Welke dingen zijn van de Heer bij iemand, die nog niet is wederverwekt ?
 
De overblijfselen van de kindertijd en jeugd,
wat de staat is van onschuld en vrede, van liefde en naastenliefde,
van medelijden, van de kennis van het goede en ware,
en van de daaruit voortvloeiende genegenheden en gedachten.
Deze overblijfselen worden in het binnenste van iedereen opgeborgen en bewaard.  
Zie ook bij de vorige vraag, Hemelse Verborgenheden nr. 8 en 24.
 
22 Hemelse Verborgenheden.
"En het was avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag", (Genesis 1:5). Avond is iedere voorafgaande staat, een staat van schaduw, of valsheid, en zonder enig geloof. Morgen is elke volgende staat, welke er een is van licht, of waarheid en erkentenissen van het geloof. Avond betekent in het algemeen alle dingen, die het eigene van de mens zijn, maar morgen alle dingen, die van de Heer zijn; zoals bij David: "De Geest van Jehovah heeft in mij gesproken, en Zijn rede is op mijn tong geweest; de God Israëls heeft gezegd, de rotssteen Israëls heeft tot mij gesproken. Hij is als het licht van de morgen, wanneer de zon opgaat, een morgen zonder wolken, wanneer de glans van de regen, de grasscheutjes uit de aarde spruiten", (2 Samuel 23:2,3,4). Omdat het avond is, wanneer er geen geloof is, en morgen wanneer er wel geloof is, wordt de Komst van de Heer in de wereld morgen genoemd; en de tijd waarin Hij komt, omdat er dan geen geloof meer is, wordt avond genoemd, zoals bij Daniël: "De Heilige zei tot mij, tot aan de avond wanneer het morgen wordt, tweeduizend en driehonderd", (Daniël 8:14,26). Desgelijks wordt in het Woord morgen voor alle komst van de Heer genomen, daarom is het een aanduiding voor de nieuwe schepping.
 
HV 561. Hemelse Verborgenheden.
Maar opdat men kan weten, wat overblijfselen zijn: dit zijn niet alleen de goedheden en de waarheden, die de mens uit het Woord van de Heer van kindsbeen af geleerd heeft en die aldus in zijn geheugen gegrift zijn, maar het zijn ook alle staten die daaruit zijn afgeleid, zoals de staten van de onschuld van de vroegste kindsheid af, de staten van de liefde jegens de ouders, de broers, de meesters, de vrienden; de staten van liefde jegens de naaste, alsmede van ontferming jegens de armen en noodlijdenden, kortom alle staten van het goede en ware. Deze staten en ook de in het geheugen gegrifte goedheden en waarheden, heten overblijfselen, welke door de Heer bij de mens worden bewaard en verborgen gehouden in zijn innerlijke mens, zonder dat hij er iets hoegenaamd van weet, en terdege gescheiden van datgene, wat het eigen ik van de mens uitmaakt of de boosheden en valsheden. Al deze staten worden door de Heer bij de mens bewaard, zodat er ook niet het minste van verloren gaat, hetgeen mij hieruit te weten werd gegeven, dat iedere staat van de mens, van zijn vroegste kindertijd af tot aan zijn hoogste ouderdom toe, in het andere leven niet alleen blijft, maar ook wederkeert, en wel geheel en al zo, als zij waren toen hij in de wereld leefde; en dus niet alleen de goedheden en waarheden van het geheugen, maar ook al de staten van onschuld en van naastenliefde. En wanneer de staten van het boze en valse, of van de boosaardigheid en de fantasie terugkomen, want ook deze blijven en keren alle weer tot in de kleinste bijzonderheden, dan worden door de Heer deze staten door middel van gene verzacht. Hieruit kan blijken, dat de mens, als hij geen overblijfselen had, nooit anders dan in de eeuwige verdoemenis zou kunnen zijn.
 
