WAT IS EEN FUNDAMENTELE DWALING VAN CHRISTELIJKE KERKEN ?
 
Het idee, dat het lijden van de Zoon als tweede Goddelijke Persoon aan het kruis,
een handeling van verlossing was, geëist door God de Vader
om Hem van Zijn wrede toorn en Zijn besluit tot de verdoemenis van de mens, af te brengen.
 
Deze voorstelling is immers tegenovergesteld aan het Goddelijk Wezen,
dat de Barmhartigheid en de Mildheid zelf is
en schrijft aan God een onvolmaakte liefde toe.

Ware Christelijke Religie 132 (gedeeltelijk):

Het geloof, dat het lijden aan het kruis de verlossing zelf was, is de fundamentele dwaling van de kerk; en deze dwaling, tezamen met die dwaling over de drie goddelijke personen van eeuwigheid aan, heeft de gehele kerk verdorven, en wel dermate, dat niet enig geestelijk overblijfsel meer in haar over is.

Wat vult en overlaadt heden ten dage de boeken van de orthodoxen meer, en wat wordt vuriger in de scholen geleerd en ingeblazen, en wat wordt herhaaldelijk van de kansels af gepredikt en uitgeroepen, dan dat God de Vader, vertoornd over het menselijk geslacht, dit niet alleen van Zichzelf verwijderd, maar het ook tot een algehele verdoemenis veroordeeld, bijgevolg in de ban gedaan heeft; maar dat Hij, aangezien Hij genadig is, Zijn Zoon bewogen of opgewekt heeft, om neder te dalen, en de voorgenomen verdoemenis op Zich te nemen, en aldus de toorn van Zijn Vader te verzoenen, en dat Hij op deze en op geen andere wijze de mens met enige gunst kon aanzien; voorts, dat dit ook door de Zoon werd gedaan, zodat Hij, de verdoemenis van het menselijk geslacht op Zich nemende, Zich door de Joden heeft laten geselen, in het aangezicht spuwen, en daarna kruisigen als "Gode een vloek", (Deuteronomium 21:23); en dat de Vader, nadat dit geschied was, verzoend was, en uit liefde jegens de Zoon de verdoemenis introk, maar alleen van hen, ten gunste van wie de Zoon zou optreden, en dat Hij aldus eeuwigdurend de Middelaar vóór Zijn Vader geworden is. Deze en dergelijke dingen weerklinken heden ten dage in de tempels, en weergalmen van de wanden, als een echo uit de wouden, en vullen de oren van allen daar.

Maar kan niet eenieder, wiens rede uit het Woord verlicht is en gezond geworden is, zien, dat God de Barmhartigheid en de Mildheid zelf is, omdat Hij de Liefde zelf en het Goede zelf is, en deze Zijn Wezen uitmaken, en dat het daarom een tegenstrijdigheid is, te zeggen, dat de Barmhartigheid zelf of het Goede zelf de mens met toorn kan aanzien, en tot diens verdoemenis kan besluiten en nochtans Zijn Goddelijk Wezen blijven. Dergelijke dingen vinden nauwelijks bij een oprecht mens ingang, maar wel bij de onoprechten; evenmin bij een engel van de hemel, maar wel bij een geest van de hel. Daarom is het een gruwel om deze dingen aan God toe te schrijven.

Beknopte Uiteenzetting van de Leer van de Nieuwe Kerk 60.

De geloofsleer van de hedendaagse kerk schrijft aan God menselijke eigenschappen toe, b.v. dat Hij de mensen met toorn aanziet, dat Hij verzoend wil worden, dat Hij verzoend wordt door de liefde tot de Zoon en door de tussenkomst, en dat Hij door het zien van het lijden van Zijn Zoon verzoend en zo tot barmhartigheid bewogen wil worden en dat Hij de onrechtvaardige, die smeekt uit geloof alléén, Zijn gerechtigheid toerekent, en dat Hij hem zodoende van een vijand tot een vriend en van een kind des toorns tot een kind van de genade maakt.

 

bron: Emanuel Swedenborg