Waar zetelen de lusten van het boze?
 
In het innerlijke van het natuurlijk gemoed,
tussen dít gemoed en het geestelijk gemoed in.
 
86 De Leer des Levens.
De mens heeft een natuurlijk gemoed en een geestelijk gemoed; het natuurlijk gemoed is beneden, en het geestelijk gemoed is boven: het natuurlijk gemoed is het gemoed van zijn wereld, en het geestelijk gemoed is van zijn hemel. Het natuurlijk gemoed kan genoemd worden het dierlijk gemoed, doch het geestelijk gemoed het menselijk gemoed; de mens wordt ook van het dier onderscheiden daardoor, dat hij een geestelijk gemoed heeft, waardoor hij in de hemel kan zijn terwijl hij in de wereld is: daardoor is het ook dat de mens leeft na de dood. De mens kan met het verstand zijn in het geestelijk gemoed, en vandaar in de hemel, maar niet kan hij met de wil zijn in het geestelijk gemoed, en vandaar in de hemel, tenzij hij de boze dingen als zonden schuwt, en als hij niet met de wil ook daar is, is hij nochtans niet in de hemel, want de wil trekt het verstand omlaag, en maakt dat dit verstand even natuurlijk en dierlijk is met hemzelf.
38 Goddelijke Voorzienigheid.(gedeeltelijk):
Geen mens die in de verkwikkelijke dingen van de begeerten van het boze is, kan iets weten over de verkwikkelijke dingen van de aandoeningen van het goede waarin de engelenhemel is, want die verkwikkelijke dingen zijn geheel en al aan elkaar tegenovergesteld in de inwendige dingen, en vandaar innerlijk in de uitwendige dingen, doch aan de opppervlakte zelf verschillen zij maar weinig. Alle liefde immers heeft haar verkwikkelijke dingen, ook de liefde van het boze bij hen die in die begeerten zijn: zoals de liefde van echtbreken, wraaknemen, bedriegen, stelen, woest optreden, ja zelfs bij de ergsten de liefde van de heilige dingen van de Kerk lasteren, en door lastervergif uitstorten tegen God; de springbron van die verkwikkelijkheden is de liefde om te heersen vanuit de eigenliefde. Die verkwikkelijkheden zijn vanuit de begerigheden die de innerlijke dingen van het gemoed bezet houden; vanuit die vloeien zij neer in het lichaam, en wakkeren daar de onreine dingen aan die de vezels welbehaaglijk aandoen; vandaar komt vanuit het verkwikkelijke van het gemoed , volgens de begeerten de verkwikking van het lichaam op. Welke en wat voor soort onreine dingen het zijn die de vezels van hun lichaam welbehaaglijk aandoen, wordt aan eenieder te weten gegeven na het overlijden, in de geestelijke wereld.
111 Goddelijke Voorzienigheid.
Dat het inwendige niet gezuiverd kan worden van de begeerten van het boze, zolang de boze dingen in de uitwendige mens niet verwijderd zijn, omdat zij verstoppen, volgt uit het bovengezegde, dat het uitwendige van het denken van de mens in zich zodanig is als het inwendige van het denken van hem is, en dat zij samenhangen, zoals dat wat niet alleen van binnen in het andere is, maar ook vanuit het andere; en daarom kan het ene niet gescheiden worden tenzij tegelijk het andere. Zo is het dus met elk uitwendige dat uit een inwendige is, en met elk latere dat uit een vroegere is, en met elke uitwerking die uit een oorzaak is. Omdat nu de begeerten tezamen met de listigheden het inwendige van het denken bij de bozen maken, en de verkwikkelijke dingen van de begeerten tezamen met de kuiperijen het uitwendige van het denken bij hen maken, en deze beide tot één verbonden zijn, volgt dat het inwendige niet gezuiverd kan worden van de begeerten, zolang de boze dingen in de uitwendige mens niet verwijderd zijn. Men moet weten dat het de inwendige wil van de mens is die in de begeerten is, en dat het inwendige verstand van hem het is dat in de listigheden is, en dat het de uitwendige wil is die in de verkwikkelijke dingen van de begeerten is, en het het uitwendige verstand is dat in kuiperijen vanuit listigheden is. Ieder kan zien dat de begeerten en de verkwikkelijke dingen ervan één maken, voorts dat listigheden en kuiperijen één maken, en dat die vier in één reeks zijn, en tegelijk zoals één bundel maken; waaruit wederom blijkt dat het inwendige, dat uit begeerten bestaat, niet kan worden uitgeworpen dan alleen door de verwijdering van het uitwendige, dat is samengesteld vanuit boze dingen. De begeerten brengen door haar verkwikkelijke dingen de boze dingen voort, maar wanneer men de boze dingen voor geoorloofd houdt, wat geschiedt vanuit de instemming van de wil en het verstand, dan maken de verkwikkelijke dingen en de boze dingen één. Dat de instemming de daad is, is bekend; en dit is het ook wat de Heer zegt:"Indien iemand eens anders vrouw aanziet, zo dat hij haar begeert, begaat hij alreeds echtbreuk met haar in zijn hart",(Mattheüs 5 : 28). Iets dergelijks is het geval met de overige boze dingen.

 

bron: Emanuel Swedenborg