WAT BETEKENT HET
DAT GOD DE WERELD ZO LIEFHAD,
DAT HIJ ZIJN ENIGGEBOREN ZOON GEGEVEN HEEFT ? (Johannes 3:16). 
 
 
De "Eniggeboren Zoon" betekent Zijn Menselijke,
waardoor Hij Zichzelf in de wereld gezonden heeft.
De Oneindige God, Die het Leven Zelf is,
kan Zich immers niet zó voortplanten,
dat er twee Oneindige Goddelijken zijn;
maar Hij kan wel het Menselijke aantrekken.
Daarom staat er dat de "Zoon" genaamd zou worden
God-met-ons (Jesaja 7:14).
 
Ware Christelijke Religie 92 (gedeeltelijk):
Het Menselijke, door middel waarvan God Zichzelf in de wereld gezonden heeft, is de Zoon van God. De Heer heeft herhaaldelijk gezegd, dat de Vader Hem gezonden heeft, en dat Hij uit de Vader gezonden is, zoals in, (Mattheüs 10: 40; 15 : 24; Johannes 3 : 17, 34; 5 : 23, 24, 36, 37, 38 en heel vaak elders). En dit zegt Hij, omdat onder "in de wereld gezonden worden" wordt verstaan: nederdalen en onder de mensen komen; en dit is geschied door middel van het Menselijke, hetwelk Hij door de maagd Maria heeft aangenomen; en ook is het Menselijke werkelijk de Zoon Gods, aangezien het uit Jehovah God, als Vader, ontvangen werd, overeenkomstig, (Lukas 1 : 32, 35). Hij wordt genoemd Zoon Gods, Zoon des mensen, en Zoon van Maria; en onder Zoon Gods wordt Jehovah God in Zijn Menselijke verstaan; onder Zoon des mensen, de Heer ten aanzien van het Woord; en onder Zoon van Maria het eigenlijk menselijke, dat Hij heeft aangenomen.
Ware Christelijke Religie 364 (gedeeltelijk):
De Heer vloeit met al zijn goddelijke liefde, met al zijn goddelijke wijsheid, dus met al zijn goddelijk leven bij elk mens in. In het Boek van de Schepping leest men, dat de mens geschapen werd tot een beeld van God, en dat God in zijn neusgaten de ziel van het leven inblies, (Genesis 1:27; 2:7); hiermee wordt beschreven, dat de mens een orgaan van het leven is, en niet het leven zelf; want God kon niet een ander scheppen, die aan Hemzelf gelijk was; zo Hij dit gekund had, zouden er even zovele goden als mensen zijn; en Hij kon het leven niet scheppen, evenmin als het licht geschapen kan worden; maar Hij kon de mens tot vorm van het leven scheppen, zoals Hij het oog tot een vorm van het licht schiep; evenmin kon en kan God Zijn Wezen verdelen, want dit is één en ondeelbaar. Daar nu God alleen het Leven is, zo volgt ontwijfelbaar, dat God vanuit Zijn Leven elk mens levend maakt.
 
 

 
WAT IS DAARONDER TE VERSTAAN,
DAT DIE IN DE ZOON GELOVEN
HET EEUWIGE LEVEN HEBBEN?
 
