Wat is de tweede van de zeven staten van hervorming en wederverwekking ?

 
De onderscheiding en scheiding
tussen de dingen die van de Heer zijn
en welke het eigene van de mens zijn,
dus tussen het innerlijke en het uitwendige.
151 Goddelijke Voorzienigheid (gedeeltelijk):
Wanneer de mens verder voortschrijdt, en wil aflaten van de boze dingen, is hij in de tweede graad van de hervorming, en dan is hij buiten de hel maar nog niet in de hemel; deze ziet hij boven zich. Dit innerlijke moet er zijn opdat de mens hervormd kan worden; maar tenzij het ene en het andere, zowel het uitwendige en het innerlijke, hervormd wordt, is de mens niet hervormd. Het uitwendige wordt hervormd door het innerlijke, wanneer het uitwendige aflaat van de boze dingen welke het innerlijke niet wil omdat zij hels zijn, en temeer wanneer hij die om die reden schuwt, en tegen die strijdt, dan is het innerlijke het willen en het uitwendige het doen, want tenzij iemand doet wat hij wil, is van binnen dat wat hij niet wil, en dit wordt tenslotte niet willen. Uit dit weinige kan men zien hoe de uitwendige mens wordt hervormd door de innerlijke.
8 Hemelse Verborgenheden.
De tweede staat: wanneer er onderscheid wordt gemaakt tussen de dingen, die van de Heer zijn en die, welke de mens eigen zijn. Die van de Heer zijn, worden in het Woord overblijfselen genoemd; dit zijn voornamelijk de erkentenissen van de dingen van het geloof, welke de mens van zijn kindertijd af geleerd heeft. Deze erkentenissen worden bewaard en komen niet te voorschijn vooraleer hij in die staat gekomen is. Deze staat komt heden ten dage zelden voor zonder verzoeking, rampspoed, droefenis, hetgeen uitwerkt dat al de dingen van het lichaam en van de wereld - dus al de dingen die het eigene van de mens uitmaken - tot rust komen en als het ware sterven. Zo dus worden de dingen die tot de uiterlijke mens behoren, gescheiden van de dingen die van de innerlijke mens zijn. In de innerlijke mens zijn de overblijfselen, die door de Heer voor deze tijd en voor dat doel bewaard zijn.
24 Hemelse Verborgenheden.
"En God zei: Daar zij een uitspansel in het midden van de wateren, en dat make scheiding tussen de wateren voor de wateren", (Genesis 1:6). Nadat de Geest Gods, of de barmhartigheid van de Heer, de erkentenissen van het ware en het goede aan de dag heeft gebracht, en het eerste licht gegeven, namelijk dat de Heer IS, en dat de Heer het goede zelf is, en het ware zelf, en dat er niet enig goed en waar is dan van de Heer, maakt Hij vervolgens onderscheid tussen de innerlijke mens en de uiterlijke, en dus tussen de erkentenissen, die bij de innerlijke mens zijn, en de verzamelde kennis, die van de uiterlijke mens is. De innerlijke mens wordt uitspansel genoemd; de erkentenissen die bij de innerlijke mens zijn, heten wateren boven het uitspansel; en de verzamelde kennis van de uiterlijke mens wordt wateren onder het uitspansel genoemd. Voordat de mens wordt wedergeboren, weet hij zelfs niet eens dat er een innerlijke mens bestaat, nog minder wat de innerlijke mens is, daar hij geen onderscheid tussen deze ziet, terwijl hij, ondergedompeld in lichamelijke en wereldse dingen, er tevens al datgene in dompelt wat van de innerlijke mens is, en uit streng onderscheiden verscheidenheden maakt hij één duistere verwarring. Daarom wordt er eerst gezegd: ‘daar zij een uitspansel in het midden van de wateren’, en dan: ‘het make scheiding voor de wateren tussen de wateren’, maar niet, het make scheiding tussen wateren en wateren. Dit volgt evenwel terstond daarop in vers 7 en 8: "En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was alzo. En God noemde het uitspansel hemel". Bijgevolg is het tweede wat de mens gewaar wordt, wanneer hij wordt wedergeboren, dit, dat hij begint te weten, dat er een innerlijke mens bestaat; of dat de dingen die bij de innerlijke mens zijn, het goede en het ware zijn, welke van de Heer alleen komen. En omdat de uiterlijke mens, wanneer hij wordt wedergeboren, van dien aard is, dat hij nochtans denkt, dat hij het goede wat hij doet, uit zichzelf doet, en het ware wat hij zegt, uit zichzelf zegt, wordt hij, omdat hij zo gevormd is, hierdoor, dus als het ware door zijn eigen ik, van de Heer er toe geleid het goede te doen en het ware te spreken. Om die reden wordt eerst de nadruk gelegd op de wateren die onder het uitspansel zijn, en dan op de wateren die boven het uitspansel zijn. Het is ook een hemelse verborgenheid, dat de mens door het eigene, zowel door het bedrieglijke van de zinnen als door de begeerten, geleid wordt, en door de Heer tot die dingen gebogen wordt, die waar en goed zijn, en dat aldus alle fasen van de wedergeboorte, zowel in het algemeen als in het bijzonder, voortschrijden van de avond tot de morgen, gelijk van de uiterlijke mens tot de innerlijke, of van de aarde tot de hemel: daarom wordt nu het uitspansel of de innerlijke mens, hemel genoemd.

 

bron: Emanuel Swedenborg