Wat is de eerste stap of staat
van de nieuwe geboorte ?
 
De hervorming,
waarbij het verstand de wil leidt en daarop werkt,
of waarbij de mens door het ware het goede verkrijgt.
 
Ware Christelijke Religie 105 (gedeeltelijk):
Het behoort tot de Goddelijke Orde, dat de mens zich geschikt maakt tot de aanneming van God, en zich voorbereidt om het ontvangende vat en de woonplaats te zijn, waarin God kan binnentreden en als in Zijn Tempel wonen kan. Dit moet de mens uit zichzelf doen, maar niettemin erkennen dat het uit God is. Dit moet hij erkennen, aangezien hij de tegenwoordigheid en de werking van God niet voelt, hoewel God in alleronmiddellijkste tegenwoordigheid al het goede van de liefde en al het ware van het geloof bij de mens werkt. Overeenkomstig deze Orde gaat elk mens voort en moet hij voortgaan, opdat hij uit zijn natuurlijke geestelijk wordt; desgelijks deed de Heer, om Zijn natuurlijk menselijke Goddelijk te maken. Dit is de reden, waarom de Heer tot de Vader bad, waarom Hij de wil van de Vader deed, waarom Hij alle dingen, die Hij werkte en sprak, aan Hem toeschreef; en waarom Hij aan het kruis zei: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten"; want in die staat schijnt God afwezig. Maar na deze staat komt een andere, die de staat is van de verbinding met de Heer; in deze staat handelt de mens op gelijke wijze, maar dan vanuit God; en dan heeft hij het niet nodig, zoals te voren, al het goede dat hij wil en doet, en al het ware, dat hij denkt en spreekt, aan God toe te schrijven, aangezien dit in zijn hart geschreven is, en vandaar van binnen in al zijn doen en spreken is. Op dergelijke wijze heeft de Heer Zichzelf met de Vader verenigd, en de Vader Zichzelf met de Hem; in één woord: de Heer verheerlijkte Zijn Menselijke, dat is, Hij maakte dit Goddelijk, op dezelfde wijze waarop de Heer de mens wederverwekt, dat wil zeggen, hem geestelijk maakt.
 
Ware Christelijke Religie 571 (gedeeltelijk):
Er zijn twee staten, die de mens binnengaan en doorlópen moet, wanneer hij van natuurlijk geestelijk wordt: de eerste staat wordt de hervorming genoemd, en de tweede staat de wederverwekking. In de eerste staat ziet de mens van zijn natuurlijke staat naar zijn geestelijke, en begeert deze; in de tweede staat wordt hij natuurlijk geestelijk. De eerste staat wordt gevormd door de waarheden, die tot het geloof zullen behoren, door middel waarvan hij naar de naastenliefde ziet; de tweede staat wordt gevormd door de goedheden van de naastenliefde, en van deze uit treedt hij in de waarheden van het geloof; of, wat hetzelfde is: de eerste staat behoort tot de gedachte uit het verstand, de tweede echter behoort tot de liefde uit de wil. Wanneer deze staat begint en voortgaat, vindt een verandering in het gemoed plaats, want er geschiedt een omkering, aangezien dan de liefde van de wil in het verstand vloeit, en dit daartoe beweegt en leidt, op een met zijn liefde samenstemmende en strokende wijze te denken. Voor zoveel daarom het goede van de liefde dan de eerste plaats inneemt, en de waarheden van het geloof de tweede plaats, is de mens geestelijk en is hij een nieuw schepsel; en dan handelt hij uit de naastenliefde, en wordt hij het ware van het geloof gewaar, en hij is dan in de Heer, en in de vrede, en zo dus wederverwekt.
 
