WAT IS TE VERSTAAN ONDER DE GODDELIJKE DRIE-EENHEID?

De Drievuldigheid gelijk aan die van de ziel, het lichaam en de werking bij elk mens.

W 166. Ware Christelijke Godsdienst 166:

Deze drie, Vader, Zoon en Heilige Geest, zijn de drie wezenlijkheden van de ene God, die één uitmaken, zoals ziel, lichaam en werking bij de mens. Er bestaan van eenzelfde ding algemene wezenlijkheden en ook bijzondere wezenlijkheden, en deze maken met elkaar één enkel wezen uit. De algemene wezenlijkheden van één mens zijn zijn ziel, zijn lichaam en de werking. Dat deze één wezen uitmaken, kan men hieraan zien, dat het ene er is uit het andere en ter wille van het andere, in een doorlopende reeks. Want de mens heeft zijn begin uit de ziel, die het wezen zelf van het zaad is; de ziel begint niet alleen, maar brengt ook alle dingen, die tot het lichaam behoren, in hun volgorde voort, en daarna de dingen, die vanuit deze beide, ziel en lichaam, tegelijkertijd voortgaan en werkingen genoemd worden. Vandaar blijkt duidelijk uit de voortbrenging van het een uit het ander en de daaruit voortvloeiende enting en verbinding, dat deze drie tot één Wezen behoren, waarom zij drie wezenlijkheden worden genoemd

 

WAT IS DE VADER?

Het Oneindig Goddelijke Zelf, dat het Goddelijk Goede, of de Goddelijke Liefde is.

Ware Christelijke Godsdienst 3 (gedeeltelijk):

Het geloof van de nieuwe hemel en van de nieuwe Kerk in zijn afzonderlijke vorm, is dit: Dat Jehovah God de Liefde Zelf en de Wijsheid Zelf is, of dat Hij het Goede Zelf of het Ware Zelf is; en dat Hij ten aanzien van het Goddelijk Ware, dat het Woord is, en hetwelk God was bij God, neerdaalde en het menselijke aannam, met het doel om alle dingen, die in de hemel, en alle dingen, die in de hel, en alle dingen, die in de Kerk waren, in de orde te stellen; want toentertijd vermocht de macht van de hel over de macht van de hemel, en op aarde de macht van het boze over de macht van het goede, en dientengevolge stond een algehele verdoemenis dreigend voor de deur. Deze in het verschiet liggende verdoemenis heeft Jehovah God door Zijn Menselijke, dat het Goddelijk Ware was, opgeheven, en aldus de engelen en de mensen verlost. En daarna heeft Hij in Zijn Menselijke, het Goddelijk Ware met het Goddelijk Goede verenigd of de Goddelijke Wijsheid met de Goddelijke Liefde; en op deze wijze is Hij teruggekeerd in Zijn Goddelijke, waarin Hij uit het eeuwige geweest is, tezamen met en in het verheerlijkt Menselijke.

Dit wordt bedoeld door het volgende bij Johannes: "Het Woord was bij God, en God was het Woord; en het Woord is vlees geworden", (Johannes 1:1,14) en bij dezelfde: "Ik ben uit de Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen; wederom verlaat Ik de wereld, en ga heen tot de Vader" (Johannes 16:28); en verder door het volgende: "Wij weten dat de Zoon van God gekomen is, en ons het inzicht gegeven heeft, dat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus; deze is de ware God, en het eeuwige leven" (Johannes, eerste brief 5:20). Hieruit blijkt duidelijk, dat zonder de Komst van de Heer in de wereld niemand zalig had kunnen worden. Evenzo is het heden ten dage gesteld; wanneer daarom de Heer niet wederom in de wereld komt in het Goddelijk Ware, dat het Woord is, kan evenmin niemand gered worden.

Hemelse Verborgenheden 3736:

