Wie is de naaste in hogere graad ?
 
De Kerk,
het Rijk van de Heer,
en bijgevolg de Heer Zelf.
 
415 Ware Christelijke Religie.
Aangezien de mens geboren is voor het eeuwige leven, en in dit leven door de Kerk wordt binnengeleid, moet hij de Kerk een hogere graad liefhebben, want zij leert middelen, die tot het eeuwige leven leiden, en leidt daarin binnen. Zij leidt tot het eeuwige leven door de waarheden van de leer, en leidt daarin binnen door de goedheden van het leven. Hiermee wordt niet bedoeld, dat men het priesterschap moet liefhebben in een hogere graad, en vanuit dit de Kerk, maar dat men het goede en het ware van de Kerk moet liefhebben en ter wille daarvan het priesterschap. Het priesterschap dient slechts, en al naar het dient moet men het eren. Dat de Kerk de naaste is, die mens in een hogere graad moet liefhebben, dus ook boven het vaderland, is ook omdat de mens door het vaderland in het burgerlijk leven wordt ingewijd, maar door de Kerk in het geestelijk leven, en in dít leven de mens onderscheidt van het louter dierlijk leven. Bovendien is het burgerlijk leven een tijdelijk leven, dat een einde heeft, en dan is het alsof het niet geweest was, terwijl het geestelijk leven, aangezien het geen einde heeft, eeuwig is. Daarom kan in verband met het laatstgenoemde gesproken worden van Zijn; het onderscheid is als tussen het eindige en het oneindige ten aanzien van de tijd.
2425 Hemelse Verborgenheden.
Dat de woorden "en ik zal mij niet kunnen ontrukken naar de berg", (Genesis 19:17) de twijfel betekenen, namelijk dat hij het goede van de naastenliefde niet zou kunnen hebben, dat wil zeggen, denken en handelen uit dat goede, blijkt uit de betekenis van de berg, wat de liefde en de naastenliefde is. Wat de twijfel betreft, daarmee is het als volgt gesteld: bij hen, die in de aandoening van het ware zijn, is in de aandoening van het ware, de aandoening van het goede, maar zó duister, dat zij niet gewaarworden, en dus ook niet weten, wat de aandoening van het goede is, en wat echte naastenliefde. Zij menen weliswaar, dat zij weten, maar het is uit het ware, dus uit wetenschap, niet echter uit het goede zelf; niettemin doen zij de goedheden van de naastenliefde, niet om hierdoor iets te verdienen, maar uit gehoorzaamheid, en zulks voor zoveel zij bevatten, dat het het ware is, want zij laten zich door de Heer uit het donkere van het goede leiden door middel van het ware, dat aan hen als waar verschijnt. Zo bijvoorbeeld doen zij, daar zij niet weten wat de naaste is, eenieder goed, van wie zij menen, dat hij de naaste is, bovenal de armen, daar dezen zichzelf arm noemen, omdat zij verstoken zijn van wereldse goederen; de wezen en weduwen, omdat zij zo genoemd worden; de vreemdelingen, omdat zij zo zijn; en zo dus in al het overige. Dit doen zij zolang zij niet weten wat wordt aangeduid door: armen, wezen, weduwen, vreemdelingen, en anderen. Nochtans, aangezien in hun aandoening van het schijnbaar ware, zoals gezegd de aandoening van het goede in duisternis verborgen ligt, waardoor de Heer hen leidt om zo te doen, zijn zij tevens naar de innerlijke dingen in het goede, en daarin zijn bij hen de engelen, en worden daar bekoord door hun schijnbaarheden van het ware, waardoor zij worden aangedaan. Maar zij die in het goede van de naastenliefde zijn, en vandaar in de aandoening van het ware, doen alle dingen met onderscheid, want zij zijn in het licht, daar het licht van het ware nergens anders uit voortkomt dan uit het goede, aangezien door het goede de Heer invloeit. Zij doen de armen, wezen, weduwen, vreemdelingen niet goed om deze reden alleen, dat zij zo genoemd worden, want zij weten dat zij, die goed zijn, of zij armen of rijken zijn, meer dan de anderen "naasten" zijn; want door de goeden wordt het goede aan anderen gedaan, en daarom, voor zoveel zij dezen goed doen, doen zij het anderen door hen. Zij weten ook onderscheid te maken tussen goedheden en zo tussen de goeden; zij noemen het algemene goede zelf nog meer hun naaste, want hierin wordt het goede van nog veel meer mensen beoogd; zij erkennen het Rijk van de Heer op aarde, dat wil zeggen de Kerk nog meer als hun naaste, waaraan naastenliefde bewezen moet worden. Het Rijk van de Heer in de hemelen zelf nog meer. Zij, die echter de Heer boven al deze stellen, Hem alleen aanbidden en Hem boven alle dingen liefhebben, leiden van Hem de naaste in al deze graden af; want in de hoogste zin is de Heer alleen de naaste, dus al het goede is de naaste, voor zoveel het van Hem komt. Maar zij, die in tegenovergestelde dingen zijn, leiden de graden van de naaste van zichzelf af, en erkennen alleen hen als de naaste, die hen begunstigen en dienen, en noemen ook geen anderen broeders en vrienden, en dit met een onderscheid naar gelang zij één met hen uitmaken. Hieruit kan blijken wat de naaste is, namelijk dat iemand voor een ieder de naaste is overeenkomstig de liefde, waarin hij is; en dat hij waarlijk de naaste is, die in de liefde tot de Heer is en in de liefde jegens de naaste, en dit met alle onderscheid; dus het is het goede zelf bij een ieder, dat dit bepaalt.

 

bron: Emanuel Swedenborg