Dat die geloven, dat het Goddelijke in de Heer is,
en die leven volgens Zijn geboden,
behouden zullen worden.
Ware Christelijke Religie 2 (gedeelten):
Het geloof van de nieuwe hemel en van de nieuwe Kerk in zijn universele vorm is dit: dat de Heer uit het eeuwige, die Jehovah is, in de wereld is gekomen, om de hellen te onderwerpen, en om Zijn Menselijke te verheerlijken; en dat zonder dit geen sterveling zalig had kunnen worden; en dat diegenen behouden worden, die in Hem geloven.
Het universele van het geloof van de zijde van de mens is, dat hij gelooft in de Heer; want door in de Heer te geloven geschiedt er verbinding met Hem, en daardoor zaligmaking. In Hem geloven, wil zeggen: vertrouwen hebben, dat Hij zalig maakt; en aangezien alleen degene vertrouwen kan hebben, die goed leeft, wordt ook dit onder ‘in Hem geloven’ verstaan. Dit zegt de Heer ook bij Johannes: "Dit is de wil van de Vader, dat een eenieder, die in de Zoon gelooft, het eeuwige leven hebbe", (Johannes 6 : 40); en elders: "Die in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven; maar die in de Zoon niet gelooft, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem", (Johannes 3 : 36).
Ware Christelijke Religie 337 (gedeeltelijk):
Dat het zaligmakende geloof het geloof is in God de Zaligmaker, komt, omdat Hij God en Mens is, en Hij in de Vader, en de Vader in Hem is, en zij aldus één zijn; vandaar richten zij, die zich tot Hem richten, zich tevens ook tot de Vader, en zo dus tot één en een enig God, en er is geen zaligmakend geloof in een ander. Dat men geloven of geloof hebben moet in de Zoon van God, Verlosser en Zaligmaker, ontvangen uit Jehovah en geboren uit de maagd Maria, Jezus Christus genaamd, blijkt uit de zo vaak door Hem en later door de Apostelen herhaalde geboden. Dat het geloof in Hem door Hem bevolen werd, komt duidelijk uit in de volgende plaatsen: ‘Jezus zei: Dit is de wil van de Vader, die Mij gezonden heeft, dat eenieder, die de Zoon ziet, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uiterste dage’, (Johannes 6 : 40); ‘die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar die de Zoon niet gelooft, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem’, (Johannes3 : 36).
Ware Christelijke Religie 379 (gedeeltelijk):
Dat het ware geloof echter bij hen is, die geloven dat de Heer de Zoon van God is, komt, omdat zij ook geloven, dat Hij God is, en omdat geloof niet geloof is, wanneer het niet het geloof is in God. Dat dit punt van het geloof het voornaamste van alle waarheden is, die het geloof binnengaan, en het vormen, blijkt uit de woorden van de Heer tot Petrus, toen deze zei: ‘Gij zijt Christus, de Zoon van de levende God: zalig zijt gij, Simon; Ik zeg u: op deze rots zal Ik Mijn Kerk bouwen, en de poorten van de hel zullen dezelve niet overweldigen’, (Mattheüs 16: 16,17,18); onder de rots wordt hier, als elders in het Woord, de Heer verstaan ten aanzien van het Goddelijk Ware, en ook het Goddelijk Ware úit de Heer. Dat dit ware het voornaamste is, en gelijk een diadeem op het hoofd en gelijk een scepter in de hand van het lichaam van Christus, blijkt uit de woorden van de Heer, dat Hij op deze rots Zijn Kerk zal bouwen, en dat de poorten van de hel haar niet zullen overweldigen. Dat dit punt van het geloof van dien aard is, blijkt uit het volgende bij Johannes: ‘Zo wie beleden zal hebben, dat Jezus de Zoon van God is, God blijft in hem, en hij in God’, (I Brief 4 : 5). Behalve dit kenmerk, dat men in het ware geloof is, hetwelk enig is, bestaat er nog een tweede, namelijk, dat men gelooft, dat de Heer de God is van hemel en aarde; dit volgt uit het voorafgaande, dat Hij de Zoon van God is, en uit deze plaatsen: dat in Hem al de volheid van de Godheid is, (Colossenzen 2 : 9); dat Hij de God is van hemel en aarde (Mattheüs 28 : 18); dat alle dingen van de Vader de Zijne zijn (Johannes 3 : 35; 16 : 15). De derde aanwijzing, dat zij, die in de Heer geloven, innerlijk in het geloof in Hem zijn, dus in het ware geloof, hetwelk enig is, bestaat hierin, dat zij geloven, dat de Heer één is met God de Vader.

 

bron: Emanuel Swedenborg