WAT BETEKENT "HET GODDELIJK MENSELIJKE"?
De Menselijke Natuur die Jehovah God,
terwijl Hij in de wereld was,
met het Goddelijke Zelf in Hem heeft verenigd
en daardoor Goddelijk heeft gemaakt.
 
Goddelijke Liefde 221 (gedeeltelijk):
...dat de Heer in de wereld is gekomen en het menselijke heeft opgenomen opdat Hij zich in de macht zou brengen om de hellen te onderjukken, en alle dingen zowel in de hemelen als op aarde in de orde terug te brengen. Dit menselijke deed Hij aan over Zijn eerder Menselijke. Het menselijke dat Hij in de wereld daarover aandeed, was als het menselijke van de mensen in de wereld, het ene en het andere evenwel Goddelijk, en vandaar oneindig te boven gaand de eindige menselijke dingen van de engelen en van de mensen. En omdat Hij ten volle het natuurlijk Menselijke tot aan de laatste dingen ervan heeft verheerlijkt, is hij derhalve opgestaan met het ganse lichaam, anders dan enig mens. Door de aanneming van dit Menselijke trok Hij de Goddelijke Almacht aan niet slechts om de hellen te onderjukken en de hemelen in de orde terug te brengen, maar ook de hellen in het eeuwige onderjukt te houden, en de mensen te behouden.
Hemelse Verborgenheden 1414 (gedeeltelijk):
Maar hetgeen de Heer van Jehovah overerfde, was, zoals gezegd, Goddelijk. Een andere verborgenheid is deze, dat het Menselijke van de Heer ook Goddelijk geworden is; bij Hem alleen was de overeenstemming van alle dingen, die tot het lichaam behoren, met het Goddelijke allervolmaaktst of oneindig volmaakt; vandaar de vereniging van de lichamelijke dingen met de hemelse Goddelijke dingen, en van de zinnelijke dingen met de geestelijke Goddelijke dingen; Hij was aldus de volmaakte Mens, en de Enige Mens.
Hemelse Verborgenheden 2083 (gedeeltelijk):
De Heer heeft uit eigen macht alles wat menselijk bij Hem was, Goddelijk gemaakt, dus niet alleen het redelijke, maar ook het inwendig en uitwendig zinnelijke, en dus het lichaam zelf; op deze wijze heeft Hij het Menselijke met het Goddelijke verenigd. Dat niet alleen het redelijke, maar ook het zinnelijke, dus het gehele lichaam, eveneens Goddelijk en Jehovah is geworden, werd eerder aangetoond; en het kan eenieder hieruit duidelijk worden, dat alleen Hij naar het lichaam uit de dood is opgestaan, en gezeten is aan de rechterhand van de Goddelijke macht, zowel ten aanzien van al het Goddelijke als ten aanzien van al het Menselijke.
 
 
WAT IS HET VOORDEEL DAARVAN?
 
Wanneer de mens met de voorstelling van God als Goddelijk Mens tot Hem nadert,
dan is de Heer God door Zijn Goddelijk Menselijke bij hem tegenwoordig.
 
