Waarom kan de Heer de lusten van het boze niet zonder de instemming
en de medewerking van de mens verwijderen?
 
Omdat de mens zelf niets anders is dan zijn eigen liefde en genot,
en deze zonder zijn instemming te verwijderen zou gelijk staan
met zijn leven te vernietigen.
59 Hemelse Verborgenheden (gedeeltelijk):
Dat hier alleen het moeskruid en het groene kruid de natuurlijke mens tot spijs strekt, vindt zijn reden hierin: terwijl de mens wordt wedergeboren en geestelijk wordt, is hij voortdurend in strijd, waarom de Kerk van de Heer een strijdende Kerk genoemd wordt. Aanvankelijk toch waren de lusten overheersend, want de gehele mens is uit louter lusten en daaruit voortvloeiende valsheden samengesteld. Wanneer hij wordt wedergeboren, kunnen zijn lusten en valsheden niet terstond opgeheven worden, want dat zou gelijk staan met de gehele mens te vernietigen; hij heeft zichzelf immers geen ander leven verworven. Daarom worden boze geesten voor lange tijd bij hem gelaten, om zijn lusten op te wekken, zodat deze op ontelbare wijze kunnen worden verzwakt, en wel zodanig, dat zij door de Heer tot iets goeds gebogen kunnen worden, en de mens aldus kan worden hervormd. De boze geesten die de felste haat koesteren tegen alles wat goed en waar is, dat wil zeggen, tegen al wat behoort tot de liefde en het geloof in de Heer - en deze alleen zijn goed en waar omdat zij het eeuwige leven in zich hebben - deze boze geesten laten tijdens de worstelingen de mens geen ander spijs dan hetgeen vergeleken wordt met moeskruid en met het groene kruid. De Heer echter geeft hem ook spijs, die vergeleken wordt met zaadzaaiende kruid, en met geboomte waarin vrucht is, en dit is rust en vrede, met hun vreugde en geluk; dit geschiedt bij tussenpozen. Als de Heer de mens niet beschermen zou, ieder ogenblik, en zelfs in het kleinste ogenblik, zou hij terstond te gronde gaan, want er heerst in de wereld der geesten zulk een dodelijke haat jegens alles wat met de liefde tot en het geloof in de Heer samenhangt, dat het in het geheel niet beschreven kan worden.
33 Goddelijke Voorzienigheid (gedeeltelijk):
Omdat nu de Heer in de liefde van het leven van eenieder invloeit, en door de aandoeningen van hem in de doorvattingen en het denken, en niet omgekeerd, volgt dat hij zich niet nader kan verbinden dan naar gelang de liefde van het boze met de aandoeningen ervan, welke de begerigheden zijn, verwijderd is. Omdat deze in de natuurlijke mens zetelen, en omdat de mens al wat hij vanuit de natuurlijke mens doet, gewaarwordt alsof hij het vanuit zich doet, daarom moet de mens zoals vanuit zich de boze dingen van die liefde verwijderen, en voor zoveel hij die dan verwijdert, voor zoveel treedt de Heer nader toe, en verbindt Zich met hem. Ieder kan vanuit de rede zien dat de begeerten met de verkwikkelijke dingen ervan de deuren voor de Heer versperren en sluiten, en dat zij door de Heer niet kunnen worden uitgeworpen zolang de mens zelf de deuren gesloten houdt, en van buiten dringt en aanduwt opdat zij niet geopend worden. Dat de mens zelf moet openen, blijkt uit de woorden van de Heer in de Apocalyps: "Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal gehoord hebben, en de deur zal geopend hebben, zal Ik tot hem binnengaan en Ik zal met hem avondmalen, en hij met Mij", (Apocalyps 3:20). Daaruit blijkt dat voor zoveel als iemand de boze dingen als duivelse dingen schuwt en als dingen die het binnengaan van de Heer belemmeren, hij voor zoveel nader en nader met de Heer wordt verbonden.
184. Goddelijke Voorzienigheid.
Evenzo geschiedt met het andere boze waarin de mens vanuit het erfelijke is, zoals met: echtbreuken, bedriegerijen, wraaknemingen, lasteringen, en andere dergelijke dingen, die alle niet anders verwijderd kunnen worden dan, opdat er vrijheid om die dingen te denken en te willen overgelaten wordt, en dat zo de mens de dingen zoals uit zich verwijdert. Dit kan hij echter niet, tenzij hij de Goddelijke Voorzienigheid erkent, en afsmeekt dat het hierdoor geschiedt. Zonder die vrijheid en de Goddelijke Voorzienigheid tegelijk zouden die boze dingen gelijk zijn aan een opgesloten en niet uitgedreven vergif dat zich spoedig rondom verspreiden zou en alle dingen ten dode zou doemen; en zij zouden zijn zoals een ziekte van het hart zelf, waardoor het ganse lichaam spoedig afsterft.
 293 Hemel en Hel.
Dat geesten die met de hel verbonden zijn, ook aan de mens worden toegevoegd, is omdat de mens in allerlei boosheid geboren wordt en zodoende zijn eerste leven, alleen van hen heeft. Om dezelfde reden zou de mens niet kunnen leven, wanneer geen geesten zoals hijzelf met hem verbonden waren, en ook zou hij niet aan zijn boosheden onttrokken en hervormd worden. Om deze reden wordt de mens door kwade geesten in zijn eigen leven gehouden en door goede geesten daarvan afgehouden en door middel van beiden is hij in evenwicht. Door dit evenwicht is de mens in vrijheid en kan hij van het kwade worden afgehouden en naar het goede geleid worden, en kan het goede in hem worden ingeplant, wat in geen geval zou kunnen gebeuren als hij niet in vrijheid verkeerde. Ook zou hij niet vrij zijn, tenzij geesten uit de hel aan de ene zijde en geesten uit de hemel aan de andere zijde op hem inwerken en hijzelf er middenin staat. Het is ook duidelijk gebleken, dat de mens in zoverre dat hij aanvaardt dat wat aangeboren en daardoor van hemzelf is geen leven zou bezitten, indien het hem niet geoorloofd was in het kwade te zijn en ook geen als hij niet vrij was; en verder, dat hij niet tot het goede gedwongen kan worden en dat hetgeen opgedrongen wordt niet blijft bestaan; en verder nog, dat het goed wat een mens in vrijheid ontvangt, in zijn wil wordt ingeplant, en als van hemzelf wordt, en dat de mens verbinding heeft met de hel en verbinding met de hemel.

 

bron: Emanuel Swedenborg