WAT IS DE HOEKSTEEN VAN DE WARE CHRISTELIJKE KERK?
 
 
Het geloof in de Heer Jezus Christus
als de geïncarneerde God.
 
Hemelse Verborgenheden 9494 (gedeeltelijk):
"En zetten op haar vier hoeken", (Exodus 25:12a); dat dit betekent de vastheid, staat vast uit de betekenis van de hoeken, wat de sterkte en de vastheid is; dat de hoeken dit zijn, komt omdat daar de grootste weerstand is, en eveneens de samenschakeling van het geheel. Omdat de hoek de sterkte en de vastheid is, zodanig als die is van het Goddelijk Ware uit het Goddelijk Goede, wordt daarom de Heer ‘de Steen des Hoeks’ genoemd, bij David: "De Steen, die de bouwlieden verworpen hebben, is tot een Hoofd des Hoeks geworden", (Psalm 118 : 22; Mattheüs 21 : 42); en bij Zacharia: "Uit Jehudah zal de Hoek[steen] zijn, uit hem de nagel, en uit hem de boog des krijgs", (Zacharia 10 : 4), etc.
 
Apocalyps Onthuld 915 (gedeeltelijk):
Aangezien al het Ware van de leer vanuit het Woord moet zijn gegrondvest op de erkenning van de Heer, wordt daarom de Heer genoemd de Steen Israëls, (Genesis 49:24); voorts de Steen des Hoeks die de bouwlieden verworpen hebben, (Mattheüs 21:42; Markus 12:17,18); dat de Steen des Hoeks een steen van de fundamenten is, staat vast uit, (Jeremia 51:26). De Heer wordt ook in het Woord op vele plaatsen de Rots [Petra] genoemd, en daarom verstond Hij Zichzelf onder de Rots, toen Hij zei: "Op deze Rots zal Ik Mijn Kerk bouwen", (Mattheüs 26:18,19); en eveneens toen Hij zei: "Wie Mijn woorden hoort en deze doet, is te vergelijken met een voorzichtig man, die een huis bouwt, en legt het fundament op de rots", (Lukas 6:47, 48; Mattheüs 7: 24,25); met de Rots wordt aangeduid de Heer ten aanzien van het Goddelijk Ware van het Woord. Alle dingen van de Kerk en van de Leer ervan hebben betrekking op deze twee punten: dat men rechtstreeks tot de Heer moet gaan, en dat men moet leven volgens de geboden van de Decaloog door de boze dingen als zonden te schuwen, en dat zo alle dingen van de leer betrekking hebben op de liefde tot God en op de liefde jegens de naaste.
 
Canons: de Verlossing hoofdstuk 8: 1-7
    1. Het Woord van het Oude en het Nieuwe Testament leert, dat God in het vlees is gekomen.
    2. Alle eredienst van de Kerk vóórdat God in het vlees was gekomen, schaduwde Hem af en was gericht op Hem als later geïncarneerd; en daarvandaan en nergens anders vandaan was die eredienst Goddelijk.
    3. De in het vlees gekomen God is: Jehovah onze Gerechtigheid, Jehovah onze Verlossing, Jehovah ons Heil, en Jehovah onze Waarheid, en al deze worden verstaan onder de twee namen Jezus Christus.
    4. De niet in het vlees gekomen God kon niet tegen de hellen gestreden en ze overwonnen hebben.
    5. De niet in het vlees gekomen God kon niet verzocht zijn geworden, en nog minder aan het kruis geleden hebben.
    6. De niet in het vlees gekomen God zou niet gezien en gekend, dus ook niet benaderd en dus niet met mensen en engelen verbonden hebben kunnen worden, tenzij in het vlees geïncarneerd door Zichzelf.
    7. Het geloof in God niet in het vlees gekomen is onbestaanbaar, maar alleen in Hem in het vlees gekomen.
 

 

bron: Emanuel Swedenborg