Wanneer begint de staat van eigenlijke wederverwekking ?
 
Wanneer hij uit genegenheid het boze wil schuwen
en het goede doen.
989. Hemelse Verborgenheden.
Wat de heerschappij over de valsheden betreft, daarmee is het evenzo gesteld als met de heerschappij over de boosheden, namelijk dat de mens niet in het minst uit zichzelf vermag te heersen over het valse. Daar hier gehandeld wordt over de heerschappij van de wedergeboren mens over de begeerte of over het ‘beest der aarde’, en over de valsheden of de ‘vogel des hemels’, moet men weten, dat nooit iemand kan zeggen wedergeboren te zijn, wanneer hij niet erkent en gelooft, dat de naastenliefde de hoofdzaak van zijn geloof is, en wanneer hij niet door liefde jegens de naaste wordt aangedaan, en zich over hem erbarmt. Uit de naastenliefde wordt zijn nieuwe wil gevormd; door de naastenliefde werkt de Heer het goede, en van het goede uit het ware, niet echter door het geloof zonder naastenliefde. Er zijn er, die alleen uit gehoorzaamheid de werken van de naastenliefde doen, dat wil zeggen, omdat het zo door de Heer geboden is, maar toch niet wedergeboren zijn; dezen worden, wanneer zij geen gerechtigheid in de werken stellen, in het andere leven wedergeboren.
 
70-73. Over de Naastenliefde.
Het tweede van de naastenliefde is de naaste het goede doen.
Jesaja, hoofdstuk 1; ‘en over de beker en de schotel welke eerst van binnen gezuiverd moeten worden’. Dat zij indien zij niet gezuiverd worden, toch uiterlijk goed schijnen; dat dit het farizeďsche is, of het huichelachtige, ofwel een zeker natuurlijke waarin niet het geestelijke is, aldus een onecht goede; en indien het geschiedt om het heil, is het een op verdienste gericht goede.
Maar deze dingen moeten worden belicht in deze volgorde:
 
1.         Dat aan de naaste het boze niet willen doen, is hem liefhebben.
2.         Dat de naaste het goede willen doen, is hem liefhebben.
3.         Dat voor zoveel als de mens de naaste niet het boze wil doen, hij hem voor zoveel het goede wil doen vanuit de naastenliefde, en niet omgekeerd.
4.         Dat daaruit volgt dat het eerste van de naastenliefde is tot de Heer schouwen en de boze dingen als zonden schuwen; en dat het tweede van de naastenliefde is de naaste het goede doen.
 