Ware Christelijke Religie 397.
Over de Wil en het Verstand.
1. De mens heeft twee vermogens, die zijn leven vormen; het ene wordt de wil genoemd en het andere het verstand. Deze zijn van elkaar onderscheiden, maar toch zo geschapen dat zij één zijn; en wanneer zij één zijn, worden zij gemoed genoemd, en al het leven van de mens is daar in de beginselen, en vandaar in het lichaam. 2. Zoals alle dingen in het heelal, die overeenkomstig de orde zijn, terugslaan op het goede en het ware, evenzo slaan alle dingen bij de mens op de wil en het verstand terug, want het goede van de mens behoort tot zijn wil, en het ware bij hem tot zijn verstand; want deze beide vermogens of deze twee levens van de mens zijn de ontvangende vaten en subjecten daarvan. De wil is het ontvangende vat en het subject van alle dingen van het goede, en het verstand is het ontvangende vat en het subject van alle dingen van het ware. De goedheden en de waarheden bij de mens zijn nergens anders. En aangezien de goedheden en de waarheden bij de mens nergens anders zijn, zo zijn ook de liefde en het geloof nergens anders, omdat de liefde tot het goede en het goede tot de liefde behoort, en het geloof tot het ware, en het ware tot het geloof behoort. 3. De wil en het verstand maakt ook de geest van de mens uit; want zijn wijsheid en inzicht, en ook zijn liefde en naastenliefde zetelen daar, en in het algemeen zijn leven. Het lichaam is slechts gehoorzaamheid. 4. Niets is van groter belang om te weten, dan de wijze waarop wil en verstand één gemoed maken; zij maken één gemoed zoals het goede en het ware. Van welke aard dit huwelijk is, zal blijken uit wat zo aanstonds ten aanzien van het goede en het ware zal worden aangevoerd; namelijk, dat zoals het goede het Zijn zelf van de zaak is, en het ware het daaruit voortvloeiende bestaan van de zaak, evenzo de wil bij de mens het Zijn zelf van zijn leven is, en het verstand het daaruit voortvloeiende bestaan van het leven; want het goede dat tot de wil behoort, vormt zich in het verstand, en treedt zichtbaar aan de dag.
 
Ware Christelijke Religie 587.
De eerste handeling van de nieuwe verwekking wordt de ‘hervorming’ genoemd, en behoort tot het verstand; de tweede handeling wordt de ‘wederverweking’ genoemd, en behoort tot de wil en daaruit tot het verstand. Aangezien hier en in wat volgt gehandeld wordt over de hervorming en de wederverwekking, en de hervorming wordt toegeschreven aan het verstand, en de wederverwekking aan de wil, zo is het noodzakelijk, dat men de verschillen kent, die er bestaan tussen het verstand en de wil, en deze zijn in W397 beschreven (zie voorafgaand). Daarom is het raadzaam, dat eerst te lezen en daarna de dingen, die in dit artikel staan. Daar werd eveneens aangetoond dat de boosheden waarin de mens geboren wordt, in de wil van de natuurlijke mens gebed zijn, en dat de wil het verstand daartoe brengt, de wil te begunstigen door overeenkomstig te denken. Daarom is het, opdat de mens wederverwekt zal worden, noodzakelijk, dat dit door middel van het verstand geschiedt, als door een middellijke oorzaak; en dit vindt plaats door de informatie, die het verstand opneemt, en deze komen eerst van de ouders en onderwijzers, daarna door de lezing van het Woord, door predikingen, boeken en gesprekken. De dingen die het verstand daaruit opneemt, worden waarheden genoemd. Daarom is het hetzelfde, of men zegt dat de hervorming door middel van het verstand geschiedt, dan wel of men zegt dat zij door middel van de waarheden geschiedt, die het verstand opneemt. Want de waarheden leren de mens in wie en in wat hij geloven moet, voorts wat hij doen moet, dus wat hij willen moet; want wat iemand doet, dat doet hij uit de wil overeenkomstig het verstand. Daar nu de wil van de mens zelf boos is van geboorte af, en daar het verstand leert wat het boze en het goede is, en dat men het ene willen kan en het andere niet willen kan, zo volgt hieruit, dat de mens door het verstand hervormd moet worden. Maar zolang iemand ziet en met het gemoed erkent, dat het boze boos is en het goede goed is, en denkt, dat het goede verkozen moet worden, zolang wordt die staat hervorming genoemd. Wanneer hij echter het boze gaat schuwen en het goede doen wil, zet de staat van de wederverwekking in.
 
