WAT IS DE DRIE-EENHEID IN ALLE DINGEN VAN DE SCHEPPING ?

Goddelijke Liefde 169.:

In het geschapen heelal, zowel in de grootste werken ervan als in kleinste werken, zijn die drie, namelijk: doel, oorzaak, en uitwerking; dat die drie in de grootste en de kleinste werken van het geschapen heelal zijn, is omdat God de Schepper, die de Heer uit het eeuwige is, die drie zijn; maar omdat Hij oneindig is, en oneindige dingen in het Oneindige onderscheiden één zijn (zoals boven in de nummers:17-20 is aangetoond), zijn daarom eveneens die drie in Hemzelf, en de drie in de oneindige dingen van Hemzelf, zijn onderscheiden één; vandaar is het, dat het heelal, dat geschapen is uit het Zijn van Hemzelf, en ten aanzien van de nutten beschouwd het beeld van Hemzelf is, die drie verkregen heeft in al zijn delen en zijn afzonderlijke werken.

Goddelijke Liefde 213.:

Wat de liefde en de wijsheid aangaat, de liefde is het doel, de wijsheid de oorzaak, en het nut is de uitwerking; en het nut is de samenvatting, het samenhoudende, en de basis van de wijsheid en de liefde; en het nut is een zodanige samenvatting en een zodanig samenhoudende, dat alle dingen van de liefde en alle dingen van de wijsheid daadwerkelijk daarin zijn; het is het gelijktijdige ervan. Maar men moet terdege weten dat alle dingen van de liefde en van de wijsheid die gelijkslachtig en samenstemmend zijn, in de nuttige werken zijn, volgens die dingen welke boven in artikel nummers: 189-194 gezegd en getoond zijn.

Goddelijke Liefde 214:

In een reeks van eendere graden zijn eveneens: de aandoening, het denken, en de handeling, omdat alle aandoening betrekking heeft op de liefde, het denken op de wijsheid, en de handeling op het nut. In een reeks van eendere graden zijn de naastenliefde, het geloof en het goede werk, want de naastenliefde is van de aandoening, het geloof is van het denken, en het goede werk is van de handeling. In een reeks eendere graden zijn ook: de wil, het verstand en de uitoefening, want de wil is van de liefde en vandaar van de aandoening, het verstand is van de wijsheid en vandaar van het geloof, en de uitoefening is in het nut en vandaar in het werk. Zoals dus het nut alle dingen van de wijsheid en de liefde zijn, zo zijn de handeling, alle dingen van het denken en van de aandoening in het goede werk, en alle dingen van het geloof en de naastenliefde daarin, enzovoort; maar alle van dezelfde soort, dat wil zeggen, samenstemmend.

bron: Emanuel Swedenborg