KAN GOD NIET REDDEN WIE HIJ WIL?
 
Als God de mens kon behouden
ongeacht hoe hij leeft en van binnen is,
zouden allen in de hemel zijn.
 
 
Goddelijke Voorzienigheid 338.
Is er een Kerk, waarvan de Leer niet is gegrondvest op de geboden van de Decaloog? En de geboden van de Decaloog zijn toch de geboden van het leven. Welk mens van de Kerk in wie iets van de Kerk is, erkent niet wanneer hij hoort, dat diegene gezaligd wordt die goed leeft, en diegene verdoemd wordt die slecht leeft, en daarom worden in de geloofsbelijdenis van Athanasius, die ook de Leer is die in de gehele Christelijke wereld is aanvaard, deze dingen gezegd: "Dat de Heer zal komen om de levenden en de doden te richten, en dat dan zij die de goede dingen hebben gedaan, zullen intreden in het eeuwige leven, en zij die de slechte dingen hebben gedaan, in het eeuwige vuur". Daaruit blijkt dat de leren van alle Kerken innerlijk beschouwd het leven leren, en dat, omdat zij het leven leren, zij leren dat de zaliging is volgens het leven; en het leven van de mensen wordt niet in één ogenblik ingeblazen, maar het wordt achtereenvolgens gevormd, en het wordt hervormd naar gelang de mens de slechte dingen als zonden schuwt; bijgevolg naar gelang hij weet wat de zonde is, en deze leert kennen en erkent, en naar gelang hij die niet wil, en vandaar ervan aflaat; en naar gelang hij ook die middelen kent die betrekking hebben op de erkentenis van God; door deze en gene dingen wordt het leven van de mensen gevormd en hervormd, die niet in één ogenblik kunnen worden ingegoten; want het erfboze moet verwijderd worden, dat in zich hels is, en in plaats ervan moet het goede worden ingeplant dat in zich hemels zal zijn. De mens kan vanuit zijn erfboze worden vergeleken met een uil ten aanzien van het verstand, en met een slang ten aanzien van de wil; en de hervormde mens kan worden vergeleken met een duif ten aanzien van het verstand, en met een schaap ten aanzien van de wil; en daarom zou een ogenblikkelijke hervorming en de zaliging daaruit vergelijkerderwijze zijn zoals de ogenblikkelijke bekering van een uil in een duif, en van een slang in een schaap; wie, die iets over het leven van de mens weet, ziet niet dat dit niet mogelijk is, tenzij de natuur van de uil en van de slang wordt weggenomen, en de natuur van de duif en van het schaap wordt ingeplant.
 
Hemelse Verborgenheden 2881.
Wanneer de mens door dwang hervormd kon worden, zou er geen mens in de ganse wereld zijn, die niet behouden zou worden; want niets zou voor de Heer gemakkelijker zijn, dan de mens te dwingen om Hem te vrezen, Hem te vereren, ja zelfs om Hem als het ware lief te hebben; er zijn ontelbare middelen daartoe. Maar daar datgene, wat onder dwang gebeurt, niet verbonden wordt, en dus niet wordt toegeëigend, staat het daarom allerverst van de Heer af, om iemand te dwingen. Zolang een mens in worstelingen is, of van de strijdende Kerk is, lijkt het alsof de Heer de mens dwingt, en dat hij dus het vrije niet heeft, want hij strijdt voortdurend tegen de eigen- en wereldliefde, dus tegen het vrije, waarin hij was geboren en waarin hij is opgegroeid; vandaar, dat het zo lijkt. Maar dat het vrije in de worstelingen, waarin hij overwint, sterker is dan buiten de worstelingen - maar een vrije niet uit hemzelf maar van de Heer, en nochtans in schijn als van hemzelf-.
 
 bron: Emanuel Swedenborg