volgt daar ook
uit, dat het menselijk geslacht zal voortduren, en dat de voortplanting niet zal
ophouden.
LO 7. ... De mens werd het laatst geschapen, en wat het laatst geschapen wordt,
is de basis van alles wat vooraf gaat. De schepping begon met het meest verhevene
of het binnenste, omdat zij van het Goddelijke uitging naar het laatste of uiterste,
waar zij voor het eerst bestond. Het laatste van de schepping is de natuurlijke
wereld, en daarin de aarde met alles wat daarop is. Toen die dingen voltooid waren,
werd de mens geschapen en in hem zijn alle dingen van de Goddelijke orde bijeen
gebracht van het eerste tot het laatste. In zijn binnenste werden die dingen bijeengebracht,
die in de eerste dingen van die orde zijn, en in zijn uiterste die dingen die
de laatste van die orde zijn. Aldus werd de mens gemaakt naar model van de Goddelijke
orde. Daarom is het dat alle dingen die in en bij de mens zijn, zowel uit de hemel
als uit de aarde zijn. Uit de hemel: de dingen die tot de geest behoren, en uit
de wereld: de dingen die tot het lichaam behoren. De invloed uit de hemel werkt
in zijn gedachten en neigingen, en wordt geschikt volgens de ontvangst in zijn
geest. De wereldse dingen vloeien in de gevoelens en lusten van de mens, en worden
geschikt volgens de ontvangst in het lichaam, maar aangepast aan met wat behaaglijk
is aan de gedachten en neigingen van de geest. Dat dit zo is wordt in verschillende
hoofdstukken in het boek "Hemel en Hel" aangetoond, zoals: de hele hemel is in
zijn geheel als één mens (n.59-67); hetzelfde geldt voor ieder hemels gezelschap
(n.68-72); iedere engel is in volkomen menselijke vorm (n.73-77); dit komt door
het Goddelijk Menselijke van de Heer (n.78-86). Bovendien in de hoofdstukken over:
de overeenstemming van alles in de hemel met alles in de mens (n.87-102); de overeenstemming
van de hemel met alles van de aarde (n.103-115); en over de vorm van de hemel
(n.200-212). Uit deze orde van de schepping kan men zien, dat er een samenhoudend
verband is van de eerste dingen tot de laatste. Gelijktijdig overzien maken zij
één uit, waarin het eerste niet van het laatste gescheiden kan worden. Op dezelfde
wijze als een oorzaak niet van haar gevolg gescheiden kan worden, en de geestelijke
wereld niet van de natuurlijke wereld, en omgekeerd. Daarom kan ook de engelenhemel
niet van het menselijk geslacht gescheiden worden, en omgekeerd. Er is door de
Heer in voorzien, dat zij onderling dienst doen aan elkaar, namelijk de engelenhemel
aan het menselijk geslacht en het menselijk geslacht aan de engelenhemel. Vandaar
is het dat de woningen van de engelen weliswaar in de hemel zijn, op het gezicht
afgescheiden van de woningen van de mensen, maar toch zijn zij bij de mens in
zijn genegenheden van het goede en het ware. Dat zij op het gezicht zich afgescheiden
voordoen, is een schijnbaarheid, zoals men kan zien in het werk "Hemel en Hel"
in het hoofdstuk over de ruimte in de hemel (n.191-199). De woningen van de engelen
zijn bij de mensen in hun genegenheden van het goede en het ware. Dit wordt verstaan
door de woorden van de Heer: "Hij die Mij liefheeft, bewaart Mijn geboden, en
Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen en zullen woning bij
hem maken" (Joh.14:23). Onder de "Vader" en de "Heer" wordt hier ook de hemel
verstaan, want waar de Heer is, daar is de hemel, want het van de Heer uitgaande
Goddelijke maakt de hemel (zie "Hemel en hel" n.7-12, en n.116-125), en ook door
de volgende woorden: "De Trooster, de Geest der waarheid blijft bij ulieden, en
is in u" (Joh.14:17). "De Trooster" is het Goddelijk Ware dat van de Heer voortgaat,
waarom Hij ook genoemd wordt "Geest der Waarheid". Het Goddelijk Ware maakt de
hemel en ook de engelen, omdat zij de ontvangers daarvan zijn. Dat het van de
Heer voortgaande Goddelijke het Goddelijk Ware is, en dat daardoor de engelenhemel
bestaat, ziet men in het werk "Hemel en hel" (n.126-140). Hetzelfde wordt ook
verstaan door deze woorden van de Heer: "Het Koninkrijk Gods is binnen in ulieden"
(Lukas 17:21). Het "Koninkrijk Gods" is het Goddelijk Goede en Ware, waarin de
engelen zijn. Dat engelen en geesten bij de mens zijn, en in hun genegenheden,
is mij duizenden keren te zien gegeven door hun tegenwoordigheid en hun verblijf
bij mij. Maar de engelen en geesten weten niet bij welke mensen zij zijn, en evenmin
weten de mensen met welke engelen en geesten zij samenwonen, want dit weet en
regelt alleen de Heer. In een woord: er is in alle genegenheden van het goede
en het ware een verbreiding in de hemel, en mededeling en verbinding met hen,
die daar in gelijksoortige genegenheden zijn; en evenzo al het boze en het valse
met de hel. Er is verbreiding van genegenheden in de geestelijke wereld, bijna
zoals er gezicht is in de natuurlijke wereld. De mededelingen zijn in beide werelden
bijna gelijksoortig, slechts met dit verschil, dat er in de natuurlijke wereld
voorwerpen zijn, maar in de geestelijke wereld gezelschappen van engelen. Hieruit
is het duidelijk, dat de verbinding van de engelenhemel met het menselijk geslacht
zodanig is, dat de één door de ander bestaat, en dat de engelenhemel zonder het
menselijk geslacht is als een huis zonder fundament, want daar houdt de hemel
op, en daarop rust hij. Het is hiermee als met de mens zelf; zijn geestelijke
dingen, die tot zijn gedachten en zijn wil behoren, vloeien in zijn natuurlijke
dingen, die zijn gevoelens en daden zijn, en daarin houden zij op en bestaan zij.
Indien de mens niet in het genot was van dit natuurlijke, of zonder deze begrenzing
of uiterste dingen, dan zouden zijn geestlijke dingen, die tot de gedachten en
genegenheden van zijn geest behoren, vervloeien, alsof zij onbepaald of zonder
fundament waren. Zo iets gebeurt wanneer een mens uit de natuurlijke wereld in
de geestelijke wereld overgaat, wat gebeurt als hij sterft. Omdat hij dan een
geest is, bestaat hij niet op zijn eigen basis, maar op de algemene basis, die
het menselijk geslacht is. Wie de verborgenheden van de hemel niet kent, kan geloven
dat engelen zonder de mensen bestaan en de mensen zonder de engelen. Maar ik kan
uit al mijn ondervindingen van de hemel, en uit al mijn gesprekken met engelen
uitdrukkelijk verzekeren, dat er geen engel of geest zonder de mens bestaat, en
geen mens zonder geest en engel, en dat er een onderlinge en wederkerige verbinding
bestaat. Hieruit kan men nu duidelijk zien, dat het menselijk geslacht en de engelenhemel
één uitmaken, en dat zij onderling en wederkerig door elkaar bestaan, en dat dus
de een niet van de ander kan worden weggenomen. |
|
|
51 |
- Alle
dingen in het heelal,
- die
volgens de Goddelijke Orde zijn,
- hebben
betrekking op het Goede en het Ware.
Hemelse
Leer 11-13. 11.
Alle dingen in het heelal, die volgens de Goddelijke Orde zijn, hebben betrekking
op het Goede en het Ware. Er bestaat niets in de hemel en niets in de wereld,
dat niet op die twee betrekking heeft. De oorzaak hiervan is dat beide, zowel
het goede als het ware, voortgaan uit het Goddelijke, waaruit alle dingen zijn.
12.
Daaruit blijkt, dat niets méér nodig is voor de mens, dan dat hij weet wat het
goede en wat het ware is, en hoe het ene het andere beoogt, en hoe het ene wordt
verbonden met het andere. Ook voor de mens van de kerk is het hoogst belangrijk,
want zoals alle dingen van de hemel betrekking hebben op het goede en het ware,
evenzo ook alle dingen van de kerk, omdat het goede en het ware van de hemel eveneens
het goede en het ware van de kerk is. Daarom beginnen we met uit te gaan van het
Goede en het Ware. 13.
Het is volgens de goddelijke orde, dat het goede en het ware verbonden mogen zijn
en niet gescheiden, opdat zij één zijn en niet twee. Verbonden immers gaan zij
voort uit het Goddelijke en verbonden zijn zij in de hemel, en dus zullen zij
verbonden zijn in de Kerk. De verbinding van het goede en het ware wordt in de
hemel genoemd het hemelse huwelijk, want in dit huwelijk zijn allen die daar zijn.
Daarom is het dat in het Woord de hemel wordt vergeleken met een huwelijk, en
dat de Heer wordt geheten Bruidegom en Echtgenoot, de Hemel echter Bruid en Echtgenote,
eender de kerk. Dat de hemel en de kerk zo worden geheten, is omdat zij die daar
zijn, het goddelijk goede opnemen in de ware dingen. |
|
|
52 |
- Elk
mens heeft een natuurlijk gemoed
- en
een geestelijk gemoed.
Coronis
29
Elk mens heeft een natuurlijk gemoed en een geestelijk gemoed, van elkaar onderscheiden
als twee verdiepingen van één huis, en door trappen verbonden; in de bovenste
verdieping ervan wonen de meester en de meesteres met hun kinderen, in de onderste
echter hun dienstknechten en dienstmaagden met de andere bedienden. Het geestelijk
gemoed bij de mens is van de geboorte tot aan de eerste kinderjaren toegesloten;
het geestelijk gemoed echter wordt van die eerste leeftijd aan allengs stap voor
stap geopend: aan ieder mens immers is van de geboorte aan het vermogen, en daarna
de macht gegeven, om voor zichzelf een trappenhuis te verschaffen waarlangs hij
opklimt en met de meester en meesteres spreekt, en daarna afdaalt en hun bevelen
uitvoert; deze macht is hem gegeven door de gave van de vrije keuze in de geestelijke
dingen. Maar nochtans kan niemand opklimmen tot de bovenste verdieping, waaronder
het geestelijk gemoed wordt verstaan, tenzij hij eet van de boom des levens in
de tuin van God. De mens immers wordt door hiervan te eten verlicht en geheeld,
en hij ontvangt hierdoor het geloof, en hij verwerft door de voeding die de vruchten
eraan geven, de overtuiging, dat al het goede is uit de Heer, Die de Boom des
Levens is, en niet voor het geringste deel uit de mens; en dat hij evenwel het
goede zal doen uit zich door samen te blijven en samen te werken, zodat dus de
Heer in hem en hij in de Heer is, maar toch in het geloof en in de overtuiging,
dat het niet uit hemzelf maar uit de Heer is. Maar indien de mens anders gelooft,
doet hij iets wat op het goede lijkt, waarin van binnen het boze is, omdat er
eigen verdienste in ligt; en dit is eten van de bomen der wetenschap van het goede
en het boze, waartussen de Slang woont, in de afgrijselijke overreding dat hij
evenals God is, of dat er geen God is, maar dat het de Natuur is, welke God genoemd
wordt, en dat hij uit haar elementen is samengeflanst. Bovendien eten diegenen
van de bomen der wetenschap van het goede en het boze, die zich en de wereld boven
alle dingen liefhebben; doch diegenen eten van de bomen des levens, die God boven
alle dingen liefhebben, en de naaste als zichzelf. Ook eten diegenen van de bomen
der wetenschap van het goede en het boze, die de canons voor de Kerk uitbroeden
vanuit het eigen inzicht, en ze daarna bevestigen door het Woord; andersom echter
eten diegenen van de bomen des levens, die voor zichzelf de canons voor de Kerk
verwerven door middel van het Woord; en ze daarna door het inzicht bevestigen.
Eveneens eten zij van de bomen der wetenschap van het goede en het boze, die waarheden
vanuit het Woord onderwijzen, en boos leven; diegenen eten van de bomen des levens,
die goed leven en onderwijzen vanuit het Woord. Universeel genomen, eten al diegenen
van de bomen de kennis van goed en kwaad, die de Goddelijkheid des Heren en de
heiligheid van het Woord ontkennen, aangezien de Heer is de Boom des Levens, en
het Woord; daarom is de Kerk "een tuin in Eden uit het oosten". |
|
|
53 |
- De
liefde tot het nut
- is
de naastenliefde.
Goddelijke
Wijsheid 11. In
alle en afzonderlijke dingen zijn deze drie: doel, oorzaak en uitwerking. Het
doel is waaruit, de oorzaak is waardoor, en de uitwerking is waarin; en wanneer
het einddoel door de oorzaak in de uitwerking is, dan bestaat het. In alle liefde
en haar aandoeningen is het einddoel, en het einddoel bedoelt of wil doen wat
het liefheeft, en de daad is uitwerking ervan. De Heer is het einddoel, de mens
is de oorzaak, en het nut is de uitwerking waarin het einddoel bestaat. De Heer
is het einddoel, omdat Hij vanuit Zijn Goddelijke Liefde voortdurend nutten bedoelt
of wil doen, dat wil zeggen, goede dingen voor het menselijke geslacht. De mens
is de oorzaak door wie, omdat hij in de liefde van de nutten is of kan zijn, en
in die liefde nutten bedoelt of wil doen. En de nutten zijn de uitwerkingen waarin
het einddoel bestaat; het zijn de nutten die ook de goede dingen worden genoemd.
Daaruit blijkt, dat de liefde van de nutten de naastenliefde is, die de mens jegens
de naaste moet hebben. Dat in alle en de afzonderlijke dingen is: doel, oorzaak
en uitwerking, kan worden uitgezocht aan de hand van onverschillig welke zaak.
Bijvoorbeeld, als een mens iets doet, dan zegt hij bij zichzelf of tot een ander,
of zegt de ander tegen hem: Waarom doe je dit? Dus: Wat is het doel? Waardoor
doe je dit? dus: Door welke oorzaak? En: Wat doe je? Dus: Wat is de uitwerking?
Einddoel, oorzaak en uitwerking worden ook genoemd de finale oorzaak, de middellijke
oorzaak, en het veroorzaakte. Het is volgens de wet van de oorzaken, dat het einddoel
alles is in de oorzaak, en vandaar alles al in de uitwerking; het einddoel immers
is het wezen zelf ervan. Eender is het de Heer; omdat Hij het einddoel is, is
Hij het al in de liefde van de nutten of in de naastenliefde bij de mens, en vandaar
het al in de nutten uit hem, dat wil zeggen, in de nutten door hem. Daarvandaan
is het, dat in de kerk wordt geloofd, dat al het goede uit God is, en niets uit
de mens, en dat God het Goede Zelf is. Daaruit volgt dus, dat naastenliefde betrachten
is nutten doen, of de goede dingen die tot het nut behoren; aldus dat de liefde
van de nutten is naastenliefde. |
|
|
54 |
- Voor
zoveel het gemoed kan worden afgehouden
- van
de zinnelijke en lichamelijke dingen,
- wordt
het opgeheven tot de geestelijke en hemelse dingen.
Hemelse
Verborgenheden 2479. Een
zekere pas aangekomen geest was verontwaardigd, dat hij zich de vele dingen niet
herinnerde die hij in het leven van het lichaam had geweten. Hij treurde om de
verlustiging die hij verloren had en waarin hij groot behagen in had geschept.
Maar het werd hem gezegd dat hij in het geheel niets verloren had en dat hij alle
dingen tot in bijzonderheden wist, maar dat het hem in het andere leven niet vergund
was dergelijke dingen tevoorschijn te halen; en dat het voldoende was dat hij
nu veel beter en volmaakter kon denken en spreken, zonder zijn redelijke, zoals
eerder, onder te dompelen in dichte, donkere, stoffelijke en lichamelijke dingen,
die van hoegenaamd geen nut zijn in het Rijk waarin hij nu gekomen was; en dat
de dingen die in het rijk van de wereld waren, achtergelaten waren en dat hij
nu al het mogelijke had, dat tot het nut van het eeuwige leven leidt, en dat hij
op deze en op geen andere wijze zalig en gelukkig kon worden. Het is daarom onwetendheid
te geloven dat in het andere leven het inzicht te gronde gaat met het in onbruik
geraken van het lichamelijk geheugen, terwijl het er toch zo mee gesteld is, dat
voor zoveel het gemoed van de zinnelijke en lichamelijke dingen kan worden afgehouden,
het wordt opgeheven tot de geestelijke en hemelse dingen. |
|
|
55 |
- Het
gezicht van het oog komt voort uit het licht van de wereld,
- het
gezicht van het verstand uit het licht van de hemel,
- en
vloeit in de dingen die tot het licht van de wereld behoren.
Hemelse Verborgenheden
2701. Dat
de woorden: 'God opende haar ogen', (Genesis 21:19) het inzicht betekenen, blijkt
uit de betekenis van openen, en dat God opent; alsmede van de ogen; dit is inzicht
geven. Dat de ogen het verstand betekenen, zie: (212), evenals het gezicht of
zien, (2150, 2325). Er wordt gezegd dat God de ogen opent, wanneer Hij het inwendig
gezicht of het verstand opent, wat plaatsvindt door een invloeiing in het redelijke
in de mens, of liever, in het geestelijke van zijn redelijke, en dit langs de
weg van de ziel of langs de innerlijke weg, die de mens onbekend is. Deze invloeiing
is de staat van zijn verlichting, waarin de waarheden die hij hoort of leest voor
hem bevestigd worden door een bepaalde gewaarwording van binnen in zijn verstandelijke.
De mens gelooft dat dit hem ingeboren is en voortkomt uit zijn eigen verstandelijk
vermogen, maar hij dwaalt daarin zeer, want het is een invloed vanuit de Heer,
door de hemel in het duistere, begoochelende en schijnbare van de mens, en door
het goede dat daarin is, maakt het, dat de dingen die hij gelooft, op het ware
gelijken. Echter, met verlichting in de geestelijke dingen van het geloof worden
alleen zij gezegend, die geestelijk zijn. Dit is het, wat daarmee wordt aangeduid,
dat God de ogen opent. Dat het oog het verstand betekent, komt omdat het gezicht
van het lichaam overeenstemt met het gezicht van zijn geest, dat het verstand
is; en omdat het daarmee overeenstemt, wordt door het oog in het Woord, bijna
overal waar het vermeld wordt, het verstand aangeduid, ook waar het anders opgevat
wordt, zoals waar de Heer bij Matthéüs zegt: 'De lamp des lichaams is het oog;
indien dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw gehele lichaam verlicht wezen; maar
indien uw oog boos is, zo zal geheel uw lichaam verduisterd zijn; indien dan het
schijnsel duisternis is, hoe groot zal de duisternis zijn', (Matthéüs 6:22, 23;
Lukas 11:34). Hier is het oog het verstand, waarvan het geestelijke het geloof
is, wat ook uit de verklaring daar kan blijken: 'Indien dan het schijnsel duisternis
is, hoe groot zal de duisternis zijn'. Tevens bij dezelfde: 'Indien dan uw rechteroog
u ergert, trekt het uit en werpt het van u', (Matthéüs 5:29; 18:9). Het linkeroog
is het verstandelijke, het rechteroog de aandoening daarvan; dat het rechteroog
uitgerukt moet worden, wil zeggen, dat de aandoening bedwongen moet worden, wanneer
die ergernis verwekt. Bij dezelfde: 'Uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw
oren omdat zij horen', (Matthéüs 13:16). Bij Lukas: 'Jezus zei tot de discipelen:
Zalig zijn de ogen die zien wat gij ziet', (Lukas 10:23); daar wordt door 'de
ogen die zien', het inzicht en het geloof aangeduid; want dat zij de Heer zagen
alsmede Zijn wonderen en werken, maakte hen niet zalig, maar dat zij die met het
verstand begrepen en geloof hadden, wat zien met de ogen is, en dat zij gehoorzaamden,
wat horen met de oren is. Dat zien met de ogen verstaan is, alsmede geloof hebben,
zie: (597, 2325); want het verstand is het geestelijke van het gezicht, en het
geloof is het geestelijke van het verstand. Het gezicht van het oog komt voort
uit het licht van de wereld, het gezicht van het verstand uit het licht van de
hemel, en vloeit in de dingen die tot het licht van de wereld behoren. Vandaar
wordt er gesproken van zien met het verstand, en zien door het geloof. Dat met
het oor horen wil zeggen gehoorzamen, zie: (2542). Bij Markus: 'Jezus zei tot
de discipelen: Bemerkt gij nog niet en verstaat gij niet? Hebt gij nog uw verhard
hart? Ogen hebbende ziet gij niet en oren hebbende hoort gij niet', (Markus 8:17,18),
alwaar duidelijk blijkt, dat niet willen verstaan en niet geloven is ogen hebben
en niet zien. Bij Lukas: 'Jezus zei aangaande de stad: Indien gij had geweten,
hetgeen uw vrede dient, maar het is verborgen voor uw ogen', (Lukas 19:41,42).
En bij Markus: 'Van de Heer is dit geschied en het is wonderlijk in onze ogen',
(Markus 12:11), alwaar verborgen voor de ogen en wonderlijk in de ogen wil zeggen:
voor het verstand, zoals eenieder bekend is uit de betekenis van het oog, ook
in het gewone spraakgebruik. |
|
|
56 |
- De
gehele natuur
- is
het uitbeeldende theater
- van
het Rijk van de Heer.
Hemelse
Verborgenheden 4318. Het
voornaamste van het inzicht dat de engelen hebben, is te weten en te doorvatten
dat al het leven uit de Heer is en dat de gehele hemel met Zijn Goddelijk Menselijke
overeenstemt, en daardoor alle engelen, geesten en mensen met de hemel overeenstemmen.
