Wat is de eerste van de zeven staten van hervorming en wederverwekking ?
 
Dit is de staat van verlichting van het verstand,
boven de oude wil verheven en zo,
van de kennis van God en het verlangen naar nieuw leven.
7 Hemelse Verborgenheden.
De eerste staat is die welke voorafgaat, zowel van de vroegste kindertijd af als onmiddellijk vóór de wedergeboorte, en wordt ‘woestheid, ledigheid en duisternis’ genoemd. En de eerste beweging, welke de barmhartigheid van de Heer is, is met de Geest Gods aangeduid, ‘zich heen en weer bewegende over de aangezichten der wateren’.
 20 Hemelse Verborgenheden.
"En God zei: daar zij licht, en daar werd licht", (Genesis 1:3). Het eerste van de wedergeboorte is, dat de mens begint te weten dat het goede en het ware iets van hoger orde is. De mensen die geheel en al uiterlijk zijn, weten zelfs niet eens wat goed en wat waar is, want al wat tot de eigenliefde en de wereldliefde behoort achten zij goed, en alles wat deze liefden begunstigt achten zij waar, en weten dus niet, dat dat goede boos, en dat ware vals is. Maar wanneer nu de mens opnieuw ontvangen wordt, begint hij allereerst met te weten, dat het goede van hem niet goed is, en wanneer hij nader tot het licht komt, dat de Heer IS, en dat de Heer het goede en het ware Zelf is. Dat men dient te weten dat de Heer IS, zegt Hijzelf bij Johannes: "Want indien gij niet gelooft dat Ik ben, gij zult in uwe zonden sterven", (Johannes 8 : 24). Vervolgens, dat de Heer het goede zelf is, of het leven, en het ware zelf, of het licht, en aldus dat er geen goede of ware is dan van de Heer, zoals ook bij Johannes: "In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en God was het Woord, alle dingen zijn door Hem gemaakt, en zonder Hem is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. In Hem was het leven, en het leven was het licht der mensen, maar het licht schijnt in de duisternis; Hij was het ware licht, hetwelk verlicht ieder mens komende in de wereld", (Johannes 1 : 1,3,4,9).
 588 Ware Christelijke Religie.
Ter wille van dit einddoel is de mens het vermogen gegeven het verstand te verheffen bijna tot in het licht, waarin de engelen van de hemel zijn, opdat hij kan zien, wat hem betaamt te willen en vandaar te doen, opdat hij in de wereld tijdelijk voorspoedig, en na de dood tot in eeuwigheid gelukzalig is. Hij wordt voorspoedig en gelukzalig, als hij zich wijsheid verwerft, en de wil onder de gehoorzaamheid aan de wijsheid houdt; maar hij wordt rampspoedig en rampzalig, als hij zijn verstand onder de gehoorzaamheid aan de wil stelt. De reden hiervan is deze, dat de wil zich van geboorte af naar boosheden, zelfs naar monsterachtigheden neigt; daarom zou, wanneer de wil niet door middel van het verstand geremd werd, de aan het vrije van zijn wil overgelaten mens zich in alle schandedaden storten, en uit de hem ingeboren wilde natuur zou hij, ten behoeve van hemzelf, allen die hem niet begunstigen en aan zijn begeerte niet toegeven, uitplunderen en vermoorden. Bovendien zou, wanneer het verstand niet afzonderlijk vervolmaakt kon worden, en door middel daarvan de wil, de mens niet een mens, maar een beest zijn; want zonder deze afscheiding, en zonder de opklimming van het verstand boven de wil, zou hij niet hebben kunnen denken, en uit de gedachte spreken, maar alleen zijn aandoening in een klank uiten; noch had hij uit de rede kunnen handelen, maar uit het instinct; nog minder had hij de dingen, die tot God behoren, en door middel daarvan God, kunnen kennen, en zo met Hem verbonden worden, en leven in eeuwigheid. Want de mens wil en denkt als uit zichzelf, en dit "als uit zichzelf" is het wederkerige van de verbinding, want verbinding zonder het wederkerige is onbestaanbaar, evenals een verbinding van het actieve met het passieve onbestaanbaar is zonder aanpassing of toepassing. God alleen handelt, en de mens laat zich handelen, en hij werkt naar alle schijn als uit zichzelf mee, hoewel innerlijk uit God. Maar hieruit kan men, wanneer men het naar behoren gevat heeft, zien, van welke aard de liefde van de wil van de mens is, wanneer zij door middel van het verstand wordt opgeheven, en ook van welke aard zij is, wanneer zij niet wordt opgeheven; en dus van welke aard de mens is.
