Wie is de naaste in collectieve zin ?
 
Het kleinere en grotere gezelschap,
het vaderland,
en het menselijk geslacht.
412 Ware Christelijke Religie.
Zij, die niet weten wat de naaste in de echte zin is, menen, dat hij geen ander is dan de mens in het enkelvoud, en dat hem weldaden bewijzen, wil zeggen de naaste liefhebben. Maar de naaste en de liefde tot hem strekken zich verder uit, en stijgen naarmate het aantal mensen groter wordt. Wie kan niet begrijpen dat meerderen in een groep liefhebben wil zeggen: de naaste meer liefhebben dan één in het bijzonder uit die groep. Dat daarom een kleiner of groter gezelschap de naaste is, komt, omdat een gezelschap een mens in het meervoud is; hieruit volgt, wie het gezelschap liefheeft, diegenen liefheeft, uit wie het gezelschap bestaat; wie daarom een gezelschap goed wil en goed doet, zorgt voor ieder afzonderlijk. Een gezelschap is gelijk een enkel mens, en zij, die in er in binnentreden, stellen als het ware ook één lichaam samen, en worden onderling onderscheiden als de leden in een enkel lichaam. Wanneer de Heer, en uit Hem de engelen, op de aarde neerblikken, zien zij een volledig gezelschap niet anders dan als één enig mens, en zijn vorm overeenkomstig de hoedanigheden van hen, die het samenstellen. Het werd mij ook gegeven een zeker gezelschap in de hemel geheel en al als één enkel mens te zien, in een gestalte gelijk aan die, waarin de mens in de wereld is. Dat de liefde jegens een gezelschap een vollere liefde jegens de naaste is dan de liefde jegens de afzonderlijke mens of het individu, komt hierin duidelijk uit, dat de waardigheden worden afgemeten naar de aard van de besturen over gezelschappen, en dat de bestuurders eerbewijzen ontvangen overeenkomstig het nut dat zij betrachten. Want er zijn in de wereld hogere en lagere ambten, die aan elkaar zijn ondergeschikt overeenkomstig hun meer of minder omvattend bestuur over gezelschappen; en diegene is de koning die het meest omvattende bestuur heeft; en eenieder geniet beloning, eer en de algemene liefde overeenkomstig de omvang van zijn ambt, en tevens overeenkomstig de goedheden van het nut, dat hij betracht. Maar de leiders van deze eeuw kunnen nut stichten, en het belang van het gezelschap behartigen, en toch niet de naaste liefhebben, zoals bijvoorbeeld diegenen, die nut stichten en de belangen van anderen behartigen ter wille van de wereld en ter wille van zichzelf, opdat zij in het oog vallen, of om daarmee de bevordering tot hogere waardigheden te verdienen. Maar ofschoon dezen in de wereld niet worden onderkend, worden zij nochtans in de hemel onderkend; daarom worden zij, die uit liefde jegens de naaste nut gesticht hebben, ook als leiders over een hemels gezelschap aangesteld, en zijn daar in glans en eer; evenwel zetten zij hun hart niet daarop, doch op de nutten. De overigen daarentegen, die uit wereld- en eigenliefde nut gesticht hebben, worden verworpen.

 

bron: Emanuel Swedenborg