WISTEN DE MENSEN DAT DE HEER GOD ZELF WAS ?
 
De apostelen na de opstanding en door hen van de primitieve Christelijke Kerk wel.
In een van de Brieven staat: "In Jezus Christus woont al de volheid van de Godheid lichamelijk", (Colossenzen 2:9).
En in de Apostolische Geloofsbelijdenis is er geen sprake van drie Goddelijke Personen.
 
Ware Christelijke Religie 175:
Dat de Apostolische Kerk hoegenaamd niets wist van een drievuldigheid van personen, of van drie personen van eeuwigheid aan, blijkt duidelijk uit de geloofsbelijdenis van die Kerk, die de Apostolische wordt genoemd, waarin deze woorden staan: Ik geloof in God, de Almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde, en in Jezus Christus, Zijn enige Zoon, onze Heer, die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria; en in de Heilige Geest. Daar wordt geen melding gemaakt van een Zoon van eeuwigheid aan, maar van de Zoon, ontvangen uit de Heilige Geest, en uit de maagd Maria geboren; want zij wisten van de Apostelen, dat Jezus Christus de ware God was, (I Johannes 5:20); en dat in Hem al de volheid van de Godheid lichamelijk woonde, (Colossenzen 2:9); en dat de apostelen geloof in Hem predikten, (Handelingen 20:21); en dat Hij alle macht in de hemel en op aarde had, (Mattheüs 28:18).
 
Ware Christelijke Religie 638:
Deze Apostolische Kerk kan, omdat zij de Heer God Jezus Christus vereerde, en dan tevens in Hem God de Vader, vergeleken worden met de tuin Gods; en Arius, die toen opstond, met de uit de hel gezonden slang; en het concilie van Nicea met de echtgenote van Adam, die haar echtgenoot de vrucht toereikte en hem overreedde, na het eten van welke vrucht zij aan zichzelf naakt verschenen, en hun naaktheid met vijgenbladeren bedekten. Onder hun naaktheid wordt de onschuld verstaan, waarin zij eerder waren; en onder de vijgenbladeren de waarheden van de natuurlijke mens, die allengs vervalst werden. Deze oorspronkelijke Kerk kan ook vergeleken worden met de morgenschemering en met de morgen, van waaruit de dag voortschreed tot aan het tiende uur, maar toen kwam een dikke wolk opdagen, waaronder de dag voortging tot de avond, en hierna in de nacht, waarin voor sommigen de maan opging, in het schijnsel waarvan enigen iets uit het Woord zagen, terwijl de overigen in de nachtelijke duisternis zo ver doorliepen, tot zij niets van de Goddelijkheid in het Menselijke van de Heer zagen, hoewel Paulus zegt dat ‘in Jezus Christus al de volheid van de Godheid lichamelijk woont’, (Colossenzen 2:9); en Johannes, ‘dat de Zoon Gods, die in de wereld gezonden is, de ware God en het eeuwige leven is’ (I Brief 5:20,21). De oorspronkelijke of Apostolische Kerk heeft nooit kunnen vermoeden, dat na haar een kerk zou volgen, die meerdere goden met het hart, en één met de mond zou vereren, en die de naastenliefde van het geloof zou scheiden, en de vergeving van de zonde van het berouw en de betrachting van een nieuw leven; en die een volslagen onmacht in geestelijke dingen zou invoeren; en het allerminst, dat een zekere Arius het hoofd zou opsteken, en wanneer hij gestorven was, weer op zou staan, en in het geheim heersen zou tot aan het einde.
 
HOE IS DEZE WAARHEID BETREFFENDE DE HEER VERLOREN GEGAAN?
 
De kerkleiders na Arius
begonnen Zijn Persoon te verduisteren
en te vermenselijken.
 
Ware Christelijke Religie 176 (gedeeltelijk):
In de hemel wordt gezegd, dat toen het concilie van Nicea afgelopen was, dit samenviel met de dingen, die de Heer aan de discipelen voorspeld heeft: ‘De zon zal verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen, en de krachten van de hemelen zullen bewogen worden’, (Mattheüs 24:29); en inderdaad was de Apostolische Kerk gelijk aan een nieuwe ster, die verscheen aan de sterrenhemel; maar de Kerk na de twee concilies van Nicea werd gelijk dezelfde ster, naderhand verduisterd en verdween, zoals ook soms toen in de natuurlijke wereld is gebeurd volgens de waarnemingen van de sterrenkundigen. In het Woord leest men, dat Jehovah God in een ontoegankelijk licht woont; wie zou Hem daarom kunnen naderen, indien Hij niet in een toegankelijk licht woonde, dat wil zeggen, wanneer Hij niet neergedaald was en het Menselijke had aangenomen?, (Johannes 1:9; 12:46).
 