Ook weten en doorvatten zij hoedanig ze overeenstemmen. Dit zijn de beginselen
van het inzicht die bij de engelen veel meer aanwezig zijn dan bij de mensen.
Vandaar weten en doorvatten ze de ontelbare dingen die in de hemelen zijn, en
vandaar ook de dingen die in de wereld zijn. Want de dingen die in de wereld en
in de natuur van de wereld bestaan, zijn de oorzaken en de uitwerkingen daaruit,
zijn als uit de eerste beginselen ervan. De gehele natuur is immers het uitbeeldende
theater van het Rijk van de Heer. |
|
|
57 |
- Het
Goddelijke van de Heer
- maakt
de hemel.
Hemel
en Hel 7-12.
7.Alle engelen
tezamen worden de hemel genoemd omdat de hemel door hen gevormd wordt, het is
echter het Goddelijke dat vanuit de Heer voortgaat en in de engelen vloeit en
door hen ontvangen wordt wat de gehele hemel maakt. Het Goddelijke dat vanuit
de Heer voortgaat is het goede van de liefde en het ware van het geloof. Voor
zover zij dus van het goede en het ware uit de Heer opnemen, zijn zij engelen
en zijn ze de hemel. 8.
Iedereen in de hemel weet, gelooft en merkt zelfs, dat men vanuit zichzelf niets
goeds kan willen en doen en vanuit zichzelf niets waars kan denken en geloven,
maar dat alles door het Goddelijke komt, dus vanuit de Heer. Men weet ook dat
het goede en ware dat vanuit henzelf komt, niet echt goed en waar is omdat het
geen leven vanuit het Goddelijke in zich heeft. De engelen van de binnenste hemel
merken en voelen deze invloeiing (influx) duidelijk, en hoe meer zij hiervan ontvangen,
hoe meer zij zelf het gevoel hebben in de hemel te zijn, want in diezelfde mate
zijn zij in liefde en geloof en in het licht van intelligentie en wijsheid en
in hemelse vreugde die daaruit ontstaat. Aangezien al deze dingen uit het Goddelijke
van de Heer voortgaan en de engelen hierin hun hemel hebben, is het duidelijk
dat het Goddelijke van de Heer de hemel maakt, en niet de engelen met iets van
hun eigene (proprium). Daarom wordt de hemel in het Woord de woonplaats van de
Heer en Zijn troon genoemd; en van hen die daar zijn dat zij in de Heer zijn.
De manier waarop het Goddelijke vanuit de Heer voortgaat en de hemel vult, zal
in wat volgt verteld worden. 9.
Engelen, door hun wijsheid, gaan een stapje verder. Zij zeggen niet alleen dat
al het goede en ware uit de Heer is, maar ook alles van het leven. Zij bevestigen
dit hiermee: iets kan nooit uit zichzelf ontstaan maar alleen uit iets wat daaraan
voorafgaat. Dus alle dingen ontstaan uit een Eerste, wat zij het Zijn (Esse) zelf
van alles noemen. Eveneens blijft alles bestaan, want blijven bestaan is een voortdurend
ontstaan, en wat niet constant door tussenliggende dingen in verbinding met een
Eerste wordt gehouden, verdwijnt onmiddellijk en wordt geheel teniet gedaan. Verder
zeggen ze ook dat er slechts één bron van leven bestaat, en dat het leven van
de mens daar een beekje uit is. Indien deze stroom niet voortdurend uit haar bron
zou blijven komen, zou ze onmiddellijk wegvloeien. En verder dat uit die ene bron
van leven, die de Heer is, niets anders voortkomt dan het Goddelijk goede en het
Goddelijke ware en dat dit iedereen beïnvloedt afhankelijk van hoe het opgenomen
wordt. Zij die het opnemen in geloof en leven, vinden daarin de Hemel; maar zij
die het verwerpen en verstikken, veranderen het in een hel, want zij veranderen
goed in slecht en wat waarheid is in valsheid, dus het leven in de dood. Het feit
dat alles van het leven vanuit de Heer is, ondersteunen zij ook hiermee, dat alle
dingen in het heelal betrekking hebben op het goede en het ware, het leven van
een mens zijn wil, wat het leven van zijn liefde is, heeft betrekking op het goede,
en het leven van een mens zijn verstand, wat het leven van zijn geloof is, heeft
betrekking op het ware. En aangezien al het goede en ware van boven komt, volgt
daaruit dat ook alles van het leven van boven komt. Omdat dit het geloof van de
engelen is, weigeren zij alle dankbetuigingen voor het goede wat ze doen en worden
ze verontwaardigd en trekken zich terug, indien iemand hun het goede toeschrijft.
Zij zijn hoogst verwonderd als iemand gelooft dat hij vanuit zichzelf wijs is
of vanuit zichzelf goed doet. Als iemand ter wille van zichzelf het goede doet,
noemen zij dit niet het goede, omdat het vanuit de persoon zelf gebeurt; maar
het goede doen ter wille van het goede zelf noemen zij het Goddelijke goede, en
ze zeggen dat dit het goede is wat de hemel maakt, omdat dit Goede de Heer is.
10. De
geesten die, toen zij nog in de wereld leefden, overtuigd waren in het geloof
dat het goede dat zij deden en het ware dat zij geloofden vanuit henzelf kwam,
alsof het hun eigendom was (wat het geloof is van iedereen die zichzelf de verdienste
toerekent van goede daden en aanspraak maakt op de gerechtigheid), die geesten
worden niet in de hemel opgenomen. De engelen ontwijken hen en beschouwen hen
als stompzinnig en als dieven; stompzinnig omdat zij voortdurend zichzelf voor
ogen hebben en niet het Goddelijke; als dieven omdat zij van de Heer wegnemen
wat van Hem is. Deze zijn tegen het geloof van de hemel dat de aanwezigheid van
het Goddelijke van de Heer bij de engelen de hemel maakt. 11.
De Heer leert ook dat zij die in de Hemel en in de kerk zijn, in de Heer zijn
en de Heer in hen, wanneer Hij zegt: Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit
zichzelf, als zij niet aan de wijnstok blijft, zo ook gij niet, indien gij in
Mij niet blijft. Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk
Ik in hem die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen(Johannes
15:4,5). 12.
Uit dit geheel kan nu vastgesteld worden dat de Heer bij de engelen van de hemel
verblijft in wat Hem toebehoort, en dus dat voor ieder onderdeel van de hemel
de Heer alles betekent. Dit komt omdat het goede vanuit de Heer, de Heer bij hen
is, want wat vanuit Hemzelf is, is Hijzelf. Het is dus ook duidelijk dat het goede
vanuit de Heer voor de engelen de hemel betekent en niet iets wat vanuit hun eigene
(proprium) komt. |
|
|
58 |
-
De Heer is de Zon in de engellijke hemel.
Goddelijke
Wijsheid 12.
12.1. Dat
de Heer de Zon in de engellijke hemel is, daarvan was men tot dusver onkundig,
omdat het onbekend was, dat de geestelijke wereld is onderscheiden van de natuurlijke
wereld, en dat gene boven deze is, en zij onderling niets gemeen hebben dan zoals
het eerdere en het latere, en zoals de oorzaak en de uitwerking. Vandaar was het
onbekend wat het geestelijke is, en bovendien dat in gene wereld engelen en geesten
zijn, en dat dezen en genen mensen zijn in alle gelijkenis met de mensen in de
wereld, met het enige verschil dat genen geestelijk zijn, en de mensen natuurlijk.
Voorts dat alle dingen die daar zijn, alleen vanuit geestelijken oorsprong zijn,
en dat alle dingen die hier zijn, vanuit zowel geestelijken als natuurlijken oorsprong
zijn. En omdat deze dingen onbekend waren, was het ook onbekend dat de engelen
en de geesten een ander licht en een andere warmte hebben dan de mensen. Het licht
en de warmte daar trekken hun wezen uit hun Zon, zoals het licht en de warmte
in de natuurlijke wereld hun wezen uit onze zon, bij gevolg dat het wezen van
het licht en de warmte vanuit hun Zon geestelijk is, en dat het wezen van het
licht en de warmte van uit onze zon natuurlijk is, waaraan echter het geestelijke
vanuit hun Zon is toegevoegd, dat bij de mens zijn verstand verlicht, terwijl
het natuurlijke zijn oog verlicht. Uit deze en gene dingen blijkt, dat de Zon
van de geestelijke wereld in haar wezen datgene is waaruit al het geestelijke
zijn opkomst trekt; en dat de zon van de natuurlijke wereld in haar wezen datgene
is waaruit al het natuurlijke zijn opkomst trekt. Het geestelijke kan nergens
anders vandaan het wezen trekken dan vanuit de Goddelijke Liefde en vanuit de
Goddelijke Wijsheid, want liefhebben en wijs zijn is geestelijk. Het natuurlijke
echter kan nergens anders vandaan zijn wezen trekken, dan vanuit louter vuur en
vanuit louter licht. Daaruit nu volgt, dat de Zon van de geestelijke wereld in
haar Zijn is God, zijnde de Heer uit het eeuwige, en dat de warmte vanuit die
Zon is de liefde, en het licht vanuit die Zon is de wijsheid. Dat tot nu toe niet
wat ook is onthuld over die Zon, hoewel zij in veel plaatsen in het Woord wordt
verstaan waar de Zon wordt genoemd, is omdat het niet onthuld mocht worden, voordat
het Laatste Gericht was voltrokken, en uit de Heer de Nieuwe Kerk, zijnde Nova
Hierosolyma, moest worden ingesteld. Dat het niet eerder is onthuld, heeft verscheidene
oorzaken, maar het is hier niet ter plaatse deze aan te voeren. Wanneer eenmaal
bekend is geworden, dat engelen en geesten mensen zijn, en zij onder elkaar leven
zoals de mensen in de wereld, en zij geheel en al boven de natuur zijn, en de
mensen binnen de natuur, zo kan dan vanuit de rede worden geconcludeerd, dat genen
een andere Zon hebben, en dat zij het is waar vanuit het al van de liefde en het
al van de wijsheid de oorsprong afleidt, en vandaar het al van het waarlijk menselijke
leven. Dat die Zon mij is verschenen, en eveneens daarin de Heer, zie men in het
werk over de Hemel en de Hel n. 116-140; en in het werkje over de Planeten en
de Aardbollen in het Heelal n. 40-42. |
|
|
59 |
- Niemand
kan de geestelijke zin zien
- tenzij
vanuit de leer van het echte ware.
Over
het Woord 58. Niemand
kan de geestelijke zin zien tenzij vanuit de leer van het echte ware. Vanuit deze
kan de geestelijke zin worden gezien, wanneer er enige wetenschap van de overeenstemmingen
is. Hij die in een valse leer is, kan niet iets van de geestelijke zin zien; hij
trekt en leidt de overeenstemmingen die hij ziet, tot de valse dingen van zijn
leer, en daarom kan hij het Woord nog meer vervalsen. Daarom is de waarlijk geestelijke
zin van het Woord uit de Heer alleen. Daarom is het niet geoorloofd aan iemand
in de natuurlijke wereld, noch in de geestelijke wereld, om de geestelijke zin
van het Woord vanuit de letterlijke zin daarvan na te vorsen, tenzij hij geheel
en al in de leer van het Goddelijk Ware is, en in verlichting uit de Heer. Daarom
kan vanuit de leer van het Goddelijk Ware, bevestigd vanuit de letterlijke zin
van het Woord, de geestelijke zin worden gezien, maar nooit kan de leer het eerst
gezien worden vanuit de geestelijke zin. Valse dingen denkt hij die bij zichzelf
zegt: "Ik weet verscheidene overeenstemmingen, ik kan de ware leer van het Goddelijke
Woord weten, want de geestelijke zin zal mij die leren". Dit kan niet geschieden;
maar laat hij, als gezegd, bij zichzelf zeggen: "Ik weet de leer van het Goddelijk
ware; nu kan ik de geestelijke zin zien, als ik slechts de overeenstemmingen weet";
niettemin moet dit zijn in verlichting uit de Heer, omdat de geestelijke zin het
Goddelijk Ware zelf in zijn licht is, en verstaan wordt onder de heerlijkheid,
en de zin van de letter onder de wolken in die plaatsen in het Woord waar daarover
wordt gehandeld. Dat er een geestelijke zin in het Woord is, kan worden bevestigd
door tien plaatsen in het profetische Woord, voorts in de Evangelisten, en ook
in de Apocalyps, welke plaatsen moeten worden aangevoerd, en getoond worden dat
zij niet iets zouden zijn zonder de geestelijke zin. |
|
|
60 |
- De
eigenliefde en de liefde tot gewin is van dien aard dat ze niet duldt,
- dat
iets van het ware, dat van het Goddelijke uitgaat,
- haar
nabij komt.
Hemelse Verborgenheden 3413. Dat
de woorden: 'en vulden dezelve met stof', (Genesis 26:15) betekenen, door aardse
dingen, dat wil zeggen, door eigenliefde en liefde tot gewin, blijkt uit de betekenis
van stof, dus datgene wat van dien aard is, (249). De inwendige zin is deze, dat
zij die Filistijnen worden genoemd, dat wil zeggen, die niet in het leven maar
in de leer zijn, de inwendige waarheden in vergetelheid brengen door aardse liefden,
te weten: de eigenliefde en de liefde tot gewin. Vanwege deze liefden werden zij
'onbesnedenen' genoemd, (2039, 2044, 2056, 2632). Want zij die in deze liefden
zijn, kunnen niet anders dan de putten van Abraham met stof vullen, dat wil zeggen,
de inwendige waarheden van het Woord in vergetelheid brengen door aardse dingen;
want vanwege deze liefde kunnen zij geenszins de geestelijke dingen zien, dat
wil zeggen, die dingen die tot het uitgaande licht van het ware van de Heer behoren,
want deze liefden voeren duisternis binnen en blussen dit licht uit. Zoals eerder
gezegd, (3412), worden zij die in de wetenschap alleen en niet in het leven zijn,
bij de nadering van het uitgaande licht van het ware dat van de Heer komt, geheel
en al verduisterd en stompzinnig, ja zelfs worden zij van dien aard, dat ze woedend
worden, en op alle mogelijke manieren de waarheden trachten te verstrooien. De
eigenliefde en de liefde tot gewin is van dien aard dat ze niet duldt, dat iets
van het ware, dat van het Goddelijke uitgaat, haar nabij komt. Niettemin kunnen
zulke personen zich daarop beroemen en daarmee pronken, dat zij de waarheden weten,
ja zelfs prediken zij deze met een soort van ijver, maar het zijn de vuren van
de liefden, die hen ontsteken en aandrijven; de ijver is slechts de gloed ervan.
Dit blijkt voldoende hieruit dat zij met een dergelijke ijver of gloed tegen hun
eigenlijke leven zelf kunnen prediken. Dit zijn de aardse dingen, waarmee het
Woord zelf, dat de fontein van al het ware is, verstopt wordt … |
|
|
61 |
- De
Heer wás vóór Zijn komst in de wereld.
Leer
over de Heer 37.
Dat de gehele Schrift over de Heer handelt, kan alleen in het duister en als het
ware door traliewerk worden gezien vanuit de dingen die eerder vanuit het Woord
zijn aangevoerd; nu, vanuit die eerdere dingen, zullen verder over de Heer worden
aangevoerd deze dingen: namelijk dat Hij zo vaak Heer en God wordt genoemd; waaruit
het kan opblinken dat Hij het Zelf is Die gesproken heeft door de profeten, bij
wie overal wordt gezegd: Jehovah heeft gesproken.., Jehovah zei.., en gezegde
van Jehovah. De
Heer wás vóór Zijn komst in de wereld, dit blijkt uit deze dingen: ‘Johannes de
Doper zei over de Heer: Deze is het, Die na mij komt, Die voor mij geweest is,
Wien ik niet waardig ben Zijn schoenriem te ontbinden. Deze is het, van Wie ik
gezegd heb: Die na mij komt, Die vóór mij geweest is en Die eerder was dan ik’,
(Johannes 1:27,30). In de Apocalyps: ‘Zij vielen neer vóór de troon waarop de
Heer was, en zeiden: Wij danken U, Heer God, Almachtig, Die is en Die was, en
Die komen zal’, (Apocalyps 11:16,17). Ook bij Micha: ‘Gij, Bethlehem Efratha,
het is slechts weinig dat gij zijt onder de duizenden van Jehuda; vanuit U zal
Mij uitgaan die heerser zal zijn in Israël, en Wiens herkomst is uit de voortijd,
uit de dagen der eeuwigheid’, (Micha 5:1); en verder ook uit de woorden van de
Heer bij de evangelisten; dat Hij vóór Abraham is geweest, dat Hij heerlijkheid
bij de Vader heeft gehad vóór de grondlegging van de wereld, dat Hij is uitgegaan
van de Vader, en dat van de aanvang het Woord is geweest bij God, en dat God het
Woord was, en dat dit vlees is geworden. |
|
|
62 |
- Alle
mensen,
- die
van het begin der schepping geboren werden en gestorven zijn,
- zijn
in de Hemel of de Hel.
Laatste
Oordeel 23-27. 23.
Dit volgt ten
eerste uit wat in het voorgaande hoofdstuk werd gezegd en aangetoond, namelijk
dat de hemel en de hel uit het menselijk geslacht zijn. Ten tweede daaruit, dat
ieder mens na zijn leven in deze wereld in eeuwigheid leeft. Ten derde, dat dus
allen, die van de schepping van de wereld af, als mensen geboren werden en gestorven
zijn, óf in de hemel, óf in de hel zijn. Ten vierde, omdat allen die hierna zullen
geboren worden, ook in de geestelijke wereld moeten komen. Die wereld is zo uitgestrekt
en van dien aard, dat deze natuurlijke wereld, waarin de mensen op de aardbollen
zijn, daarmee niet kan worden vergeleken. Maar opdat alles duidelijker wordt begrepen,
en helder wordt gezien, zal ik die punten afzonderlijk uitleggen en beschrijven.
24. (1)
Dat allen, die ooit als mens geboren werden en gestorven zijn, in de hemel of
in de hel zijn, volgt uit hetgeen in het voorgaande hoofdstuk is gezegd en aangetoond,
dat namelijk de hemel en de hel uit het menselijk geslacht zijn. Tot nu toe werd
algemeen geloofd, dat de mensen niet eerder in de hemel of in de hel zullen komen,
dan ten dage van het laatste oordeel, wanneer de zielen weer in hun eigen lichamen
zullen terugkeren, en kunnen genieten van datgene waarvan geloofd wordt, dat het
specifiek tot het lichaam behoort. Tot dit geloof zijn de eenvoudigen gebracht
door hen, die beweren wijs te zijn, en de innerlijke staat van de mens hebben
onderzocht. Deze mensen hebben nooit over de geestelijke wereld gedacht, maar
alleen over de natuurlijke, en dus ook niet over de geestelijke mens. Daardoor
hebben zij niet geweten dat de geestelijke mens, die bij iedereen in de natuurlijke
mens is, eveneens een menselijke vorm heeft, zoals de natuurlijke mens. Vandaar
is het ook niet in hun geest opgekomen, dat de natuurlijke mens zijn menselijke
vorm ontleent aan zijn geestelijke mens; ofschoon zij hebben kunnen zien dat de
geestelijke mens naar zijn wil in alles en in elk ding bij de natuurlijke mens
werkt, en dat de natuurlijke mens uit zichzelf volstrekt niets doet. Het is de
geestelijke mens die denkt en wil, en gedachte en wil zijn het al in alles van
de natuurlijke mens. De natuurlijke mens wordt in werking gebracht zoals de geestelijke
mens dat wil, en ook tot spreken gedreven zoals deze denkt, en dit zo volledg
dat er geen handeling is zonder wil en geen spraak zonder gedachte. Indien de
gedachte en de wil worden verwijderd, dan houden èn de spraak èn de handeling
ogenblikkelijk op. Hieruit blijkt, dat de geestelijke mens in werkelijkheid de
mens is, en dat deze in alles en elk ding van de natuurlijke mens is, zodat hun
beeltenissen aan elkaar gelijk zijn, want delen of deeltjes van de natuurlijke
mens, waarin het geestelijke niet werkt, leven niet. Maar de geestelijke mens
kan voor de natuurlijke mens niet zichtbaar worden, want het natuurlijke kan het
geestelijke niet zien, maar het geestelijke kan wel het natuurlijke zien; want
dit is volgens de orde, maar het andere tegen de orde. Er bestaat een invloeiïng
van het geestelijke in het natuurlijke, dus ook een gezicht, want gezicht is eveneens
een invloeiing; maar niet in omgekeerde richting. De geestelijke mens is wat de
geest van de mens wordt genoemd en die in de geestelijke wereld verschijnt in
een volmaakte menselijke vorm, en die na de dood leeft. Omdat de verstandige mensen
over de geestelijke wereld niets geweten hebben, en vandaar ook niets over de
geest van de mens, zoals hierboven werd gezegd, daarom hebben zij het denkbeeld
aangenomen, dat een mens niet als mens kan leven, vóórdat zijn ziel in het lichaam
is teruggekeerd en de zintuigen daarvan weer heeft aangenomen. Vandaar zijn er
zulke dwaze denkbeelden over de opstanding ontstaan, dat namelijk zelfs lichamen
die door wormen en vissen zijn verteerd, en geheel tot stof zijn vergaan, door
de Goddelijke Almacht weer zullen worden verzameld en worden verenigd met hun
zielen; en dit zal gebeuren aan het einde van de wereld, wanneer het zichtbare
heelal zal vergaan; en nog meer van zulke meningen die het begrip te boven gaan,
en bij de eerste indruk voor het verstand onmogelijk schijnen en tegen de Goddelijke
orde. Wie daar wijs over wil denken, kan dat niet geloven zonder het ook enigermate
te begrijpen, en geloof in onmogelijkheden bestaat niet; dat wil zeggen een geloof
in zulke dingen, die een mens voor onmogelijk houdt. Vandaar dat zij, die niet
geloven in een leven na de dood, hun argumenten ter ontkenning aan dergelijke
begrippen ontlenen. Dat de mens direct na de dood opstaat en in een volkomen menselijke
vorm is, ziet men in het werk "Hemel en Hel" in verscheidene hoofdstukken. Deze
dingen worden hier vermeld om nog verder te bevestigen dat de hemel en de hel
uit het menselijk geslacht zijn; waaruit volgt, dat allen, die ooit van het begin
der schepping af als mens geboren werden en gestorven zijn, in de hemel of in
de hel zijn. 25.