Leer over het Geloof 31.
De erkentenissen van het ware en het goede, die aan het geloof voorafgaan, verschijnen voor sommigen alsof zij vanuit het geloof zijn, maar toch zijn zij het niet. Zij menen en zeggen wel dat zij geloven, maar daarom geloven zij nog niet, en evenmin zijn de erkentenissen bij hen vanuit het geloof, zij denken immers alleen dat het zo is, maar zij erkennen niet innerlijk dat het waarheden zijn; en een geloof dat het waarheden zijn, terwijl niet geweten wordt óf ze het zijn, is een soort van overreding, vèr verwijderd van de inwendige erkenning. Zodra echter de naastenliefde wordt ingeplant, zijn die erkentenissen dan vanuit het geloof, maar niet méér dan er naastenliefde in dit geloof is. In de eerste staat, voordat de naastenliefde wordt doorvat, schijnt het hun toe alsof het geloof op de eerste plaats is, en de naastenliefde op de tweede; maar in de tweede staat, wanneer de naastenliefde wordt doorvat, wordt het geloof op de tweede plaats gesteld, en de naastenliefde op de eerste. De eerste staat wordt genoemd de ‘hervorming’, de tweede staat wordt genoemd de ‘wederverwekking’. Wanneer de mens in deze staat is, dan groeit bij hem dagelijks de wijsheid, en dagelijks vermenigvuldigt het goede de ware dingen, en bevrucht die: de mens is dan zoals een boom, die vruchten draagt, en in de vrucht zaden legt, waaruit nieuwe bomen voortkomen, en ten slotte een tuin. Hij wordt dan waarlijk mens, en na de dood een engel, wiens naastenliefde het leven maakt, en wiens geloof de vorm, schoon is volgens het hoedanige ervan. Maar het geloof wordt dan niet langer geloof genoemd, maar inzicht. Hieruit kan vaststaan, dat het al van het geloof is vanuit de naastenliefde, en niets ervan vanuit zich; voorts ook dat de naastenliefde het geloof voortbrengt en niet het geloof de naastenliefde. De erkentenissen van het ware die voorafgaan, zijn geheel en al zoals de voorraad in een schuur, die de mens niet voedt, tenzij hij in zijn verlangen naar voedsel het graan daaruit neemt.
 
Hemelse Verborgenheden 8505 (gedeeltelijk):
"Heden zal dat niet gevonden worden in het veld", (Exodus 16:25); dat dit betekent dat niet langer het goede door het ware zal worden verkregen, staat vast uit de betekenis van ‘niet vinden’, wanneer daarvan wordt gesproken met betrekking tot het goede dat door het ware is verkregen, dus niet langer verkrijgen; en uit de betekenis van het veld, wat de mens is, hier het gemoed van de mens aan wie het goede door het ware wordt ingeplant. De mens immers wordt een veld genoemd uit hoofde hiervan dat hij de ware dingen van het geloof opneemt, die de zaden zijn, en de vruchten van de zaden voortbrengt, die de goede dingen zijn. Hoe het hiermee is gesteld zal in het kort worden gezegd: de mens handelt vóór de wederverwekking uit het ware, doch het goede wordt hierdoor verkregen. Het ware immers wordt dan het goede bij hem wanneer het vanuit de wil, en zo zijn leven wordt; maar na de wederverwekking handelt hij uit het goede, en door dit worden de ware dingen verworven. Om dit nog beter te verstaan: de mens handelt vóór de wederverwekking uit gehoorzaamheid, doch na de wederverwekking uit aandoening; die beide staten zijn omgekeerd aan elkaar, want in de vorige staat heerst het ware, in de latere echter heerst het goede, of in de vorige staat schouwt de mens omlaag of achterom, in de latere echter omhoog of naar voren. Wanneer de mens in de latere staat is, namelijk wanneer hij uit de aandoening handelt, is het hem niet langer geoorloofd om achterom te zien, en het goede te doen uit het ware, want de Heer vloeit in het goede in, en leidt hem door het goede; indien hij dan achterom zag, of het goede deed uit het ware zo zou hij uit zijn eigene handelen; wie immers uit het ware handelt, leidt zichzelf, doch wie uit het goede handelt, wordt door de Heer geleid.
 
