Hoe wordt de inwendige mens hervormd ?
 
Door het goede en ware te willen en te denken. 
151 Goddelijke Voorzienigheid (gedeeltelijk):
Wanneer de mens verder voortschrijdt, en wil aflaten van de boze dingen, is hij in de tweede graad van de hervorming, en dan is hij buiten de hel maar nog niet in de hemel; deze ziet hij boven zich. Dit innerlijke moet er zijn opdat de mens hervormd kan worden; maar tenzij het ene en het andere, zowel het uitwendige als het innerlijke, hervormd wordt, is de mens niet hervormd. Het uitwendige wordt hervormd door het innerlijke, wanneer het uitwendige aflaat van de boze dingen welke het innerlijke niet wil omdat zij hels zijn, en te meer wanneer hij die om die reden schuwt, en tegen die strijdt; zo is het innerlijke het willen en het uitwendige het doen, want tenzij iemand doet wat hij wil, is van binnen dat wat hij niet wil, en het wordt tenslotte niet willen. Uit dit weinige kan men zien hoe de uitwendige mens wordt hervormd door de innerlijke.
 592 Ware Christelijke Religie.
Maar de innerlijke en de uitwendige mens van de Nieuwe Kerk zijn geheel en al anders. De innerlijke mens behoort tot zijn wil, waaruit hij denkt, wanneer hij aan zichzelf is overgelaten, hetgeen geschiedt wanneer hij in zijn huis is; terwijl de uitwendige mens zijn handeling en spraak is, die van hem uitgaan wanneer hij tussen anderen is, dus buiten. Dus is de innerlijke mens de naastenliefde, aangezien deze tot de wil behoort, en tevens het geloof, wat tot het denken behoort. Deze beide mensen maken vóór de wederverwekking de natuurlijke mens uit, die zo dus verdeeld is in een innerlijke en een uitwendige. Dit blijkt duidelijk hieruit, dat het de mens niet veroorloofd is, tussen anderen of buiten zo te handelen en te spreken als wanneer hij aan zichzelf overgelaten of in zijn huis is. De oorzaak van deze verdeling is, dat de burgerlijke wetten straffen voorschrijven voor hen die boos handelen, en beloningen voor hen die wèl handelen; en aldus dwingen zij zich om de uitwendige mens van de inwendige mens te scheiden, want niemand wil gestraft, en een ieder wil beloond worden, wat door rijkdommen en eerbewijzen geschiedt. Deze beide bereikt de mens niet, zo hij niet naar die wetten leeft; vandaar komt het, dat er zedelijkheid en welwillendheid bestaat in de uitwendige dingen, ook bij hen, die geen zedelijkheid en welwillendheid in de innerlijke dingen hebben; van deze oorsprong is alle huichelarij, vleierij en geveinsdheid.
 
 
Hoe wordt de uitwendige mens hervormd ?
 
Door het goede en ware te doen en te spreken.
 
Zie bij de vorige vraag.

 

 

bron: Emanuel Swedenborg