Wat is het zevende gebod?
 
"Gij zult niet stelen." (Exodus 20:15)
 
 
Wat betekent stelen in de drie zinnen?
 
In de natuurlijke zin,
stelen, of een ander van zijn rechtmatig bezit beroven,
en ook bedriegen.
 317 Ware Christelijke Religie.
In de natuurlijke zin wordt onder dit gebod volgens de letter verstaan niet stelen, roven, en zeeroverij plegen in vredestijd; in het algemeen niet aan iemand zijn goederen op slinkse wijze onder enig voorwendsel afnemen. Het strekt zich ook uit over alle bedriegerijen en onwettige winsten, woekergelden en afpersingen; voorts ook over bedriegerijen bij het betalen van bijdragen en belastingen en bij het aflossen van schulden. Arbeiders zondigen tegen dit gebod, wanneer zij hun werk zonder nauwgezetheid en bedriegelijk doen; kooplieden, wanneer zij bedriegen met hun koopwaar, ten aanzien van gewicht, maat en berekening; officieren, wanneer zij de soldaat het loon onthouden; rechters, wanneer zij ter wille van vriendschap, geschenken, verwantschap en om andere redenen recht spreken, door de wetten en de verhoren te verdraaien, en dus zo anderen van hun rechtmatig bezit beroven.
67 Leer over de Gewijde Schrift. (gedeeltelijk)
De mens verstaat onder stelen, bedriegen, onder enig voorwendsel de naaste diens goederen afhandig maken.
80 Leer des Levens.
Onder stelen in de natuurlijke zin wordt niet slechts stelen en beroven verstaan, maar ook bedriegen, en onder een of andere gedaante de ander diens goederen ontfutselen. Onder stelen echter in de geestelijke zin wordt verstaan een ander van de ware dingen van diens geloof en van de goede dingen van diens naastenliefde beroven. In de hoogste zin echter wordt onder stelen verstaan de Heer de dingen afnemen die van Hemzelf zijn, en die aan zichzelf toeschrijven, dus voor zich de gerechtigheid en verdienste opeisen; dit zijn de diefstallen van elk geslacht; en eveneens maken zij één, zoals de echtbreuken van elk geslacht, en de moorden van elk geslacht; dat zij één maken, is omdat het ene in het andere is.
 
In de geestelijke zin,
een ander de waarheden van het geloof
en goedheden van naastenliefde ontnemen
door valsheden en boosheden.
67 Leer over de Gewijde Schrift. (gedeeltelijk)
De geestelijke engel verstaat onder stelen anderen beroven van de ware dingen van hun geloof en de goede dingen van hun naastenliefde, door valse en boze dingen.
318 Ware Christelijke Religie.
In de geestelijke zin wordt onder stelen verstaan: anderen van de waarheden van hun geloof beroven, wat geschiedt door valsheden en ketterijen. Priesters, die hun ambt alleen bedienen ter wille van gewin of uit eerzucht, en dingen leren, waarvan zij zien of uit het Woord zien kunnen, dat zij niet waar zijn, zijn geestelijke dieven, aangezien zij de middelen van het heil, die de waarheden van het geloof zijn, aan het volk onttrekken. Dezen worden ook in het Woord dieven genoemd in de volgende plaatsen:"Die niet ingaat door de deur in de stal van de schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en een rover; de dief komt niet, dan opdat hij stele, slachte, en verderve", (Johannes 10 :1, 10); Vergadert u geen schatten op de aarde, maar in de hemel, waar de dieven niet inbreken of stelen ", (Mattheüs 6 : 19, 20; en elders bij Obadja vers 5; Joël 2 : 9; en Hosea 7 : 1).
 
In de hemelse zin,
zichzelf de dingen van de Heer toeschrijven,
of Zijn verdienste en Zijn gerechtigheid voor zichzelf opeisen.

67 Leer over de Gewijde Schrift. (gedeeltelijk)
De hemelse engel verstaat onder stelen, aan zich toeschrijven de dingen die van de Heer zijn, en voor zich opeisen Zijn gerechtigheid en verdienste.
8905 Hemelse Verborgenheden.
"Gij zult niet stelen", betekent dat men niet iemand zijn geestelijke goede dingen moet wegnemen, en dat men niet aan zich de dingen moet toekennen die van de Heer zijn.
319 Ware Christelijke Religie.
In de hemelse zin worden onder dieven diegenen verstaan, die de Heer de Goddelijke macht wegnemen; voorts diegenen, die Zijn verdienste en Zijn gerechtigheid voor zichzelf opeisen. Hoewel deze mensen God aanbidden, vertrouwen zij toch niet Hem maar zichzelf; en zij geloven ook niet in God, maar in zichzelf.

 

bron: Emanuel Swedenborg