WAARUIT BESTAAT DE MENS ?

Uit ziel, gemoed (of geest) en lichaam.

 Echtelijke Liefde 101:

Twee echtelieden zijn die vorm – de ware gelijkenis van het huwelijk tussen het goede en het ware - in hun binnenste dingen, en vandaar in de volgende dingen daaruit, naarmate de innerlijke dingen van hun gemoed geopend zijn. Het zijn drie dingen waaruit de mens bestaat, en die in orde bij hem volgen: de ziel, het gemoed, en het lichaam. Het binnenste van hem is de ziel, het middelste van hem is het gemoed, en het laatste van hem is het lichaam. Al wat invloeit uit de Heer in de mens, vloeit in het binnenste van hem in, wat de ziel is, en daalt daaruit neer in het middelste van hem, wat het gemoed is, en door dit in het laatste van hem, wat het lichaam is. Zo vloeit het huwelijk van het goede en het ware uit de Heer bij de mens in; onmiddellijk in de ziel van hem, en daaruit gaat het voort tot de volgende dingen, en door deze tot de uiterste; en zo zijn zij in verbinding, en maken zij de echtelijke liefde. Uit de idee van deze invloed blijkt dat twee echtelieden die vorm zijn in hun binnenste dingen, en vandaar in de volgende dingen daaruit.

Echtelijke Liefde 158 (gedeeltelijk):

De echtelijke liefde verbindt de twee zielen en vandaar de twee gemoederen tot één. Ieder mens bestaat uit een ziel, een gemoed, en een lichaam. De ziel is het binnenste van hem, het gemoed is het middelste van hem, en het lichaam het laatste. Omdat de ziel het binnenste van hem is, is zij van oorsprong hemels; en omdat het gemoed het middelste van hem is, is dat van oorsprong geestelijk; en omdat het lichaam het laatste is, is dit van oorsprong natuurlijk.

Gemeenschap tussen ziel en lichaam 8: 

Tot nu toe werd door geleerde mensen de geestelijke influx (instroming) van de ziel in het lichaam onderwezen, maar nog niet een influx in de ziel zelf en via de ziel in het lichaam; ofschoon het wel bekend is dat al het goede van de liefde en al het ware van het geloof vanuit God in de mens vloeien en dat deze nog niet voor het kleinste deel hun oorsprong aan de mens zelf ontlenen. Bovendien vloeien de dingen die uit God voortvloeien allereerst in de menselijke ziel, door de ziel in het verstandelijke -hogere - gemoed en door dit laatste in de dingen die het menselijk lichaam vormen. Als iemand zou proberen de geestelijke instroming op enige andere manier te onderzoeken, dan zou hij lijken op iemand die de wel van een bron dichtstopt en toch blijft zoeken naar een aanhoudende stroom water; of op iemand die de oorsprong van een boom toeschrijft aan zijn wortel en niet aan zijn zaad; of tenslotte op iemand die de afleidingen onderzoekt, gescheiden van de oorsprong ervan.

De ziel is in feite niet het leven in zichzelf, maar ze is een opnameorgaan (receptakel) van het leven dat voortkomt uit God, die het leven in Zichzelf is; alle instroming behoort tot het leven en is daarom uit God. Dit is de betekenis van de volgende woorden: "Jehovah God blies in de neusgaten van de mens de ziel van het leven, zo werd de mens tot een levende ziel", (Genesis 2:7). De ziel van het leven in de neusgaten blazen betekent begiftigen met het vermogen om het goede en het ware op te merken; en de Heer zegt ook van Zichzelf: "Want zoals de Vader het leven heeft in Zichzelf, zo heeft Hij ook de Zoon gegeven leven in Zichzelf te hebben", (Johannes 5:26). Het leven in zichzelf te hebben betekent God te zijn; en het leven van de ziel is het leven dat vanuit God invloeit. Aangezien nu alle instroming tot het leven behoort en dit leven werkt door middel van zijn opnameorganen, en het binnenste of allereerste van deze opnameorganen in de mens zijn ziel is, dan volgt daaruit dat men, om een juist begrip van influx te hebben, met God moet beginnen en niet vanuit een tussenliggend standpunt; anders zou de leer over de influx als een wagen zonder wielen of een schip zonder zeilen zijn. Omdat dit nu het geval is, werd er in het voorafgaande gesproken over de Zon van de geestelijke wereld, in het midden waarvan Jehovah God is, en over de influx van liefde en wijsheid en bijgevolg het leven daaruit. Het leven vloeit langs de weg van de ziel vanuit God in de mens, vervolgens via de ziel in zijn gemoed, dat wil zeggen, in zijn neigingen en gedachten, en van hieruit in de zintuigen van zijn lichaam, in de spraak en de handelingen. De oorzaak hiervan is dat deze dingen in die volgorde tot het leven behoren. Het gemoed is in feite ondergeschikt aan de ziel, en het lichaam op zijn beurt aan het gemoed.

Het gemoed heeft evenwel twee levens: het ene van de wil, het andere van het verstand. Het leven van de wil is het goede van de liefde, en wat daaruit voortkomt worden neigingen genoemd. Het leven van het verstand is het ware van de wijsheid, en wat daaruit voortkomt heten gedachten. Door deze neigingen en gedachten leeft het gemoed - terwijl het leven van het lichaam bestaat in de gewaarwording, in de spraak en in de handelingen. Dat deze dingen uit de ziel komen en langs de weg van het gemoed gaan, volgt uit de orde waarin ze zijn; en in deze volgorde vertonen zij zich duidelijk voor de ogen van een wijs mens, zonder diepgaand onderzoek.

Aangezien de menselijke ziel een geestelijke substantie van hogere orde is, ontvangt zij de influx direct van God; terwijl het menselijke gemoed of de menselijke geest, wat een geestelijke substantie van lagere orde is, de influx van God via de geestelijke wereld opneemt. En het lichaam, dat uit natuurlijke substanties bestaat die materie genoemd worden, ontvangt de influx vanuit God door middel van de natuurlijke wereld. Het goede van de liefde en het ware van de wijsheid samen verenigd, dat wil zeggen tot één verbonden in de ziel van de mens vloeien vanuit God binnen, maar worden in hun voortgang door de mens gescheiden en slechts samengevoegd in de geest van hen die toelaten dat God hen leidt.

 

bron: Emanuel Swedenborg