Goddelijke Liefde 11 (gedeeltelijk):
Dat God de Mens Zelf is, In alle hemelen is niet een ander idee van God dan de idee van de Mens. De oorzaak is omdat de hemel in geheel en in elk deel de vorm zoals een Mens is, en het Goddelijke dat bij de engelen is, de hemel maakt; en het denken gaat volgens de vorm van de hemel; en daarom is anders denken over God voor de engelen onmogelijk. Vandaar is het dat al degenen die in de wereld verbonden zijn met de hemel, eender over God denken wanneer zij innerlijk in zich of in hun geest denken. Daarvanuit dat God is Mens, zijn alle engelen en alle geesten in volmaakte vorm mensen; de vorm van de hemel maakt dit, en deze is in grootsten en in kleinsten aan zichzelf gelijk. Dat de hemel in het geheel en in elk deel in de vorm als een Mens is, kan men zien in het werk ‘hemel en Hel’, hoofdstuk 59-87.
Ware Christelijke Godsdienst 107 (gedeeltelijk):
Dat Jehovah God, die Schepper en Vader genoemd wordt, neerdaalde en het menselijke aannam ook met het doel, dat Hij zou kunnen worden benaderd en verbonden, werd in de voorafgaande dingen van dit hoofdstuk bevestigd, duidelijk gemaakt, en vastgesteld. Want wie die zich tot een mens wendt, wendt zich tot diens ziel? en wie kan dat? Hij wendt zich immers tot de mens zelf, die hij van aangezicht tot aangezicht ziet, en met wie hij van mond tot mond spreekt. Evenzo is het gesteld met God de Vader en de Zoon; want God de Vader is in de Zoon, zoals de ziel in haar lichaam.
Ware Christelijke Religie 787 (gedeeltelijk):
Dat deze Nieuwe Kerk de kroon is van alle Kerken, die tot nog toe op de aarde geweest zijn, komt omdat zij één zichtbare God vereert, in wie de onzichtbare God is gelijk de ziel is in het lichaam. Dat de verbinding van God met de mens zo en op geen andere wijze mogelijk is, komt omdat de mens natuurlijk is, en vandaar natuurlijk denkt, en de verbinding plaats moet vinden in het denken, en dus in de aandoening van zijn liefde, en dit geschiedt, wanneer de mens over God als Mens denkt.
Goddelijke Voorzienigheid 326 (gedeeltelijk):
De erkenning van God maakt de verbinding van God met de mens, en van de mens met God; en de ontkenning van God maakt de ontbinding.
Sommigen kunnen denken dat zij die God niet erkennen evengoed gezaligd kunnen worden als zij die erkennen, als zij slechts een zedelijk leven leiden, en zeggen dan: Wat haalt de erkenning uit; is dat niet alleen een denken; kan ik niet gemakkelijker erkennen wanneer ik als zeker weet dat God is; ik heb over Hem gehoord, maar ik heb Hem niet gezien; maak dat ik zie en ik zal geloven. Zo’n taal hebben velen die God ontkennen wanneer het hun geoorloofd is vrij te redeneren met een erkenner van God. Maar dat de erkenning van God verbindt, en de ontkenning van God ontbindt, zal worden toegelicht door zekere dingen die mij bekend zijn in de geestelijke wereld. Wanneer daar iemand over een ander denkt en met hem wil spreken, vertoont zich de ander terstond tegenwoordig; dit is daar gewoon en mist nooit; de oorzaak is omdat er in de geestelijke wereld geen afstand is zoals in de natuurlijke wereld, maar omdat er slechts een schijn van afstand is. Het andere is, dat zoals het denken vanuit de ene of andere erkentenis over een ander diens tegenwoordigheid bewerkt, dus de liefde vanuit de een of andere aandoening jegens een ander verbinding bewerkt, van waaruit het geschiedt dat zij tezamen gaan en vriendschappelijk samenspreken, en in één huis wonen of in één gezelschap, en meermalen samenkomen, en elkaar wederzijdse diensten bewijzen; het tegendeel geschiedt ook, als dat wie een ander niet liefheeft en te meer wie een ander haat, hem niet ziet noch met hem samenkomt, en dat zij op een afstand van elkaar zijn volgens de graad waarin hij niet liefheeft of waarin hij haat, ja zelfs indien de ander tegenwoordig is en hij dan zich zijn haat herinnert, wordt die onzichtbaar. Uit dit weinige kan vaststaan vanwaar de tegenwoordigheid is, en vanwaar de verbinding in de geestelijke wereld, namelijk dat de tegenwoordigheid is vanuit de herinnering aan de ander met het verlangen van hem te zien, en dat de verbinding is vanuit de aandoening die van de liefde is. Evenzo is het gesteld met alle dingen die in het menselijk gemoed zijn; daarin zijn talloze dingen, en de afzonderlijke dingen daarin zijn vergezelschapt en verbonden volgens de aandoeningen, of naar gelang het ene het andere liefheeft. Deze verbinding is de geestelijke verbinding die aan zichzelf gelijk is in de algemene en de bijzondere dingen. Deze geestelijke verbinding ontleent de oorsprong aan de verbinding van de Heer met de geestelijke wereld, en met de natuurlijke wereld, in het algemene en in het bijzondere. Waaruit blijkt dat voor zoveel als iemand de Heer leert kennen, en vanuit de erkentenissen over Hem denkt, de Heer aanwezig is, en voor zoveel als iemand Hem erkent vanuit de aandoening van de liefde, de Heer met hem verbonden is.
 
 

 

bron: Emanuel Swedenborg