Hemelse Verborgenheden 313.

Uit wat hier nu van de eerste mens is gezegd, kan het duidelijk zijn, dat niet van hem het erfboze over allen die heden ten dage leven, gekomen is, noch, zoals men per abuis aanneemt, dat er geen erfboze zou zijn dan datgene, hetwelk daaruit voortvloeide; want het is de Oudste Kerk, waarvan hier sprake is, en zij wordt Mens genoemd, en wanneer deze Adam wordt geheten, beduidt dit dat de mens uit de aardbodem genomen is, of uit een ‘niet-mens’ tot een mens geworden is door de Heer door middel van de wedergeboorte. Dit is de oorsprong van de naam, dit de betekenis van de naam. Met het erfboze is het zo gesteld, dat eenieder, die een daadwerkelijke zonde begaat, iets daarvan in zijn wezen opneemt, en het boze daarvan wordt de kinderen ingeplant en wordt erfelijk; aldus gewordt eenieder het boze van elk van zijn ouders, van zijn grootvader, overgrootvader, betovergrootvader, en van alle voorgaanden langs de rij af, en zo wordt het vermenigvuldigd en groeit het aan in het van hem afstammende nageslacht en blijft bij eenieder, en wordt bij eenieder door zijn daadwerkelijke zonden vermeerderd; ook wordt het niet verstrooid zodat het niet schaden kan, dan bij hen die door de Heer worden wedergeboren. Dit kan eenieder, wanneer hij er aandacht aan geeft, hieruit weten, dat de boze neigingen van de ouders zichtbaar blijven in de kinderen.
Hemelse Verborgenheden 4317 (gedeeltelijk):
Wat het overgeërfde in het bijzonder aangaat, men gelooft heden in de Kerk dat al het erfboze is uit de eerste ouder, en dat daarom alle mensen verdoemd zijn ten aanzien van dat boze. Maar het is daarmee niet zo gesteld; het erfboze ontleend zijn oorsprong aan de ouders van elk mens, en aan de ouders van de ouders, of aan de grootouders en overgrootouders achtereenvolgens; elk boze hetwelk deze personen zich door het daadwerkelijke leven hebben verworven, dermate dat het door veelvuldig gebruik of gewoonte de gelijkenis van een natuur heeft aangetrokken, wordt overgeleid op de kinderen, en wordt voor hen het overgeërfde, tezamen met dat wat de ouders was ingeplant van de grootouders en overgrootouders.
Het erfboze uit de vader is innerlijk, en het erfboze uit de moeder is uiterlijk; het eerstgenoemde kan niet gemakkelijk uitgeroeid worden, het laatstgenoemde kan het echter wel. Wanneer de mens wordt wederverwekt, zo wordt het erfboze dat uit de naaste ouders is ingeworteld, uitgerukt, doch bij hen die niet worden wederverwekt of niet wederverwekt kunnen worden, blijft het achter. Dit nu is het erfboze. 
Goddelijke Voorzienigheid 83 (gedeeltelijk):
De oorzaak dat niemand in het Koninkrijk Gods kan komen tenzij hij opnieuw is verwekt, is omdat de mens vanuit het erfelijke uit de ouders wordt geboren in boze dingen van elk geslacht, met het vermogen dat hij door de verwijdering van die boze dingen geestelijk kan worden, en hij tenzij hij geestelijk wordt, niet in de hemel kan komen. Van natuurlijk geestelijk worden, is wedergeboren of wederverwekt worden.
Nieuwe Jeruzalem en haar Hemelse Leer 174.
De mens wordt uit de ouders niet geboren in het geestelijk leven, maar in het natuurlijke leven. Het geestelijk leven is God liefhebben boven alle dingen, en de naaste liefhebben zoals zichzelf, en dit volgens de geboden van het geloof die de Heer in het Woord heeft geleerd; het natuurlijk leven echter is zichzelf en de wereld liefhebben méér dan de naaste, ja zelfs méér dan God Zelf.
Nieuwe Jeruzalem en haar Hemelse Leer175.
Ieder mens wordt geboren in de boze dingen van de liefde van zich en van de wereld uit zijn ouders. Al het boze dat door gewoonte als het ware een natuur heeft aangetrokken, wordt afgeleid in het kroost; dus opeenvolgend uit de ouders, uit de grootouders, en uit de overgrootouders in een lange reeks terug; daarvandaan wordt de afleiding van het boze zó groot, dat het al van het leven van het eigene van de mens niets dan het boze is. Dit aanhoudend afgeleide wordt niet gebroken en veranderd dan door het leven in het geloof en van de naastenliefde uit de Heer.
Het Nieuwe Jeruzalem en haar Hemelse Leer 176.
Wat de mens uit de overerving trekt, tot dit neigt hij aanhoudend, en in dit verglijdt hij: vandaar bevestigt hijzelf bij zich dat boze, en eveneens voegt hij daarenboven nog tal van dingen vanuit zich toe. Deze boze dingen zijn geheel en al in strijd met het geestelijk leven, zij vernietigen dat; vandaar dat de mens, als hij niet uit de Heer het nieuwe leven aanneemt, wat het geestelijk leven is, dus als hij niet opnieuw wordt ontvangen, opnieuw geboren, en opnieuw opgevoed, dat wil zeggen, opnieuw geschapen, verdoemd is, want niets anders wil hij, en vandaar niets anders denkt hij, dan hetgeen van hemzelf en van de wereld is, eender als degenen doen die in de hel zijn.

bron: Emanuel Swedenborg