(2) Dat ieder mens na zijn leven in deze wereld in eeuwigheid leeft, blijkt hieruit,
dat de mens dan geestelijk is, en niet langer natuurlijk, en dat de geestelijke
mens afgescheiden van het natuurlijke in eeuwigheid blijft zoals hij is, want
de staat van de mensen kan zich na de dood niet wijzigen. Bovendien is het geestelijke
van ieder mens in verbinding met het Goddelijke, daarom kan dit over het Goddelijke
denken en kan het Goddelijke liefhebben, en kan worden aangedaan door alle dingen,
die tot het Goddelijke behoren, en waarvan de hoedanigheden door de kerk worden
geleerd. Hierdoor is de mens met het Goddelijke verbonden door gedachte en wil,
welke twee vermogens tot de geestelijke mens behoren en zijn leven uitmaken. Wat
zó met het Goddelijke verbonden kan worden, kan in eeuwigheid niet sterven, want
het Goddelijke is daarbij aanwezig, en verbindt het met Zichzelf. Ook is de mens
geschapen om een vorm van de hemel te worden, wat zijn geest betreft, en de vorm
van de hemel is uit het Goddelijke Zelf. Dit kan men zien in het werk "Hemel en
Hel", waarin is aangetoond: Dat het Goddelijke van de Heer de hemel maakt en vormt
(n. 7-12 en 78, 86); Dat de mens geschapen werd, opdat hij een hemel zal worden
in kleinste gedaante (n. 57); Dat de hemel in zijn geheel genomen betrekking heeft
op één mens (n. 59-66); Dat daardoor een engel in een volkomen menselijke vorm
is (n. 73, 77); Dat een engel wat zijn geestelijke betreft een mens is. Hierover
heb ik ook enige malen met de engelen gesproken, die zich zeer verwonderden dat
er onder hen, die in de Christelijke wereld verstandig genoemd worden, en ook
door anderen voor verstandig worden gehouden, velen zijn die door hun geloof de
onsterfelijkheid van hun eigen leven geheel en al verwerpen, en geloven dat de
ziel van de mens na de dood evenals de ziel van een beest verloren gaat, zonder
het onderscheid te begrijpen dat er is tussen het leven van de mens en van het
beest. De mens kan boven zichzelf denken over God, over de hemel, over de liefde,
over het geloof, over het geestelijk en zedelijk goede, over het ware en over
dergelijke dingen. Zó kan hij verheven worden tot het Goddelijke Zelf, en door
al die dingen met Hemzelf worden verbonden. Maar beesten kunnen niet boven het
natuurlijke in hen verheven worden om over zulke dingen te denken. Bijgevolg kan
het geestelijke in hen na de dood niet van hun natuurlijke worden gescheiden,
en op zichzelf leven zoals het geestelijke van de mensen. Om deze reden gaat het
leven van de beesten tegelijk met hun natuurlijk leven teniet. Dat vele zogenaamde
wijzen in de Christelijke wereld niet geloven in de onsterfelijkheid van hun leven,
wordt, zoals de engelen zeiden, veroorzaakt omdat zij in hun hart het Goddelijke
ontkenden en in plaats van het Goddelijke de natuur erkenden. Zij, die uit zulke
beginselen denken, kunnen niet over iets eeuwigs denken door verbinding met het
Goddelijke, dus ook niet over het onderscheid tussen de staat van mensen en de
staat van beesten. Want wanneer het Goddelijke uit het denken wordt verdreven,
wordt ook het eeuwige verworpen. Zij zeiden verder ook, dat er bij ieder mens
een binnenste of hoogste graad van het leven is, of een binnenste of hoogste iets,
waarin het Goddelijke van de Heer allereerst invloeit, en van waaruit Hij de overige
inwendige dingen van de geestelijke en natuurlijke mens schikt; deze volgen elkaar
op volgens de graden van hun orde. Dat binnenste of hoogste noemden zij de intrede
van de Heer bij de mens, en Zijn waarachtige woning bij hem. Door dit binnenste
of hoogste is de mens mens, en onderscheiden van de redeloze dieren, die dat niet
hebben. Daardoor is het dat de mensen, wat hun inwendige betreft, dat tot hun
hoogste deel van hun gemoed en ziel behoort, geheel anders dan de dieren, door
de Heer tot Zich verheven kunnen worden, in Hem kunnen geloven, door liefde tot
Hem kunnen worden aangedaan, en verstand en wijsheid kunnen ontvangen, en uit
de rede kunnen spreken. Bij navraag over hen die het Goddelijke ontkennen, en
ook de Goddelijke waarheden waardoor verbinding van het leven van mensen met het
Goddelijke Zelf plaatsvindt, en die toch in eeuwigheid leven, zeiden de engelen:
dat zulken ook het vermogen hebben om te denken en te willen, en bijgevolg om
de dingen, die uit het Goddelijke voortkomen te geloven en lief te hebben, evenals
zij die het Goddelijke erkennen. Het zijn die vermogens die maken dat zulken eveneens
in eeuwigheid leven. De engelen voegden daaraan toe, dat zulken die vermogens
hadden uit dat binnenste of hoogste in hen, dat in ieder mens is, waarover hierboven
werd gesproken. Ook zij die in de hel zijn hebben die vermogens, en daardoor ook
het vermogen om tegen de Goddelijke waarheden te redeneren en te spreken, hetgeen
dikwijls was aangetoond. Vandaar is het, dat ieder mens, van welke hoedanigheid
ook, in eeuwigheid leeft. Omdat ieder mens na de dood in eeuwigheid leeft, daarom
denkt een engel, noch een geest ooit aan de dood. Ze weten zelfs niet wat het
is te sterven. Wanneer er daarom in het Woord gesproken wordt van 'dood' wordt
dit door de engelen verstaan hetzij als verdoemenis, dat de dood is in geestelijke
zin, of wel als voortzetting van het leven en opstanding. Deze dingen worden aangehaald
om te bevestigen, dat alle mensen, die ooit van het begin der schepping af geboren
werden en gestorven zijn, leven. Sommigen in de hemel en sommigen in de hel. 26.
(3) Opdat ik zou weten, dat allen die ooit als mensen geboren werden en gestorven
zijn van het begin der schepping af, in de hemel of in de hel zijn, werd het mij
gegeven te spreken met enigen die vóór de zondvloed leefden; en ook met sommigen
die na de zondvloed leefden. Eveneens met sommigen uit het Joodse volk, die uit
het Oude Testament bekend zijn; met sommigen, die in de tijd van de Heer leefden;
met velen, die in de daarop volgende eeuwen tot heden toe leefden; en bovendien
met allen, die ik in het leven van hun lichaam gekend heb, nadat zij gestorven
waren; en bovendien met kinderen, en met velen uit de heidenen. Uit deze ervaringen
ben ik volledig overtuigd, dat er niet één is die ooit als mens geboren werd van
de eerste schepping van deze aarde af, die niet in de hemel of in de hel is. 27.
(4) Omdat allen die in het vervolg geboren zullen worden ook in de geestelijke
wereld zullen komen, is die wereld zo uitgestrekt, en van dien aard, dat de natuurlijke
wereld waarin de mensen op de aardbollen zijn, daarmee niet vergeleken kan worden.
Dit blijkt uit de ontelbare menigte van mensen, die van het begin der schepping
af in de geestelijke wereld zijn overgegaan, en daar samen zijn. En ook uit de
aanhoudende toename, die hierna nog uit het menselijk geslacht komen zal. Dat
die toename zal voortgaan, en wel zonder einde, werd in het hoofdstuk hierboven
aangetoond (n. 6-13), dat namelijk de voortplanting van het menselijk geslacht
op de aardbollen niet zal ophouden. Hoe ontelbaar de menigte van mensen is, die
nu al daar zijn, werd mij enkele malen te zien gegeven, wanneer mij de ogen geopend
werden. Er waren daar zo velen, dat ze nauwelijks te tellen waren. Er waren enige
tienduizenden, en dat alleen op één plaats en in één streek; hoeveel zijn er dan
niet in de overige streken ? Zij zijn daar in gezelschappen bijeen verzameld en
die gezelschappen zijn zeer groot in aantal, en ieder gezelschap vormt in zijn
eigen plaats drie hemelen en drie hellen. Daarom zijn enigen daar het meest verheven,
anderen in het midden, weer anderen onder hen, en daaronder zijn er ook die in
de laagste plaatsen of in de hellen zijn. De hoogste onder hen wonen zoals de
mensen in steden waarin ze tot honderd duizend samen wonen. Hieruit blijkt dat
de natuurlijke wereld, waarin de mensen op de aardbollen zijn, met die geestelijke
wereld, wat betreft de menigte uit het menselijk geslacht, niet kan worden vergeleken.
Daarom is het voor mensen die uit de natuurlijke wereld naar de geestelijke overgaan,
alsof zij uit een dorp naar een grote stad komen. Dat de natuurlijke wereld ook
niet met de geestelijke wereld kan worden vergeleken, wat haar aard aangaat, kan
ook daaruit blijken, dat daar niet alleen alles bestaat wat er in de natuurlijke
wereld is, maar bovendien ook nog ontelbaar vele dingen, die in deze wereld nooit
gezien worden, en ook niet voor ogen gesteld kunnen worden. Daar worden geestelijke
dingen in al hun typen afgebeeld, in verschijningen alsof ze natuurlijk waren,
en ieder afzonderlijk ding met oneindige verscheidenheid. Want het geestelijke
overtreft in zijn uitnemendheid het natuurlijke zozeer, dat maar weinige dingen
daarvan voor de natuurlijke zintuigen kunnen worden voortgebracht. De natuurlijke
dingen omvatten niet het duizendste deel van wat het geestelijk hogere gemoed
waarneemt, en alle dingen, die hiertoe behoren, worden ook in vormen voor ogen
gesteld. Vandaar dat de geestelijke wereld niet kan worden beschreven wat betreft
de pracht en het overweldigende van de dingen die daar zijn. En dit neemt ook
toe met de vermeerdering van het menselijk geslacht in de hemelen, want alle dingen
worden daar voorgesteld in vormen, die overeenstemmen met de staat van liefde
en geloof bij iedere geest, en daardoor van zijn verstand en wijsheid, dus met
een verscheidenheid die aanhoudend toeneemt met de vermeerdering van de menigte.
Vandaar dat door hen, die in de hemel waren verheven, werd gezegd, dat zij daar
dingen hadden gezien en gehoord, die nooit enig oog had gezien, noch enig oor
had gehoord. Hieruit kan men zien, dat de geestelijke wereld zodanig is, dat deze
natuurlijke wereld daarmee niet vergeleken kan worden. Bovendien kan men zien
wat die wereld is, in het werk "Hemel en Hel" waar gehandeld wordt, over de twee
Rijken van de Hemel (n. 20-28); over de gezelschappen in de hemel (n. 41-50);
over de voorstellingen en verschijningen in de hemel (n. 170-176); en over de
wijsheid van de engelen in de hemel (n. 265-275); maar het
is zeer weinig wat daar beschreven is. |
|
|
63 |
- De
Decaloog bevat in de zin van de letter
- de
algemene voorschriften van de leer en van het leven;
- maar
in de geestelijke en hemelse zin alomvattend alle voorschriften.
Ware
Christelijke Religie 287. Het
is bekend, dat de Decaloog in het Woord bij voorkeur de Wet wordt genoemd, omdat
hij alle dingen bevat, die van de leer en het van het leven zijn. Want de Wet
bevat niet alleen alle dingen die God betreffen, maar ook alle dingen die de mens
betreffen. Daarom was deze Wet in twee tafelen geschreven, waar- van de ene over
God handelt en de andere over de mens. Het is eveneens bekend, dat alle dingen
van de leer en van het leven betrekking hebben op de liefde tot God en op de liefde
jegens de naaste, en alle dingen van deze liefden zijn opgesloten in de Decaloog.
Dat het hele Woord niets anders leert, blijkt uit deze woorden van de Heer:
JEZUS
zei: Gij zult liefhebben de Heer, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw
ziel, en met geheel uw verstand; en de naaste als uzelf; aan deze twee geboden
hangen de Wet en de Profeten (Matth.22:37,39,40). De
Wet en de Profeten betekenen het hele Woord. En verder: Een zeker wetgeleerde,
Jezus verzoekende, zei: Meester,
wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? En Jezus zei tot hem: Wat is in de
Wet geschreven? hoe leest gij? En hij antwoordde en zei: Gij zult de Heer, uw
God, liefhebben met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw kracht,
en met geheel uw verstand, en de naaste als uzelf; en Jezus zei: DOE DAT EN GIJ
ZULT LEVEN (Luk.10:25-28). Aangezien
nu de liefde tot God en de liefde jegens de naaste alle dingen van het Woord zijn,
en de Decaloog in de eerste tafel kort samengevat alle dingen der liefde tot God
bevat, en in de tweede tafel alle dingen der liefde jegens de naaste, zo volgt
hieruit, dat de Decaloog alle dingen bevat, die tot de leer en tot het leven behoren.
Een blik op beide tafelen maakt duidelijk, dat zij zo verbonden zijn, dat God
vanuit Zijn tafel naar de mens ziet, en dat omgekeerd de mens vanuit de zijne
naar God ziet, en dat er zo een wederkerig aanzien is, van die aard, dat God Zijnerzijds
nooit ophoudt naar de mens te zien en zulke dingen op gang te brengen, die tot
zijn heil dienen; en als de mens de dingen opneemt en doet, die op zijn tafel
staan. Zo vindt een wederkerige verbinding plaats en dan geschiedt zij volgens
de woorden van de Heer tot de wetgeleerde: DOE
DAT EN GIJ ZULT LEVEN. 288.
In het Woord wordt de Wet vaak genoemd, en er zal gezegd worden, wat daaronder
wordt verstaan in de strikte zin, en wat daaronder in de ruimere zin, en wat daaronder
in de ruimste zin; de strikte zin wordt onder de Wet de Decaloog verstaan, in
ruimere zin de door Mozes aan de zonen van Israël gegeven bepalingen en in de
ruimste zin het hele Woord. Lees
het vervolg |
|
|
64 |
- In
elk goede moet onschuld zijn opdat dit het goede is;
- naastenliefde
zonder onschuld is niet de naastenliefde,
- en
nog minder de liefde tot de Heer.
Hemelse
Verborgenheden 3994 …
'En al het zwarte vee onder de lammeren', (Genesis 30:32). Dit betekent het eigene
van de onschuld, … en dit staat vast uit de betekenis van het zwarte, wat het
eigene is, (3993); en uit de betekenis van het lam, wat de onschuld is. Met het
eigene van de onschuld, wat door het zwarte onder de lammeren wordt aangeduid,
is het als volgt gesteld; in elk goede moet onschuld zijn opdat dit het goede
is; naastenliefde zonder onschuld is niet de naastenliefde, nog minder de liefde
tot de Heer. Daarom is de onschuld het wezenlijke zelf van de liefde en de naastenliefde,
dus van het goede. Het eigene van de onschuld is dat men weet, erkent en gelooft,
niet met de mond maar met het hart, dat niets dan het boze is uit de mens zelf,
en al het goede uit de Heer. Dus dat het eigene van hem niets dan het zwarte is,
namelijk zowel het eigene van de wil, wat boos is, als het verstandelijk eigene,
wat het valse is. Wanneer de mens van harte in deze belijdenis en in dit geloof
is, zo vloeit de Heer met het goede en ware in en boezemt Hij hem het hemels eigene
in, wat het heldere en het blinkende is. Nooit kan iemand in de ware vernedering
zijn, tenzij hij van harte in die erkenning en dat geloof is, want dan is hij
in de tenietdoening van zich, ja zelfs in de verafschuwing van zich en zo van
zichzelf verwijderd. Zo is hij dan in de staat om het Goddelijke van de Heer op
te nemen; vandaar komt het dat de Heer met het goede in een nederig en verslagen
hart invloeit. Zodanig is het eigene van de onschuld, dat hier wordt aangeduid
door het zwarte onder de lammeren dat Jakob voor zich uitkoos. Maar het witte
onder de lammeren is de verdienste die in de goede dingen worden gesteld; dat
het witte de verdienste is, zie: (3993), dit heeft Jakob echter niet gekozen,
omdat het tegen de onschuld indruist, want wie verdienste in goede dingen stelt,
erkent en gelooft dat al het goede uit hemzelf is, want hij beschouwt zichzelf
in de goede dingen die hij doet, niet de Heer. Vandaar eist hij beloning vanwege
verdienste en daarom veracht iemand met zo'n aard de anderen bij zichzelf vergeleken,
ja verdoemt hen ook. Daardoor verwijdert hij zich voor evenzoveel van de hemelse
orde, dat wil zeggen van het goede en het ware. Hieruit kan vaststaan dat de naastenliefde
jegens de naaste en de liefde tot de Heer nooit bestaanbaar zijn tenzij daarin
de onschuld is, dus dat niemand in de hemel kan komen tenzij hij iets van onschuld
heeft, overeenkomstig de woorden van de Heer: 'Voorwaar zeg ik u: zo wie het Koninkrijk
Gods niet zal opgenomen hebben gelijk een klein kind, die zal in hetzelve niet
ingaan', (Markus 10:15; Lukas 18:17). Door het kleine kind wordt hier en elders
in het Woord de onschuld aangeduid, namelijk dat de vroege kindertijd niet is
de onschuld, maar dat de onschuld in de wijsheid woont, (2305, 3494). Hoedanig
de onschuld van de kindertijd is, en hoedanig de onschuld van de wijsheid, (2306,
3183); voorts hoedanig het eigene is dat met de onschuld en de naastenliefde door
de Heer is levendgemaakt, (154); dat de onschuld maakt dat het goede het goede
is, (2526, 2780). Dat de lammeren de onschuld betekenen kan uit tal van plaatsen
in het Woord blijken, waarvan de volgende ter staving mogen worden aangevoerd:
Bij Jesaja: 'De wolf zal met het lam vertoeven, en de luipaard zal met het geitenbokje
neerliggen, en het kalf en de jonge leeuw en de os tezamen, en een kleine knaap
zal ze leiden', (Jesaja 11:6). Daar wordt over het Rijk van de Heer gehandeld
en over de staat van de vrede en de onschuld daar. De wolf staat voor hen die
tegen de onschuld zijn en het lam voor hen die in de onschuld zijn. Evenzo elders
bij dezelfde: 'De wolf en het lam zullen tezamen weiden, en de leeuw zal stro
eten als de os, en voor de slang zal stof haar brood zijn; zij zullen niet boosdoen
en niet verderven in de ganse berg van Mijn heiligheid', (Jesaja 65:25). De wolf
staat, als eerder, voor hen die tegen de onschuld zijn, en het lam voor hen die
in de onschuld zijn. Omdat de wolf en het lam tegenovergestelden zijn, zei de
Heer ook tot de zeventig die Hij uitzond, bij Lukas: 'Ziet, Ik zend u als lammeren
in het midden van de wolven', (Lukas 10:3). Bij Mozes: 'Hij deed hem honing zuigen
uit de steenrots en olie uit de kei van de rots, boter van het grootvee, en melk
van het kleinvee, met het vet van de lammeren en de rammen, van de zonen van Bashan',
(Deuteronomium 32:13,14); daar wordt in de inwendige zin gehandeld over de hemelse
dingen van de Oude Kerk; het vet van de lammeren voor de naastenliefde van de
onschuld. In de oorspronkelijke taal worden lammeren door verschillende namen
uitgedrukt en daarmee de onderscheiden graden van de onschuld aangeduid. Want
in elk goede moet, zoals eerder gezegd, onschuld zijn, opdat dit het goede is,
en vandaar eveneens in het ware. Hier worden de lammeren uitgedrukt met een woord
waarmee ook de schapen worden uitgedrukt, (Leviticus 1:10; 3:7; 5:6; 17:3; 22:19;
Numeri 18:17). Hetgeen wordt aangeduid is de onschuld van het geloof, wat de naastenliefde
is. Met andere woorden elders, zoals bij Jesaja: 'Zend het lam van de heerser
van het land, van de rots naar de woestijn tot de berg van de dochter van Zion,
(Jesaja 16:1), nog een ander woord bij dezelfde: 'De Heer Jehovih komt in sterkte,
en Zijn arm zal voor Hem heersen, gelijk een herder zal Hij Zijn kudde weiden,
in Zijn arm zal Hij de lammeren verzamelen, en in Zijn schoot dragen, de zogenden
zal Hij leiden', (Jesaja 40:10). De lammeren in de arm verzamelen en in de schoot
dragen, staat voor hen die in de naastenliefde zijn waarin onschuld is. Bij Johannes:
'Toen Jezus Zich geopenbaard had, zei Hij tot Petrus: Simon Jona, hebt gij Mij
meer lief dan dezen? Hij zegt tot Hem: Ja Heer, gij weet dat ik U liefheb. Hij
zegt tot hem: Weid Mijn lammeren. Hij zegt wederom: Simon Jona, hebt gij Mij lief?
