Waarom waren er twee tafelen?
 
Omdat de ene tafel de liefde tot God betreft
en de andere de liefde jegens de naaste.
 
Wat is het eerste gebod?
"Ik ben Jehovah uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb: gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in de hemelen is, noch van hetgeen onder de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen: want Ik, Jehovah uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid aan degenen die Mij haten; en doe barmhartig aan duizenden aan degenen die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden", (Exodus 20:2-6).
Wat betekent dit gebod in de drie zinnen?
 
In de natuurlijke zin,
dat men geen afgoden en geen mensen, levend of dood, aanbidden zal; en dat men niemand behalve God en niets behalve wat van Hem voortkomt zal liefhebben boven alle dingen.
Ware Christelijke Religie 291.
Er zal geen andere God voor Mijn aangezichten zijn. Dit zijn de woorden van het eerste gebod (Exodus 20:3; Deuteronomium 5:7) waaronder in de natuurlijke zin, die de zin van de letter is, in de eerste plaats wordt verstaan, dat men geen afgoden vereren zal, want daarop volgt: Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, welke boven in de hemelen is, en welke beneden op de aarde is, en welke in de wateren onder de aarde is; gij zult u voor die niet buigen, en gij zult die niet vereren; want Ik, Jehovah uw God, ben een ijverig God (Exodus 20: 3,4,5,6). Dat onder dit gebod in de eerste plaats wordt verstaan, dat men geen afgoden vereren zou, kwam doordat vóór die tijd en daarna tot aan de komst van de Heer, in een groot deel van Azië een afgodische eredienst bestond. De oorzaak van deze eredienst was, dat alle Kerken vóór de Heer uitbeeldend en typerend waren, en de toonbeelden en uitbeeldingen waren van dien aard, dat de Goddelijke dingen onder verschillende figuren en gesneden beelden werden voorgesteld, die het gewone volk, toen de betekenissen daarvan in vergetelheid waren geraakt, als goden begon te vereren. Dat ook het volk van Israël in een dergelijke eredienst was, kan blijken uit het gouden kalf, dat zij in de woestijn in plaats van Jehovah vereerden; en dat zij daarna niet afkerig waren van deze eredienst, blijkt uit de vele plaatsen in het Woord, zowel in het historische als in de profetische.
 
 Ware Christelijke Religie 292.
Onder dit gebod: Er zal geen andere God voor Mijn aangezichten zijn, wordt in de natuurlijke zin ook verstaan, dat geen gestorven of levende mens als god vereerd mag worden, wat eveneens in de Aziatische wereld en in verschillende omringende plaatsen voorkwam. Vele goden van die volkeren waren geen onbekenden, zoals: Baäl, Astaroth, Chemos, Molkom, Beëlzebub; en in Athene en Rome Saturnus, Jupiter, Neptunus, Pluto, Apollo, Pallas, enz. Enigen van hen vereerden zij eerst als heiligen, daarna als godheden en tenslotte als goden. Dat zij ook levende mensen als goden vereerden, blijkt uit de verordening van Darius de Mediër, dat niemand binnen 30 dagen iets zou vragen aan enig god, dan aan de koning alleen, want anders zou hij in de leeuwenkuil geworpen worden ,(Daniël 6:8-einde).
 
Ware Christelijke Religie 293.
In de natuurlijke zin, die de zin van de letter is, wordt onder dit verbod ook verstaan, dat men niemand behalve God, en dat men niets behalve hetgeen uit God voortgaat, zal liefhebben boven alle dingen, hetgeen ook volgens de woorden van de Heer is, (Mattheüs 22:35; Luk. 10: 25-28). Want wie en wat boven alles wordt geliefd, is God en het Goddelijke voor hem die liefheeft; zoals voor hem die zichzelf of ook de wereld boven alles liefheeft, hijzelf of de wereld zijn god is. Dit is de oorzaak, dat zulke mensen in hun hart niet enig God erkennen; dezen worden dan ook met hun soortgenoten in de hel verbonden, waar allen die zichzelf en de wereld boven alles liefhadden, verzameld zijn.
In de geestelijke zin,
dat men geen andere God dan de Heer Jezus Christus zal aanbidden, omdat Hij Jehovah is, Die in de wereld kwam en de Verlossing volbracht, zonder welke niet enig mens noch enige engel behouden had kunnen worden.
 
Ware Christelijke Religie 294.
 