Hemelse Verborgenheden 8750.
"In de derde maand", (Exodus 19:1); dat dit de volheid van de staat betekent, staat vast uit de betekenis van de maand, wat de staat is, want alle tijden, zoals: dagen, weken, maanden en jaren, betekenen staten; en uit de betekenis van drie en derde, wat het volledige betekent. Vandaar is ‘in de derde maand’ in de ‘volheid van de staat’. Wat de volheid van de staat is zal in het kort worden gezegd; elke staat heeft zijn begin, zijn voortgang en zijn einde; wanneer de staat zijn einde heeft bereikt, dan is hij vol en wordt volheid genoemd. In het andere leven worden alle dingen gemeten door de voortgang van staat en haar opeenvolgende veranderingen van de aanvang tot het einde, zoals in de wereld door tijden; dat dit zo geschiedt, komt omdat er in de hemel geen tijden zijn, maar in plaats daarvan staten. De oorzaak hiervan is deze, dat de Zon in het andere leven, die de Heer is, bestendig op haar plaats blijft, en niet, zoals in de wereld, door schijnbare dagelijkse voortgang de dag onderscheidt in morgen, middag, avond en nacht, noch door schijnbare jaarlijkse voortschrijdingen het jaar onderscheidt in lente, zomer, herfst en winter; vandaar komt het, dat er in de hemel niet tijden zijn, maar in plaats ervan staten. Maar omdat er in de binnenste sfeer van de hemel een zekere voortschrijding is volgens de Goddelijk hemelse vorm, die tot de doorvatting van niemand komt, en volgens die voortschrijding de staten van allen in de hemel veranderingen ondergaan, is het vandaar dat de engelen daar beurtelings zijn in het goede vanuit de liefde, in het ware vanuit het geloof, en in het duister ten aanzien van het ene en het andere. Uit hoofde hiervan komt het, dat er een overeenstemming is van staten daar met tijden in de wereld, namelijk van de staat van het goede vanuit de liefde met de morgen, van de staat van het ware vanuit het geloof met de middag, en van de duistere staat met de avond en de nacht. Bovendien is ook de warmte die uit de Zon daar is, het goede van de liefde, en het licht dat uit de Zon daar is, het ware van het geloof. Vandaar is het eveneens dat er een overeenstemming is van de warmte in de wereld met de liefde, die vandaar de geestelijke warmte wordt genoemd, alsmede van het licht in de wereld met het geloof, dat vandaar het geestelijk licht wordt genoemd. Er zijn in het algemeen twee staten van het leven, namelijk de staat van het denken, wat van het verstand is, en de staat van de aandoening, wat van de wil is; de staat van het denken, wat van het verstand is, heeft betrekking op het ware dat vanuit het geloof is; het is deze staat die wordt verlicht door het licht uit de Zon van de hemel, die de Heer is; ook is het licht vanuit het verstand in de mens uit dat licht. De staat van de aandoening echter, die van de wil is, heeft betrekking op het goede dat van de naastenliefde is; ook is de warmte van de wil, die de liefde is, in de mens uit de warmte uit die Zon in de hemel, die de Heer is. Uit deze dingen nu kan vaststaan, hoe het is gesteld met de staten en hun veranderingen in het volgende leven, en wat er wordt verstaan onder de volheid van de staat, die wordt aangeduid met de derde maand. Hier wordt onder de staat, met betrekking waartoe van volheid wordt gesproken, de vorige staat verstaan, welke staat degenen hebben ondergaan die van de geestelijke Kerk zijn.
 
