Hoe kan men de Christelijke godsdienst samenvatten?
 
Boosheden schuwen als zonden tegen de Heer.
265 Goddelijke Voorzienigheid.
Dat tegen de Goddelijke Voorzienigheid twijfel kan worden geopperd uit het feit dat men tot nu toe niet geweten heeft dat de boze dingen als zonden schuwen de Christelijke Godsdienst zelf is. Dat dit de Christelijke Godsdienst zelf is, werd in de ‘Leer des Levens voor Nova Hierosolyma’, van het begin tot het einde, getoond; en omdat het van de naastenliefde gescheiden geloof alleen verhindert dat het wordt opgenomen, wordt ook daarover gehandeld. Gezegd wordt dat men niet geweten heeft dat de boze dingen als zonden schuwen de Christelijke Godsdienst zelf is; dit komt omdat bijna allen het niet weten, en toch eenieder het weet; dat nochtans bijna allen het niet weten, komt omdat het gescheiden geloof dat in vergetelheid heeft gebracht; dit immers dicteert dat het geloof-alleen zaligt, en niet enig goed werk of goede van de naastenliefde; voorts dat zij niet langer onder het juk van de wet zijn, maar in vrijheid. Zij die zodanige dingen enkele malen hebben gehoord, denken niet langer over enig boze van het leven, noch over enig goede van het leven; ieder mens neigt ook vanuit zijn natuur daartoe om het te omhelzen, en wanneer hij het eenmaal omhelst heeft, denkt hij niet meer aan de staat van zijn leven. Dit is de oorzaak dat het niet geweten wordt. Dat het niet wordt geweten, is mij -Swedenborg- in de geestelijke wereld onthuld. Ik heb meer dan duizend vanuit de wereld aangekomenen gevraagd of zij weten dat de boze dingen als zonden schuwen de godsdienst zelf is; zij zeiden dat zij het niet weten, en dat dit iets nieuws is, waarvan men tot nu toe niet gehoord had; maar dat men gehoord had dat zij het goede niet kunnen doen uit zichzelf, en dat zij niet zijn onder het juk van de wet. Toen ik zei of zij niet weten dat de mens zich moet onderzoeken, zijn zonden zien, boete doen, en daarna een nieuw leven inzetten, en dat anders de zonden niet vergeven worden, en dat zij, indien de zonden niet vergeven worden, niet gezaligd worden, en dat dit met luide stem werd voorgelezen aan hen zo vaak zij aan het Heilig Avondmaal deelnamen, antwoordden zij dat zij op die dingen niet hadden gelet, maar alleen daarop dat er voor hen vergeving van de zonden is door het sacrament van het Avondmaal, en dat het geloof, zonder dat zij het weten, de overige dingen werkt. Wederom zei ik: Waarom heeft u uw kleine kinderen de Decaloog geleerd; toch opdat zij weten zouden welke boze dingen de zonden zijn die geschuwd moeten worden; of alleen opdat zij die dingen weten en geloven, en niet doen zouden; waarom wordt er dan gezegd dat het iets nieuws is; hierop konden zij niets anders antwoorden dan dat zij het weten en toch niet weten; en dat zij nooit denken over het zesde gebod wanneer zij echtbreuk plegen, of over het zevende gebod wanneer zij heimelijk stelen of bedriegen, enzovoort, te minder dat zodanige dingen zijn tegen de Goddelijke Wet, en dus tegen God. Toen ik meer dingen in herinnering bracht vanuit de leren van de Kerken en vanuit het Woord, die bevestigen dat de boze dingen als zonden schuwen en verafschuwen, de Christelijke Godsdienst zelf is, en dat een ieder geloof heeft naarmate hij schuwt en verafschuwt, bewaarden zij het stilzwijgen; maar zij werden bevestigd dat het waar is, toen zij zagen dat allen werden onderzocht naar het leven, en gericht volgens de daden, en niemand volgens het ‘van het leven gescheiden geloof’, omdat eenieder geloof heeft volgens het leven. Dat de Christelijke wereld voor het merendeel dat niet geweten heeft, is vanuit de wet van de Goddelijke Voorzienigheid dat het aan eenieder wordt overgelaten vanuit het vrije volgens de rede te handelen; voorts vanuit de wet dat niemand onmiddellijk vanuit de hemel wordt geleerd, maar door middel van het Woord, de leer, en de predikingen daaruit. En eveneens vanuit de gezamenlijke wetten van de toelating, wat ook de wetten van de Goddelijke Voorzienigheid zijn.
98 Leer des Levens.
De Christelijke Kerk wordt een strijdende Kerk genoemd, en niet kan zij strijdend worden genoemd tenzij tegen de duivel, dus tegen de boze dingen, die uit de hel zijn; de hel is de duivel. De verzoeking die de mens van de Kerk ondergaat, is die strijd. 
86 Leer des Levens.
Hoedanig is de mens, zolang de lusten van de boosheden het innerlijke van zijn natuurlijke gemoed versperren?
Hij is zolang onder een dikke wolk of sluier, in de hel, natuurlijk, dierlijk, zoals een tuin in de winter.
 
De mens heeft een natuurlijk gemoed en een geestelijk gemoed; het natuurlijk gemoed is beneden, en het geestelijk gemoed is boven: het natuurlijk gemoed is het gemoed van zijn wereld, en het geestelijk gemoed is van zijn hemel. Het natuurlijk gemoed kan genoemd worden het dierlijk gemoed, maar het geestelijk gemoed het menselijk gemoed; de mens wordt ook van het dier onderscheiden daardoor, dat hij een geestelijk gemoed heeft, waardoor hij in de hemel kan zijn terwijl hij in de wereld is: daardoor is het ook dat de mens leeft na de dood. De mens kan met het verstand zijn in het geestelijk gemoed, en vandaar in de hemel, maar hij kan niet met de wil in het geestelijk gemoed, en vandaar in de hemel, tenzij hij de boze dingen als zonden schuwt, en als hij niet met de wil ook daar is, is hij nochtans niet in de hemel, want de wil trekt het verstand omlaag, en maakt dat dit verstand even natuurlijk en dierlijk is met hemzelf.

 

bron: Emanuel Swedenborg