Dat de woorden: "en ik ten huize mijns Vaders in vrede zal wedergekeerd zijn" (Genesis 28:21) betekenen, tot aan de volmaakte verbinding, kan hieruit blijken, dat het huis des Vaders, wanneer het op de Heer betrekking heeft, het Goddelijke Zelf is waarin de Heer was van de ontvangenis zelf aan. Wederkeren tot dat huis is wederkeren tot het Goddelijk Goede Zelf, dat de Vader wordt genoemd; en dat "wederkeren tot dat huis" wil zeggen: verenigd worden, kan duidelijk zijn. Hetzelfde werd door de Heer bedoeld, toen Hij zei, dat Hij van de Vader was uitgegaan, en in de wereld gekomen, en dat Hij wederom naar de Vader zou gaan, namelijk door het uitgaan van de Vader, dat het Goddelijke Zelf het Menselijke had aangenomen; door het komen in de wereld, dat Hij gelijk een mens was; en door het gaan naar de Vader, dat Hij het Menselijk Wezen met het Goddelijk Wezen verenigen zou. Dit werd verstaan onder hetgeen de Heer sprak bij Johannes: "Zo gij de Zoon des mensen zaagt opvaren, daar Hij tevoren was", (Johannes 6:62). Bij dezelfde: "Jezus wist, dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat Hij van God uitgegaan was, en tot God heenging; "Kinderen, nog een korte tijd ben Ik met u; waar Ik heenga, kunt gij niet komen" (Johannes 13:3,33). Bij dezelfde: "Nu ga Ik heen tot Hem, die Mij gezonden heeft; maar niemand van u vraagt Mij: Waar gaat Gij heen? Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot U niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden. Een kleine tijd en gij zult Mij niet zien; en wederom een kleine tijd, en gij zult Mij zien; want Ik ga heen tot de Vader" (Johannes 16:5,7,10,16,17). Bij dezelfde "Ik ben van de Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen; wederom verlaat Ik de wereld, en ga heen tot de Vader: (Johannes 16:28); "heengaan tot de Vader" wil in deze plaatsen zeggen: Het Menselijk Wezen met het Goddelijk Wezen verenigen.

Hemelse Verborgenheden 5110 (gedeeltelijk):

Dit Goddelijke of Dit van Jehovah in de hemel, is de Heer uit het eeuwige; hetzelfde nam de Heer eveneens aan toen Hij het Menselijke in Zich heeft verheerlijkt of Goddelijk gemaakt, hetgeen ook duidelijk blijkt uit de vorm waarin Hij voor Petrus, Jakobus, en Johannes is verschenen, toen Hij van gedaante werd veranderd, (Mattheüs 17:1,2), en eveneens waarin Hij enige malen aan de Profeten is verschenen. Vandaar nu komt het dat eenieder over het Goddelijk Zelf kan denken als over de Mens, en dan over de Heer, in Wie alles Goddelijk is en het Drievuldig volmaakte is; in de Heer immers is het Goddelijke Zelf de Vader, het Goddelijke dat Zich in de hemel manifesteert is de Zoon; en het Goddelijke daaruit voortgaande is de Heilige Geest; en dat Die één zijn, zoals Hijzelf leert, staat hieruit vast.

 Apocalyps ontvouwd 852 (gedeeltelijk):

...dat de Heer Zichzelf verstond onder de Vader, en Zijn Goddelijk Menselijke onder de Zoon Die de Vader heeft gezonden, blijkt ook uit deze dingen, want Hij zegt: die Mij ziet, ziet Hem Die Mij gezonden heeft; voorts dat wie in Mij gelooft, gelooft in Mij niet, maar in Hem Die Mij gezonden heeft;

...omdat de Vader en Hijzelf één waren, en het Menselijke van de Heer Goddelijk was vanuit het Goddelijke in Hem, waren daarom alle dingen van de Vader van Hemzelf, hetgeen daaronder wordt verstaan dat de Vader alle dingen in Zijn handen had gegeven; en omdat Zij één waren, zegt Hij: Wie Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij heeft gezonden; onder uitgaan van de Vader, en teruggaan tot de Vader, wordt verstaan ontvangen worden en zo bestaan uit Hem, en met Hem verenigd worden zoals de ziel met het lichaam. Bij dezelfde (Johannes 14:6-11) "Ik ben de weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij; indien gij Mij hadt bekend, zo zoudt gij ook Mijn Vader bekend hebben, en van nu aan hebt gij Hem bekend en hebt gij Hem gezien. Filippus zegt tot Hem: Heer, toon ons de Vader. Jezus zegt tot hem: Ben Ik zo lange tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus; die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien. Hoe dan zegt gij: Toon ons de Vader; gelooft gij niet dat Ik in de Vader ben, en de Vader in Mij is. De Vader die in Mij blijft, Die doet de werken; gelooft in Mij, dat Ik in de Vader ben, en de Vader in Mij is"; hier wordt klaarblijkend gezegd, dat de Vader en Hijzelf één zijn, en dat het één-zijn is zoals het één-zijn van ziel en lichaam; dus dat er zulk een één-zijn is, dat wie Hem ziet, de Vader ziet; en omdat het zulk een één-zijn was, en niemand tot de ziel van een mens kan gaan, maar tot de mens zelf, zegt Hij daarom dat zij tot Hem zouden gaan, en de Vader vragen in Zijn Naam, en dat Hij hun zou geven, (Johannes 16:23,24). Dat één-zijn wordt ook daaronder verstaan dat Hij is uitgegaan van de Vader, en in de wereld is gekomen, en dat Hij wederom de wereld verlaat, en gaat tot de Vader, (Johannes 16:5).

 

bron: Emanuel Swedenborg