Ware Christelijke Religie 795:
Aangezien dit zo is, en ik daar dagelijks met de natiën en de volken van deze wereld gesproken heb, dus niet alleen met hen, die in Europa zijn, maar ook met hen, die in Azië en in Afrika zijn, dus met hen, die van verschillende godsdiensten zijn, zo zal ik als aanhangsel tot dit werk een korte beschrijving over de staat van enigen van hen toevoegen. Men dient dit vast te houden, dat de staat zowel van elke natie en elk volk in het algemeen, als van de afzonderlijke in het bijzonder, in de geestelijke wereld zich gedraagt naar de erkenning van God en naar Zijn eredienst; en dat allen, die van harte God erkennen, en daarna diegenen, die de Heer Jezus Christus als God, Verlosser en Zaligmaker erkennen, in de hemel zijn; en dat zij, die Hem niet erkennen, ónder de hemel zijn, en daar onderwezen worden; en dat zij, die dit opnemen, in de hemel worden geheven, en dat zij, die dit niet opnemen, in de hel geworpen worden; onder de laatsten komen ook zij, die zich, evenals de Socinianen, alleen tot God de Vader gewend hebben, en die, evenals de Arianen, het Goddelijke van het Menselijke van de Heer geloochend hebben; want de Heer zei: ‘Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven; niemand komt tot de Vader, dan door Mij’; en tot Filippus, die de Vader wilde zien: ‘Die Mij ziet en kent, ziet en kent de Vader’, (Johannes 14:6 en vervolg).
 
WANNEER IS DIT GEBEURD?
 
In en na de tijd van Athanasius en het Concilie van Nicea, 325 A.D.
Zijn geloofsbelijdenis voerde het begrip van drie Personen in.
 
Ware Christelijke Religie 174 (gedeeltelijk):
Een drievuldigheid van personen was onbekend in de apostolische kerk, maar zij is uitgegaan van het concilie van Nicea en daaruit ingevoerd in de Rooms-katholieke kerk en uit deze in de van haar afgescheiden kerken.
Onder de Apostolische Kerk wordt niet alleen de Kerk verstaan, die op verschillende plaatsen bestond ten tijde van de apostelen, maar ook twee en drie eeuwen na hun tijd. Maar tenslotte begon men de deur van de tempels uit haar hengsels te lichten, en als dieven in het heiligdom door te breken; onder de tempel wordt de Kerk verstaan, onder de deur de Heer God Verlosser, en onder het heiligdom Zijn Goddelijkheid; want Jezus zegt: "Voorwaar zeg ik ulieden die niet ingaat door de deur in de schapenstal, maar van elders inklimt, die is een dief en een rover; Ik ben de deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden". Deze misdaad werd begaan door Arius en zijn aanhangers; ter oorzake daarvan werd door Constantijn de Grote een concilie samengeroepen te Nicea, een stad in Byhtinië; en daar werd, ter verwerping van de verdoemelijke ketterij van Arius, door de tezamen geroepenen uitgevonden, besloten en bekrachtigd, dat er drie Goddelijke Personen, Vader, Zoon en Heilige Geest, van eeuwigheid aan waren, waarvan eenieder op en in zichzelf persoonlijkheid, bestaan en voortbestaan had; voorts, dat de tweede persoon of de Zoon nederdaalde en het Menselijke aannam, en de Verlossing deed, en dat dientengevolge Zijn Menselijke door de hypostatische vereniging Goddelijkheid bezat, en dat Hij door deze vereniging nauwe verwantschap met God de Vader had. Van die tijd af begonnen hopen heilloze ketterijen over God en over de persoon van Christus uit de aarde op te rijzen, en antichristen het hoofd op te steken, en God in drieën, en de Heer Zaligmaker in tweeën te verdelen, en op deze wijze de tempel te vernietigen, die uit de Heer door de Apostelen was opgericht.
 