De geestelijke zin van dit gebod is deze, dat men geen andere God dan de Heer Jezus Christus zal vereren, omdat Hij Jehovah is, die in de wereld kwam en de verlossing volbracht, zonder welke niet enig mens nog enig engel behouden had kunnen worden. Dat er naast Hem geen andere God is, blijkt uit de volgende plaatsen in het Woord: Men zal te dien dage zeggen: Ziet, deze is onze God, die wij verwacht hebben, dat Hij ons bevrijde; deze is Jehovah, die wij verwacht hebben, laat ons opspringen en ons verblijden in Zijn heil, (Jesaja 25:9). Een stem van de roepende in de woestijn: bereidt de weg voor Jehovah, effent in de verlatenheid een pad voor onze God; want de heerlijkheid van Jehovah zal geopenbaard worden, en zij zullen zien, alle vlees tegelijk; ziet, de Heer Jehovih zal in sterkte komen; gelijk een herder zal Hij Zijn kudde weiden, (Jesaja 40: 3,5,10,11); Alleen tussen u is God, anders is er geen God meer; voorwaar, Gij zijt een verborgen God, de God van Israël, de Heiland ,(Jesaja 45:14,15); Ben Ik niet Jehovah, en er is geen God meer behalve Mij, (Jesaja 43:11; Hosea 13:4). Opdat alle vlees wete, dat Ik, Jehovah, uw Heiland en uw Verlosser ben, (Jesaja 49:26; 60:16). Wat onze Verlosser betreft, Jehovah Zebaoth is Zijn naam (Jesaja 47:4; Jeremia 50:34). Jehovah, mijn Rotssteen, en mijn Verlosser (Psalm 19:15); Alzo zei Jehovah, uw Verlosser, de Heilige Israëls, Ik ben Jehovah, Uw God (Jesaja 48:17; 43:14; 49:7; 54:8). Alzo zei Jehovah, uw Verlosser, Ik ben Jehovah, die alle dingen maak en alleen uit Mijzelf , (Jesaja 44:24). Alzo zei Jehovah, de Koning van Israël, en zijn Verlosser Jehovah Zebaoth: Ik ben de Eerste en de Laatste, en behalve Mij is er geen God, (Jesaja 44:6). Hieruit blijkt duidelijk, dat de Heer onze Heiland Jehovah Zelf is, die tevens Schepper, Verlosser en Wederverwekker is. Dit is de geestelijke zin van dit gebod.
 
Hemelse Verborgenheden 8867.
 
"Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezichten hebben" (Exodus 20:3); dat dit betekent dat men niet over de ware dingen moet denken ergens anders vandaan dan uit de Heer, staat vast uit de betekenis van de goden, zijnde de ware dingen, en in de tegengestelde zin de valse dingen; en uit de betekenis van de aangezichten, wanneer daarvan wordt gesproken met betrekking tot God, zijnde de liefde, de barmhartigheid, de vrede, het goede, aldus de Heer Zelf, want het is de Heer uit Wie die dingen zijn. Dat "er zullen geen andere goden voor Mijn aangezichten zijn", betekent dat men niet over de ware dingen moet denken ergens anders vandaan dan uit de Heer, komt eveneens omdat het Goddelijk Menselijke van de Heer dat met 'Ik Jehovah uw God' wordt aangeduid, het eerst wordt gezegd en vandaar het eerste van de orde inneemt, en universeel zal regeren in de afzonderlijke ware dingen die volgen; en daarom worden nu zulke dingen doorvat die moeten worden vermeden, omdat zij vernietigen en beletten dat de Heer universeel regeert in alle en de afzonderlijke ware dingen die zijn vervat in de geboden en de inzettingen, die van de berg Sinaï af werden gedicteerd en bevolen. Het eerste dat zou vernietigen, is over de ware dingen te denken ergens anders vandaan dan uit de Heer, welke daarmee worden aangeduid dat er geen andere goden zullen zijn voor de aangezichten van de Heer. De overige dingen die dat regerend universele zouden vernietigen, zijn vervat in de dingen die in de orde volgen, namelijk dat zij zich geen gesneden beeld zouden maken, geen gelijkenis van de dingen die in de Hemelen, die op de aarde, en die in de wateren zijn, en dat zij zich daarvoor niet zouden nederbuigen, en ze niet zouden dienen. Na deze dingen volgen daarom wederom: 'omdat Ik Jehovah uw God', waarmee wordt aangeduid dat de Heer zal zijn in alle en de afzonderlijke dingen.
 
Ware Christelijke Religie 295.
 
In de hemelse zin,
dat Jehovah de Heer oneindig, onmetelijk en eeuwig is; dat Hij almachtig, alwetend en alomtegenwoordig is; dat Hij is de Eerste en de Laatste, het Begin en het Einde, Die Was, Is en Zijn zal; dat Hij is de Liefde zelf en de Wijsheid zelf, of het Goede zelf en het Ware zelf; bijgevolg het Leven zelf, dus de Enige, van Wie alle dingen zijn.

 

bron: Emanuel Swedenborg