HV 1906. Hemelse Verborgenheden. (gedeeltelijk)
Wat de overblijfselen zijn, namelijk dat zij alle staten zijn van de neiging tot het goede en ware, waarmee de mens door de Heer begiftigd is van de vroegste kindertijd af tot aan het einde van het leven, welke staten voor hem worden weggeborgen ten behoeve van zijn leven na de dood. Want alle staten van zijn leven keren in het andere leven achtereenvolgens terug, en dan worden zij door de staten van het goede en het ware, waarmee hij door de Heer begiftigd is, getemperd. Hoe meer overblijfselen hij daarom in het leven van het lichaam ontvangen heeft, of hoe meer goeds en waars, des te aangenamer en schoner zijn overige staten verschijnen, wanneer die terugkeren. Dat het hiermee zo gesteld is, kan eenieder inzien, wanneer hij daarover nadenkt; wanneer de mens geboren wordt, heeft hij niets goeds en waars uit zichzelf, maar hij is geheel en al met het erfboze bezoedeld, maar daarentegen vloeit al het goede in, bijvoorbeeld dat hij zijn ouders, zijn voedsters, zijn vrienden liefheeft, en zulks uit onschuld; dit is het, hetgeen van de Heer door de hemel van de onschuld en de vrede, welke de binnenste is, invloeit, en zo dus wordt de mens, zolang hij een klein kind is, daarmee vervuld. Later, wanneer hij opgroeit, wijkt dit kinderlijk goede, onschuldige en vredige terug, en hoe meer hij in de wereld wordt ingeleid, des te meer komt hij in de lusten daarvan, en in de begeerten, en zo dus in boosheden, en in dezelfde mate beginnen de hemelse dingen of goedheden van de kinderlijke leeftijd te verdwijnen, niettemin blijven ze aanwezig, en hierdoor worden de staten getemperd, welke de mens later aanneemt en zich toeëigent; zonder deze kan de mens nooit mens zijn; want de staten van de begeerten of van het boze zouden, zonder de matiging door de staten van de neiging tot het goede, wreder zijn dan van enig dier; deze staten van het goede zijn het, die overblijfselen worden genoemd, door de Heer geschonken, en in de inborst van de mens geplant, en wel zonder dat de mens het weet.
 
W 611. Ware Christelijke Religie
Dat voor zoveel als de mens wordt wederverwekt, de zonden verwijderd worden, komt omdat de wederverwekking daarin bestaat, het vlees te beteugelen, opdat het niet zal overheersen, en de oude mens met zijn begeerten te temmen, opdat hij zich niet zal verheffen en het verstandelijke verderven. Na zo’n verderf is de mens niet langer voor hervorming vatbaar. Deze hervorming kan niet plaats vinden, tenzij het geestelijke van de mens, dat boven het vlees is, onderricht en vervolmaakt wordt. Wie, die nog over een gezond verstand beschikt, kan hieruit niet besluiten, dat dergelijke dingen niet in een oogwenk kunnen geschieden, maar dat zij geleidelijk gebeuren, zoals de mens ontvangen, in de baarmoeder gedragen, geboren en opgevoed wordt, overeenkomstig de dingen, die boven werden aangetoond? Want de dingen die tot het vlees of tot de oude mens behoren, kleven van geboorte af aan, en bouwen het eerste huis van zijn gemoed, waarin de begeerten wonen, gelijk de wilde dieren in hun holen; en zij wonen eerst in de voorhoven, en gaan binnen, en klimmen allengs langs trappen omhoog, en vormen zich kamers. Dit geschiedt geleidelijk, zoals een klein kind groeit, een knaap wordt, en daarna een jongeling, en dan uit eigen verstand begint te denken en uit eigen wil te handelen. Wie ziet niet, dat dit tot dusver in het gemoed opgetrokken huis, waarin de begeerten als ochim, zijim en saters hand in hand dansen, niet in een oogwenk verwoest, en een nieuw huis op zijn plaats gebouwd kan worden. Moeten niet eerst de begeerten, die elkaar bij de hand houden en aldus hun spel spelen, verwijderd zijn, en nieuwe verlangens, die tot het goede en ware behoren, in de plaats van de begeerten, die tot het boze en valse behoren, binnengeleid zijn. Dat deze dingen niet in een oogwenk gebeuren, kan ieder wijs mens alleen hieruit al zien, dat elk boze is samengevlochten uit talloze begeerten, en dat het is als een vrucht, onder de oppervlakte vol wormen wit van lichaam en zwart van kop; en ook dat de boosheden talrijk zijn en onder elkaar verbonden, zoals het kroost van een spin, als het pas uit haar buik is uitgebroed. Daarom kan, wanneer niet het ene boze na het andere wordt uitgetrokken, en dit wel zolang, tot het verband gebroken is, de mens niet nieuw worden. Deze dingen werden aangevoerd, opdat zal men weten, dat voor zoveel iemand wordt wederverwekt, de zonden verwijderd worden.

 

bron: Emanuel Swedenborg