De naaste het boze niet willen doen is hem liefhebben, want wie de ander liefheeft, doet hem niet het boze. Ook Paulus zegt dat wie de naaste liefheeft, het gebod van de Decaloog bewaart; hij wil niet doden, hij wil niet hoereren met de echtgenote van de andere, hij wil niet stelen, hij gedraagt zich niet als valse getuige; en daarom zegt hij dat de volheid van de wet de naastenliefde is. Maar er wordt gevraagd wat het eerdere en wat het latere is; of het eerdere is de naaste liefhebben, en vanuit die liefde die dingen niet doen, dan wel of het eerdere is die boze dingen uit zich verwijderen, en zo de naaste liefhebben. Dit is duidelijk dat wie de naaste liefheeft, die dingen niet doet. Maar het wordt gevraagd, hoe kan iemand de naaste liefhebben? Kan hij het voordat hij de boze dingen schuwt, en daartegen strijdt? Het schijnt alsof die liefde zelf strijdt; en zij strijdt, maar niet vooraleer hij daarin is; maar dat hij in die liefde niet kan komen tenzij hij eerder die boze dingen verwijdert, kan daaruit vaststaan dat ieder mens vanuit geboorte in boze dingen van elk geslacht is, dat hij niet naar iets anders begerig is dan naar hetgeen boos is, en dat hij, indien hij niet boete daarvoor doet, daarin blijft; en daarom staan die boze dingen in de weg, zodat hij niet vanuit die geestelijke liefde de naaste kan liefhebben; en daarom zegt Paulus ook dat het vlees tegen de geest is, en dat het vlees met zijn begerigheid gekruisigd moet worden, en dat de mens zo geestelijk en een nieuw creatuur wordt; daarvandaan kan het worden gezien dat voor zoveel als de mens het vlees kruisigt, hij voor zoveel in de geest leeft; daar dus de mens zodanig is vanuit geboorte, volgt dat de geest van hem de naaste niet kan liefhebben tenzij hij zijn vlees kruisigt, hetgeen geschiedt door de boetedoening; en voor zoveel als hij dit doet, voor zoveel heeft hij vanuit de geest, dit wil zeggen, innerlijk, de naaste lief; en dat de naaste eerder vanuit het hart liefhebben, tegen de natuur van de mens is. In de Christelijke wereld geldt het geloof dat wie geloof heeft de naaste liefheeft; maar dat geloof is een dwaalgeloof; niet kan iemand een geloof hebben waarin enig leven is, tenzij hij de boze dingen als zonden schuwt, ja zelfs voor zoveel als hij die schuwt. Uit deze dingen nu blijkt dat het eerste van de naastenliefde is, niet de naaste het boze doen, want niet de naaste het boze doen is strijden tegen de boze dingen bij zich, en boete voor die doen; en dat het tweede van de naastenliefde is de naaste het goede doen. Iemand kan vanuit het beginsel dat het christelijk is de naaste niet het boze te doen, het ook niet doen; maar wie vanuit dat beginsel alleen de naaste niet het boze doet, en hem het goede doet, heeft hem toch niet lief; maar hij doet hem het boze niet vanuit de gehoorzaamheid aan de Goddelijke wet, en niet vanuit de aandoening van de liefde jegens de naaste. Van deze aandoening weet niemand, alleen wie de boze dingen als zonden schuwt, dat wil zeggen, wie de boze dingen niet liefheeft; die komt in de aandoening van die liefde. Want iets anders is vanuit de gehoorzaamheid niet het boze doen maar het goede doen, en iets anders is vanuit de aandoening van de liefde jegens de naaste hem niet het boze doen, maar hem het goede doen. Het verschil is zoals tussen de nachtelijke warmte en het nachtelijk licht vanuit de maan en de sterren, en tussen de dagwarmte en het daglicht vanuit de zon. In de gehoorzaamheid is niet de warmte van die liefde, noch is het het licht van die liefde; maar in de aandoening is het; want de aandoening van de liefde is de warmte; en daarom zijn ook zij die vanuit de gehoorzaamheid het goede hebben gedaan, in de laatsten van de hemelen, en in een licht en een warmte zoals van de maan; ook het licht van het verstand van hen is schaduwachtig; zij zien niet enige geestelijke ware dingen in het licht. Het onderscheid is ook dat wie het goede doen vanuit de gehoorzaamheid, dit doen vanuit de vrees voor straf, en zo eveneens aflaten van de boze dingen te doen; maar wie vanuit de aandoening het goede doen, die doen het niet vanuit vrees voor straf; ja zelfs zijn wie vanuit de gehoorzaamheid het goede doen, natuurlijk; doch wie het vanuit de aandoeningen doen, zijn geestelijk. Voorts zijn wie het goede doen vanuit de gehoorzaamheid zij die worden hervormd, het gaat daaraan ook vooraf; maar wie het doen vanuit de aandoening, worden wederverwekt; dit volgt in de orde. Al diegenen die hebben geloofd dat de mens wordt gezaligd door geloof-alleen, indien zij christelijk leven, door te belijden dat zij zondaren zijn, en die zich niet hebben onderzocht, doen het goede vanuit de gehoorzaamheid, en niet vanuit de aandoening; ja zelfs weten zij ook niet wat ook aangaande het geloof, noch ten aanzien van de liefde, noch ten aanzien van God, behalve hetgeen zij van de prediker horen; nochtans doen zij goed. Wie vanuit de gehoorzaamheid het goede doen, die gaan voor in de weldaden die zij de armen geven, de behoeftigen bijstaan, en giften geven voor tempels en hospitalen; en zij kunnen niet anders dan in die dingen verdienste stellen; noch verstaan zij het Woord anders, waar gezegd wordt dat zij loon zullen hebben; noch weten zij dat de aandoening zelf van het goede met de verkwikkelijke dingen ervan het loon is. De aandoening zelf van de liefde is zoals een vlam, van waaruit het licht is in de ware dingen. De oorzaak is dat de Heer invloeit in de aandoening van de mensen, en het licht geeft; ook verschijnt de liefde in de geestelijke wereld vanuit de verte als een vlam; soms alsof vlammen neerdalen vanuit de hemel, welke de aandoeningen van het goede en het ware zijn, en verschijnen zo. Het is zoals wie de koning, de magistraat, en de officier eert volgens de wetten van de ondergeschiktheid, en zo de overigen; en dan heeft hij hem niet innerlijk lief. Degenen die hem liefhebben, zien in hem het goede.

 

bron: Emanuel Swedenborg