Waar zetelen de boosheden zelf?
 
In het natuurlijke of uitwendige van de mens.
119 Goddelijke Voorzienigheid.
Dat de Heer dan de mens zuivert van de begeerten in de inwendige mens, en van de boze dingen zelf in de uitwendige. Dat de Heer dan de mens zuivert van de begeerten van het boze, wanneer de mens zoals uit zich de boze dingen verwijdert, heeft als oorzaak dat de Heer niet eerder kan zuiveren. De boze dingen immers zijn in de uitwendige mens, en de begeerten van het boze in de inwendige, en zij hangen samen zoals de wortels met de stam. Daarom, tenzij de boze dingen worden verwijderd, is er niet een opening; zij stoppen immers toe en sluiten de deur die uit de Heer niet geopend kan worden tenzij door middel van de mens, als vlak boven is getoond. Wanneer dus de mens zoals uit zich de deur opent, dan roeit de Heer de begeerten meteen uit. De oorzaak is ook omdat de Heer werkt op het binnenste van de mens, en uit het binnenste op de volgende dingen tot aan de laatste, en in de laatste dingen is tegelijk de mens. Zolang dus de laatste dingen door de mens zelf gesloten worden gehouden, kan niet enige zuivering maar slechts een zodanige werking geschieden uit de Heer in de innerlijke dingen als van de Heer in de hel, welke vorm een mens is die in begeerten en tevens in boze dingen is, welke werking alleen een beschikking is dat het een het ander niet zal verderven, en het goede en ware niet geschonden worden. Dat de Heer aanhoudend dringt en daarop staat dat de mens voor zich de deur opent, blijkt uit de woorden van de Heer in de Openbaring: "Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; indien iemand Mijn stem heeft gehoord, en de deur heeft geopend, zal Ik binnengaan tot hem, en avondmalen met hem, en hij met Mij", (Openbaring 3 : 20).

 

Hoe kan de mens de boosheden schuwen?
 
Hij kan ze als uit zichzelf bestrijden door de macht des Heren,
wanneer hij die afsmeekt.
 
58 Leer des Levens.
Op de andere tafel, die voor de mens is, wordt niet gezegd dat de mens dit en dat goede zal doen, maar gezegd wordt dat hij niet dit en dat boze zal doen, zoals gij zult niet doden, niet echtbreken, niet stelen, niet vals getuigen, niet begeren. De oorzaak is deze, dat de mens niet enig goede kan doen uit zichzelf, maar wanneer hij de boze dingen niet doet, dan doet hij het goede niet uit zichzelf, maar uit de Heer.
92 Leer des Levens.
Eenieder is het vanuit het Woord en vanuit de Leer vanuit het Woord bekend dat het eigene van de mens van geboorte boos is, en dat het vandaar is, dat hij vanwege de ingeboren begeerten de boze dingen liefheeft, en daarin wordt gesleurd, zodat hij wil wreken, bedriegen, lasteren, en echtbreken; en als hij niet denkt dat het zonden zijn en om die reden deze weerstaat, dan doet hij het zo vaak de gelegenheid zich voordoet, en de faam om de eer en het gewin niet gevaar loopt. Daarbij komt nog, dat de mens die dingen doet vanuit het verkwikkelijke, als hij geen godsdienst heeft.

 bron: Emanuel Swedenborg