589 Ware Christelijke Religie.
Men moet weten, dat het vermogen om het verstand te verheffen tot het inzicht, waarin de engelen van de hemel zijn, van de schepping aan in elk mens gelegen is, zowel in de bozen als in de goeden, ja zelfs ook in elke duivel in de hel. Want allen, die in de hel zijn, zijn mensen geweest; dit is mij -Swedenborg- door levende ondervinding vaak aangetoond; maar dat zij niet in het inzicht maar in de waanzin zijn in geestelijke dingen, komt, omdat zij niet het goede, maar het boze willen; vandaar hebben zij een afkeer daarvan de waarheden te weten en te verstaan, want de waarheden zijn vóór het goede en tegen het boze. Hieruit blijkt ook duidelijk, dat het eerste van de nieuwe verwekking de opneming van de waarheden met het verstand is; en dat het tweede van de wederverwekking is, dat men overeenkomstig de waarheden wil handelen, en tenslotte ze doen. Maar toch kan men van niemand zeggen, dat hij hervormd is door de erkentenissen van de waarheden alleen; want de mens kan, vanwege het vermogen tot verheffing van het verstand boven de liefde van de wil, deze bemachtigen, en ze ook spreken, onderwijzen en prediken; maar diegene is hervormd, die in de aandoening van de waarheid ter wille van de waarheid is; want deze aandoening verbindt zich met de wil, en wanneer zij voortgaat, verbindt zij de wil met het verstand; en dan begint de wederverwekking.
602 Ware Christelijke Religie.
Maar men moet weten, dat de mens ten aanzien van het verstand bijna in het licht, waarin de engelen van de hemel zijn, kan oprijzen. Maar zo hij zich niet ook naar de wil verheft, blijft hij toch de oude mens, en niet een nieuwe. Op welke wijze echter het verstand zich meer en meer in de hoogte heft, werd eerder aangetoond. Vandaar heeft de wederverwekking in de eerste plaats betrekking op de wil, en in de tweede plaats op het verstand; want het verstand bij de mens is gelijk het licht in de wereld, en de wil gelijk de warmte daar. Dat het licht zonder de warmte geen leven en wasdom geeft, maar wel het met de warmte verbonden licht, is bekend. Ook is het verstand ten aanzien van het lagere gebied in het gemoed inderdaad in het licht van de wereld en in het licht van de hemel ten aanzien van het hogere gebied. Indien daarom de wil niet uit het lagere in het hogere geheven en daar met het verstand verbonden wordt, zo blijft hij in de wereld, en dan vliegt het verstand omhoog en omlaag, maar elke nacht met de wil beneden, en ligt daar neer, en zij verbinden zich als een man met een hoer, en verwekken tweekoppige vruchten. Hieruit blijkt heel duidelijk, dat de mens niet wederverwekt is, tenzij hij een nieuwe wil en een nieuw verstand heeft.
151 Goddelijke Voorzienigheid (gedeeltelijk):
Maar hier zal iets gezegd worden hoe de innerlijke mens hervormd wordt, en door hem de uitwendige. De innerlijke mens wordt niet hervormd door alleen weten, verstaan, en wijs zijn; bijgevolg niet door alleen denken, maar door datgene te willen wat de wetenschap, het inzicht, en de wijsheid leert. Wanneer de mens weet, verstaat en daarin wijs is dat de hemel en de hel zijn,en dat al het boze vanuit de hel is, en al het goede vanuit de hemel, dan is hij, indien hij dan het boze niet wil omdat het uit de hel is, maar het goede wil, omdat het vanuit de hemel is, in de eerste graad van de hervorming, en op de drempel vanuit de hel tot de hemel.

 

bron: Emanuel Swedenborg