Hemelse Verborgenheden 10057 (gedeeltelijk):
Het is bekend, dat de met de ogen geziene en de met de oren gehoorde dingen van binnen bij de mens worden ontwaard, en als het ware uit de wereld door de ogen en door de oren heen overgaan in het denken, en zo dus in het verstand, want het denken is van het verstand; en indien het zulke dingen zijn die worden geliefd, dan gaan die daaruit over in de wil, en daarna uit de wil langs de verstandelijke weg in de spraak van de mond, en eveneens in de daad van het lichaam. Zodanig is de kringloop der dingen uit de wereld door de natuurlijke mens in diens geestelijke mens, en uit deze weer opnieuw in de wereld. Maar men moet weten, dat die kringloop wordt ingezet vanuit de wil, die het binnenste van het leven van de mens is, en dat hij daar inzet, en van daar wordt volvoerd; en de wil van de mens die in het goede is, wordt uit de Hemel door de Heer geregeerd, hoewel het anders schijnt; er is immers een invloed uit de geestelijke wereld in de natuurlijke, dus door de innerlijke mens in diens uitwendige, niet echter omgekeerd; de innerlijke mens immers is in de hemel, de uitwendige echter in de wereld. Omdat deze kringloop de kringloop van het leven van de mens is, wordt daarom de mens wanneer hij wordt wederverwekt, volgens deze zelfde kringloop wederverwekt, en wanneer hij is wederverwekt, leeft en handelt hij volgens deze zelfde kringloop. Hierdoor worden, wanneer de mens wordt wederverwekt, door het gehoor en het gezicht heen de ware dingen ingeboezemd die van het geloof zullen zijn, en deze worden ingeplant aan het geheugen van zijn natuurlijke mens en uit dat geheugen worden zij opgetrokken in het denken dat van het verstand is; en de dingen die worden geliefd, worden van de wil, en voor zoveel als zij van de wil worden, voor zoveel worden zij van het leven, want de wil van de mens is diens leven zelf; en voor zoveel als zij van het leven worden, voor zoveel worden zij van zijn aandoening, dus van de naastenliefde in de wil, en van het geloof in het verstand. Daarna spreekt en handelt de mens uit dat leven, wat het leven van de naastenliefde en van het geloof is; uit de naastenliefde, hetgeen van de wil is, gaat de spraak van de mond uit, en eveneens de daad van het lichaam, de ene en de andere langs de verstandelijke weg, dus langs de weg van het geloof. Uit deze dingen staat vast, dat de kringloop van de wederverwekking van de mens eender is aan de kringloop van zijn leven in het algemeen, en dat die evenzo wordt ingezet in de wil door de invloed vanuit de hemel uit de Heer. Daaruit blijkt eveneens, dat er voor de mens die wordt wederverwekt, twee staten zijn, de eerste wanneer de ware dingen van het geloof worden ingeplant, en met het goede van de naastenliefde verbonden, de tweede wanneer hij uit het goede van de naastenliefde door de ware dingen vanuit het geloof spreekt en daarnaar handelt; zodat de eerste staat is uit de wereld door de natuurlijke mens in de geestelijke, dus in de hemel, en de tweede uit de hemel door de geestelijke mens in de natuurlijke, en dus in de wereld. De geestelijke of de innerlijke mens is, als boven is gezegd, in de hemel, en de natuurlijke of de uitwendige mens in de wereld. Deze kringloop is de kringloop van de wederverwekking van de mens, en vandaar is het de kringloop van zijn geestelijk leven.

 

bron: Emanuel Swedenborg