Hij zegt: Ja Heer, Gij weet dat ik U liefheb. Hij zegt tot hem: Weid Mijn schapen',
(Johannes 21:15,16); door Petrus wordt hier als elders het geloof aangeduid, (3750
en de voorreden tot hoofdstuk 18 en tot hoofdstuk 22 van Genesis). Omdat het geloof
niet het geloof is tenzij het is vanuit de naastenliefde jegens de naaste, en
zo vanuit de liefde tot de Heer, en ook de naastenliefde en de liefde niet de
naastenliefde en de liefde is tenzij vanuit de onschuld, is het daarom dat de
Heer eerst vraagt of hij Hem liefheeft, dat wil zeggen, of de liefde in het geloof
is, en daarna zegt: 'Weid Mijn lammeren', dat wil zeggen, hen die in de onschuld
zijn; en daarop na dezelfde vraag, zegt: 'Weid Mijn schapen', dat wil zeggen,
hen die in de naastenliefde zijn. Omdat de Heer de Onschuld zelf is die in Zijn
Rijk is, want uit Hem is het al van de onschuld, wordt de Heer vandaar het Lam
genoemd, zoals bij Johannes: 'Des anderen daags zag Johannes de Doper Jezus tot
hem komen, en hij zei: Zie, het Lam Gods dat de zonde van de wereld wegneemt',
(Johannes 1:29,36). In de Apocalyps: 'Met het Lam zullen zij strijden, maar het
Lam zal hen overwinnen, omdat het de Heer der heren is, en de Koning der koningen,
en die met Hem zijn, zijn de geroepenen en de uitverkorenen', (Apocalyps 17:14;
5:6; 6:1,16; 7:9, 14,17; 12:11; 13:8; 14:1,4; 19:7,9; 21:22,23,26,27; 22:1,3).
Dat het Paaslam in de hoogste zin de Heer is, is bekend, want het Pascha betekende
de verheerlijking van de Heer, dat wil zeggen, het aantrekken van het Goddelijke
ten aanzien van het Menselijke; en in de uitbeeldende zin betekent het de wederverwekking
van de mens, en het Paaslam betekent dat wat het wezenlijke van de wederverwekking
is, namelijk de onschuld. Want niemand kan wederverwekt worden dan alleen door
de naastenliefde waarin onschuld is. Omdat de onschuld het voornaamste is in het
Rijk van de Heer en dit daar het hemelse zelf is, en de slachtoffers en de brandoffers
de geestelijke en de hemelse dingen van het Rijk van de Heer uitbeeldden, werd
daarom het wezenlijke zelf van Zijn Rijk, hetgeen de onschuld is, door lammeren
uitgebeeld. Daarom vond er onophoudelijk en dagelijks het brandoffer met lammeren
plaats, een in de morgen en het andere 's avonds, (Exodus 29:37,38,39; Numeri
28:3,4; en het dubbele op de Sabbatdagen, (Numeri 28:9,10; en met nog meer lammeren
op de gezette feesten, (Leviticus 23:12; Numeri 28:11,17,19,27; 29:1 tot het einde).
Dat de vrouw die een kind had gebaard, nadat de dagen van de reiniging volbracht
waren, een lam als brandoffer zou offeren, en het jong van een duif, of een tortelduif,
(Leviticus 12:6), was opdat de uitwerking van de echtelijke liefde aangeduid zou
worden en de echtelijke liefde is de onschuld, (2736); en omdat door kleine kinderen
de onschuld wordt aangeduid. |
|
|
65 |
- Daar
de engelen mensen zijn
- en
onder elkaar leven,
- zoals
de mensen op aarde,
- hebben
zij ook klederen, woningen en veel dergelijks,
- slechts
met dit onderscheid,
- dat
alles volmaakter is,
- daar
zij in een meer volmaakte staat zijn.
Hemel
en Hel 177-182. DE
GEWADEN WAARMEE DE ENGELEN GEKLEED SCHIJNEN 177.
Daar de engelen mensen zijn en onder elkaar leven, zoals de mensen op aarde, hebben
zij ook klederen, woningen en veel dergelijks, slechts met dit onderscheid, dat
alles volmaakter is, daar zij in een meer volmaakte staat zijn; want zoals de
wijsheid van de engelen die van de mensen in zulk een mate overtreft, dat zij
onuitsprekelijk genoemd wordt, zo is het met alles wat bij de engelen waargenomen
en door hen gezien wordt, omdat dit alles met hun wijsheid overeenstemt; men zie
boven nr. 173. 178.
De klederen van de engelen zijn evenals het overige in overeenstemming en daar
zij overeenstemmen, bestaan zij ook werkelijk (zie nr. 175). Hun klederen stemmen
overeen met hun inzicht, zodat in de hemelen allen gekleed verschijnen volgens
hun inzicht en omdat de een de ander in inzicht overtreft (nr. 43 tot 128), daarom
heeft ook de een mooiere klederen dan de ander. De meest wijze hebben klederen
die als in vlammen schitteren; anderen, die als met licht schijnen; de minder
wijze hebben glinsterende en witte klederen, maar zonder grote glans en de nog
minder wijze hebben klederen van verschillende kleuren. De engelen van de binnenste
hemelen zijn echter ongekleed. 179.
Daar de klederen van de engelen overeenstemmen met hun inzicht, stemmen zij ook
overeen met de waarheid; want alle inzicht komt uit de Goddelijke waarheid, waarom
het dan hetzelfde is, of men zegt, de engelen zijn volgens hun inzicht of volgens
de Goddelijke waarheid gekleed. Dat de klederen van enigen als in vlammengloed
fonkelen en van anderen als in lichtglans schitteren, vindt zijn grond daarin
dat de vlam met het goede en het licht met het ware uit het goede overeenstemt.
Dat de klederen van enigen schitterend wit en dan weer mat wit zonder glans zijn
en bij anderen van verschillende kleur, komt doordat bij de minder wijzen het
Goddelijk goede en ware minder schittert en ook verschillend wordt opgenomen;
het schitterend witte en het mat witte stemt ook overeen met het ware en de kleuren
met haar verscheidenheden. Dat de engelen in de binnenste hemel naakt zijn, komt
doordat zij in de onschuld zijn en de onschuld met de naaktheid overeenstemt.
180.
Daar de engelen in de hemel met klederen bekleed zijn, verschijnen zij ook zo
wanneer zij op aarde gezien zijn, zoals die welke door de profeten, en ook die
welke bij het graf van de Heer gezien werden: wier aangezicht schitterende als
de bliksem, en hunne klederen waren schitterend en wit. (Mattheüs 28:3; Markus
16:5; Lucas 24:4; Johannes 20:11, 12, 13), en die welke Johannes in de hemel zag:
wier gewaden van fijn linnen en wit waren. (Apocalyps 4:4; 19: 11, 13) En daar
het inzicht uit het Goddelijk Ware komt, waren de gewaden van de Heer toen Hij
van gedaante veranderd werd, stralend en schitterend wit, gelijk het licht. (Mattheüs
17:2; Markus 9:3; Lucas 9:29) Dat licht het van de hemel uitgaande Goddelijk Ware
is, kan men boven zien in nr. 129; vandaar dat de klederen in het Woord de waarheden
en het inzicht daaruit betekenen, zoals bij Johannes: Die hunne gewaden niet bevlekt
hebben, zullen met mij wandelen in witte klederen, want zij zijn het u waard;
die overwint, zal gekleed worden in witte klederen. (Apocalyps 3:4, 5) Zalig die
waakt en zijne klederen bewaart. (Apocalyps 16: 15) En van Jeruzalem, waaronder
de kerk wordt verstaan die in het ware is, bij Jesaja: Waak op, trek uwe sterkte
aan, Sion, trek aan uw sierlijke klederen, Jeruzalem. (52:1) En bij Ezechiël:
Jeruzalem, ik omgordde U met fijn linnen, en hulde U in zijde, uw klederen waren
fijn linnen en zijde, (16: 1 0, 13) en zo op vele andere plaatsen. Van hem echter
die niet in de waarheden is, heet het dat hij niet met een bruiloftskleed is bekleed,
zoals bij Mattheüs: Nadat de Koning was binnen gekomen, zag Hij een mens, die
niet met een bruiloftskleed bedekt was, en zei tot hem: 'Vriend, hoe zijt gij
hier binnen gekomen, daar gij geen bruiloftskleed aan hebt?' daarom werd hij in
de buitenste duisternis uitgeworpen. (Mattheüs 22: 11-13) Onder het bruiloftshuis
wordt verstaan de hemel en de kerk door de verbinding van de Heer met hen door
Zijn Goddelijke waarheid, waarom de Heer in het Woord de bruidegom en man heet,
en de hemel met de kerk de bruid en vrouw. 181.
Dat de klederen van de engelen niet alleen klederen schijnen, maar werkelijke
klederen zijn, blijkt daaruit dat zij die niet alleen zien, maar ook door aanraking
voelen; dan ook daaruit, dat zij meerdere gewaden hebben, en die aan- en uittrekken,
en die, welke zij niet nodig hebben, bewaren, en ze weer aandoen wanneer zij ze
nodig hebben; dat zij van klederen verwisselen heb ik duizend maal gezien. Ik
vroeg vanwaar zij hun klederen hadden, en zij zeiden: van de Heer; en zij worden
daarmede begiftigd, en soms zonder dat zij het weten, daarmee bekleed. Zij zeiden
ook, dat hun klederen veranderen volgens hun staat; dat in de eerste en tweede
staat hun klederen glinsterend en wit schitterend zijn, dat zij in de derde en
vierde staat iets donkerder zijn, en ook dit volgens de overeenstemming, omdat
bij hen veranderingen van staat bestaan, wat betreft het inzicht en de wijsheid;
waarover men boven in nr. 154 tot 161 kan nazien. 182.
Omdat in de geestelijke wereld ieder klederen heeft in overeenstemming met zijn
inzicht, dus volgens de waarheden, waaruit het inzicht komt, verschijnen zij die
in de hel zijn, daar zij zonder waarheden zijn, weliswaar gekleed, maar met gescheurde,
vuile en lelijke klederen, ieder volgens de aard van zijn onzinnigheid; ook kunnen
zij geen andere klederen dragen: de Heer staat hun echter toe, zich te kleden,
opdat zij niet naakt zouden zijn. |  |
|
66 |
- De
instandhouding van iets
- is
een aaneenschakeling en vorm
- van
een voortdurende schepping.
Hemelse
Verborgenheden 4322. Wie
gelooft heden niet dat de mens door een natuurlijk proces ontstaat vanuit zaad
en een eitje, en dat van de eerste schepping af aan in het zaad een kracht is
om zich in zulke vormen voort te brengen; eerst binnen het eitje, daarna in de
baarmoeder, en daarop vanuit zich, en dat het daarna niet meer nodig is dat het
Goddelijke het verder voortleidt. De oorzaak dat men zo gelooft, is deze, dat
niemand weet dat er enige invloeiing is vanuit de hemel, dat wil zeggen, door
de hemel uit de Heer en dit, omdat men niet wil weten dat er een hemel is. Want
de geleerden bespreken onder elkaar in hun binnenkamers openlijk de vraag of er
wel een hel is, dus of er wel een hemel is; en omdat ze aan een hemel twijfelen,
kunnen ze daarom ook niet als beginsel aannemen, dat er een invloeiing is door
de hemel uit de Heer. Toch brengt die invloeiing alle dingen voort die in de drie
rijken van de aarde zijn, vooral die van het animale rijk, en in het bijzonder
in de mens, en houdt de vorm samen overeenkomstig de nutten. Vandaar kunnen ze
evenmin weten dat er enige overeenstemming is tussen de hemel en de mens, te minder
dat die zodanig is dat de afzonderlijke, ja de meest afzonderlijke dingen bij
hen daaruit ontstaan en ook daaruit blijven bestaan, want blijven bestaan is een
voortdurend ontstaan. Daardoor is de instandhouding van iets een aaneenschakeling
en vorm van een voortdurende schepping. |  |
|
67 |
- De
engelen weten niet wat tijd is,
- ofschoon
alles bij hen trapsgewijze voortgaat
- evenals
op aarde
- en
wel zonder enig onderscheid.
Hemel
en Hel 162-169. OVER
DE TIJD IN DE HEMEL 162.
Ofschoon ook in de hemel alles, evenals op aarde, wisselt en voortgaat, hebben
de engelen toch geen begrip of voorstelling van tijd en ruimte; het is zelfs zo,
dat zij volstrekt niet weten wat tijd en ruimte is. Over de tijd in de hemel zal
nu worden gesproken en over de ruimte later in een afzonderlijk hoofdstuk. 163.
Dat de engelen niet weten wat tijd is, ofschoon alles bij hen trapsgewijze voortgaat
evenals op aarde en wel zonder enig onderscheid, heeft daarin zijn oorzaak, dat
er in de hemel geen jaren en dagen, maar wel veranderingen van staat bestaan;
en daar waar jaren en dagen bestaan, zijn ook tijden, maar waar veranderingen
van staat bestaan, zijn staten. 164.
Op aarde bestaan tijden, omdat de zon hier schijnbaar van graad tot graad voortgaat
en tijden maakt, die men jaargetijden noemt, en zij bovendien om de aarde loopt
en tijden maakt, die men etmalen noemt en zowel de jaargetijden als de dag in
vaststaande wisseling. Anders is het met de Zon van de hemel; deze maakt niet
door regelmatige voortbewegingen en omdraaiingen jaren en dagen, maar zij maakt
schijnbaar veranderingen van staat, en ook deze niet in vast bepaalde wisseling,
zoals dit in het vorige hoofdstuk werd aangetoond. Vandaar, dat engelen hoegenaamd
geen voorstelling van tijd kunnen hebben, maar in plaats daarvan slechts van de
staat (zie nr. 154). 165.
Daar de engelen geen voorstelling hebben die aan tijd ontleend zijn zoals de mensen
op aarde, hebben zij ook geen begrip van tijd en wat daartoe behoort. Zij weten
niets van tijdsbepalingen, zoals jaar, maand, week, dag, uur, heden, morgen en
gisteren. Wanneer de engelen zoiets van de mens horen (want steeds zijn engelen
door de Heer bij de mens gevoegd) dan ontwaren zij in plaats daarvan staten en
wat daarbij behoort. Zo wordt het natuurlijke begrip van de mens bij de engelen
in een geestelijk begrip veranderd. Vandaar dat tijden in het Woord staten betekenen
en tijdsbepalingen, zoals de bovengenoemde, de daarmee overeenstemmende geestelijke
dingen. 166.
Zo is het ook met alles wat door de tijd bestaat, zoals bijvoorbeeld bij de vier
jaargetijden, die men lente, zomer, herfst en winter noemt, en bij de vier dagdelen,
die morgen, middag, avond en nacht heten; ook bij de vier mensenleeftijden, die
kindsheid, jeugd, volwassenheid en ouderdom worden genoemd en zo bij het overige,
dat óf door de tijd ontstaat óf een opvolging van tijden heeft. Wanneer de mens
aan die dingen denkt, denkt hij volgens de tijd, maar de engel volgens de staat;
daarom wordt hetgeen deze dingen bij de mens van de tijd in zich sluit bij de
engelen in het begrip van staat veranderd. Lente en morgen worden veranderd in
een denkbeeld, omtrent liefde en wijsheid, zoals die in de eerste staat bij de
engelen zijn. Zomer en middag veranderen in een begrip van liefde en wijsheid,
zoals die in de tweede staat zijn. Herfst en avond, zoals zij in de derde staat
zijn. Nacht en winter in het begrip van de staat, zoals die in de hel is; vandaar
dat dergelijke dingen door tijden in het woord worden bedoeld; men zie boven nr.
155, waaruit blijkt op welke wijze de natuurlijke dingen in de gedachten van de
mens, bij de engelen, die zich bij hem bevinden, geestelijk worden overgebracht.
167.
Daar de engelen geen begrip van tijd hebben, hebben zij ook een ander denkbeeld
van de eeuwigheid dan de mensen op aarde. Onder eeuwigheid verstaan zij een eindeloze
staat, maar geen eindeloze tijd. Ik dacht eens over de eeuwigheid na en door middel
van het tijdsbegrip kon ik wel begrijpen wat in Eeuwigheid zou zijn, namelijk
het eindeloze, maar niet wat het van Eeuwigheid was, dus ook niet, wat God voor
de Schepping van Eeuwigheid af gedaan had. Toen ik hierdoor in mijn geest beangstigd
werd, werd ik in de sferen van de hemel opgeheven en kwam zodoende in de bevatting,
waarin de engelen omtrent de eeuwigheid zijn, waardoor mij toen door verlichting
helder werd, dat men over de eeuwigheid niet volgens de tijd mag denken, maar
wel volgens de staat en dat dan begrepen wordt, wat het van Eeuwigheid is, zoals
dit ook mij gebeurde. 168.
Engelen die met mensen spreken, spreken nooit door middel van natuurlijke begrippen
die de mens eigen zijn en die alle van tijd, ruimte en stof en van daarmede overeenkomende
dingen afgeleid zijn, maar door geestelijke begrippen, die alle aan staten en
de vele veranderingen daarvan in en buiten de engelen ontleend worden. En toch
worden de begrippen van de engelen, die geestelijk zijn, zodra zij bij de mens
invloeien, op het ogenblik en vanzelf in natuurlijke, de mens eigene begrippen
veranderd, die volkomen met de geestelijke overeenstemmen. Dat het zo geschiedt
weten de engelen en ook de mensen niet, maar zo is alle invloeiing van de hemel
bij de mens. Er waren engelen, die nader in mijn gedachten worden toegelaten en
zelfs in mijn natuurlijke gedachten, waarin veel was, dat met tijd en plaats in
verband stond, maar omdat zij toen niets begrepen, traden zij snel terug en nadat
zij waren teruggetreden, hoorde ik ze spreken en zeggen, dat zij in de duisternis
waren geweest. Het wordt mij gegeven door ervaring te leren, hoe groot de onwetendheid
van de engelen, betreffende tijd is. Er was iemand uit de hemel, die in staat
was ook in natuurlijke begrippen, zoals de mens die heeft, te worden ingeleid;
met hem sprak ik daarom later als de ene mens met de andere. In het begin wist
hij niet, wat het was, hetgeen ik tijd noemde, waarom ik hem volledig onderrichten
moest, hoe de Zon zich schijnbaar om de aarde wentelde en jaar en dag maakte,
en dat daardoor de jaren in vier tijden en ook in maanden en weken ingedeeld werden
en de dagen in vierentwintig uren en dat deze tijden in vaststaande orde terugkeren
en alzo de tijden ontstaan. Toen hij dit hoorde was hij zeer verbaasd en zei,
dat hij daarvan niets geweten had en slechts wist wat staten waren. Gedurende
het gesprek met hem zei ik ook, dat men op aarde wist, dat er in de hemel geen
tijd bestond, want de mensen spreken alsof zij het weten; zij zeggen namelijk
van hen, die sterven, dat zij het tijdelijke verlaten hebben en dat zij uit de
tijd gaan, waaronder zij verstaan uit de wereld. Ik zei ook dat er waren die wel
wisten dat de tijden oorspronkelijk staten zijn, namelijk daaruit, dat zij geheel
overeenstemmen met de neigingen, waarin zij verkeren, kort voor hen, die in vreugde
en innig genot, lang voor hen, die in afkeer en treurigheid zijn, en afwisselend
in de staat van hoop en verwachting, en dat derhalve de geleerden onderzoeken
wat tijd en ruimte is en dat zelfs enigen weten dat de tijd slechts voor de natuurlijke
mens bestaat. 169.
De natuurlijke mens mag geloven, dat hij geen gedachten zou hebben, indien de
begrippen van tijd, ruimte en stoffelijke dingen hem werden ontnomen, want daarop
steunen alle gedachten, die de mens heeft; maar laat hem weten, dat de gedachten
in zoverre beperkt en begrensd worden, als zij iets van tijd, ruimte en stof in
zich hebben, en dat zij onbegrensd en onbeperkt zijn, in zoverre als zij daarvan
niets in zich hebben, daar de geest zover boven de stoffelijke en wereldse dingen
verheven is. Daardoor krijgen de engelen wijsheid en zulk een wijsheid, dat zij
onbegrijpelijk wordt genoemd, daar zij niet valt in de begrippen, die alleen uit
wereldse dingen bestaan. |  |
|
68 |
- De
mens die godsdienst heeft,
- is
in de rechtszaken als een tribuun,
- die
op een edel paard rijdt;
- doch
de mens die geen godsdienst heeft,
- is
in deze dingen als een slang in de woestijn van Arabië,
- die
met de bek in haar eigen staart bijt,
- en
zich kronkelend op een paard werpt
- om
de ruiter te omstrengelen.
Goddelijke
Wijsheid 40. Wie
kan ontkennen, dat het heelal geschapen is ter wille van het menselijk geslacht,
opdat daaruit een engelenhemel zou worden geformeerd, waarin God zou kunnen wonen
in de heerschappij van Zijn Heerlijkheid? Welke bemiddelende oorzaak, die dit
einddoel bewerkstelligt, is er anders dan de godsdienst? En wat is godsdienst
anders dan wandelen met God? En de godsdienst is als een zaad hetwelk gerechte
en ware verlangens voortbrengt, en vandaar oordelen en daden, in geestelijke dingen,
en door deze in zedelijke dingen, en door deze beide in burgerlijke dingen. Opdat
men dus zal weten, hoedanig de mens is die godsdienst heeft, en hoedanig hij is
die geen godsdienst heeft, zal het gezegd worden. De mens die godsdienst heeft,
is in de geestelijke dingen als een pelikaan, die zijn jongen met zijn bloed voedt;
de mens echter die geen godsdienst heeft, is in deze dingen als een gier, die
in hongersnood zijn eigen kroost verslindt. De mens die godsdienst heeft, is in
de zedelijke dingen als een tortelduif in het nest met zijn wijfje op haar eieren
of jongen; de mens echter die geen godsdienst heeft, is in deze dingen als een
wouw of een havik in het hok van een duiventil. De mens die godsdienst heeft,
is in de politieke dingen als een zwaan, die vliegt met een druiventros in de
bek; doch de mens die geen godsdienst heeft, is in deze dingen als een basilisk
met een vergiftigd kruid in de bek. De mens die godsdienst heeft, is in de rechtszaken
als een tribuun, die op een edel paard rijdt; doch de mens die geen godsdienst
heeft, is in deze dingen als een slang in de woestijn van Arabië, die met de bek
in haar eigen staart bijt, en zich kronkelend op een paard werpt om de ruiter
te omstrengelen. De mens die godsdienst heeft, is in de overige burgerlijke dingen
als een prins, de zoon van een koning, die de tekenen van de naastenliefde en
de bevalligheden van de waarheid ten toon spreidt; doch de mens die geen godsdienst
heeft, is als de driekoppige hond Cerberus in de ingang tot het hof van Pluto,
welke uit zijn drievoudige bek giftig akoniet spuwt. \ |  |
|
69 |
- In
de hemel zijn net als op aarde vier windstreken,
- het
oosten, het zuiden, het westen en het noorden.
