WAT NEEMT DE MENS MET ZICH MEE IN HET ANDERE LEVEN?

 

Alles wat hij ooit gevoeld, gedacht en gedaan heeft,

vanaf het eerste tot het laatste moment van zijn leven.

 

Hemelse Verborgenheden 2049 (4) (gedeeltelijk):

.....maar de leerstellingen of erkentenissen van het geloof zijn niettemin hoogst noodzakelijk voor de vorming van het leven van de naastenliefde, dat zonder deze niet gevormd kan worden; het is dit leven, dat na de dood zalig maakt, en geenszins enig leven van het geloof zonder deze, want zonder de naastenliefde is er geen leven van het geloof bestaanbaar. Zij, die in het leven van de liefde en naastenliefde zijn, zijn in het leven van de Heer; niemand kan met Hem door een ander leven verbonden worden; hieruit blijkt ook, dat de waarheden van het geloof nooit erkend kunnen worden, dat wil zeggen, dat de erkenning van deze waarheden, waarover men spreekt, alleen uitwendig en met de mond mogelijk is, wanneer zij niet in de naastenliefde zijn ingeplant; want innerlijk of met het hart worden zij geloochend; want alle waarheden hebben, zoals gezegd, de naastenliefde tot einddoel, en wanneer deze daarin niet woont, worden zij innerlijk verworpen. De innerlijke dingen vertonen zich zoals zij zijn, wanneer de uitwendige dingen worden weggenomen, zoals in het andere leven geschiedt, dat wil zeggen, dat zij zich geheel en al tegenovergesteld aan alle waarheden van het geloof vertonen; het is volslagen onmogelijk om in het andere leven een leven van naastenliefde te ontvangen of van wederkerige liefde te ontvangen, wanneer men er geen in het leven van het lichaam gehad heeft, want het leven van het lichaam in de wereld blijft de mens na de dood bij......

 

Hemelse Verborgenheden 2116 (gedeeltelijk):

Wat echter de rechtvaardigmaking betreft, daarmee is het niet zo gesteld, als de gewone gangbare mening wil, namelijk dat alle boosheden en zonden zijn afgewassen en geheel en al uitgedelgd, wanneer men -zoals men meent- dit slechts gelooft, ook al zou men de gehele loop van zijn leven in boosheden en misdaden geleefd hebben; want ik ben volledig ingelicht, dat ook zelfs niet het allerkleinste boze dat de mens in het leven van het lichaam heeft gedacht en daadwerkelijk uitgevoerd, afgewist en uitgedelgd wordt, maar dat alles blijft tot in zijn allerkleinste bijzonderheid; het is er echter aldus mee gesteld: zij, die haatgevoelens, wraaknemingen, wreedheden en echtbreuken in de gedachten gehad en uitgevierd hebben, en dus in geen naastenliefde geleefd hebben, behouden na de dood het leven dat zij zich hebben eigen gemaakt, ja zelfs alle dingen in het algemeen en in het bijzonder van dit leven, welke achtereenvolgens terugkeren; vandaar hun martelingen in de hel; terwijl bij hen, die in de liefde tot de Heer en in de liefde jegens de naaste geleefd hebben, de boosheden van hun leven ook alle blijven, maar gematigd worden door de goedheden, welke zij door een leven van naastenliefde, toen zij in de wereld leefden, van de Heer hebben ontvangen; en aldus worden zij in de hemel geheven, ja zelfs van de boosheden afgehouden, die zij bij zich hebben, zodat zij niet verschijnen.

