WAAROM IS HET GELOOF-ALLEEN GEEN ECHT GELOVEN ?
 
Een geloof dat niet van het leven is en niet van het hart, maar van de lippen,
wordt na de dood een openlijke ontkenning.
Daarom zei de Heer:
"Zo wie niet heeft, ook hetgeen hij meent te hebben
zal van hem genomen worden."
(Lukas 8 : 18)
 
Hemelse Verborgenheden 2049 (gedeeltelijk):

....maar de leerstellingen of erkentenissen van het geloof zijn niettemin hoogst noodzakelijk voor de vorming van het leven van de naastenliefde, dat zonder deze niet gevormd kan worden. Het is dit leven, dat na de dood zalig maakt, en geenszins enig leven van geloof zonder deze, want zonder de naastenliefde is er geen leven van het geloof bestaanbaar. Zij, die in het leven van de liefde en naastenliefde zijn, zijn in het leven van de Heer; niemand kan met Hem door een ander leven verbonden worden; hieruit blijkt ook, dat de waarheden van het geloof nooit erkend kunnen worden, dat wil zeggen, dat de erkenning van die waarheden, waarover men spreekt, alleen uitwendig en met de mond mogelijk is, wanneer zij niet in de naastenliefde zijn ingeplant; want inwendig of met het hart worden zij geloochend; want alle waarheden hebben, zoals gezegd, de naastenliefde tot einddoel, en wanneer deze daarin niet woont, worden zij innerlijk verworpen. De inwendige dingen vertonen zich zoals zij zijn, wanneer de uitwendige dingen worden weggenomen, zoals in het andere leven geschiedt, dat wil zeggen, dat zij zich geheel en al tegenovergesteld aan alle waarheden van het geloof vertonen; het is volslagen onmogelijk om in het andere leven een leven van de naastenliefde of van de wederkerige liefde te ontvangen, wanneer men er geen in het leven van het lichaam gehad heeft, want het leven van het lichaam in de wereld blijft de mens na de dood bij.

Hemel en Hel 482.

Het geloof blijft de mens niet bij, indien het niet gegrond is in de hemelse liefde. Dit is mij uit zovele voorbeelden gebleken, dat, zo ik ze alle wilde vertellen, die ik met betrekking tot dit onderwerp heb gezien en gehoord, zij een geheel boek zouden vullen. Dit kan ik getuigen, dat er geen geloof hoegenaamd bestaat, noch medegedeeld kan worden aan hen, die gebonden zijn door lichamelijke en wereldse liefde, en ontdaan zijn van hemelse en geestelijke, en datgene, wat als geloof bij hen doorgaat, slechts oppervlakkige kennis is of een overtuiging, dat het waar is, omdat het tot bevordering van de zaken van hun liefde dient. Velen, die meenden, dat zij geloof bezaten, werden tot hen gebracht, die het werkelijk deelachtig waren, en toen de gemeenschap was opengesteld, was het eerste wat zij ontdekten, dat zij volstrekt geen geloof hadden. Naderhand beleden zij ook, dat enkel de waarheid en het Woord geloven, geen geloof is, maar de waarheid liefhebben met hemelse liefde en haar te willen en te doen uit innerlijke aandrift.

Er werd ook getoond, dat hun overtuiging, die zij geloof noemden, slechts als het licht was van de winter, gedurende welk seizoen er niet voldoende warmte in het licht is en alle voorwerpen op aarde verstijfd en gesloten zijn door de vorst, en onder vorst en sneeuw zijn begraven.

Zodra dus het licht van het geloof van hun overtuiging, dat in hen bestaat, in aanraking komt met de stralen van het licht van de hemel, wordt het niet alleen uitgeblust, maar wordt werkelijk als een dikke duisternis, waarin men zichzelf niet zien kan. Hun innerlijk wordt tegelijkertijd zó duister, dat zij volstrekt niets kunnen begrijpen en tenslotte krankzinnig worden door de valsheden. Om deze reden worden alle waarheden, waarmee zulken bekend waren, en die zij van het Woord en de leer van de kerk hadden ontleend, en die zij de waarheden van hun geloof hadden genoemd, van hen weggenomen en in de plaats daarvan worden zij bedeeld met alle leugens, die met de boosheid van hun levens overeenkomt; want allen worden overgelaten in hun eigen liefde en tegelijkertijd ook in de leugens, die met hun liefde overeenkomen. Daarna haten zij de waarheid, hebben er een afkeer van en verwerpen haar, omdat de waarheid in strijd is met de valsheden van het kwaad, waaronder zij bedolven zijn.

 

WAT IS HET UITERSTE GEVOLG VAN DEZE LEER?
 
Dat niet het eigen leven,
maar uitwendige omstandigheden,
waarover de mens geen controle heeft,
gedacht worden zijn eeuwige lot te bepalen;
dus: de predestinatie of voorbeschikking.
 

Goddelijke Voorzienigheid 339.

Hieruit blijkt nu dat allen die denken vanuit het leven over de zaliging, niet denken over de een of andere ogenblikkelijke zaliging vanuit onmiddellijke barmhartigheid, maar over de middelen van het heil, waarin en waardoor de Heer volgens de wetten van Zijn Goddelijke Voorzienigheid werkt, aldus waardoor de mens uit de Heer vanuit de zuivere barmhartigheid wordt geleid. Maar zij die niet vanuit het leven over het heil denken, stellen het ogenblikkelijke in de zaliging, en het onmiddellijke in de barmhartigheid; zo doen zij die het geloof scheiden van de naastenliefde. De naastenliefde is het leven; en zij stellen het ogenblikkelijke van het geloof, en indien niet eerder, omstreeks het laatste uur van de dood; en dit doen eveneens zij die geloven dat de vergeving van de zonden zonder berouw de absolutie van de zonden is, en zo de zaliging, en aan het Heilig Avondmaal deelnemen; voorts zij die vertrouwen op de aflaten van de monniken; en die vertrouwen op de gebeden van hen voor de overledenen, en op de dispensaties vanuit de macht die zij zich over de zielen van de mensen hebben aangematigd.

Ware Christelijke Religie 486. (gedeeltelijk):

De voorbeschikking is een uitbroedsel van het geloof van de huidige kerk, daar zij geboren is uit het geloof aan het volslagen onvermogen en het volslagen gemis aan keuze in de geestelijke dingen; hieruit is zij geboren, en ook uit het geloof aan de als het ware onbezielde bekering van de mens, namelijk dat hij is als een houtblok, en na de bekering uit niet enig bewustzijn weet, of het houtblok al dan niet door de genade is levend gemaakt. Want er wordt gezegd, dat de uitverkiezing geschiedt uit louter genade van God, met uitsluiting van de handeling van de mensen, of deze uit de krachten van de natuur dan wel uit de krachten van de rede voortkomt; en dat de uitverkiezing geschiedt waar en wanneer God wil, dus naar willekeur.

 

 

bron: Emanuel Swedenborg