Hemel
en Hel 141-153 DE
WINDSTREKEN IN DE HEMEL 141.
In de hemel zijn net als op aarde vier windstreken, het oosten, het zuiden, het
westen en het noorden, die in beide werelden door hun zon worden bepaald; in de
hemel door de Zon van de hemel, die de Heer is, en op de aarde door de zon van
de aarde; en toch is er een groot onderscheid. In de eerste plaats noemt men op
aarde het zuiden waar de zon op haar grootste hoogte boven de aarde is; het noorden
waar zij in het tegenovergestelde punt beneden de aarde staat; het oosten waar
zij tijdens de dageraad opgaat en het westen waar zij ondergaat; zo worden op
aarde alle windstreken door het zuiden bepaald. In de hemel daarentegen heet de
richting waar de Heer als Zon verschijnt het oosten, daar tegenover is het westen,
ter rechterzijde is het zuiden en ter linkerzijde is daar het noorden en dit bij
elke wending van het gelaat en het lichaam; zo worden de windstreken in de hemel
door het oosten bepaald. Dat de plaats waar de Heer als Zon gezien wordt het oosten
(oriënt) wordt genoemd, komt omdat alle oorsprong (origo) van het leven van Hem
als Zon is. En inderdaad, naarmate bij de engelen warmte en licht of liefde en
inzicht van Hem worden opgenomen, in zoverre heet het: de Heer gaat op (exoriri)
bij hen; daardoor komt het ook dat de Heer in het Woord het Oosten (Oriens) heet.
142.
Het tweede onderscheid is dat de engelen het oosten steeds vóór het gelaat hebben,
achter de rug het westen, rechts het zuiden en links het noorden. Omdat dit echter
op aarde moeilijk te begrijpen is, omdat de mens zijn aangezicht naar elke windstreek
kan wenden, zal het verklaard worden. De gehele hemel wendt zich naar de Heer
als het gemeenschappelijk middelpunt; bijgevolg keren alle engelen zich daarheen.
Dat ook op aarde elke richting naar het gemeenschappelijke middelpunt is gewend,
is bekend. De richting in de hemel verschilt echter daarin van de richting op
aarde, dat in de hemel de voorste delen van het lichaam zich naar het gemeenschappelijke
middelpunt wenden, terwijl dit op aarde de onderste delen doen. Deze richting
op aarde noemt men middelpuntzoekende kracht of ook zwaartekracht. Het innerlijk
van de engelen is ook werkelijk naar voren gekeerd, en daar het innerlijk zich
in het gelaat vertoont, worden door het gelaat de windstreken bepaald. 143.
Dat de engelen het oosten voor zich hebben bij elke wending van hun gelaat of
van hun lichaam, kan op aarde nog minder begrepen worden, omdat de mens elke windstreek
voor zijn gelaat heeft, al naar gelang hij zich gewend heeft; daarom zal ook dit
verklaard worden. De engelen wenden en draaien hun aangezichten en hun lichamen
op dezelfde wijze als waarop de mensen dat doen, en toch is bij hen het oosten
steeds voor het oog. Maar de wendingen van de engelen zijn niet zoals die van
de mensen, want zij zijn van een andere oorsprong; ze schijnen wel als van dezelfde
soort maar toch zijn ze niet gelijk. De heersende liefde is de oorsprong; uit
haar ontspringen alle bepalingen van richting; zowel bij de engelen als bij de
geesten is hun innerlijk werkelijk naar hun gemeenschappelijk middelpunt gewend,
dus in de hemel naar de Heer als Zon. Omdat hun liefde steeds voor hun innerlijk
is, en hun gelaat zich uit hun innerlijk vormt, want het is de uiterlijke vorm
daarvan, hebben zij altijd hun heersende liefde voor het aangezicht. In de hemel
dus is het de Heer als Zon, omdat Hij het is van wie zij de liefde hebben; en
daar de Heer zelf in Zijn liefde bij de engelen is, is het de Heer die maakt dat
zij naar hem zien, waarheen zij zich ook wenden. Dit kan hier nu niet verder worden
verduidelijkt, maar in de volgende hoofdstukken, waar over de uitbeeldende dingen
en schijnbaarheden en over tijd en ruimte in de hemel wordt gehandeld, zal het
meer begrijpelijk worden gemaakt. Het werd mij gegeven door veel ervaring en door
eigen waarneming te weten, dat de engelen de Heer bestendig voor hun gelaat hebben,
want zo dikwijls als ik met engelen verkeerde, werd ook de tegenwoordigheid van
de Heer voor mijn aangezicht waargenomen; ofschoon niet zichtbaar, werd Hij toch
in het licht bemerkt; dat dit zo is bevestigden de engelen meerdere malen. Daar
de Heer voortdurend voor het gelaat van de engelen is, wordt ook op aarde gezegd:
men moet God voor ogen en voor het gelaat hebben, en op Hem zien; en dat degenen
die in Hem geloven en Hem liefhebben, Hem zien. Dat de mens zo spreekt, vindt
zijn oorsprong in de geestelijke wereld, want daaruit is veel dat in de menselijke
spraak is, ofschoon de mens niet weet dat het daaruit ontstaat. 144.
Dat er zulke wending tot de Heer plaatsvindt, behoort tot de wonderlijke dingen
van de hemel, want daar kunnen velen op dezelfde plaats zijn en terwijl de een
zijn gelaat en lichaam naar een andere zijde wendt dan de ander, zien zij toch
allen de Heer voor zich. Iedereen heeft aan zijn rechterzijde het zuiden en aan
zijn linkerzijde het noorden en achter zich het westen. Tot de wonderlijke dingen
behoort ook dat, ofschoon de blik van de engelen altijd naar het oosten is, zij
toch ook een blik naar de overige drie windstreken hebben; maar zij hebben een
blik daarop uit hun innerlijke zien dat tot het denken behoort. Een ander wonderlijk
ding is dat het nooit iemand in de hemel geoorloofd is achter een ander te staan
en in de richting van zijn achterhoofd te zien, want dan wordt de invloeiing van
het goede en het ware van de Heer verstoord. 145.
De engelen zien de Heer op een andere wijze dan de Heer hen ziet. De engelen zien
de Heer door de ogen, maar de Heer ziet de engelen in het voorhoofd; de reden
hiervan is dat het voorhoofd overeenstemt met de liefde en de Heer door de liefde
in hun wil invloeit en maakt dat men Hem door het verstand, dat met de ogen overeenstemt,
ziet. 146.
De streken in de hemelen die het hemelse rijk van de Heer uitmaken, verschillen
van de streken in de hemelen die Zijn geestelijke rijk vormen, en wel omdat de
Heer voor de engelen die in Zijn hemels rijk zijn als Zon verschijnt, en voor
de engelen die in Zijn geestelijke rijk zijn als Maan; terwijl het oosten daar
is waar de Heer verschijnt. De afstand tussen de Zon en Maan bedraagt daar dertig
graden, bijgevolg is er eenzelfde afstand tussen dezelfde windstreken van de
twee rijken. Dat de hemel in twee rijken is verdeeld, die het hemelse en het geestelijke
rijk heten, kan men in de desbetreffende hoofdstukken (nr. 20-28) zien, en dat
de Heer in het hemelse rijk als Zon en in het geestelijke rijk als Maan verschijnt
ziet men in nr. 118. Toch worden de windstreken daarom niet onbepaald, daar de
geestelijke engelen niet tot de hemelse engelen kunnen opstijgen en deze evenmin
tot hen kunnen neerdalen. (zie nr. 35) 147.
Hieruit blijkt hoe de tegenwoordigheid van de Heer in de hemelen is, namelijk
dat Hij overal is en bij iedereen in het goede en het ware dat van Hem uitgaat;
dat Hij dus in het Zijne bij de engelen is, zoals boven in nr. 12 werd gezegd.
Het ontwaren van de tegenwoordigheid van de Heer is in hun innerlijk; daaruit
zien de ogen. Aldus zien zij Hem buiten zichzelf, daar er een voortduring is van
hetgeen innerlijk is met hetgeen uitwendig is. Hieruit kan men opmaken hoe het
verstaan moet worden dat de Heer in hen is en zij in de Heer, volgens de woorden
van de Heer: Blijft in Mij en Ik in u, (Johannes 15:4); ... die Mijn vlees eet
en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. (Johannes 6:56) Het vlees van
de Heer betekent het Goddelijk-goede en Zijn bloed het Goddelijk-ware. 148.
In de hemelen wonen allen gescheiden volgens de windstreken. In het oosten en
westen wonen zij die in het goede van de liefde zijn; in het oosten zij die een
heldere opvatting daarvan hebben, en in het westen zij die een duistere opvatting
daarvan hebben. In het zuiden en noorden wonen zij die in de wijsheid van dat
goede der liefde zijn; in het zuiden zij die in het heldere licht van de wijsheid
zijn, en in het noorden zij die in een duister licht van de wijsheid zijn. De
engelen, zowel in het geestelijke als in het hemelse rijk van de Heer, wonen in
dezelfde orde, slechts met een verschil naar het goede van de liefde en naar het
licht van het ware uit dat goede; want de liefde in het hemelse rijk is de liefde
tot de Heer en het licht van het ware daaruit is wijsheid. In het geestelijke
rijk is zij echter de liefde tot de naasten, hetgeen naastenliefde (charitas)
wordt genoemd, en het licht van het ware daaruit is het inzicht, hetgeen ook geloof
genoemd wordt (zie nr. 23). Zij worden eveneens naar de windstreken onderscheiden,
want de windstreken staan in het ene en het andere rijk dertig graden van elkaar
(zie nr. 146). 149.
Op gelijke wijze wonen de engelen onder elkaar in elk hemels gezelschap. In het
oosten wonen zij die zich in een hogere graad van liefde en naastenliefde bevinden;
in het westen zij die in een mindere graad zijn; in het zuiden zij die in het
grotere licht van wijsheid en inzicht zijn; in het noorden zij die in een zwakker
licht zijn. Zij wonen zo gescheiden omdat elk gezelschap de hemel voorstelt en
ook een hemel in kleinere vorm is. (zie nr. 51-58) Hetzelfde geschiedt bij hun
vergaderingen. Zij worden in deze volgorde gebracht door de vorm van de hemel,
krachtens welke iedereen zijn plaats kent. Ook wordt er door de Heer voor gezorgd
dat er in elk gezelschap engelen van iedere soort zijn, opdat de hemel wat zijn
vorm betreft overal gelijk is. Toch verschilt de regeling van de gehele hemel
van de regeling van een gezelschap, zoals het algemene verschilt van het bijzondere;
want de gezelschappen die in het oosten zijn, overtreffen de gezelschappen die
in het westen zijn; en die in het zuiden zijn overtreffen die welke in het noorden
zijn. 150.
Vandaar dat de streken in de hemel datgene betekenen, wat is bij hen die daarin
wonen; namelijk het oosten, de liefde en het goede van de liefde in een helder
begrip; het westen juist hetzelfde maar in een duistere bevatting; het zuiden,
de wijsheid en het inzicht in een helder licht; en in het noorden hetzelfde in
een duister licht. En daar de windstreken in de hemelen een dergelijke betekenis
hebben, wordt door deze hetzelfde aangeduid in de innerlijke of geestelijke zin
van het Woord; want de innerlijke of geestelijke zin van het Woord is geheel overeenstemmend
met hetgeen in de hemel is. 151.
Het tegenovergestelde vindt plaats bij hen die in de hel zijn. Zij die daarin
zijn, zien niet tot de Heer als Zon of Maan maar zij zien rugwaarts van de Heer
af op het donkere dat de zon van de wereld is, en op het duistere van de maan
van de wereld. Zij die boze geesten (genii) heten, zien op het donkere van de
zon van de wereld, en zij die geesten heten op het duistere dat op de plaats
van de maan in de wereld is. Dat de aardse zon en maan niet in de geestelijke
wereld schijnen, maar in plaats daarvan iets donkers dat tegenovergesteld is
aan de hemelse Zon, en dat in plaats van de maan er iets duisters is wat tegenovergesteld
is aan de hemelse Maan, kan men zien in nr. 122. In de hel zijn bijgevolg de streken
tegenovergesteld aan de hemel: het oosten bij hen waar dat donkere en duistere
is; het westen waar de hemelse Zon is; het zuiden aan de rechter - en het noorden
aan de linkerzijde, en dit bij iedere wending van hun lichaam. Zij kunnen zich
ook niet anders richten, omdat elke richting van het innerlijk en elke bepaling
die er uit volgt, met kracht naar die zijde worden gewend en gevoerd. De richting
van het innerlijk, en bijgevolg de werkelijke bepaling van allen die in het andere
leven zijn, is volgens hun liefde. (zie nr. 143) De liefde van hen die in de hel
zijn is de eigenliefde en de liefde tot de wereld, en deze soorten liefde zijn
het die door de zon en de maan van de wereld worden aangeduid. (zie nr. 122) Deze
soorten liefde zijn ook tegenovergesteld aan de liefde tot de Heer en de naastenliefde;
daardoor komt het dat zij zich van de Heer afwenden naar die duisternis en schaduw.
Ook wonen zij die in de hellen zijn volgens hun streken; zij die in het kwade
uit de eigenliefde zijn, van het oosten tot het westen; zij die in het valse van
het kwade zijn, van het zuiden tot het noorden; maar hierover zal meer gezegd
worden in het gedeelte over de hel. 152.
Komt een kwade geest onder de goede geesten, dan worden de windstreken gewoonlijk
zo verward, dat de goeden nauwelijks weten waar hun oosten is. Dit heb ik inderdaad
enige malen waargenomen, en ook van geesten gehoord die zich daarover beklaagden.
153.
Kwade geesten verschijnen soms als naar hemelse streken gekeerd en hebben dan
inzicht en begrip van het ware, maar geen genegenheid voor het goede. En zodra
zij zich verder naar hun eigen streken terugwenden, zijn zij zonder inzicht en
begrip van het ware, en zeggen dan dat de waarheden die zij gehoord en begrepen
hebben niet waar zijn, maar vals en wensen het valse waar te zijn. Mij werd omtrent
deze verandering onderricht dat bij de bozen het begrip (intellectuale) zo kan
worden gewijzigd, maar niet de wil (voluntarium), en dat dit door de Heer zo is
voorzien, opdat iedereen de waarheden zou kunnen zien en erkennen, maar dat niemand
ze zal ontvangen dan wanneer hij in het goede is, daar alleen het goede en nooit
het kwade de waarheden opneemt. Evenzo is het bij de mens, opdat hij door de waarheden
zou kunnen worden verbeterd; hij wordt echter niet verder verbeterd dan voor
zoverre hij in het goede is, en daardoor komt het dat de mens op gelijke wijze
naar de Heer kan worden gewend. Is hij echter naar zijn leven in het kwade, dan
wendt hij zich aanstonds van de Heer af en versterkt zich in het valse van zijn
boosheid in tegenstelling met de waarheden die hij begrepen en gezien had; en
dit geschiedt bij hem wanneer hij bij zich volgens zijn innerlijk denkt. |  |
|
70 |
- Alle
dingen van de gedachte
-
vloeien in van binnen
- en
dus niet van buiten,
- hoewel
het zo schijnt.
Hemelse
Verborgenheden 3219.
Wanneer de engelen in gesprek zijn over gedachten en voorstellingen en over de
invloeiing, verschijnen in de wereld der geesten als het ware vogels, gevormd
overeenkomstig het onderwerp van hun gesprek. Dit is de reden waarom de vogels
in het Woord de redelijke dingen betekenen of die dingen die tot de gedachte behoren,
zie: (40, 745, 776, 991). Eens zag ik enkele vogels, een was duister en wanstaltig,
maar twee andere edel en mooi, en toen ik ze zag, zie, daar stormden enige geesten
in mij binnen met zulk een hevigheid, dat ze in mijn zenuwen en beenderen een
siddering teweeg brachten. Ik was van mening, dat boze geesten toen, als herhaaldelijk
eerder, in mij binnendrongen, in een poging om mij te verderven; maar dat was
niet zo. Toen de siddering ophield en ook de beweging van de geesten die mij bestormden,
sprak ik met hen en vroeg, wat er toch aan de hand was. Ze zeiden dat ze neergevallen
waren uit een zeker gezelschap van engelen, waarin gesproken werd over de gedachten
en de invloeiing, en dat zij van mening waren, dat de dingen die tot de gedachte
behoren, van buiten invloeien, te weten, door middel van de uiterlijke zinnen,
overeenkomstig de schijn. Maar de hemelse gezelschappen waarin ze zich bevonden,
waren van mening, dat ze van binnen invloeien; en dat ze, terwijl ze in het valse
waren, van daar waren neergevallen; niet dat zij neergeworpen waren, want de engelen
werpen niemand van zich neer, maar aangezien zij in valsheid waren, vielen ze
uit zichzelf van daar neer en dit was de oorzaak. Hierdoor werd mij te weten gegeven
dat het gesprek in de hemel over de gedachten en de invloed door vogels werd uitgebeeld,
en het gesprek van degenen die in het valse zijn, door duistere en wanstaltige
vogels; maar het gesprek van degenen die in het ware zijn, door edele en mooie
vogels. Tevens werd ik daarin onderricht, dat alle dingen van de gedachte van
binnen invloeien en dus niet van buiten, hoewel het zo schijnt. Er werd gezegd
dat het tegen de orde is dat het latere invloeit in het eerdere, of het grovere
in het fijnere, dus dat het lichaam invloeit in de ziel. |  |
|
71 |
- De
Heer heeft verborgenheden onthuld,
- die
in voortreffelijkheid
- de
van het begin van de Kerk
- tot
nu toe onthulde verborgenheden
-
te boven gaan.
Ware Christelijke Religie 846-851. Eens
werd ik naar de geest in een engelenhemel gevoerd in een gezelschap daar. Enigen
van de wijzen daar kwamen op mij toe en zeiden: ‘Wat voor nieuws brengt u van
de aarde?’ Ik zei tegen hen: ‘Dit is nieuw, dat de Heer verborgenheden heeft onthuld,
die in voortreffelijkheid de van het begin van de Kerk tot nu toe onthulde verborgenheden
te boven gaan.’ Ze vroegen welke dat dan waren en ik antwoordde: ‘Het zijn de
volgende: - 1.
Er is in alle en de afzonderlijke dingen in het Woord een geestelijke zin, die
met de natuurlijke zin overeenstemt. Het Woord is door die zin de verbinding van
de mensen van de Kerk met de Heer en ook de vergezelschapping met de engelen.
De heiligheid van het Woord zetelt in die zin.
- 2.
De overeenstemmingen waaruit de geestelijke zin bestaat, zijn onthuld.’ De engelen
vroegen of de bewoners van de aarde tevoren niet van overeenstemmingen hadden
geweten. Ik zei daarop: ‘Hoegenaamd niets en ze zijn nu reeds duizenden jaren,
namelijk van de tijd van Job aan, verborgen geweest. Maar bij hen die in die tijd
en vóór die tijd leefden, was de wetenschap van de overeenstemmingen de wetenschap
der wetenschappen, waarvandaan zij hun wijsheid hadden. Ze hadden daardoor kennis
van de geestelijke dingen die tot de hemel en de Kerk behoren. Maar deze wetenschap
is, aangezien die in afgoderij werd veranderd, door de voorzienigheid van de Heer
dermate in vergetelheid geraakt en verloren gegaan, dat niemand er ook maar het
minste teken van zag. Nu is zij echter uit de Heer onthuld, opdat er een verbinding
kan zijn van de mensen van de Kerk met Hem en vergezelschapping met de engelen.
Dit vindt plaats door het Woord, waarin alle en de afzonderlijke dingen overeenstemmingen
zijn.’ De engelen verheugden zich zeer daarover dat het de Heer behaagd had deze
grote verborgenheid, die duizenden jaren lang zo diep verborgen had gelegen, te
onthullen; en ze zeiden dat dit gebeurd was ter wille van dit einddoel; dat de
christelijke Kerk, die op het Woord gegrondvest is, en nu aan haar einde is, opnieuw
herleeft en door de hemel uit de Heer, leven trekt. Ze vroegen of door middel
van deze wetenschap nu ontdekt is wat de Doop en wat het heilig Avondmaal betekenen,
waarover men tot dusver zulke uiteenlopende gedachten heeft gekoesterd. Ik antwoordde
dat het onthuld was.
- 3.
Verder zei ik dat heden uit de Heer een openbaring is gegeven aangaande ‘het leven
van de mens na de dood’. De engelen zeiden: ‘Wat aangaande het leven na de dood?
Wie weet niet dat de mens na de dood leeft?’ Ik antwoordde: ‘Men weet het en men
weet het niet. Men zegt dat het niet de mens is, maar zijn ziel en dat deze als
een geest leeft. Ten aanzien van de geest koesteren zij een voorstelling als van
wind of ether, en men zegt dat een mens niet eerder als mens leeft dan na de dag
van het Laatste Oordeel. En dat dan de lichamelijke dingen die men in de wereld
heeft achtergelaten, hoewel ze door de wormen, de muizen en de vissen zijn verteerd,
weer verzameld worden en opnieuw tot een lichaam samengevoegd worden, en dat de
mensen op deze wijze weer zullen opstaan.’ De engelen zeiden: ‘Wat is dit? Wie
weet niet dat de mens als mens na de dood leeft, met alleen dit verschil dat hij
dan als substantieel mens leeft en niet als een materieel mens als tevoren. En
dat de substantiële mens de substantiële mens ziet, evenzeer als de materiële
mens de materiële mens ziet, en dat men geen enkel verschil weet, dan alleen dit,
dat men in een volmaakter staat is.’
