Hoe luidt het negende en tiende gebod?
 
"Gij zult niet begeren uws naasten huis. Gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is." (Exodus 20: 17)
 
Wat verbiedt dit gebod?
 
Alle lusten die tegen de geest indruisen; en dus, dat de in de Decaloog verboden boosheden begeerd worden en zo tot de wil gaan behoren.
 
327 Ware Christelijke Religie.
In de geestelijke zin worden door deze geboden alle begeerten verboden, die tegen de geest indruisen, dus die tegen de geestelijke dingen van de Kerk indruisen, en die voornamelijk betrekking hebben op het geloof en de naastenliefde. Want wanneer de begeerten niet getemd werden, zou het vlees zich overeenkomstig zijn vrije in alle euveldaad storten; want het is vanuit Paulus bekend dat het vlees begeert tegen de geest, en de geest tegen het vlees, (Galaten 5 : 17), en uit Jacobus: ‘Een iegelijk wordt verzocht van zijn eigen begeerte, wanneer hij aangelokt wordt, daarna baart de begeerte, nadat zij ontvangen heeft, de zonde, en de zonde baart, wanneer zij voleindigd is, de dood’, (Brief 1 : 14, 15); voorts bij Petrus: ‘De Heer bewaart de onrechtvaardigen tot de dag des oordeels, om gestraft te worden, allermeest degenen, die het vlees nawandelen in de begeerte’, (II.Brief 2 : 9, 10). Kortom, deze twee geboden betreffen, in de geestelijke zin verstaan, al de dingen, die eerder in de geestelijke zin werden aangevoerd, namelijk: dat men ze niet begeren moet; desgelijks betreffen zij alle dingen, die in de hemelse zin werden aangevoerd.
8909 Hemelse Verborgenheden.
Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten echtgenote, en zijn dienstknecht, en zijn dienstmaagd, en zijn os, en zijn ezel, en al wat uw naaste heeft, betekent dat men zich moet wachten voor de liefde van zichzelf en van de wereld, en aldus dat niet de boze zaken die zijn bevat in de voorafgaande geboden, van de wil worden, en zo uitgaan.
 
Waarom worden, in plaats van dat de tot liefde en de naastenliefde behorende dingen worden bevolen, de daaraan tegenovergestelde dingen verboden?
 
Omdat, voor zover als de mens boosheden als zonden schuwt, de goedheden van de liefde en van de naastenliefde worden ingeplant.

 

329 Ware Christelijke Religie. (gedeeltelijk)
In de acht geboden van de Decaloog, in het eerste, tweede, vijfde, zevende, achtste, negende en tiende wordt niets gezegd dat betrekking heeft op de liefde tot God en op de liefde jegens de naaste, want er wordt niet gezegd, dat men God moet liefhebben, noch dat men de naam van God moet heiligen, noch dat men de naaste moet liefhebben, dus niet, dat men oprecht en rechtvaardig met hem handelen moet, maar er wordt alleen gezegd: Er zal geen andere God voor Mijn aangezichten zijn; gij zult de naam van God niet ijdel gebruiken; gij zult niet doden; gij zult niet echtbreken; gij zult niet stelen; gij zult niet vals getuigen; gij zult niet begeren hetgeen van uw naaste is; dus in het algemeen, dat men het boze niet mag willen, denken en doen tegen God, noch tegen de naaste. De reden echter, waarom er niet dergelijke dingen geboden zijn, die onmiddellijk betrekking hebben op de liefde en de naastenliefde, maar er alleen geboden wordt dat zulke dingen, die daaraan zijn tegenovergesteld, niet gedaan mogen worden, is deze, dat voor zoveel de mens de boosheden als zonden schuwt, hij de goedheden wil, die van de liefde en van de naastenliefde zijn.
95 De Leer des Levens.
Voor zoveel dus iemand strijdt, en zo het boze verwijdert, voor evenzoveel komt het goede in plaats ervan, en vanuit het goede ziet hij voor evenzoveel het boze in het aangezicht, en dan dat het hels is, en huiveringwekkend; en omdat het zodanig is, ontvlucht hij dat niet slechts, maar verafschuwt het ook, en ten slotte gruwt hij ervan.

 

bron: Emanuel Swedenborg