Hoe schrijdt de heerschappij voort zolang hij een geestelijk mens is ?
 
Van geloof, dat tot het verstand behoort,
naar de liefde, die tot de wil behoort;
dus van de uitwendige mens naar de inwendige.
83 Hemelse Verborgenheden.
Er wordt gezegd: "volbracht zijn de hemelen en de aarde, en al hun heir", (Genesis 2:1), wanneer de mens de zesde dag geworden is; want dan maken geloof en liefde één uit, en wanneer zij één uitmaken, begint in de plaats van het geloof de liefde het voornaamste te zijn, dat wil zeggen, niet het geestelijke, maar het hemelse is het voornaamste, wat betekent dat de mens hemels is.
89 Hemelse Verborgenheden.
"Dit zijn de geboorten van de hemelen en van de aarde, als zij geschapen werden, ten dage als Jehovah God de aarde en de hemelen maakte", (Genesis 2:4). De geboorten van de hemelen en van de aarde stellen de formering van de hemelse mens voor. Dat nu over zijn formering gehandeld wordt, blijkt duidelijk ook uit de bijzonderheden die volgen. Zo bijvoorbeeld dat er nog geen kruid was uitgesproten, dat er nog geen mens was om de aardbodem te bouwen; vervolgens dat Jehovah God de mens had geformeerd, en daarna al het gedierte en het gevogelte van de hemelen, terwijl deze toch reeds geformeerd waren. Daarom is er hier sprake van een andere mens, hetgeen ook nog hieruit blijkt, dat nu voor het eerst wordt gesproken van Jehovah God, maar in het voorgaande, toen het de geestelijke mens betrof, alleen van God. Verder wordt er nu gesproken van aardbodem en veld, in het voorgaande alleen van aarde. En dat in dit vers de hemel eerst wordt gesteld vóór aarde, en daarna aarde vóór hemel, vindt hierin zijn reden, dat de aarde de uiterlijke mens betekent en de hemel de innerlijke mens bij de geestelijke mens, in wie de hervorming begint met de aarde of de uiterlijke mens; hier echter, waar van de hemelse mens sprake is, begint zij vanuit de innerlijke mens, of de hemel.
 95 Hemelse Verborgenheden.
Er wordt hier over het leven van de uiterlijke mens gehandeld; in de beide vorige verzen over het leven van zijn geloof of verstand, in dit vers over het leven van zijn liefde of zijn wil. De uiterlijke mens wilde tevoren de innerlijke mens niet gehoorzamen en dienen, maar streed voortdurend tegen hem, om welke reden de uiterlijke mens toen geen mens was. Nu evenwel de mens hemels is geworden, begint de uiterlijke mens gehoorzaamheid te betonen en hem te dienen, en wordt hij ook een mens en wel door het leven van het geloof en door het leven van de liefde. Het leven van het geloof bereidt hem voor, het leven van de liefde maakt dat hij een mens is.
 99 Hemelse Verborgenheden.
Bij de geestelijke mens is het leven zo gesteld of geordend, dat de Heer weliswaar invloeit door het geloof in de dingen van zijn verstand, van zijn rede, en van zijn kennis, maar daar zijn uiterlijke mens met zijn innerlijke mens in strijd is, schijnt het hem toe als kwam hem het inzicht niet van de Heer, maar van hemzelf door middel van de dingen van zijn wetenschap en rede. Daarentegen is het leven of de orde van het leven van de hemelse mens zo, dat het de Heer is, die door de liefde en door het geloof van de liefde invloeit in de dingen van zijn verstand, van zijn rede en van zijn kennis. En daar hij niet in strijd is, voelt hij dat dit zo is; bijgevolg, de orde die bij de geestelijke mens nog verstoord is, is bij de hemelse mens hersteld. Deze orde, of deze mens, wordt ‘een hof van Eden tegen het oosten’ genoemd. In de hoogste zin is de hof geplant door Jehovah God in Eden tegen het oosten, de Heer Zelf; in de meest innerlijke zin, die tevens ook de algemene is, het Rijk van de Heer en de hemel, waarin de mens wordt gesteld wanneer hij hemels is geworden. Zijn staat is dan deze: met de engelen in de hemel te zijn, en als het ware een van hen; want de mens is zo geschapen dat hij gedurende zijn leven op aarde tevens in de hemel is; dan zijn al zijn gedachten en alle voorstellingen van zijn gedachten, ja zelfs de woorden en handelingen geopend, en het hemelse en geestelijke is daarin, en zij staan open tot aan de Heer toe, want het leven van de Heer is in eenieder en maakt, dat hij de innerlijke gewaarwording heeft.

 

bron: Emanuel Swedenborg