Ware Christelijke Religie 177 (gedeeltelijk):
Uit de Drievuldigheid van Nicea samen met de Drievuldigheid van Athanasius is het geloof ontstaan, dat de gehele Christelijke Kerk verdorven heeft.
Dat de drievuldigheid van Nicea en Athanasius een drievuldigheid van goden is, is uit hun geloofsbelijdenis boven in nr. 172 aangetoond. Daaruit is het geloof van de huidige kerk ontstaan, dat een geloof is in God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest; in God de Vader, opdat Hij de gerechtigheid van Zijn Zoon de Zaligmaker toerekent en haar aan de mens toeschrijft; in God de Zoon, opdat Hij tussenbeide komt en bedingt; in de Heilige Geest, opdat Hij de toegerekende gerechtigheid van de Zoon daadwerkelijk inschrijft, en na haar bevestigd te hebben, haar bezegelt, door de mens te rechtvaardigen, te heiligen en weder te verwekken.
Dit is het huidige geloof, dat alleen al voldoende getuigenis geeft, dat het een drievuldigheid van goden is, die erkend en vereerd wordt. Uit het geloof van elke Kerk vloeit niet alleen al haar eredienst voort, maar ook alle leerstellingen van haar; daarom kan men zeggen, dat zoals het geloof is, zo is haar leer. Dat dit geloof, omdat het een geloof in drie goden is, alle dingen van de Kerk verdorven heeft, volgt hieruit. Want het geloof is het beginsel, en de leerstellingen zijn de afleidingen, en de afleidingen ontlenen haar wezen aan het beginsel. Wanneer men elk van die leerstellige dingen aan een onderzoek onderwerpt, zoals die welke God betreft, de persoon van Christus, de boetedoening, de wederverwekking, de vrije keuze, de uitverkiezing, het nut van de sacramenten, doop en Heilig Avondmaal, dan zal men duidelijk zien, dat in elk een drievuldigheid van goden steekt, en wanneer zij daarin niet daadwerkelijk schijnt te zijn, toch daaruit als uit haar bron voortvloeit. Maar aangezien hier zulk een onderzoek niet gedaan kan worden, en het niettemin de moeite waard is dit te doen om de ogen te openen, zal aan dit werk een aanhangsel worden toegevoegd, waarin dit zal worden aangetoond.
Het geloof van de Kerk over God is als de ziel van het lichaam, en de leerstellingen zijn als de leden daarvan; en bovendien is het geloof in God zoals een koningin, en de dogmatische dingen zoals haar hofhouding, en evenals deze afhangt van de mond van de koningin, evenzo hangen de dogmatische dingen af van de uitspraak van het geloof. Reeds alleen al uit dit geloof kan men zien, hoe het Woord in de Kerk daarvan verstaan wordt, want het geloof past al wat het kan aan zichzelf aan en trekt het als met koorden naar zich toe. Indien het geloof vals is, hoereert het met al het ware daarin, en trekt het naar zichzelf en vervalst het, en maakt de mens in geestelijke dingen onzinnig. Indien daarentegen het geloof waar is, zo begunstigt dit het gehele Woord, en de God van het Woord, die de Heer God Zaligmaker is, giet licht daarin, en ademt Zijn Goddelijke instemming daarop en maakt de mens wijs.
Dat het huidige geloof, dat in zijn inwendige vorm een geloof is aan drie goden, maar in zijn uitwendige vorm een geloof aan één God is, het licht in het Woord uitgeblust, en de Heer van de Kerk verwijderd, en zo haar morgen in de nacht gedreven heeft, zal men eveneens in het aanhangsel zien. Dit is geschied door de ketterse dingen vóór het concilie van Nicea, en daarna door de ketterse dingen vanuit dat concilie en erna. Maar wat voor vertrouwen kan men schenken aan concilies, die ‘niet door de deur in de stal van de schapen ingaan, maar van elders inklimmen’, volgens de woorden van de Heer bij, Johannes (10:1,9). Hun beraadslaging is niet ongelijk aan het wandelen van een blinde bij dag of van iemand, die ogen heeft bij nacht: geen van beiden ziet de kuil voordat hij daarin gevallen is.
Wat voor vertrouwen, bijvoorbeeld, kan men stellen in concilies, die het stadhouderschap van de paus instellen, de vergoding van de doden, en hun aanroeping alsof zij godheden waren, de verering van hun afbeeldingen, de geldigheid van de aflaten, en de verdeling van het avondmaal, behalve tal van andere dingen?
Wat voor vertrouwen kan men voorts stellen in een concilie dat de schandelijke voorbeschikking vaststelde, en deze als bescherming van de godsdienst voor de tempels van haar kerk ophing? Maar, mijn vriend, wend u tot de God van het Woord, en aldus tot het Woord, en ga op deze wijze door de deur de stal van de schapen binnen, dat wil zeggen, de Kerk, en gij zult verlicht worden; en dan zult u zelf, als van een berg af, niet alleen de gangen en dwalingen van vele anderen, maar ook uw eigen vroegere gangen en dwalingen in het duistere woud aan de voet van de berg zien.

 

bron: Emanuel Swedenborg