 

Hemelse Verborgenheden 2747:

Daar echtbreuken tegen de echtelijke liefde indruisen, kunnen echtbrekers niet met de engelen in de hemel zijn, ook omdat zij in de dingen zijn, die tegenovergesteld zijn aan het goede en ware, en dus niet in het hemels huwelijk, ook omdat zij over het huwelijk niets dan vuile voorstellingen hebben. Wanneer het huwelijk alleen maar genoemd wordt of zich de voorstellingen daarvan voordoen, zijn er in hun denkbeelden terstond wulpse, ontuchtige, ja zelfs goddeloze dingen; desgelijks wanneer de engelen spreken over het goede en het ware, denken zij zulke dingen die daartegen indruisen; want alle aandoeningen en de daaruit voortvloeiende gedachten, blijven bij de mens na de dood, zoals zij in de wereld waren. Echtbrekers zijn erop uit, de gezelschappen te vernietigen; velen van hen zijn wreed; aldus zijn zij in hun hart tegen de naastenliefde en de barmhartigheid, terwijl zij om de ellende van anderen lachen; zij willen van eenieder het zijne wegnemen, en doen dat zoveel zij maar durven. Hun vermaak bestaat daarin, vriendschappen te vernietigen en vijandschappen te verwekken. Hun godsdienstigheid bestaat daarin, dat zij zeggen een Schepper van het heelal te erkennen, en een Voorzienigheid, maar slechts een algemene, en behoud door het geloof, en dat hun niets ergers kan gebeuren dan anderen. Maar wanneer zij naar de aard van hun hart worden onderzocht, hetgeen in het andere leven geschiedt, geloven zij zelfs dit niet eens, maar in de plaats van de Schepper van het heelal denken zij de natuur, in de plaats van de universele Voorzienigheid denken zij dat die er niet is, en over het geloof denken zij niets. Al deze dingen zijn zo, omdat echtbreuken geheel en al tegen het goede en het ware indruisen. Hieruit kan eenieder oordelen, hoe zulke mensen in de hemel zouden kunnen komen.

 

Goddelijke Voorzienigheid 227 (gedeeltelijk):

Maar dat de Heer door Zijn Goddelijke Voorzienigheid aanhoudend zorg draagt en beschikt dat het boze op zichzelf kan zijn, en het goede op zichzelf, en zo, dat zij gescheiden kunnen worden. Ieder mens is zowel in het boze als in het goede; in het boze immers is hij uit zich, en in het goede uit de Heer; en de mens kan niet leven tenzij hij in het ene en het andere is, want indien hij alleen in het zelf was en zo in het boze alleen, zou hij niet iets van leven hebben, want de mens zou in deze levensomstandigheid zijn zoals verstikt, aanhoudend zieltogend, zoals een stervende in doodsstrijd; en in die levensomstandigheid zou hij uitgeblust zijn, want het boze zonder iets van goede in zich is dood; en daarom is ieder mens in het ene en het andere; maar het verschil is dat de een innerlijk in de Heer is, en uiterlijk als het ware in zich, en de ander innerlijk in zich, maar uiterlijk als het ware in de Heer; en deze is in het boze, en eerste in het goede, hoewel de een en de ander in het ene en het andere is; dat ook de boze het is, komt omdat hij in het goede van het burgerlijk en het zedelijk leven is, en eveneens uiterlijk in enig goede van het geestelijk leven; behoudens dat hij uit de Heer wordt gehouden in de redelijkheid en de vrijheid dat hij in het goede kan zijn; dit goede is het, waardoor elk mens, ook de boze, wordt geleid door de Heer. Hieruit kan gezien worden dat de Heer het boze en het goede scheidt opdat het ene innerlijk ka zijn en het andere uiterlijk, en dat Hij er zo zorg voor draagt dat zij niet worden vermengd.

Geestelijk Dagboek 4481 (Opmerkenswaardige Levende ondervindingen)

Het werd hun gezegd, dat de mens met zich in het andere leven trekt alle staten van het goede en het boze, en verder ook alle dingen die hij bedreven en die hij gedacht, geleerd en gesproken heeft, de allerkleinste dingen, en dat hij niet het minste ervan verliest; en dat die dingen geleidelijk terugkeren, zo worden zij getemperd door de Heer: voorts dat alle staten en alle gedachten, gesprekken en daden eender aanblijven die in het andere leven plaats vinden, en dit tot in het eeuwige, dus dat niets ooit vergaat.

 

bron: Emanuel Swedenborg