- 4.
De engelen vroegen: ‘Wat weet men over onze wereld en over de hemel en de hel?’
Ik antwoordde dat men daar niets van wist, maar dat heden uit de Heer onthuld
is, van welke aard de wereld is waarin de engelen en de geesten leven, dus van
welke aard de hemel en de hel zijn. Verder ook dat de engelen en de geesten in
verbinding zijn met de mensen en nog vele andere wonderbaarlijke dingen. De engelen
waren verheugd dat het de Heer behaagd had dergelijke dingen te openbaren, opdat
de mens niet langer uit onwetendheid in het onzekere hoeft te zijn aangaande zijn
onsterfelijkheid.
- 5.
Verder zei ik: ‘Het is heden uit de Heer onthuld dat er in uw wereld een andere
Zon is dan in de onze. De Zon in uw wereld is louter liefde en de zon in onze
wereld is louter vuur. Daarom, al wat uitgaat van uw Zon, omdat zij louter liefde
is, heeft deel aan het leven; en dat al, wat uitgaat van onze zon, omdat die louter
vuur is, heeft niet deel aan het leven.Daarvandaan is het onderscheid tussen het
geestelijke en het natuurlijke, welk onderscheid, dat tot nog toe onbekend was,
eveneens ontdekt is.Vanuit deze dingen is het bekend geworden vanwaar het Licht
komt dat het menselijk verstand verlicht en vanwaar de Warmte komt die de menselijke
wil met liefde ontsteekt.’
- 6.
‘Bovendien is onthuld dat er drie graden van leven zijn en dat er vandaar drie
hemelen zijn. Het gemoed van de mens is in deze drie graden verdeeld, vandaar
stemt de mens met deze drie hemelen overeen.’ De engelen zeiden: ‘Wist men dat
niet tevoren?’ Ik antwoordde dat men wist van graden tussen het meer en het minder,
maar niets over de graden tussen het eerdere en het latere.
- 7.
De engelen vroegen of er behalve deze nog andere dingen onthuld waren. Ik zei
dat er nog verschillende andere dingen waren onthuld, namelijk over het Laatste
Oordeel, over de Heer, dat Hij de God van hemel en aarde is; dat God één is zowel
in persoon als in wezen, in wie de Heilige Drievuldigheid is en dat deze de Heer
is. Voorts aangaande de Nieuwe Kerk, die uit Hem moet worden opgericht en over
de leer van deze Kerk. Over de heiligheid van de Heilige Schrift, en ook dat de
Openbaring is opengelegd. Bovendien over de bewoners van de planeten en over de
wereldbollen in het heelal. En nog vele andere gedenkwaardigheden en wonderbaarlijke
dingen uit de geestelijke wereld, waardoor tal van dingen die tot de wijsheid
behoren uit de Hemel zijn bekend gemaakt.
847.
Hierna sprak ik met de engelen daarover dat er uit de Heer nog iets anders in
de wereld onthuld is, waarop zij vroegen wat dit was. Ik zei: ‘Over de waarlijk
echtelijke liefde en over haar geestelijke verrukkingen.’Hierop zeiden de engelen:
’Wie weet niet dat de verrukkingen van de echtelijke liefde de verrukkingen van
alle andere liefden te boven gaat. Wie kan niet denken dat in een zekere liefde
alle zaligheden, geluksgevoelens en verlustigingen zijn samengevat, die ooit uit
de Heer samengebracht kunnen worden, aangezien deze liefde overeenstemt met de
liefde van de Heer en de Kerk. Het ontvangende vat van deze dingen is de waarlijk
echtelijke liefde, die deze dingen tot de volheid van het gevoel toe kan opnemen
en gewaarworden.’ Ik antwoordde dat ze dit niet weten, aangezien ze zich niet
tot de Heer wendden en daarom de begeerte van het vlees niet geschuwd hebben.
Ze konden dus op deze wijze niet worden wederverwekt en de waarlijk echtelijke
liefde die enig en alleen uit de Heer is wordt aan degenen gegeven die uit Hem
worden wederverwekt. Dezen zijn het ook die worden opgenomen in de Nieuwe Kerk
van de Heer, die in de Openbaring onder het Nieuwe Jeruzalem wordt verstaan. Ik
voegde hieraan toe dat ik twijfelde of men heden te dage in de wereld wil geloven,
dat deze liefde in zichzelf geestelijk is en vandaar uit de godsdienst en wel
om deze reden, dat men daarover slechts een lichamelijke voorstelling koestert.
Dus of men geloven wil dat deze liefde, aangezien die zich gedraagt naar de godsdienst,
geestelijk is bij de geestelijken, natuurlijk bij de natuurlijken en louter vleselijk
bij de echtbrekers. 848.
De engelen waren zeer verheugd over deze zaken die ze gehoord hadden, maar ze
werden in mij een droevig gevoel gewaar. Ze vroegen: ‘Waarom bent u bedroefd?’
Ik zei: ‘Omdat deze heden uit de Heer onthulde verborgenheden, hoewel ze in voortreffelijkheid
en waardigheid de tot dusver verbreide kennis te boven gaan, nochtans op aarde
als van geen waarde beschouwd wordt.’ Hierover verwonderden de engelen zich en
vroegen de Heer hun toe te staan, in de wereld neer te zien; ze zagen neer, en
ziet, er was louter duisternis. Er werd hun gezegd dat ze deze verborgenheden
op een blad papier zouden schrijven en dit blad zou op de aarde neergelaten worden
en dan zouden ze wondertekens zien. Zo gebeurde het en het blad papier waarop
deze verborgenheden geschreven waren, werd uit de hemel neergelaten. Tijdens de
afdaling, terwijl het nog in de geestelijke wereld was, lichtte het op zoals een
ster, maar toen het in de natuurlijke wereld viel, verdween het licht en naarmate
het verder viel, verduisterde het. Toen het door de engelen werd neer gezonden
naar groepen waarin zich geleerden en ontwikkelden bevonden uit de geestelijkheid
en leken, werd een gemompel van velen gehoord. Onder andere deze woorden: Wat
is dat? Is dat wel iets? Wat maakt het uit of wij deze dingen al dan niet weten?
Zijn het geen hersenspinsels? En het scheen alsof sommigen het papier namen, het
met de vingers vouwden, oprolden en weer afrolden, en ook alsof sommigen het verscheurden
en met de voeten wilden vertrappen. Maar ze werden uit de Heer van deze brutale
daad afgehouden en de engelen kregen het bevel het papier terug te nemen en het
te bewaren. Aangezien de engelen treurig werden en dachten: ‘Tot hoelang?’, werd
hun gezegd: Tot een tijd en tijden, en een halve tijd’’ (Openbaring 12:14). 849.
Daarna hoorde ik een vijandig gemompel uit de lagere gebieden en tevens deze woorden:
‘ Doe wonderen en wij zullen geloven.’ Ik antwoordde: ‘Zijn deze dingen geen wonderen?
Hun antwoord was dat ze dat niet zijn, waarop ik vroeg: ‘Welke wonderen dan?’
Er werd gezegd: ‘Openbaar en onthul de toekomstige dingen, dan zullen wij u geloven!’
Maar ik antwoordde dat dergelijke dingen uit de Heer niet gegeven worden, want
voor zoveel de mens de toekomstige dingen weet, valt zijn rede en verstand, samen
met de voorzichtigheid en wijsheid, in een werkloze toestand en verslapt en stort
ineen. Opnieuw vroeg ik: ‘Wat voor andere wonderen zal ik doen?’ Toen werd geroepen:
’Doe dergelijke wonderen zoals Mozes in Egypte!’ Ik antwoordde daarop: ‘Misschien
zult u uw harten daartegen verharden zoals Farao en de Egyptenaren!’ Ze antwoordden
dat dit niet het geval zou zijn. Ik zei opnieuw: ‘Geeft mij de verzekering dat
u niet om het gouden kalf zult dansen en het aanbidden zoals de nakomelingen van
Jakob, die zo deden een maand later nadat ze de berg Sinaï in een vuurgloed hadden
gezien en Jehovah Zelf uit het vuur hebben horen spreken. Dit was dus ná het wonder
dat van alle wonderen het allergrootste was.’ (Het gouden kalf is in de geestelijke
zin de wellust van het vlees.) Uit de lagere gebieden werd geantwoord: ‘Wij zullen
niet zijn zoals de nakomelingen van Jakob.’ Maar toen hoorde ik uit de hemel tot
hen zeggen: ‘Zo u Mozes en de profeten, dat wil zeggen, het Woord van de Heer
niet gelooft, zo zult u door wonderen niet meer geloven dan de nakomelingen van
Jakob in de woestijn, noch meer dan zij geloofden, toen ze met eigen ogen de wonderen
zagen die door de Heer Zelf gedaan werden, toen Hij in de wereld was.’ 850.
Daarna zag ik enkele geesten opklimmen uit de lagere gebieden, waar deze woorden
werden gehoord, die op een plechtige toon tot mij gericht waren: ‘Waarom heeft
uw Heer de verborgenheden die u zojuist in een lange rij opsomde, aan u, die een
leek bent, onthuld, en niet aan iemand uit de geestelijkheid?’ Hierop antwoordde
ik: ‘Dit ligt in het welbehagen van de Heer, die mij tot dit ambt van mijn vroegste
jeugd af aan heeft voorbereid; maar laat ik aan u een tegenvraag doen: ‘Waarom
heeft de Heer toen Hij in de wereld was, vissers tot discipelen gekozen en niet
enigen uit de wetgeleerden, de schriftgeleerden, priesters of rabbijnen? Overweegt
u dit onder elkaar, en maak daarover een rechtvaardige gevolgtrekking, en u zult
de oorzaak vinden!’ Toen ze dit hoorden ontstond een gemompel en daarna een stilte.
851.
Ik voorzie dat velen die de gedenkwaardige vertellingen lezen die achter de hoofdstukken
volgen, zullen geloven, dat het uitvindsels van de fantasie zijn, maar ik verzeker
in waarheid dat het geen verbeelding is maar waarlijk geziene en gehoorde dingen.
Ze zijn niet gezien en gehoord in een of andere sluimertoestand van het gemoed,
maar in een staat van volledig wakker zijn. Want het heeft de Heer behaagd Zichzelf
aan mij te openbaren en mij te zenden om de dingen te leren die behoren zullen
tot Zijn Nieuwe Kerk, die onder het Nieuwe Jeruzalem in de Openbaring wordt verstaan.
Daarom heeft Hij de innerlijke dingen van mijn gemoed of van mijn geest geopend,
waardoor het mij gegeven werd, in de geestelijke wereld met de engelen te zijn,
en tevens in de natuurlijke wereld met de mensen, en dit nu al zevenentwintig
jaar lang. Wie zou in de christelijk wereld iets geweten hebben over de hemel
en de hel, wanneer het de Heer niet behaagd had iemand het gezicht van zijn geest
te openen en het hem te tonen en te leren? Dat zulke dingen als in de gedenkwaardige
vertellingen beschreven zijn, in de hemelen verschijnen, blijkt duidelijk uit
dergelijke dingen die gezien en beschreven zijn in de Openbaring door Johannes
en ook uit die, die gezien en beschreven zijn in het Woord van het oude Testament
door de profeten. In de Openbaring deze dingen: ‘Dat hij de Zoon des Mensen zag
in het midden van zeven kandelaren; dat hij de tabernakel, de tempel, de ark,
het altaar in de hemel zag; een met zeven zegels verzegeld boek, dat dit werd
geopend en er paarden van uitgingen; vier dieren rondom de troon; twaalfduizend
uitverkorenen uit elke stam; uit de afgrond sprinkhanen die opklommen; een vrouw
die een zoon baarde en in de woestijn vluchtte vanwege de draak; twee beesten,
het ene uit de zee, het andere uit het land die opklommen; een engel vliegend
in het midden van de hemel en het eeuwige Evangelie heeft; een glazen zee met
vuur vermengd; zeven engelen die de zeven laatste plagen hadden; fiolen die door
hen werden uitgegoten op het land, in de zee, in de rivieren, in de zon, op de
troon van het beest, in de Eufraat en in de lucht; de vrouw die op het scharlaken
beest zat; de draak die in een poel van vuur en zavel werd geworpen; het witte
paard; het grote avondmaal; de nieuwe hemel en de nieuwe aarde; het Nieuwe Jeruzalem
dat uit de hemel neerdaalde, en de beschreven poorten, muren en fundamenten; de
rivier van het water des levens en de bomen des levens die elke maand vruchten
maakten; en nog tal van andere dingen die alle werden gezien door Johannes, en
wel gezien toen hij naar zijn geest in de geestelijke wereld en in de hemel was.
Verder ook de dingen die door de apostelen werden gezien na de opstanding van
de Heer, en ook daarna door Petrus (Handelingen der apostelen, hoofdstuk 11);
en ook die gezien en gehoord werden door Paulus. Verder de dingen die gezien werden
door de profeten in het Oude Testament, zoals door Ezechiël, dat hij vier dieren
zag, die cherubs waren (hoofdstuk 1 en 10)’; een nieuwe tempel en een nieuwe aarde;
en een engel die ze opmat (hoofdstuk 40 tot 48); dat hij werd heengevoerd naar
Jeruzalem en daar gruwelen zag, en ook naar Chaldea (hoofdstuk 8 en 11). Iets
dergelijks gebeurde met Zacharia, namelijk dat hij een man zag rijden tussen mirten
(hoofdstuk 1:8 ev.); dat hij vier hoornen zag en daarna een man met een meetsnoer
in de hand (hoofdstuk 1 en 2); dat hij een vliegende rol zag en een efa (hoofdstuk
5:1,6); dat hij vier wagens zag tussen twee bergen, en paarden ( hoofdstuk 6:1).
Evenzo bij Daniël, namelijk dat hij vier beesten zag opklimmen uit de zee (hoofdstuk
7:1 ev.); dat hij de Zoon des Mensen zag komen in de wolken des hemels, wiens
heerschappij niet zal voorbijgaan, en wiens koninkrijk niet vergaan zal (hoofdstuk
7:13,14); dat hij de gevechten zag tussen een ram en een bok (hoofdstuk 8:1 ev.);
dat hij de engel Gabriël zag en met hem sprak (hoofdstuk 9); Dat de knaap van
Elisa wagens en vurige paarden rondom Elisa zag, en dat hij ze zag toen zijn ogen
geopend waren (II Koningen 6:17). Hieruit en uit tal van andere dingen uit het
Woord blijkt, dat de dingen die in de geestelijke wereld bestaan, aan velen vóór
en na de komst van de Heer verschenen zijn. Is het dan een wonder dat zij ook
nu verschijnen, terwijl de Kerk inzet ofwel het Nieuwe Jeruzalem vanuit de hemel
neerdaalt?’ |  |
|
72 |
- De
invloeiing uit de Heer
- is
door de hemelse in de geestelijke,
- of
door het midden in de omtrekken,
- dat
wil zeggen,
- door
de binnenste dingen tot de uiterlijke.
Hemelse
Verborgenheden 3890. Het
werd eerder enige malen gezegd dat de hemel of de Grootste Mens in ontelbare gezelschappen
is onderscheiden, en in het algemeen in even zovele als er organen en inwendige
delen in het lichaam zijn, en dat de afzonderlijke gezelschappen tot een van die
organen en inwendige delen behoren, (3745). Bovendien, dat de gezelschappen, hoewel
ze ontelbaar en verschillend zijn, niettemin als één handelen, zoals alle dingen
die in het lichaam zijn, hoewel die verschillend zijn, als één handelen. De gezelschappen
die daarin tot het gebied van het hart behoren, zijn de hemelse gezelschappen,
en zij zijn in het midden of in de binnenste dingen. Die gezelschappen echter
die tot het gebied van de longen daarin behoren, zijn de geestelijke, en zij zijn
rondom en in de uiterlijke dingen. De invloeiing uit de Heer is door de hemelse
in de geestelijke, of door het midden in de omtrekken, dat wil zeggen, door de
binnenste dingen tot de uiterlijke. Dit komt omdat de Heer door de liefde of de
barmhartigheid invloeit, waarvandaan al het hemelse wat in Zijn rijk is komt;
en door de liefde of de barmhartigheid in het goede van het geloof, waarvandaan
al het geestelijke wat in Zijn Rijk is komt, en dit met een onuitsprekelijke verscheidenheid.
Maar de verscheidenheid ontstaat niet uit de invloeiing, maar uit de opneming
ervan. |  |
|
73 |
- De
mens die alleen volgens het natuurlijke licht denkt,
- kan
niet begrijpen dat er in de hemel iets zou zijn,
- dat
aan de dingen van de aarde gelijk is.
Hemel
en Hel 170-176. OVER
DE UITBEELDENDE DINGEN EN DE SCHIJNBAARHEDEN IN DE HEMEL 170.
De mens die alleen volgens het natuurlijke licht denkt, kan niet begrijpen dat
er in de hemel iets zou zijn, dat aan de dingen van de aarde gelijk is; en dit,
omdat hij volgens dit licht heeft gedacht en zich heeft bevestigd in de mening,
dat engelen niets dan geest en dat geesten als het ware etherische vormen zijn;
dat zij zodoende geen zintuigen hebben zoals de mens, dus ook geen ogen en dat,
als zij geen ogen hebben, er ook geen voorwerpen voor het gezicht zijn; terwijl
daarentegen de engelen al de zintuigen hebben die de mens heeft, ja zelfs nog
veel fijner en ook het licht, waaruit zij zien, veel helderder is dan dat waaruit
de mens ziet. Dat de engelen mensen in de volmaakte gestalte zijn en zich in het
bezit van alle zinnen verheugen, kan men boven in nr. 73 tot 77 zien; en dat het
licht van de hemel veel helderder is dan het licht van de aarde, in nr. 126 tot
132. 171.
Het is onmogelijk met weinige woorden te beschrijven, welke de dingen zijn, die
aan de engelen in de hemel verschijnen; zij gelijken grotendeels op de dingen
van de aarde, maar zijn volmaakter, wat hun gestalte betreft en nog groter in
aantal. Dat zulke dingen in de hemel zijn, kan blijken uit hetgeen de profeten
zagen, zoals bijvoorbeeld uit hetgeen Ezechiël van de nieuwe tempel en van de
nieuwe aarde zag, hetgeen in hoofdstuk 40 tot 48 beschreven wordt; uit hetgeen
Daniël, hoofdstUk 7 tot 12 zag; uit hetgeen Johannes zag van het eerste tot het
laatste hoofdstUk van de Apocalyps; en die welke door anderen gezien werden, waarover
zowel in de geschiedkundige als in de profetische boeken van het Woord gesproken
wordt. Zulke dingen verschenen hun, wanneer de hemel hun ontsloten werd, en de
hemel heet geopend, wanneer het innerlijk gezicht, dat het gezicht van de geest
van de mens is, geopend wordt. Want de dingen in de hemel kunnen niet met de ogen
van het lichaam van de mens worden gezien, maar alleen met de ogen van zijn geest
en zodra het de Heer goeddunkt, worden die geopend, terwijl dan de mens onttrokken
wordt aan het natuurlijke licht, waarin hij naar de zinnen van zijn lichaam is
en verheven wordt in het Geestelijke licht, waarin hij door zijn geest is. In
dit licht zag ik wat in de hemelen is. 172.
Maar ofschoon de dingen die in de hemelen gezien worden, grotendeels gelijk zijn
aan die, welke op aarde zijn, zijn zij toch in wezen niet gelijk, want de dingen
die in de hemelen zijn ontstaan door de Zon van de hemel en de dingen die op aarde
zijn uit de zon van de aarde; die uit de Zon van de hemel ontstaan, heten geestelijk,
die uit de zon van de wereld ontstaan, heten natuurlijk. 173.
De dingen, die in de hemelen ontstaan, ontstaan niet op dezelfde wijze als die
op aarde. In de hemelen ontstaan alle dingen uit de Heer volgens de overeenstemmingen
met het innerlijk van de engelen. Want de engelen hebben een innerlijk bestaan
en een uitwendig bestaan. Alles wat innerlijk is, heeft betrekking op liefde en
geloof, dus ook op de wil en het verstand; want de wil en het verstand zijn hun
opnemingsorganen en het uitwendige stemt overeen met het innerlijk. Dat het uitwendige
met het innerlijke overeenstemt, ziet men hierboven in nr. 87 tot 115. Dit kan
opgehelderd worden door hetgeen boven over de warmte en het licht van de hemel
is gezegd, dat namelijk de engelen warmte bezitten, naarmate de hoedanigheid hunner
liefde is, en dat zij licht hebben, naarmate de hoedanigheid van hun wijsheid
is; men zie hierover nr. 128 tot 134. Zo is het ook met al de andere dingen die
zich aan de zinnen van de engelen voordoen. 174.
Wanneer het mij gegeven werd met de engelen in gezelschap te zijn, werden mij
de dingen rondom hen geheel op gelijke wijze zichtbaar als de dingen van de aarde
en wel zo duidelijk, dat ik niet anders wist, of ik was op aarde en aldaar in
het paleis van een koning. Ik sprak ook met hen als een mens met een mens. 175.
Daar alle dingen, die met het innerlijk overeenstemmen deze ook tegelijk voorstellen,
worden zij uitbeeldende dingen (repraesentativa) genoemd; en daar zij veranderlijk
zijn volgens de staat van het innerlijk van de engelen, heten zij schijnbaarheden
(apparentiae) ofschoon de dingen, die zich voor de ogen van de engelen in de hemelen
voordoen en met hun zinnen worden waargenomen, evenzo levendig verschijnen en
waargenomen worden als door de mensen de dingen op aarde, ja nog veel duidelijker,
meer bepaald en bevattelijker. De schijnbaarheden in de hemelen die deze oorsprong
hebben, heten werkelijke dingen, omdat zij werkelijk bestaan. Er bestaan ook schijnbaarheden,
die niet werkelijk zijn, namelijk zulke, die zich wel aan het oog voordoen, maar
niet met het innerlijk overeenstemmen; maar daarover in een volgend hoofdstuk.
