Wat is de verzoeking?
 
Een strijd die ontstaat tussen de nieuwe wil, die boven is,
en de oude wil, die beneden is.
596 Ware Christelijke Religie.
De reden, waarom dan strijd ontstaat, is deze, dat de innerlijke mens hervormd werd door waarheden, en uit deze ziet hij wat boos en vals is, en dat het boze en valse nog in de uitwendige of natuurlijke mens zijn. Daarom ontstaat eerst onenigheid tussen de nieuwe wil, die boven is, en de oude wil, die onder is; en daar zij heerst tussen de willen, heerst zij tussen de verlustigingen van beide, want het is bekend, dat het vlees tegen de geest en de geest tegen het vlees is, en dat het vlees met zijn begeerten getemd moet worden, voordat de geest handelen en de mens nieuw worden kan. Na deze onenigheid van de willen ontstaat strijd, en deze strijd is het, die de geestelijke verzoeking wordt genoemd. Maar deze verzoeking vindt niet plaats tussen de goedheden en de boosheden, maar tussen de waarheden van het goede en de valsheden van het boze. Want het goede kan niet uit zichzelf strijden, maar het strijd door middel van de waarheden; en ook kan het boze niet uit zichzelf strijden, maar het strijd door middel van de valsheden. Zoals ook de wil niet uit zichzelf strijden kan, maar strijdt door middel van het verstand, waarin zijn waarheden zijn. De mens voelt deze strijd niet anders dan in zichzelf en als gewetensknagingen; niettemin is het de Heer en de duivel, dat wil zeggen, de hel, die in de mens strijden, en zij strijden om de heerschappij over de mens, of wie hem bezitten zal. De duivel of de hel valt de mens aan en roept zijn boosheden tevoorschijn, en de Heer beschermt hem en roept zijn goedheden tevoorschijn. Maar hoewel deze strijd in de geestelijke wereld plaatsvindt, vindt hij toch ook in de mens plaats tussen de waarheden van het goede en de valsheden van het boze, die in hem zijn. Daarom moet de mens geheel als uit zichzelf strijden, want hij is in de vrije keus om voor de Heer te handelen, en ook om voor de duivel te handelen. Hij is voor de Heer, zo hij in de waarheden van het goede blijft, en voor de duivel, zo hij in de valsheden van het boze blijft. Hieruit volgt, dat hij die wint, hetzij de innerlijke mens, hetzij de uitwendige, over de ander heerst, geheel als bij twee vijanden, die daarom strijden wie de heer over het rijk van de ander zal zijn. Hij, die wint, bemachtigt het rijk, en stelt allen, die daar zijn, onder zijn gehoorzaamheid. Indien dus in dit geval hier de innerlijke mens overwint, dan heerst hij en onderwerpt alle boosheden van de uitwendige mens, en dan wordt de wederverwekking voortgezet. Indien echter de uitwendige mens overwint, zo heerst deze, en verstrooit alle goedheden van de uitwendige mens, en aldus gaat de wederverwekking te gronde

 

bron: Emanuel Swedenborg