WETEN GEESTELIJKE WEZENS DAT ZIJ BIJ EEN MENS ZIJN ?
 
Slechts wanneer het de Heer behaagt,
ter wille van enig nut,
is communicatie met de mens toegestaan.
 
 

Hemel en Hel 249 (gedeeltelijk):

...dat het niet aan anderen wordt gegeven om met de engelen van de hemel te spreken dan aan hen bij wie de innerlijke dingen zijn geopend door de Goddelijke ware dingen tot aan de Heer toe, want in die vloeit de Heer bij de mens in, en wanneer de Heer invloeit, vloeit ook de hemel in.
De invloed van de geestelijke engelen bij de mens is in zijn hoofd, rondom, van het voorhoofd en de slapen tot elk deel waaronder het cerebrum is, omdat die streek van het hoofd overeenstemt met het inzicht. De invloed echter van de hemelse engelen is in dat deel van het hoofd wat het cerebellum is, en het achterhoofd wordt genoemd, van de oren overal vandaan in het rond tot aan de nek, want die streek stemt overeen met de wijsheid. Elk spreken van de engelen met de mens treedt langs die wegen in zijn denken binnen;
Hemel en Hel 292 (gedeeltelijk): 
Bij ieder mens zijn goede geesten en boze geesten; door de goede geesten krijgt de mens verbinding met de hemel, en door de boze geesten met de hel. Die geesten zijn in de wereld van de geesten, die midden tussen de hemel en de hel is; wanneer die geesten tot de mens komen, treden zij in geheel zijn geheugen, en vandaar in geheel zijn denken, de boze geesten in de dingen van het geheugen en van het denken die boos zijn, de goede geesten echter in de dingen van het geheugen en van het denken die goed zijn. De geesten weten in het geheel niet dat zij bij de mens zijn.
Hemel en Hel 300:
De verbinding van de hemel met de mens is niet zoals de verbinding van de mens met een ander mens, maar het is de verbinding met de innerlijke dingen die van zijn gemoed zijn, en dus met zijn geestelijke of innerlijke mens; met zijn natuurlijke of uitwendige mens is er echter verbinding door overeenstemmingen.
Hemelse Verborgenheden 99: 
Bij de geestelijke mens is het leven zo gesteld of geordend, dat de Heer weliswaar invloeit door het geloof in de dingen van zijn verstand, van zijn rede, en van zijn kennis, maar daar zijn uiterlijke mens met zijn innerlijke mens in strijd is, schijnt het hem toe als kwam het inzicht niet van de Heer, maar van hem zelf door middel van de dingen van zijn wetenschap en rede; daarentegen is het leven of de orde van het leven van de hemelse mens zo, dat het de Heer is, die door de liefde en door het geloof van de liefde invloeit in de dingen van zijn verstand, van zijn rede en van zijn kennis. En daar híj niet in strijd is, voelt hij dat dit zo is; bijgevolg, de orde die bij de geestelijke mens nog verstoord is, is bij de hemelse mens hersteld.
Zijn staat is dan deze, met de engelen in de hemel te zijn, en als het ware een van hen; want de mens is zo geschapen dat hij gedurende zijn leven op aarde tevens in de hemel is; dan zijn al zijn gedachten en al de voorstellingen van zijn gedachten, ja zelfs de woorden en handelingen geopend, en het hemelse en geestelijke daarin, en zij staan open tot aan de Heer toe, want het leven van de Heer is in eenieder en maakt, dat hij de innerlijke gewaarwording heeft.
Hemelse Verborgenheden 125 (gedeeltelijk):
De mensen van de Oudste Kerk ontvingen de erkentenissen van het ware geloof door openbaringen, want zij spraken met de Heer en met de engelen; ook werden zij onderricht door gezichten en dromen, hoogst verrukkelijke en paradijselijke. Van de Heer hadden zij een voortdurende innerlijke gewaarwording, van dien aard, dat zodra zij aan dingen dachten, die tot het geheugen behoorden, zij terstond voelden of deze wel waar en goed waren, in die mate dat wanneer het valse zich aan hen voordeed, zij er zich niet alleen van af keerden, maar er zelfs van gruwden; zo is ook de staat van de engelen.
Hemelse Verborgenheden 5862 (gedeeltelijk):
De geesten die bij de mens zijn, weten niet dat ze bij de mens zijn; dit weten alleen de engelen uit de Heer; zij zijn immers aangebonden aan zijn ziel of geest, niet echter aan zijn lichaam; de dingen immers die vanuit het denken in de spraak, en uit de wil in de daden in het lichaam worden bepaald, vloeien door de algemene invloed volgens de overeenstemmingen met de Grootste Mens geordend in de daad; daarom hebben de geesten die bij de mens zijn, met deze dingen niets gemeen; en dus spreken zij niet door de mond van de mens, wat bezetenheid zou zijn, noch zien zij door zijn ogen de dingen die in de wereld zijn, noch horen zij door de oren de dingen die daar zijn.
Laatste Oordeel 9 (gedeeltelijk):
Er is door de Heer in voorzien, dat zij onderling dienst doen aan elkaar, namelijk de engelenhemel aan het menselijk geslacht en het menselijk geslacht aan de engelenhemel. Vandaar is het dat de woningen van de engelen weliswaar in de hemel zijn, op het gezicht afgescheiden van de woningen van de mensen, maar toch zijn zij bij de mens in zijn genegenheden van het goede en het ware. Dat zij zich voor het gezicht afgescheiden voordoen, is een schijnbaarheid. Hier is het duidelijk, dat de verbinding van de engelenhemel met het menselijk geslacht zodanig is, dat de één door de ander bestaat, en dat de engelenhemel zonder het menselijk geslacht is als een huis zonder fundament.
Ware Christelijke Religie 607 (gedeeltelijk):
Dat ieder mens in gemeenschap, dat wil zeggen, in het gezelschap is met de engelen van de hemel of met de geesten van de hel, vindt hierin zijn reden, dat hij geboren is om geestelijk te worden, en dit niet mogelijk is, tenzij hij met hen die geestelijk zijn, in enige verbinding is. Dat de mens naar het gemoed in beide werelden, de natuurlijke en de geestelijke is, werd in het boek ‘Hemel en Hel’ aangetoond. Maar van deze verbinding weet de mens niet, ook niet de engel en de geest, om deze reden dat de mens, zolang hij in de wereld leeft, in de natuurlijke staat is, en de engel en de geest in de geestelijke staat, en door het onderscheid tussen het natuurlijke en het geestelijke verschijnt het een niet aan het andere.

 

bron: Emanuel Swedenborg