176.
Om duidelijker te maken wat de dingen zijn, die zich aan de engelen volgens de
overeenstemmingen vertonen, zal ik hier een enkel voorbeeld aanvoeren. Voor hen,
die in het inzicht zijn, verschijnen paradijzen en tuinen vol bomen en planten
van elke soort. De bomen zijn daar in de schoonste orde gezet en vormen enkele
groepen, waarheen boogvormige toegangen voeren en waaromheen lustwaranden aangebracht
zijn, alles in zulk een schoonheid, dat het niet kan beschreven worden; zij, die
in het inzicht zijn, wandelen daar en plukken bloemen en winden kransen, waarmede
zij kleine kinderen versieren. Er komen hier ook bomen en bloemen voor, die op
aarde nergens gezien worden en evenmin hier beneden kunnen voorkomen. Ook hebben
de bomen vruchten naar het goede van de liefde, waarin de wijzen verkeren. Zij
zien zulke dingen, omdat een tuin en een park en ook vruchtbomen en bloemen met
inzicht en wijsheid overeenstemmen. Dat zulke dingen in de hemelen zijn, is ook
op aarde bekend, maar alleen aan hen, die in het goede zijn en het licht van de
hemel niet door het natuurlijke licht en de bedrieglijkheden daarvan bij zich
hebben uitgeblust; want als zij aan de hemel denken of daarvan spreken, denken
en zeggen zij: Er bestaan daar zulke dingen, die geen oor gehoord en geen oog
gezien heeft. |  |
|
74 |
- Het
Woord heeft een inwendige zin
- die
in de letter niet kan worden gezien.
Hemelse
Verborgenheden 2495. Het
is al eerder beschreven en aangetoond op vele plaatsen dat het Woord een inwendige
zin heeft die in de letter niet kan worden gezien. Ook is de aard van die inwendige
zin duidelijk uit de verklaringen die tot zover zijn gegeven vanuit het 1ste hoofdstuk
van Genesis. Maar dan nog, de weinigen die heden ten dage wel in het Woord geloven,
weten, ondanks hun geloof, niets van het bestaan van zulk een inwendige zin; daarom
wordt hier verdere bevestiging gegeven. De Heer beschrijft de voleinding der eeuw,
dat wil zeggen: de laatste tijd van de Kerk als volgt: 'Terstond na de verdrukking
van die dagen zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet
geven, en de sterren zullen van de hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen
bewogen worden', (Matthéüs 24:29; Markus 13:24); dat de zon hier niet de zon betekent,
de maan niet de maan en ook niet de sterren de sterren, maar de zon de liefde
tot de Heer en de liefde tot de naaste, de maan het geloof van de liefde en naastenliefde
en de sterren de erkentenissen van het goede en ware, werd aangetoond in: (31,
32, 1053, 1521, 1529, 1530, 1531, 2120, 2441). Zo wordt er door deze woorden van
de Heer aangeduid, dat er in de voleinding der eeuw, of in de laatste tijd, geen
liefde meer zal zijn en geen naastenliefde en dientengevolge geen geloof. Dat
dit de zin is, blijkt duidelijk uit soortgelijke woorden van de Heer bij de profeten,
zoals bij Jesaja: 'Ziet, de dag van Jehovah komt, om het land te stellen tot verlating,
en Hij zal deszelfs zondaars daaruit verdelgen; want de sterren der hemelen en
haar gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden
in haar opgang, en de maan zal haar licht niet laten schijnen', (Jesaja 13:9,10).
Hier wordt ook gehandeld over de laatste tijd van de Kerk, of, wat hetzelfde is,
over de voleinding der eeuw. Bij Joël: 'Een dag van duisternis en donkerheid,
een dag van wolk en dikke donkerheid; de aarde is beroerd voor Hem, de hemelen
beefden; de zon en maan werden zwart en de sterren trokken haar glans in', (Joël
2:2,10). Elders bij dezelfde: 'De zon zal veranderd worden in duisternis, en de
maan in bloed, eer dat de grote en vreselijke dag van Jehovah komt', (Joël 2:31);
verder nog bij dezelfde: 'De dag van Jehovah is nabij, de zon en maan zijn zwart
geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken', (Joël 3:14,15). Bij Ezechiël:
'Wanneer Ik u zal uitblussen, zal ik de hemelen bedekken en hun sterren zwart
maken; Ik zal de zon met een wolk bedekken, en de maan zal haar licht niet laten
lichten, alle lichtende lichten in de hemelen zal Ik zwart maken en Ik zal een
duisternis over uw land brengen', (Ezechiël 32:7,8). Ook bij Johannes: 'Ik zag,
toen hij het zesde zegel geopend had, en ziet, er werd een grote aardbeving, en
de zon werd zwart als een haren zak, en de ganse maan werd als bloed, en de sterren
vielen op de aarde', (Apocalyps 6:12,13). Bij dezelfde: 'De vierde engel heeft
gebazuind, zodat het derde deel van de zon werd geslagen, en het derde deel van
de maan, en het derde deel van de sterren, en het derde deel derzelve werd verduisterd',
(Apocalyps 8:12). Uit deze plaatsen kan blijken dat de woorden van de Heer bij
de evangelisten iets dergelijks bevatten als de woorden van de Heer bij de profeten,
namelijk, dat er in de laatste tijden geen naastenliefde of geloof zal zijn; en
dat dit de innerlijke zin is, zoals ook nog blijkt bij Jesaja: 'De maan zal schaamrood
worden, en de zon zal beschaamd worden, want Jehovah Zebaoth zal regeren op de
berg Zion, en in Jeruzalem', (Jesaja 24:23), dit wil zeggen dat het geloof, wat
de maan is, schaamrood zal worden, en de naastenliefde, wat de zon is, beschaamd,
omdat ze van dien aard zijn; want van de maan en de zon kan niet gezegd worden
dat ze schaamrood en beschaamd zullen worden; en bij Daniël: 'De hoorn van de
geitenbok groeide tegen het zuiden, en tegen en oosten, en groeide tot aan het
heir der hemelen, en hij wierp van het heir en van de sterren ter aarde neer,
en hij vertrad ze', (Daniël 8:9,10), alwaar het eenieder duidelijk kan zijn, dat
het heir der hemelen niet een leger betekent, noch 'sterren' sterren. |  |
|
75 |
- Opdat
iets volmaakt
- zij,
zal er een DRIEVULDIGE zijn
- in
de juiste orde.
Coronis
17 Het
is bekend, dat er, opdat iets volmaakt zal zijn, een DRIEVULDIGE moet zijn in
de juiste orde, het ene onder het andere en communicatie ertussen, en dat dit
drievuldige één moet maken; niet anders dan een zuil, waar bovenop het kapiteel
is, daaronder een stevige pilaar, en onderaan het voetstuk. Een zodanig drievuldige
is de mens; het bovenste van hem is het hoofd, het middelste van hem is het lichaam,
en het laagste van hem zijn de voeten en de voetzolen. Elk koninkrijk bootst hierin
de mens na; daar zal een koning zijn als hoofd, verder leidinggevenden en ambtenaren
als lichaam, en boeren met knechten als voeten met voetzolen: eender in de Kerk:
een gekroonde primaat, voorgangers der gemeente, en onder hen de bedienaren. De
wereld zelf kan evenmin voortbestaan, tenzij er drie dingen in orde op elkander
volgen, namelijk: morgen, middag en avond; alsmede de jaarlijkse lente, zomer
en herfst; de lente opdat de zaden gezaaid worden, de zomer opdat zij uitspruiten,
en de herfst opdat zij vruchten voortbrengen; de nacht echter en de winter dragen
niet bij tot de bestendiging van de wereld. Omdat nu elk volmaakte een drievuldige
zal zijn, opdat het één zal zijn en in samenhang gehouden, bestaat derhalve en
blijft de ene en de andere wereld, zowel de geestelijke als de natuurlijke, bestaan
uit drie atmosferen of elementen; de eerste ervan omgeeft de zon het dichtst nabij,
en wordt aura genoemd, de tweede is onder deze, en wordt ether genoemd; en de
derde is hier weer onder, en wordt lucht genoemd; deze drie atmosferen zijn in
de natuurlijke wereld natuurlijk, in zichzelf passief, omdat zij voortgaan vanuit
de zon die louter vuur is; doch de drie daarmede overeenstemmende atmosferen in
de geestelijke wereld zijn geestelijk, in zichzelf actief, omdat zij voortgaan
vanuit de Zon die louter liefde is. De engelen van de hemelen wonen in de gebieden
van deze drie atmosferen; de engelen van de hoogste hemel in de hemelse aura,
welke het dichtst nabij de Zon omgeeft, waar de Heer is; de engelen van de middelste
hemel in de geestelijke ether daaronder; en de engelen van de laagste hemel in
de geestelijk-natuurlijke lucht onder die twee; aldus zijn alle hemelen vastgesteld,
van de eersten tot deze laatsten, welke heden ten dage door de Heer wordt gesticht.
Hieruit kan men opmerken vanwaar het is, dat in het Woord met drie het volledige
wordt aangeduid (men zie de Apocalyps Onthuld, n. 507, 875). |  |
|
76 |
- In
de innerlijke zin van het Woord
-
wordt het gehele leven van de Heer beschreven,
- zoals
het in de wereld zou zijn.
Hemelse
Verborgenheden 2523. Dat
de woorden 'zij is mijn zuster', (Genesis 20:2) betekenen, dat het het redelijke
was dat geraadpleegd zou worden, namelijk dat Hij zo gedacht had, blijkt uit de
betekenis van 'de zuster' in dit hoofdstuk, wat het redelijk ware is, (1495, 2508).
In de innerlijke zin van het Woord wordt het gehele leven van de Heer, zoals het
in de wereld zou zijn, beschreven, ook naar de innerlijke gewaarwordingen en gedachten,
want deze waren voorzien en daarin was voorzien, omdat die uit het Goddelijke
waren, en ook om deze reden, opdat deze dingen toen aan de engelen, die het Woord
naar de innerlijke zin gewaarworden, als tegenwoordig zouden worden vertoond,
en dat de Heer zo vóór hen zou zijn, en tevens hoe Hij geleidelijk het menselijke
aflegde en het Goddelijke aantrok. Wanneer deze dingen niet door het Woord, en
ook door alle riten in de Joodse Kerk, als het ware tegenwoordig geweest waren
voor de engelen, zou de Heer in de wereld hebben moeten komen onmiddellijk na
de val van de Oudste Kerk, die mens of Adam wordt genoemd. Er was toen immers
al dadelijk een profetie over de Heer, (Genesis 3:15). Wat meer is, het menselijk
geslacht dat er toen was, had niet gered kunnen worden. Wat het leven van de Heer
zelf betreft, dit was een voortdurend voortschrijden van het menselijke tot het
Goddelijke, tot volstrekte vereniging toe, zoals reeds herhaaldelijk eerder is
gezegd. Want om met de hellen te strijden en deze te overwinnen, moest Hij dit
doen uit het menselijke, want er is geen strijd met de hellen uit het Goddelijke.
Daarom behaagde het Hem, het menselijke aan te trekken evenals een ander mens,
een klein kind te zijn evenals een ander, op te groeien in wetenschappen en erkentenissen,
wat werd uitgebeeld en aangeduid door de vreemdelingschappen van Abraham in Egypte,
(hoofdstuk 12), en nu in Gerar. Zo behaagde het Hem, evenals een ander mens het
redelijke te ontwikkelen, en op deze wijze de schaduw daarvan te verdrijven en
het in het licht te brengen, en dit uit eigen macht. Dat het voortschrijden van
de Heer van het menselijke tot het Goddelijke van dien aard was, kan door niemand
worden betwijfeld, wanneer hij alleen maar in overweging neemt, dat Hij een klein
kind was, en gelijk een klein kind leerde spreken, en zo verder. Maar er was dit
onderscheid, dat het Goddelijke Zelf in Hem was, daar Hij van Jehovah ontvangen
was. |  |
|
77 |
- Ofschoon
alles in de hemel evenals op aarde
-
op een plaats en binnen een ruimte schijnt,
- hebben
toch de engelen geen begrip
- en
geen voorstelling van plaats en ruimte.
Hemel
en Hel 191-199. RUIMTE
IN DE HEMEL 191.
Ofschoon alles in de hemel evenals op aarde op een plaats en binnen een ruimte
schijnt, hebben toch de engelen geen begrip en geen voorstelling van plaats en
ruimte. Daar dit noodzakelijk ongerijmd moet schijnen, wens ik deze zaak, daar
zij van groot gewicht is, duidelijk te maken. 192.
Iedere verandering van plaats in de geestelijke wereld geschiedt door veranderingen
van staat van het innerlijk, zodat veranderingen van plaats niets anders zijn
dan veranderingen van staat. Op deze wijze ben ook ik door de Heer in de hemelen
en op de wereldbollen in het heelal gevoerd en wel naar de geest, terwijl mijn
lichaam op dezelfde plaats bleef. Op deze wijze bewegen zich alle engelen van
plaats tot plaats, zodat voor hen geen afstanden, en daarom ook geen ruimten bestaan,
maar in plaats daarvan staten en veranderingen daarvan. 193.
Daar op deze wijze verandering van plaats geschiedt, is het duidelijk, dat toenaderingen
gelijkheden zijn in de staat van het innerlijk en dat de verwijderingen ongelijkheden
zijn. Daardoor komt het dat zij die in een gelijke staat zijn, in elkanders nabijheid
zijn, terwijl zij die in een ongelijke staat zijn, verre van elkaar zijn en dat
de ruimten in de hemel niets anders zijn dan uiterlijke staten die met de innerlijke
overeenstemmen. Om dezelfde reden zijn de hemelen van elkaar gescheiden, evenals
de gezelschappen in elke hemel en eenieder in een gezelschap; daardoor zijn ook
de hemelen geheel van de hel afgescheiden, want zij zijn in een tegenovergestelde
staat. 194.
Door dezelfde oorzaak verschijnt ook in de geestelijke wereld iemand in de tegenwoordigheid
van een ander, zodra hij slechts een vurig verlangen naar iemands tegenwoordigheid
heeft; want dan ziet hij hem in gedachten en verplaatst zich in zijn staat, en
omgekeerd wordt de een van de ander verwijderd, naarmate hij in hem een tegenzin
heeft. En daar alle tegenzin uit de tegenovergesteldheid van de neigingen en uit
de tweespalt van de gedachten ontspringt, geschiedt het in die wereld dat velen
die zich op dezelfde plaats bevinden, elkaar zien zolang zij overeenstemmen, maar
verdwijnen zodra zij in gedachten verschillen. 195.
Wanneer iemand daarom van de ene plaats naar de andere gaat, het zij in zijn
eigen stad of in de voorportalen, of in tuinen of naar anderen buiten zijn gezelschap,
dan zal hij daar spoediger komen als hij er zeer naar verlangt, en langzamer
als hij er minder naar verlaagt. De weg zelf wordt, al naarmate zijn verlangen
is, verlengd of verkort, ofschoon hij dezelfde is; dit heb ik meermalen gezien
en er mij over verwonderd. Hieruit blijkt weer, dat de afstanden, dus ook de ruimten
geheel in overeenstemming zijn met de staten van het innerlijk van de engelen,
en daar dit zo is, kan het begrip en de voorstelling over ruimte niet in hun denken
doordringen, ofschoon bij hen evenals op aarde ruimten bestaan. 196.
Dit kan worden opgehelderd door de gedachten van de mens, in zoverre ook deze
geen ruimten hebben, want wanneer de mens met ingespannen geest over iets denkt,
staat het hem als het ware voor ogen. Zo weet ook eenieder die daarover nadenkt,
dat voor zijn gezicht geen afstand bestaat, dan alleen ten gevolge van daar tussen
liggende voorwerpen op aarde, die hij tegelijkertijd ziet, of tengevolge van zijn
kennis betreffende de afstand. Dit geschiedt, omdat er een onaf gebrokenheid is,
en in het onafgebrokene schijnt niets op een afstand dan alleen door datgene,
wat afgebroken is. Dit vindt nog meer plaats bij de engelen, daar hun zien met
hun denken één maakt en hun denken één is met hun genegenheid, en daar de dichtbij
zijnde en de verder afstaande voorwerpen verschijnen en veranderen naar gelang
van hun innerlijke staat, zoals boven werd gezegd. 197.
Daardoor komt het dat in het Woord door plaatsen en ruimten en door alles wat
op ruimte betrekking heeft, dingen bedoeld worden die op staten betrekking hebben,
zoals bijvoorbeeld door afstanden, nabijheid, verwijdering, wegen, reizen, door
mijlen, stadiën, door velden, akkers, tuinen, steden, straten, door bewegingen,
door de maten van verschillende soort, door lengte, breedte, hoogte en diepte
en door ontelbaar andere, want het meeste, wat bij de mens in zijn denken uit
de wereld is, sluit iets van ruimte en tijd in zich. Ik wens hier slechts aan
te voeren, wat lengte, breedte en hoogte in het Woord betekenen. Op aarde wordt
lang en breed genoemd, wat lang en breed in ruimte is, en evenzo wat hoog is.
In de hemel, waar men niet volgens ruimte denkt, wordt echter onder de lengte
de staat van het goede, onder breedte de staat van het ware en onder hoogte het
onderscheid daarvan, volgens de verschillende graden verstaan (zie nr. 38). De
reden waarom dergelijke dingen onder deze drie afmetingen worden verstaan, is,
omdat in de hemel lengte gemeten wordt van het Oosten naar het Westen en dat zij,
die in het goede van de liefde zijn, hier vertoeven en dat breedte in de hemel
van het Zuiden naar het Noorden gemeten wordt, waar zij gevonden worden die in
het ware uit het goede zijn, (zie nr. 148) en dat hoogte in de hemel beide betekent
in verschillende graden. Daarom hebben in het Woord lengte, breedte en hoogte
zulk een betekenis, zoals bijvoorbeeld in Ezechiël van hoofdstuk 40 tot 48, waar
de maten van lengte, breedte en hoogte van de nieuwe tempel en de nieuwe aarde
beschreven worden met voorhoven, kamers, poorten, deuren, vensters en de omgeving,
waardoor de Nieuwe Kerk en het goede en ware daarin wordt aangeduid. Waartoe ook
anders al die maten? Op gelijke wijze wordt het Nieuwe Jeruzalem in de Apocalyps
beschreven met de woorden: De stad is vierhoekig, haar lengte is even groot als
haar breedte; hij mat de stad met de stok tot aan twaalf duizend stadiën, en de
lengte, breedte en hoogte waren gelijk. (21:16) Omdat hier door het Nieuwe Jeruzalem
de Nieuwe Kerk bedoeld wordt, worden door deze maten de dingen van de kerk bedoeld;
door de lengte het goede van haar liefde; door de breedte het ware uit dit goede;
door de hoogte het goede en ware volgens de graden, door de twaalf duizend stadiën
al het goede en ware samen genomen. Wat zou het anders betekenen dat de hoogte
twaalf duizend stadiën bedroeg, gelijk aan lengte en breedte? Dat in het Woord
door de breedte het ware bedoeld wordt, blijkt bij David: Jehova, Gij hebt mij
niet in de hand van de vijand gesloten en liet mijn voeten op de breedte staan.
(Psalm 31 :8) Uit de verdrukking riep ik tot Jehova, Hij verhoorde mij in de breedte,
(Psalm 118:5) behalve andere plaatsen, zoals Jesaja 8:8 en Habakuk 1 :6. Eveneens
ook in andere plaatsen van het Woord. 198.
Hieruit kan men zien, dat in de hemel, ofschoon daar ruimten zijn zoals op aarde,
aldaar toch niets volgens de ruimten, maar wel naar de staten wordt geschat en
dat bijgevolg de ruimten daar niet als op aarde worden gemeten, maar slechts gezien
kunnen worden door en volgens de staat van het innerlijk van hen, die daar zijn.
199.
De eigenlijke eerste oorzaak hiervan is, dat de Heer bij eenieder tegenwoordig
is naarmate zijn liefde en zijn geloof zijn en dat alles, naarmate Hij tegenwoordig
is, als nabij of veraf schijnt; want daardoor wordt alles in de hemel bepaald.
Daardoor ook hebben de engelen wijsheid; want daardoor hebben zij uitbreiding
van hun gedachten, en daardoor bestaat een gemeenschap van alle dingen, die in
de hemelen zijn; in één woord, daardoor is het hen gegeven geestelijk te denken
en niet natuurlijk, zoals de mensen. |  |
|
78 |
- Het
nut is
- naar
behoren, getrouw, oprecht en rechtvaardig
- zijn
ambt vervullen,
- en
zijn werk doen.
Over
de Goddelijke Wijsheid 11 B-4.
Men weet niet, of slechts vaag, behalve weinigen die het wel weten, wat in het
Woord eigenlijk wordt verstaan onder de goede dingen van de naastenliefde, die
ook werken worden genoemd, voorts ook vruchten, en hier nutten. Vanuit de letterlijke
zin van het Woord gelooft men, dat het is aan de armen geven, de behoeftigen bijstand
verlenen, weduwen en wezen weldoen, en eendere dingen meer, maar deze nutten worden
niet onder vruchten, werken, en goede dingen van de naastenliefde daar verstaan
Verstaan wordt naar behoren, getrouw, oprecht en rechtvaardig zijn ambt, zaken
en werken vervullen. Wanneer dit geschiedt, wordt zorg gedragen voor het algemene
of openbare welzijn, en zodoende ook voor het vaderland, het gezelschap groter
en kleiner, en voor de medeburger, de genoot en de broeder. Dit zijn de naasten
in brede en strikte zin, zoals boven is gezegd. Iedere mens immers, hetzij een
priester, hetzij een overheidspersoon en ambtenaar, hetzij een handelaar, hetzij
een werkman, doet dagelijks nutten; de priester door prediking, de overheidspersoon
en de ambtenaar door hun administratie, de handelaar in zijn zaken doen, en de
werkman door zijn werk. De rechter bijvoorbeeld, die naar behoren, getrouw, oprecht
en rechtvaardig oordeelt, bewijst de naaste het nut, even zo vaak als hij vonnis
velt. De bedienaar eender zo vaak hij onderwijst; aldus eveneens de overigen.
Dat zodanige nutten onder de goede dingen van de naastenliefde en onder de goede
werken worden verstaan, blijkt uit de regering van de Heer in de hemelen. Daar
zijn, zoals in de wereld, allen in een functie en bediening, of in enig ambt of
in enig werk. Zij hebben grootheid, welgesteldheid en gelukzaligheid volgens hun
getrouwheid, oprechtheid en rechtvaardigheid daar. Een luiaard en een slappeling
wordt niet toegelaten in de hemel, maar uitgeworpen óf in de hel óf in een woestijn,
waar hij dan leeft in gebrek aan alles en in ellende. Zulke dingen in de hemelen
worden genoemd goede dingen van de naastenliefde, werken en nutten. Iedereen die
getrouw, oprecht en rechtvaardig was in zijn ambt en werk in de wereld, is eveneens
getrouw, oprecht en rechtvaardig na het heengaan uit de wereld, en hij wordt aangenomen
in de hemel door de engelen. Eveneens heeft een ieder volgens de hoedanigheid
van zijn getrouwheid, oprechtheid en rechtvaardigheid, hemelse vreugde. De oorzaak
hiervan is deze, dat een gemoed dat toegewijd is aan zijn taak en werk, vanuit
de liefde tot het nut, in zijn geheel wordt samengehouden, en dan is hij in een
geestelijk verkwikkelijke, wat het verkwikkelijke is van de getrouwheid, oprechtheid
en rechtvaardigheid, en hij wordt afgehouden van het verkwikkelijke van bedriegerijen
en boosaardigheid, voorts van het verkwikkelijke van alleen maar kletsen en te
schransen, wat ook het verkwikkelijke van de lediggang is, en lediggang is des
duivels oorkussen. Iedereen kan zien dat de Heer in deze liefde geen woning kan
hebben, maar dat Hij het kan in de liefde van de eerder genoemden. |  |
|
79 |
- Zij
die in de aandoening van het goede zijn,
- weten
en worden gewaar,
-
uit het goede zelf waarin zij zijn,
- dat
iets zo is.
Hemelse
Verborgenheden 2718. De
reden waarom bij de geestelijke mens de aandoening van het goede zoals deze bij
de hemelse mens is, niet kan bestaan, maar in plaats daarvan de aandoening van
het ware, is deze, dat het goede bij hem werd ingeplant in zijn verstandsdeel
en dit is betrekkelijk duister, zoals aangetoond in: (2715). Hieruit kan geen
andere aandoening in zijn redelijke worden voortgebracht en afgeleid dan de aandoening
van het ware en daardoor in zijn natuurlijke de aandoening van de wetenschappen.
Onder het ware wordt hier geen ander ware verstaan dan een zodanig, als hij gelooft
waar te zijn, hoewel het in zichzelf niet waar is. Onder wetenschappen wordt verstaan
niet de wetenschappen zoals de geleerden hebben, maar alle wetenschappelijkheid,
waarmee men vervuld kan worden door ondervinding en door het aanhoren ervan uit
het burgerlijk leven, uit de leer en uit het Woord. In de aandoening van dergelijke
dingen is de mens van de geestelijke Kerk … … Zij die in de aandoening van het
goede zijn, weten en worden gewaar uit het goede zelf waarin zij zijn, dat iets
zo is; dus zij zijn niet aan de eerste drempel, maar in de binnenkamer en toegelaten
tot de wijsheid. Als voorbeeld het volgende: het is hemels te denken en te handelen
uit de aandoening van het goede of uit het goede. Zij die in de aandoening van
het ware zijn, spreken er over of iets zo is, of het bestaanbaar is, en wat het
is, en zolang zij hierover in twijfel verkeren, kunnen zij niet toegelaten worden
in die binnenkamer van de wijsheid. Zij echter die in de aandoening van het goede
zijn spreken er niet over, noch verkeren zij in twijfel, maar zeggen, dat iets
zo is, en daarom worden zij toegelaten. Zij immers die in de aandoening van het
goede zijn, dat wil zeggen, die hemels zijn, beginnen daar, waar zij die in de
aandoening van het ware zijn, blijven steken, zodat de laatste grens voor de een,
de eerste grens van de ander is. Om deze reden wordt het hun gegeven te weten,
te kennen en gewaar te worden dat er ontelbare aandoeningen van het goede zijn,
zo vele namelijk als er gezelschappen in de hemel zijn en dat ze allen door de
Heer in een hemelse vorm verbonden zijn, zodat ze als het ware één mens vormen
… |  |
|
80 |
- Engelen
hebben ook woningen
- en
wel verschillend naarmate de levensstaat van een elk is;
- prachtige
voor hen die in een hogere staat zijn
- en
minder prachtige voor hen die in een lagere staat verkeren.
Hemel
en Hel 183-190
DE WONINGEN EN VERBLIJVEN VAN DE ENGELEN 183.
Daar er in de hemel gezelschappen zijn en engelen als mensen leven, hebben zij
ook woningen en wel verschillend naarmate de levensstaat van een elk is; prachtige
voor hen die in een hogere staat zijn en minder prachtige voor hen die in een
lagere staat verkeren. Over de woningen in de hemel sprak ik enige malen met de
engelen en zei, dat heden ten dage nauwelijks iemand zou geloven dat ze woningen
en verblijven hebben; sommigen niet omdat zij ze niet zien, anderen niet omdat
zij niet weten dat de engelen mensen zijn; weer anderen niet omdat zij geloven
dat de engelenhemel die is, die zij met hun ogen om zich heen zien, en daar deze
leeg schijnt en zij menen dat de engelen etherische vormen zijn, besluiten zij
daaruit dat ze in ether leven; bovendien begrijpen zij niet dat er in de geestelijke
wereld even zulke dingen bestaan als in de natuurlijke, omdat zij van het geestelijke
niets weten. De engelen zeiden wel te weten, dat heden ten dage zulk een onwetendheid
op aarde heerste, en wel, tot hun grote verbazing, voornamelijk in de kerk, en
daarin meer bij de beschaafden dan bij hen, die men eenvoudigen noemt. Zij zeiden
verder, dat men uit het Woord kon weten, dat de engelen mensen zijn, daar zij
die verschenen, als mensen verschenen, evenals de Heer, die al Zijn Menselijkheid
meenam; dat zij, daar ze mensen waren, ook verblijven en woningen hadden, en dat
zij niet zoals anderen in hun onwetendheid, die zij onzin noemden, menen, in de
lucht rondfladderden of winden waren, ofschoon zij geesten genoemd worden. En
toch konden de mensen dit begrijpen, indien zij slechts onafhankelijk van de begrippen
die zij over engelen en geesten hadden gevormd, wilden nadenken, zoals geschiedt
wanneer zij het onderwerp niet betwijfelen en niet allereerst met hun verstand
gaan onderzoeken, of het wel zo is. Bij ieder toch bestaat het algemene denkbeeld,
dat engelen een menselijke gestalte bezitten en dat zij huizen hebben, die de
hemelse woningen worden genoemd, en prachtiger zijn dan de woningen op aarde.
Maar, zeiden zij, dit algemene denkbeeld dat door de hemelen invloeit, verdwijnt
aanstonds wanneer men de vraag op de voorgrond plaatst, of het zo is, en zich
daaromtrent met onderzoekingen inlaat, wat in het bijzonder bij de geleerden geschiedt
die door hun eigen verstand de hemel voor zich hebben toegesloten en de ingang
van het licht dat daaruit straalt. Eveneens gaat het zo met het geloof aangaande
het leven van de mens na de dood; hij die erover spreekt en die tegelijkertijd
niet denkt volgens hetgeen de wetenschap over de ziel heeft gezegd, en evenmin
volgens de leer van de hereniging met het lichaam, gelooft dat de mens na de dood
zal leven en wel onder de engelen als hij goed geleefd heeft, en dat hij dan heerlijkheid
en vreugde genieten zal. Maar zodra hij zich wendt tot de leer betreffende de
hereniging van het lichaam of tot de hypothese van de ziel, en de gedachte bovenkomt:
Bestaat de ziel wel? en bijgevolg, of het zo is, dan verdwijnt zijn vroegere mening
aanstonds. 184.
Maar het is beter de getuigenis van de ervaring aan te voeren. Steeds als ik oog
in oog met de engelen sprak, was ik bij hen in hun woningen. Deze woningen zijn
geheel als de woningen op aarde, die wij huizen noemen, alleen zijn ze fraaier.
Daarin bevinden zich zalen, kamers en slaapkamers in groten getale; zij hebben
hoven en rondom tuinen, bossages en velden. Waar zij bij elkaar leven, zijn hun
woningen aaneengesloten en vormen tezamen een stad met straten, stegen en pleinen,
geheel op de manier als de steden op aarde. Het werd mij gegeven er door te wandelen,
overal rond te kijken en hier en daar de huizen binnen te treden. Dit geschiedde,
als mijn innerlijk gezicht geopend werd en toch mijn lichaam volledig wakker was.
185.
Ik zag hemelse paleizen die zo heerlijk waren dat zij niet beschreven kunnen worden;
boven schitterden zij als waren ze van zuiver goud en beneden
alsof ze van edele gesteenten waren, het ene paleis was schitterender dan het
andere. Van binnen was dat evenzo; de vertrekken waren van versieringen voorzien
die wegens gebrek aan woorden en kennis niet door ons beschreven kunnen worden.
Aan de zijde die naar het zuiden was gekeerd waren paradijzen, waarin alles op
dezelfde wijze glinsterde en op sommige plaatsen de bladeren als van zilver en
de vruchten als van goud waren; de bloemen in hun bedden vormden door hun kleuren
als het ware regenbogen. Aan de grenzen waar het uitzicht zich verloor, verschenen
weer paleizen. De werken van de bouwkunst in de hemel zijn van dien aard, dat
men zou zeggen, dat hier de kunst in zijn kunst is, wat ook geen wonder is, daar
de kunst zelf uit de hemel komt. De engelen zeiden, dat dergelijke dingen en ontelbaar
meerdere, die nog volmaakter zijn, door de Heer voor hun ogen werden gebracht,
maar dat die nog meer hun gemoed dan hun ogen bekoren en wel, omdat zij in de
enkele dingen de overeenstemmingen zien en door de overeenstemmingen het Goddelijke.
186.
Met betrekking tot de overeenstemmingen werd mij geleerd, dat niet alleen de paleizen
en huizen, maar ook alle dingen in het algemeen en in het bijzonder, die daarin
en daarbuiten zijn, overeenstemmen met het innerlijk, dat door de Heer bij hen
is; dat het huis zelf in het algemeen overeenstemt met hun goedheid en dat alles
wat in de huizen is, overeenstemt met de verschillende dingen, waaruit dat goede
bestaat en wat buiten de huizen is met de waarheden die zij uit het goede hebben
en ook met hun gewaarwording en kennis. Daar zij nu met het goede en ware overeenstemmen,
dat bij hen van de Heer is, zo stemmen zij ook met hun liefde en dus met hun wijsheid
en inzicht overeen, daar de liefde tot het goede behoort, de wijsheid tot het
goede en tegelijkertijd tot het ware, en het inzicht tot het ware uit het goede;
zulke dingen worden de engelen gewaar, wanneer zij om zich heen zien en daarom
worden meer hun gemoederen dan hun ogen aangedaan en verlustigd. 187.
Daaruit werd duidelijk, waarom de Heer zich de tempel noemde, die te Jeruzalem
was (Johannes 2:19,21); en waarom het Nieuwe Jeruzalem als uit louter goud scheen
te bestaan, zijn poorten uit paarlen en de grondslagen uit kostbare stenen (Apocalyps,
hoofdstuk 21); namelijk, omdat de tempel het Goddelijk Menselijke van de Heer
voorstelde, het Nieuwe Jeruzalem de kerk betekent, die later gegrondvest zou worden;
de twaalf poorten de waarheden die tot het goede voeren, en de grondslagen de
waarheden
waarop zij rust. 188.
De engelen uit wie het hemelse rijk van de Heer bestaat, wonen meestal op verheven
plaatsen die op bergen van de aarde lijken; de engelen uit wie het geestelijke
rijk van de Heer bestaat, wonen op minder verheven plaatsen die op heuvels lijken;
de engelen echter die in de laagste delen van de hemel zijn, wonen op plaatsen,
die op rotsmassa's lijken. Ook deze dingen bestaan volgens overeenstemmingen,
want het innerlijk komt overeen met het hogere en het uitwendige met het lagere;
vandaar, dat bergen in het Woord hemelse liefden betekenen, heuvels geestelijke
liefden en rotsen geloof 189.
Er zijn ook engelen, die niet in gezelschap maar afgezonderd leven, huis voor
huis; deze wonen in het midden van de hemel, daar zij de beste onder de engelen
zijn. 190.
De huizen, waarin de engelen wonen, worden niet als de huizen op aarde gebouwd,
maar hen om niet door de Heer geschonken, een ieder naar de mate van zijn opneming
van het goede en ware; ook veranderen zij enigszins naarmate de veranderingen
van staat van het innerlijk van de engelen (zie nr. 154 tot 160). Alles wat de
engelen ooit bezitten, erkennen zij van de Heer ontvangen te hebben en alles,
wat zij ook behoeven, wordt hen geschonken. |  |
|
81 |
- Welk
mens met een gezond verstand,
- kan
niet zien dat onder de dingen,
- die
over Adam worden vermeld,
- niet
enige staat van de eerst geformeerde mens wordt verstaan,
- maar
de staten der Kerk?
Coronis 33 Welk
mens met een gezond verstand, kan niet zien dat onder de dingen, die over Adam
worden vermeld, niet enige staat van de eerst geformeerde mens wordt verstaan,
maar de staten der Kerk? Zo bijvoorbeeld, dat God midden in de tuin twee bomen
had gesteld, en dat de mens door te eten van de ene boom het eeuwige leven had,
en door te eten van de andere boom de eeuwige dood; en dat Hij de laatstgenoemde
maakte goed tot spijze, appetijtelijk voor de ogen, en verlangenswaardig om verstand
te geven (Hoofdstuk III: 6), dus als het ware om hun zielen te betoveren; voorts,
dat Hij een slang toezond, en haar toestond om woorden van bedrog tot de vrouw
te spreken in tegenwoordigheid van haar echtgenoot, die een beeld en een gelijkenis
van God was; en dat Hij heeft geduld dat zij verstrikt werden door vleierijen
en spitsvondigheden; alsmede waarom Hij niet voorziening heeft getroffen, omdat
Hij het vooruitzag, dat zij, en vanuit hen het ganse menselijke geslacht, niet
voorover in de verdoemenis van Zijn vervloeking zouden vallen; want men leest
in de orthodoxe boeken van de Christenen: dat vanuit deze oorspronkelijke zonde
(oerzonde, de term "erfzonde" is niet strikt volgens de Formula Concordiae), in
de plaats van het verloren beeld van God, in het binnenste van de mens, er de
slechtste, diepste en ondoorgrondelijke en onuitsprekelijke verdorvenheid van
zijn ganse natuur en van al zijn krachten is; en dat zij de wortel is van alle
daadwerkelijke boosheden (Formula Concordiae, blz. 640); en dat God de Vader die
universele verdoemenis van Zijn aangezicht heeft afgewend, en Zijn Zoon in de
wereld heeft gezonden, Die haar op zich zou nemen, en Hem aldus gunstig zou stemmen:
behalve tal van dingen meer, die in ieders oog onverenigbaar zijn met God. Wie
kan niet uit deze dingen, in de historische zin verstaan, redelijkerwijs besluiten,
om vergelijkingen te gebruiken, dat het zou zijn, alsof iemand aan zijn beschermeling
het meest welvarende stuk land zou geven, en daarin een put graven die hij met
planken bedekt en die bij aanraking van hand of voet ineenstorten; en in het midden
op een voetstuk een hoer plaatst, bekleed met purper en scharlaken, en die in
de hand een gouden beker houdt (zoals die in de Apocalyps, XVII: 4), en de man
met vleierijen tot zich lokt, en aldus bewerkt dat hij in de put valt en verdrinkt?
Wat zou dit anders zijn dan alsof iemand aan zijn vriend een weelderig graanveld
ten geschenke geeft, en in het midden ervan voetklemmen verbergt, en een sirene
uitzendt die hem door verleiding van haar gezang en zachte stem naar die plaats
lokt, en maakt, dat hij in de strik vast raakt waaruit hij zijn voet niet kan
losmaken? Ja, het zou, om nog een vergelijking te gebruiken, zijn alsof iemand
een edele gast in zijn huis binnenleidt, waarin twee eetkamers zijn, en in elk
daarvan tafels; aan de ene zitten engelen, en aan de andere drekdemonen, en op
de tafel van de laatsten staan bekers vol zoete maar vergiftigde wijn, en schotels
met gerechten waarin akoniet is; en hij laat toe dat de demonen daar de orgiën
van Bacchus uitvoeren en als potsemakers optreden, en tot deze drinkgelagen en
feestmalen uitnodigen. Maar, mijn vriend, deze dingen die aangaande Adam worden
vermeld, aangaande de Tuin Gods, en ten aanzien van de beide bomen daarin, verschijnen
onder een gans andere gedaante, wanneer zij geestelijk worden begrepen, dat wil
zeggen, door de geestelijke zin worden omzwachteld; dan ontwaart men dat onder
Adam, als toonbeeld, de Oudste Kerk wordt verstaan; en dat met de veranderingen
van diens leven de opeenvolgende staten van die Kerk worden beschreven. De Kerk
immers in de aanvang is al een opnieuw geschapen mens, die een natuurlijk en een
geestelijk gemoed heeft; en al voortschrijdend van geestelijk natuurlijk, en tenslotte
zinlijk wordt, en die niets gelooft dan wat de zinnen van het lichaam dicteren:
en deze mens verschijnt in de hemel zittend op een beest dat de kop achterom buigt,
en de mens, die daarop zit, met zijn tanden bijt, kwetst en verscheurt; maar de
waarlijk geestelijke mens verschijnt in de hemel ook als zittend op een beest,
maar op een getemd beest, hetwelk hij met zachte teugels en eveneens op zijn wenken
regeert. |  |
|
82 |
- De
staat van de Oudste Kerk was van dien aard
- dat
die innerlijke gemeenschap had met de hemel,
- dus
door de hemel met de Heer.
Hemelse
Verborgenheden 784. 'Jehovah
sloot achter hem toe', (Genesis 7:16). Dit
betekent dat de mens niet langer omgang zou hebben met de hemel, zoals de mens
van de hemelse Kerk had. Het is hiermee als volgt gesteld: de staat van de Oudste
Kerk was van dien aard dat die innerlijke gemeenschap had met de hemel, dus door
de hemel met de Heer. Men was in de liefde tot de Heer en zij die in de liefde
tot de Heer zijn, zijn als engelen, slechts met dit onderscheid, dat ze met een
lichaam bekleed zijn; hun innerlijk was geopend en stond open tot aan de Heer.
Anders was het daarentegen gesteld met deze nieuwe Kerk - de Kerk die Noach wordt
genoemd. Deze bevond zich niet in de liefde tot de Heer, maar in het geloof, en
door het geloof in de liefde tot de naaste. Zij konden niet, zoals de Oudsten,
een innerlijke band hebben, maar een uiterlijke. Doch het zou te ver voeren om
te zeggen van welke aard deze twee soorten van communicatie waren. Ieder mens,
ook de goddeloze, is verbonden met de engelen bij hem, maar met een verschil in
gradatie: dichterbij of verderaf, anders zou de mens niet kunnen bestaan. De graden
van deze communicatie zijn onbegrensd in aantal. Een geestelijk mens kan geenszins
zo'n communicatie hebben als een hemels mens, omdat de Heer in de liefde is en
niet zozeer in het geloof. Dit nu is het, wat wordt aangeduid met de woorden:
'Jehovah sloot achter hem toe'. Na deze tijden was de hemel ook nooit meer geopend,
zoals voor de mens van de Oudste Kerk; weliswaar spraken later sommigen met geesten
en engelen zoals Mozes, Aäron en anderen, maar op een geheel andere wijze, waarover,
door de goddelijke barmhartigheid van de Heer, in hetgeen volgt. De reden waarom
de hemel is gesloten, is een allerdiepste verborgenheid en ook dat de hemel heden
ten dage dermate gesloten is, dat de mens zelfs niet eens weet, dat er geesten,
en nog minder, dat er engelen bij hem zijn. Hij gelooft geheel alleen te zijn,
wanneer hij in de wereld niet in gezelschap is en met zijn eigen gedachten bezig
is. Niettemin is hij steeds in het gezelschap van geesten, die waarnemen en gewaarworden
wat de mens denkt, beoogt en beraamt, even goed en duidelijk, alsof dit gebeurde
in tegenwoordigheid van alle mensen in de hele wereld. Dit weet de mens in het
geheel niet en dus is de hemel voor hem gesloten, niettemin is het de volste waarheid.
De reden hiervan is deze: wanneer de hemel bij hem niet zo gesloten zou zijn,
zou het, daar hij in geen geloof is, nog minder in de waarheden van het geloof,
en nog veel minder in de naastenliefde, hoogst gevaarlijk voor hem zijn. Dit is
ook daarmee aangeduid: 'Dat Jehovah God de mens wegzond en Cherubim wonen deed
aan de opgang van de hof van Eden, en de vlam van het zich wendende zwaard, om
te bewaren de weg van de boom des levens', (Genesis 3:24), [301-2-3]. | |